MilITAIRE CANON
Terug naar de homepage
 

Militaire canon

1. MILITAIRE WILLEMS-ORDE

3. CAPTAIN 'HARRY' BESTEBREURTJE: VAN LIAISON TOT PREDIKANT
4. PRINS MAURITS

5. HEUVEL 325, KOREA, 15 FEBRUARI 1951

6. TROEPENMACHT IN SURINAME

7. LA GRANDE GUERRE, 1914 - '18

8. SLAG OM CHORA, 15 - 19 JUNI 2007

9. WATERLOO, 18 JUNI 1815

11. CHASSÉ VERDEDIGT DE CITADEL VAN ANTWERPEN, 1832
12. TJAKRA NEGARA, 1894, NEDERLANDS-INDIE

13. SLAG OM ARNHEM, NO. 2 (DUTCH) TROOP, W.O. II

14. OVERSTE VERMEULEN KRIEGER, NEDERLANDS-INDIE

15. VREDE VAN MUNSTER, 15 MEI 1648

16. SLAG OM AT TIRI, UNIFIL, APRIL 1980

17. TIENDAAGSE VELDTOCHT, AUGUSTUS 1831

18. JACK BOER, NEDERLANDS-INDIE

19. SREBRENICA, DUTCHBAT-III, 11 JULI 1995

20. RAWAGEDE, NEDERLANDS-INDIE, 9 DECEMBER 1947

21. FRED SPIJKERS

22. HONDERDVIJFENTACHTIG JAAR DIENSTPLICHT

23. KING KONG: VERZETSMAN, DUBBELSPION, VERRADER

24. HERMENS & HOPPENBROUWERS, SARAJEVO 1992

25. KAREL "ALL SHIPS, FOLLOW ME" DOORMAN, 27 FEBRUARI 1942

26. ZUID-CELEBES, NEDERLANDS-INDIE, 1946 - '47

31. BELEG VAN 's-HERTOGENBOSCH, 1629

33. TREINKAPING BIJ DE PUNT, MEI 1977

34. JEAN VICTOR 'JUNGLE PIMPERNEL' DE BRUIJN, 1943 EN '44
35. HOLLANDER KORPS BIJ ELANDSLAAGTE, 21 OKTOBER 1899

36. SLAG BIJ MALPLAQUET, 11 SEPTEMBER 1709

37. GREBBELINIE, TWEEDE WERELDOORLOG

38. TRIX TERWINDT, ENIGE VROUW VAN HET ENGLANDSPIEL

39. VREDESOPERATIES

40. MENNO VAN COEHOORN, BELEGERAAR EN MORTIERIST
41. ZWARTENDIJKSTERSCHANS EN STUYVESANT'S FORTEN

42. SLAG BIJ DE MOOKERHEIDE, 14 APRIL 1574

43. ENGELANDVAARDERS, W.O. II

44. HELMENAFFAIRE

45. VAN KORPS ZWARTE JAGERS TOT EINDE SLAVERNIJ

46. PIETER JANSZ. JONG, PAUSELIJK ZOEAAF, 1867

47. KAPITEIN G.D. BENTHIEN, BRUGSLAG ONDER NAPOLEON IN 1812

48. MINISTERS VAN DEFENSIE

49. AFRIKA

50. DEN BRIEL, 1 APRIL 1572
51. BATAVEN: EERSTE NEDERLANDSE KRIJGERS
52. JOHANNES VAN DEN BOSCH: GEESTDRIFTIG EN VERLICHT
53. VAN SPEYK, DAN LIEVER DE LUCHT IN, 5 FEBRUARI 1831
54. KOKKELINK: KRIJG IN HET OERBOS VAN NIEUW-GUINEA
55. TAZELAAR: ENGELANDVAARDER MET DE SOLDAAT VAN ORANJE
56. 'WAPENHANDELINGHE', JACOB DE GHEYN, 1607
57. KENAU SIMONSDOCHTER HASSELAER, "EEN MANNINNE"
61. P.A.H. GERAERDS THESINGH’S KANAAL OVER DE VELUWE
65. PIET HEYN'S ZILVERVLOOT, 8 SEPTEMBER 1628

77. KRAIJENHOFF (1758-1840), ARTS EN SELFMADE DUIZENDPOOT

83. J.F.C. TOELEN, ORDONNANS OP DE GREBBEBERG (1940)
88. HET ZOVEELSTE BELEG VAN GROL (1627)
97. KÖHLER: GERIDDERD IN LAMPONG, GEFAALD IN ATJEH
98. T.J. STIELTJES SR., INGENIEUS VRIJDENKER
100. GRUTTE PIER, KRIJGSMAN VOLGENS OVERLEVERING
 

 

1

MILITAIRE WILLEMS-ORDE

Mevrouw Jos Gemmeke-Mulder, in de oorlog beter bekend als Els van Dalen en de Sphinx.

De Militaire Willems-Orde is door Koning Willem I ingesteld op 30 april 1815 “tot belooning van uitstekende daden van moed, beleid en trouw, bedreven door diegenen, welke, zoo ter zee als te lande, in welke betrekking ook, en zonder onderscheid van stand of rang, Ons en het Vaderland dienen. Deze Orde zal echter in bijzondere gevallen ook kunnen worden gegeven aan vreemde militairen, niet in Nederlandschen dienst zijnde.” Op 8 juli 1815 werden naar aanleiding van de Slag bij Waterloo de eerste 1.004 exemplaren van de Militaire Willems-Orde uitgereikt.

Volgens het Koninklijk Besluit van 8 juli 1950 werd op 28 februari 1951 mevrouw Jos Gemmeke door Hare Majesteit Koningin Juliana tot Ridder der 4de klasse MWO geslagen. Jos Gemmeke, geboren Brunita Josepha Gemmeke in Amsterdam op 3 juni 1922, trouwde in 1948 met oorlogsvlieger en ridder MWO Nicolaas Joop Mulder. Zelf werd ze Daarmee vormden de Mulders het enige MWO-echtpaar in de geschiedenis. Behalve de MWO ontving ze het Verzetsherdenkingskruis en de King’s Medal for Courage in the Cause of Freedom (voor het helpen ontsnappen van Britse gevangenen in bezet vijandelijk gebied)

De Militaire Willems-Orde is de hoogste militaire dapperheidsonderscheiding van Nederland, bijgenaamd ‘het Molentje’.

De medaille combineert een Maltezer- met een Bourgondisch kruis onder een koningskroon.

Jos Gemmeke - in de oorlog beter bekend onder de schuilnamen Els van Dalen en Sphinx - begon vanuit Den Haag vanaf 1943/'44, samen met een vriend van haar (Cock van Paaschen), met het stencilen en verspreiden door heel Nederland van het illegale krantje ‘Je Maintiendrai’. Ook bezorgde ze radiozenders en andere apparatuur vanuit Engeland aan het Nederlandse verzet.

In oktober ’44 begaf ze zich als koerier per fiets in bezet gebied. In haar schoudervulling en achter de spiegel van haar poederdoos verborg ze microfilms met informatie over de Duitse troepenconcentraties en de lanceerplaatsen van de V-1's en V-2's.

Die moest ze afleveren op het hoofdkwartier van Prins Bernhard in Brussel.

Koningin Juliana slaat Jos Gemmeke op 28 februari 1951 tot Ridder der 4de klasse Militaire Willems-Orde.

Ondanks problemen onderweg – in Gorinchem om op de veerpont te geraken; geallieerd en Duits vuur ter hoogte van Heusden en Vught – leverde ze de films keurig af bij Prins Bernhard. Vanuit Brussel werd ze op het vliegtuig naar Londen gezet, waar ze in contact kwam met de Special Operations Executive - Winston Churchill’s in 1940 opgerichte Secret Army – en het vrouwenkorps First Aid Nursing Yeomanry (FANY).

In de nacht van 10 op 11 maart 1945 werd Jos Gemmeke geparachuteerd boven bezet Nieuwkoop (Zuid-Holland); door een te lage dropping liep ze permanent rugletsel op. Toch slaagde ze erin de met haar afgeworpen wapens en 100.000 gulden voor het vezet te distribueren.

Na de oorlog was Jos Gemmeke 23 jaar. Ondanks haar heldendaden en voorname contacten bleef ze huisvrouw. Ze is ervan overtuigd dat ze de oorlog heeft overleefd door voorzichtigheid: ze onthield alles, schreef nooit iets op.

Volgens Elsevier’s weekblad behoorde ze echter tot de top-50 van vrouwen die de twintigste eeuw maakten. Eddy de Roever schreef over haar ‘De Sphinx. Het verhaal van Jos Gemmeke’ (Uitgeverij Hollandia, 1987, ISBN 9060455541).

Mevrouw Jos Mulder-Gemmeke overleed op 20 december 2010 op 88-jarige leeftijd. Met saluutschoten hebben militairen van 17 Pantserinfanteriebataljon Garderegiment Fuseliers Prinses Irene uit Oirschot een week later op gepaste wijze afscheid van haar genomen tijdens de uitvaart die plaatsvond bij crematorium Ockenburgh in Den Haag.

Op 10 februari 2009 is bekendgemaakt dat kapitein Marco Kroon (’s-Hertogenbosch, 15-07-1970) van het Korps Commandotroepen (KCT) op 29 mei 2009 uit handen van Hare Majesteit Koningin Beatrix een Militaire Willemsorde (MWO) krijgt uitgereikt. Kroon, voorgedragen voor de MWO door zowel ondergeschikten als meerderen, wordt benoemd tot Ridder 4de klasse van de MWO.

Kapitein Marco Kroon.

Kroon krijgt de hoogste dapperheidonderscheiding voor enkele gewaagde acties tijdens een uitzending naar Uruzgan (Afghanistan) van maart tot augustus 2006; hij leidde een peloton van het KCT. Vooral zijn aandeel in een Amerikaans, Australisch en Nederlands offensief in de Baluchi-vallei, trok de aandacht. Kroon kreeg met zijn 30 commando's opdracht te voet door de Taliban-linies te breken, om enkele leiders uit te schakelen. Daarbij moest hij onder meer vuursteun op zijn eigen positie aanvragen, om uit een hachelijke situatie te kunnen komen.

“Tijdens de gevechten, die plaatsvinden onder zware terrein- en klimaatsomstandigheden, leidt kapitein Kroon zijn peloton op kundige, inventieve en inspirerende wijze. Mede door zijn optreden weet het peloton de zware en soms lange gevechten telkens in zijn voordeel en zonder personele verliezen te beslechten. Wat opvalt, is dat kapitein Kroon zich tijdens de vuurgevechten niet laat afschrikken door grote persoonlijke risico’s. Zo neemt hij bij een gelegenheid het gevecht over van een coalitiepartner, die hierdoor een zwaargewonde militair kan afvoeren. Op een ander moment leidt hij zijn eenheid vechtend uit een hinderlaag, terwijl de boordschutter van zijn eigen voertuig gewond is. Tijdens een andere operatie zuivert hij een dorp, een bergpas en een vallei van Taliban door 9 dagen achtereen gevechtsacties uit te voeren. Met de uitreiking in mei worden er meer details bekend gemaakt.”

Het is voor het eerst sinds 1955 dat de MWO wordt uitgereikt aan een individu. Kroon begon zijn loopbaan in 1989 als marinier; hij deed ervaringen op in Schotland, Noorwegen, Belize en Guadeloupe en nam deel aan missies in Irak (’91) en Cambodja. Vervolgens als (onder)officier bij de landmacht nam hij als pantserinfanterist en commando deel aan missies in Bosnië en Afghanistan. In januari 2007 werd hij bevorderd tot kapitein.

Verdere informatie:

De actie van Marco Kroon tijdens de Deployment Task Force in de Chora-vallei (Carré 3, 2007)

Samenvatting Marco Kroon tijdens 'Leiderschap onder extreme omstandigheden' (Carré 1, 2009)

Bron:

'Wat prijkt daar op die borstkas. Militaire Willems-Orde' - De Onderofficier (Maandblad voor onderofficieren), nummer 5, mei 2006, 48ste jaargang, adjudant onderofficier der administratie J. van der Kleyn.

Terug naar Boven

 

2
 
3

CAPTAIN 'HARRY' BESTEBREURTJE: VAN LIAISON TOT PREDIKANT

In de zomer van 1976 werd de film ‘A Bridge Too Far’, naar het boek van Cornelius Ryan, op locatie ‘geschoten’ op en bij de IJsselbrug in Deventer. En omdat Peter Faber als twee druppels water op Harry Bestebreurtje leek, kreeg hij de rol van de Nederlandse liaisonofficier van brigadegeneraal James Gavin.

Een jaar later kwam de film uit, geregisseerd door Richard Attenborough, met een waslijst aan sterren en Faber speelde… Captain ‘Harry’ Bestebreurtje.

Het levensverhaal van Bestebreurtje is even ongerijmd als opmerkelijk. Te opmerkelijk om ongenoemd te laten.

‘Harry’ werd beroemd vanwege zijn aandeel in de operaties Market Garden en Amherst.

Zoals zijn uniform, medaille van de Militaire Willemsorde en naturellederen handschoenen museaal worden gekoesterd, zo zou ook zijn curriculum vitae de hedendaagse militair tot de verbeelding moeten spreken.

Arie Dirk Bestebreurtje komt op 12 april 1916 in Rotterdam ter wereld. Zijn ouders zijn Anton Dirk and Hermanna Worst Bestebreurtje. In de jaren ’30 verhuist het gezin naar Zwitserland, waar Arie rechten studeert aan de Universiteit van Zurich, zijn Ph.D. haalt en gaat schaatsen.

In 1940 trouwt hij met de Australische Gertrude Maud Bersch, geboren in 1915 in Sydney. Bij het uitbreken van de oorlog ontsnapt hij met vrouw en dochter Hendiekje Maud, geboren in 1943, naar Engeland om vervolgens door te reizen naar Canada. Hij gaat terug naar Engeland, wordt ingedeeld bij de net opgerichte Prinses Irene Brigade en volgt als één van de eerste buitenlanders de Royal Military Academy in Aldershot. Daar wordt hij Captain ‘Harry’ genoemd omdat de Amerikanen en Britten zijn achternaam niet kunnen uitspreken.

Vanwege zijn talenkennis (ook Duits en Engels) komt hij in het vizier van de OSS, één van de bureaus ‘Cloak And Dagger’ die onder de G2 van het Allied Military Command vallen. Het geheime, spionage-achtige item betreft de Jedburghs. In de zomer van 1944 hebben een aantal Nederlanders de opleiding tot Jedburgh-officier met succes afgerond: Jacob Staal, Jacob Groenewoud, Henk Brinkgreve, Abraham du Bois en… Arie Bestebreurtje. Allen zouden ze in september 1944 met een eigen Jedburgh-team worden gedropt in bezet Nederland. Bij Koninklijk Besluit van 11 september 1944 wordt Bestebreurtje tijdelijk bevorderd tot kapitein. De Amerikaanse 82 Airborne Division, ge-earmarked voor operatie Market Garden, lijft Bestebreurtje één dag voor de operatie in als liaison.

Ze hebben een Nederlandstalige inlichtingenofficier nodig die een link-up tot stand brengt met het Nederlands verzet in de omgeving Nijmegen; iemand die bovendien gidsen, vertalers en draagbaarploegen kan regelen. Bestebreurtje kent de omgeving van Nijmegen goed, waar hij in zijn jeugd vóór de oorlog vaak vakanties heeft doorgebracht.

Bestebreurtje is een ‘Jed’ geworden, een lid van de Jedburghs. Dit zijn speciaal getrainde teams die door de Britse Special Operations Executive (SOE) en de Amerikaanse Office of Strategic Services (OSS) achter de vijandelijke linies werden geparachuteerd om Europa te helpen bevrijden van het Duitse juk.

In de regel bestonden de teams uit drie vrijwilligers, meestal twee officieren en één onderofficier (de radiotelegrafist). Op het Victoriaanse landgoed in Milton Hall (Peterborough), noordelijk van Londen, kregen ze een opleiding in guerrillaoorlogvoering.

Op het twaalf weken durende programma stonden onder andere demolitie, hindernisbaan, inlichtingen leren inwinnen, omgang met buitenlandse wapens, ongewapend vechten, parachutespringen, sabotage, schieten en radiotelefonie.

Na de stoomcursus door SOE/OSS werden de Jedburghs direct ondergeschikt aan het Supreme Headquarters Allied Expeditionary Force (SHAEF) en haar commandant, generaal Dwight D. Eisenhower. In de nadagen van de Tweede Wereldoorlog zouden acht Jedburgh-teams in Nederland worden ontplooid: Clarence, Claude, Daniel II, Dicing, Dudley II, Edward, Gambling en Stanley II. Aan drie hiervan nam Arie D. Bestebreurtje deel.

De eerste Jedburgh-actie van Bestebreurtje vond plaats op 17 september 1944 in de omgeving van het Gelderse Groesbeek. Bestebreurtje was teamleider van het Jedburgh-team met de codenaam CLARENCE, dat verder bestond uit de Amerikaanse Captain George M. Verhaeghe (Indiana) en Technical Sergeant Willard ‘Bud’ Beynon (Harrisburg, Pennsylvania).

Vanaf de vooravond van operatie Market Garden fungeerde het team als liaison voor 82 Airborne Division. Bestebreurtje zat in hetzelfde, eerste vliegtuig als haar commandant, brigadegeneraal James Gavin, en diens Division HQ Group. Het tweetal landde rond 13.15 uur op dropzone ‘N’. Al snel na de dropping werd Captain Bestebreurtje legendarisch: ze raakten verwikkeld in een vuurgevecht, waarbij hij een Duitse machinegeweerschutter door het hoofd schoot en daarmee generaal Gavin het leven redde.

De volgende dag wordt Bestebreurtje door Jan Reinders – een kok, ondergedoken in Nijmeegse Hotel Sionshof, die optreedt als gids – voor een verkenning richting het centrum van de Nijmegen gebracht. Ze komen in een hinderlaag terecht: in het daaropvolgende vuurgevecht wordt Reinders gedood. Voordat hij zijn karabijn kan pakken, raakt Bestebreurtje gewond aan linkerhand en –elleboog en rechterwijsvinger. In de avond van 18 september willen ze in een veldhospitaal zijn vinger amputeren, maar dat wimpelt hij af. Ook stemt hij er niet mee in om geëvacueerd te worden.

Bestebreurtje gefotografeerd bij een veldhospitaal.

Nog dezelfde dag rekruteert Bestebreurtje de jonge verzetsman Jan van Hoof . Van Hoof dringt met gevaar voor eigen leven door de Duitse linies naar de Waalbrug en maakt de door de Duitsers geplaatste springladingen onklaar. (Van Hoof zou de volgende dag bij een ander incident worden gedood.) Vervolgens speelde Bestebreurtje een ondersteunende rol bij de verovering van de Nijmeegse Waalbrug. In antwoord op een verzoek om wapens door het Nederlandse verzet, kreeg Bestebreurtje van Gavin ook een machtiging om de wapens van gesneuvelde en gewonde Amerikanen uit te delen. Gavin was lyrisch over het Nederlandse verzet.

Op 3 oktober 1944 ging CLARENCE over in STANLEY II, met dien verstande dat de aan een been verwonde Verhaeghe was vervangen door de Britse Captain Peter Vickery van het Royal Armoured Corps. Bestebreurtje kreeg zijn opdrachten nu direct van de staf van Prins Bernhard. Voordat Bestebreurtje eind oktober met de Britten meedeed aan de bevrijding van ’s-Hertogenbosch, had hij in Nijmegen een Stoottroepencompagnie georganiseerd. Gezamenlijk initieerden de kapiteins Vickery en Bestebreurtje in de laatste drie maanden van 1944 tenminste vijf Stoottroepencompagnieën, die de verdediging van de Waal-oevers op zich hebben genomen.

De laatste Jedburgh-actie van Bestebreurtje was wellicht de minst bekende.
Op 7 april 1945 landde het team met de codenaam DICING tussen Hooghalen en Assen in Drenthe. DICING – dat naast Bestebreurtje bestond uit de Britse majoor Robert (Albert Foyson) Harcourt, commandant van DICING, kapitein Carel Ruijsch van Dugteren (één van de adjudanten van Prins Bernhard) en de Britse sergeant Claude C. Somers, de radiotelegrafist van het team, had als opdracht het verzet te helpen bij de bevrijding van Kamp Westerbork en werd synchroon uitgevoerd met de laatste geallieerde luchtlandingsoperatie in Nederland, operatie Amherst. Die vond plaats in de driehoek Meppel-Emmen-Groningen.

Team DICING kwam verspreid neer. Majoor Harcourt werd op de landingsplaats gearresteerd en krijgsgevangen gemaakt; Bestebreurtje brak zijn rechterenkel en beschadigde zijn rug; Ruijsch van Dugteren en Sommers konden geen contact met Harcourt noch Bestebreurtje maken. Vier dagen achtereen lag Bestebreurtje zonder eten en drinken verscholen in het bos. ’s Nachts kroop en sloop hij richting een boerderij in Hooghalen. Daar werd hij gevonden door boer Jan Schutten en zijn zoon, die hem verzorgde. Uiteindelijk zouden de Canadezen op 12 april Kamp Westerbork bevrijden, waarmee de bijna 900 overgebleven gevangenen van een wisse dood in de gaskamers werden gered.

Na WO II emigreert Bestebreurtje naar de Verenigde Staten. In eerste instantie vestigt hij zich in New York City, als jurist gespecialiseerd in International Relations and Law.

Reverend Arie D. Bestebreurtje, geschilderd door 'folk artist' Frances Christian Brand.

Gertrude en hij krijgen nog drie kinderen (tweede dochter Mariakje in 1948, zoon Anton James in ’53 en derde dochter Martha Jane in ’54).

In 1952 wordt hij tot Amerikaans staatsburger genaturaliseerd en op 10 juli 1952, in de rang van majoor, eervol uit de militaire dienst ontslagen.

In 1954 gaat hij tot ieders stomme verbazing naar het Union Theological Seminary in New York, behaalt daar zijn theologische graad en wordt in september 1957 predikant (Reverend).

Eerst negen jaar bij de Calvin Presbyterian Church in Louisville (Kentucky), daarna – vanaf 4 september 1966 – vijftien jaar bij de First Presbyterian Church in Charlottesville (Virginia).

In 1981 gaat hij met pensioen. Op 21 januari 1983 zakt de ervaren schaatser Arie D. Bestebreurtje in zijn woonplaats Charlottesville, Albemarle County, Virginia (VS) door het ijs op de rivier Rivanna en verdrinkt. Hij is begraven op Monticello Memory Gardens in Charlottesville. Zijn vrouw Getrude overlijdt in 2000.

Na Dwight D. Eisenhower was Bestebreurtje de meest gedecoreerde militair in de Verenigde Staten. Naast vele sportieve onderscheidingen prijkten op zijn borstkas onder andere het Verzetsherdenkingskruis, The 1939-1945 Star with clasp ‘Battle of Britain’, twee Purple Hearts, Oorlogsherinneringskruis met 2 gespen, Member of the Order of the British Empire, Légion of Merit, Bronzen Kruis en natuurlijk Ridder 4de Klasse der Militaire Willemsorde. In de Tweede Wereldoorlog had hij zich met vele daden van moed bewezen als een held in de ware zin van het woord.

“Dr. B.” – Arie Dirk Bestebreurtje – en zijn vrouw Gertrude bij zijn afscheid na 15 jaar dienst als voorganger van de First Presbyterian Church (met dank aan: Rebecca Ewing, Music and Administrative Assistant, FBC).

Terug naar Boven

 

4

PRINS MAURITS

Maurits was zonder twijfel de grootste strateeg van zijn tijd en één van de founding fathers van de KL van vandaag. Na 1885 werd het Staatse leger door zijn toedoen langzaamaan professioneler. Het Staatse leger - de naam is afkomstig van ‘Leger van de Staten-Generaal’, ofwel: de strijdkrachten van alle bij elkaar gevoegde gewesten - was in die tijd erg klein, ± 10.000 militairen, waaraan met name financiële en logistieke factoren ten grondslag lagen.

Graaf Maurits van Nassau, geboren op Slot Dillenburg in 1567, volgde jong zijn in 1584 vermoorde vader Willem van Oranje op. In november 1585, 17 jaar oud, kwam het militaire lot van Nederland in zijn handen te liggen toen hij werd benoemd tot stadhouder van Holland en Zeeland. Op 31 januari 1587 werd hij benoemd tot opperbevelhebber van de Staatse troepen. Zijn grootste verdienste is het reorganiseren, moderniseren en hervormen van het Staatse leger.

Gesteld kan worden dat de Nederlandse militaire geschiedenis begon met Maurits en zijn oom, de Friese stadhouder Willem Lodewijk. Hun militaire hervormingen en vernieuwingen, onder andere op het gebied van (strenge) discipline, logistiek, militaire organisatie (bataljons- en compagniesomvang) en tactiek, kregen ook buiten Nederland veel aandacht. Wat te denken van de introductie van het radslotpistool bij de cavalerie, het werpen van mortiergranaten, de reorganisatie van de infanterie met om en om musketten en haakbussen en het standaardiseren van de artillerie tot enkele vuurmonden.

Daarnaast ondernam Maurits zo goed als elk jaar veldtochten. Zo werd hij er in 1600 op uitgestuurd om het kapersnest Duinkerken te veroveren, omdat de Duinkerkse kapers de handelsvloot van de Republiek veel economische schade bezorgden. Op weg naar Duinkerken stuitten 13.000 Staatse infanteristen en 2.800 ruiters (cavaleristen) echter op een Spaanse legermacht onder leiding van aartshertog Albrecht van Oostenrijk – landvoogd voor de Spanjolen in de Zuidelijke Nederlanden. Hoewel de strijd door Maurits en de zijnen werd gewonnen, mislukte de daaropvolgende belegering van Nieuwpoort. Desondanks vestigde Maurits met de Slag bij Nieuwpoort definitief zijn naam als veldheer.


Naar het voorbeeld van Willem Lodewijk omringde ook Maurits zich met geleerden die hem hielpen bij de hervorming van de krijgsmacht, die zo ook een bijdrage leverde aan het succes van de Staatse troepen. Maurits vroeg de Vlaamse humanist Justus Lipsius (1547-1606) honderduit over de krijgskunde van de Romeinen en verzocht de Vlaamse wiskundige Simon Stevin (1548-1620) om een resumé over de vestingbouwkunde. In de werken van klassieke krijgskundigen ging Lipsius voor Maurits na hoe het Romeinse leger was georganiseerd. Lipsius, die de Romeinse geschiedenis als geen ander kende, deed hem besluiten zijn krijgsmacht naar Romeins voorbeeld in te richten. Zo organiseerde hij zijn infanterie in bataljons en nam hij de exercitie(commando’s) over van de Romeinse legioenen. De adviezen van Stevin leidden onder meer tot het doorvoeren van het ideeëngoed van de Italiaanse vestingbouwers en belegeringstechnieken.

Prins Maurits op jonge leeftijd (© foto: Archief Koninklijk Huis)

Maurits’ naam leeft onder andere voort door in de Prins Mauritsmedaille van de Koninklijke Nederlandse Vereniging ‘Ons Leger’, het Mauritshuis in Den Haag, zijn devies “Tandem fit surculus arbor” (“Eens wordt de stek een boom”) dat geldt als motto van het Opleidings- en Trainingscommando (OTCO) en het Prins Mauritslaboratorium van TNO.

Download hier de artikelen uit Armamentaria 35 (Jaarboek Legermuseum 2000-2001) over Prins Maurits (90 kB)

Bronnen:

‘Het krijgswezen in den tijd van prins Maurits’ - Jan Willem Wijn (1934, proefschrift)
‘Maurits, Prins van Oranje’ - Kees Zandvliet (2000)
‘Maurits. Prins van Oranje’ - J.J.G. Beelaerts van Blokland (1999)

Terug naar Boven

 

5

heuvel 325, korea, 15 februari 1951

“Ik geloof niet aan helden, heb ik hiervoor eens gezegd.
Vraag het aan elke man die ‘heuvel 325’ heeft meegemaakt en hij zal het beamen.”

‘Tjot. Nederlanders in Korea’ – Wim Dussel (1952, pagina 114)

De Korea-oorlog en de rol van het Nederlandse Detachement van de Verenigde Naties (NDVN) hierin vormen één van de gedenkwaardigste perioden uit de Nederlandse krijgsgeschiedenis. Het NDVN was ingedeeld bij het Amerikaanse 38th Regiment, dat op zijn beurt deel uitmaakte van de 2nd ‘Indian Head’ Division, die weer ressorteerde onder 8th Army.

Tussen 13 en 15 februari 1951 speelde een deel van deze harde werkelijkheid zich af rondom het oord Wonju, een stad van cruciaal belang, volgens het gelijknamige boek van J.D. Coleman “the Gettysburg of the Korean War”.

Coûte que coûte moest de stad in geallieerde handen komen en blijven. Het zich uit Hoengsong, ten noorden van Wonju, terugtrekkende Nederlandse bataljon werd door het Amerikaanse bevel gederouteerd voor de verdediging van Heuvel 325.

Het Nederlands Detachement Verenigde Naties in Korea 1950-1954

Heuvel 325 lag ongeveer 15 km ten westen van Wonju, bij het oord Mayong. Net als de stad moest ook de heuvel tot elke prijs behouden blijven, omdat anders omsingeling van de troepen van de VN zou dreigen. Het Nederlandse bataljon startte haar verplaatsing naar de heuvel in de middag van 13 februari en voltooide haar verdedigingsposities op de tjot rond 18.00 uur. Links van het Nederlandse bataljon lag een Amerikaans bataljon, ter rechterzijde 187th Airborne Regiment.

In de nacht van 12 op 13 februari 1951 openden Chinese troepen – die waren geïnfiltreerd tussen het zich terugtrekkende leger van Zuid-Korea (ROK) – echter een zware verrassingsaanval op de ternauwernood in gereedheid gebrachte Nederlandse verdedigingsopstellingen. Elke man was nodig om het Chinese tegenoffensief tot staan te brengen. Het bataljon was zodanig gesleten door de herhaaldelijke krachtsinspanningen, dat de commandant besloot de onderbemande A-compagnie om te vormen tot een aanvalsgroep bestaande uit vier bijeengegaarde pelotons, aangevuld met chauffeurs, koks en schrijvers van de ondersteuningscompagnie.

De eerste stormaanval, waaraan de oververmoeide A-compagnie deelnam, mislukte. Het NDVN was het slachtoffer geworden van friendly fire: bij de luchtsteun van vijf Zuid-Afrikaanse vliegtuigen die de Nederlanders kregen bij de herovering, werden de Nederlanders tot drie keer toe per ongeluk bestookten, waarbij twee Nederlanders het leven lieten. Daarnaast voorkwam zwaar Chinees machinegeweervuur het doorstoten naar de top. De tweede bestorming slaagden ze erin tot binnen driehonderd meter van de heuveltop te komen… voordat ze opnieuw werden teruggeslagen. Tot tweemaal toe had de A-compagnie tevergeefs geprobeerd de heuvel in handen te krijgen; tegen de avond van 14 februari 1951 domineerde de vijand Heuvel 325.

Overzichtskaart van de gevechten rondom Heuvel 325 en Wonju in de periode 13 tot en met 18 februari 1951.

Uitgeput door de gevechten, honger, vrieskou en slaapdeprivatie, bleef het NDVN in stelling. De Amerikaanse commandant van 38 U.S. Infantry Regiment had nog iets in petto: hij beval zowel het Amerikaanse 2de bataljon als de Nederlanders om de Chinese stronghold vanuit verschillende kanten te omsingelen in een soort schaarbeweging (“pincer operation”).

In de vroege morgen van de 15de februari lukte dit. Onder zwaar vijandelijk vuur slaagden ze erin om, met het bajonet geplaatst op het geweer, in man tegen mangevechten de top van de besneeuwde tjot te bereiken. Met uiterste inspanning werd Heuvel 325 veroverd door de A-compagnie, ondersteund door Amerikaans artillerie- en mortiervuur. Hoewel de heuvel door ongekend doorzettingsvermogen en sterke wilskracht in geallieerde handen was gekomen, waren de gevechtsacties een beproeving voor het NDVN geweest.

Voor haar prestaties in Hoengsong en Wonju werd het NDVN beloond met de U.S. Distinguished Unit Citation van de president van de Verenigde Staten. Twee militairen die deelnamen aan de verovering kregen bovendien de Militaire Willemsorde: eerste luitenant Johannes Anemaet, plaatsvervangend commandant van de A-compagnie én leider van de succesvolle bestorming, en – postuum – soldaat Johan Frans Ketting Olivier, die bij de derde beslissende aanval met de bajonet op het geweer als eerste de vijandelijke heuvelstelling binnendrong.

Verdere naslagwerk:

Terug naar Boven

 

6

troepenmacht in suriname

Tot 25 november 1975, de datum van de onafhankelijkheid van Suriname, was de Troepenmacht in Suriname (TRIS) gelegerd in ‘de West’. De nieuwe Surinaamse Krijgsmacht (SKM) nam materieel, voorraden en kampementen over: O.P. Savanne, Prins Bernhard-kampement, Prinses Beatrix-kampement, Prinses Irene-kampement, Prinses Margriet-kampement en Prinses Marijke-kampement.

Overzichtskaart van Suriname.

Met een geschiedenis die teruggaat tot 1868, waren de werkzaamheden van de TRIS – met name patrouilles te voet en per vaartuig wekenlang diep de binnenlanden – van grote betekenis. Hoewel de Nederlandse regering besloot in 1950 besloot dat de verdediging van ‘de West’ en Nieuw-Guinea in beginsel een taak van het Korps Mariniers was, diende vanaf ’52 toch de KL in Suriname te blijven. Het tropendeel van de KL in Suriname bestond uit drie tirailleurscompagnieën (Suriname-compagnieën) en een ondersteuningscompagnie, in totaal 800 tot 1.100 man.

Een Surinamecompagnie werd aanvankelijk geformeerd bij het Regiment Van Heutsz in Oirschot, waar de Surinamegangers onder andere een jungletraining kregen. In Suriname volgden pelotonsgewijs detacheringen in Albina, Brownsweg, Nickerie, Zanderij en natuurlijk de hoofdstad Paramaribo.

De tradities van het tropenonderdeel TRIS worden in stand gehouden door het Regiment Infanterie Oranje Gelderland, met heden 45 Pantserinfanteriebataljon in de bewapening van de KL.

Terug naar Boven

 

7

LA GRANDE GUERRE, 1914 - '18

Hoewel het neutrale Nederland officieel niet in oorlog was, heeft het na de moord op aartshertog Franz Ferdinand in Sarajevo niet veel gescheeld of het was zelf ook aangevallen. Op het laatste moment werd het Von Schlieffenplan van de Duitse Generale Staf echter veranderd. De Duitsers waren van plan om een omtrekkende beweging via Nederland te maken, omdat ze voor een tweefrontenoorlog tegen Frankrijk en Rusland te zwak waren. Op het laatste moment werd het voornemen gewijzigd en kroop Nederland door het oog van een naald.

Generaal C.J. Snijders, Opperbevelhebber van de Nederlandse Land- en Zeemacht tijdens de Eerste Wereldoorlog.

De Nederlandse Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht (OLZ), generaal C.J. Snijders, had overigens een sterke hang naar Duitsland, waarin hij werd gesteund door Koningin Wilhelmina. Genieofficier en ridder Militaire Willems-Orde Snijders gaf kundig leiding aan de gemobiliseerde Nederlandse krijgsmacht met als opdracht het eigen grondgebied te verdedigen en de neutraliteit van Nederland te waarborgen. In militaire kringen werd hij geprezen, door de regering not at all. Gaandeweg de oorlog raakte hij er steeds meer van overtuigd dat een strikte afzijdigheidpolitiek, zoals de regering wilde, uit militaire overwegingen ondoenlijk was. Hij meende dat het niveau van de Nederlandse krijgsmacht te laag was om gelijktijdig tegen zowel de geallieerden als de vijand te kunnen optreden. In het geval de Nederlandse neutraliteit zou worden geschonden, koos Snijders daarom uit militaire overwegingen voor de Duitsers.

De regering wilde koste wat het kost aan de neutraliteit vasthouden en probeerde de vermeend pro-Duitse Snijders de zak te geven. Hij bleef echter, met dank aan Wilhelmina. Vijf dagen voor het einde van de oorlog vond hij alsnog zijn Waterloo…

Naast de kwestie-Snijders was er in economisch opzicht op alle fronten schaarste. Hoewel de huiveringwekkende loopgraaf- en gifgastaferelen Nederland bespaard bleven, was er gebrek aan alles. Een bonnensysteem voor voedseldistributie van onder meer brood en aardappelen werd ingesteld, maar dat leidde in juni / juli 1917 toch tot het Aardappeloproer, waarbij doden te betreuren waren. Vervolgens kreeg Nederland een grote stroom vluchtelingen uit België te verwerken. Meer dan één miljoen Belgen ontvluchtten hun land, vooral nadat het Duitse leger in oktober 1914 Antwerpen had beschoten. Onder hen 35.000 militairen die werden geïnterneerd in kampen. Ook bereikte de Spaanse griep Nederland, die ruim 25.000 doden eiste.

Terug naar Boven

 

8

SLAG OM CHORA, 15 - 19 JUNI 2007

“Wij zouden nooit ‘born to kill’ op onze helm schrijven. Wie meent geboren te zijn om te doden, is in Nederland op de verkeerde plek ter wereld gekomen. Wellicht is het prijzenswaardig dat wij het doden aan anderen overlaten, zoals het ook wel iets prijzenswaardigs had dat de aristocratie meende dat werken voor de beesten was. Maar of het nu lovenswaardig is of niet, of het nu op onze helmen staat of niet, er is intussen wat veranderd: wij doden, en dat doen we als ik het goed begrepen heb, lang niet slecht.”

(Arnon Grunberg, de Volkskrant, 22 december 2007).

Uruzgan mag dan in sommige ogen te veel een vechtmissie zijn, Nederland heeft intussen bewezen zijn mannetje staan in de internationale krijgswereld.

Van 15 tot 19 juni 2007 vond in het strategische oord Chora in de Zuid-Afghaanse provincie Uruzgan de grootste veldslag plaats uit de Nederlandse krijgsgeschiedenis sinds de Korea-oorlog (1950-’53). Een Taliban-offensief werd de door de Task Force Uruzgan (42ste Battle Group) keihard de kop ingedrukt, waarbij een Nederlandse militair (sergeant-majoor Jos Leunissen), 16 Afghaanse soldaten en een onbekend aantal Taliban-strijders en Afghanen om het leven kwamen. Vier Nederlandse militairen raakten gewond.

Hoofdrolspelers waren kolonel Hans van Griensven (commandant TFU), overste Rob Querido (commandant Battle Group) en kapitein Larry Hamers (commandant C-Compagnie 13 Infbat Lumbl AASLT vanuit de White Compound in Ali Shirzai). Ruim 500 Nederlandse ISAF-militairen, ondersteund door ANA en ANP, dreven de vijand terug nadat die de Afghaanse politieposten Kala Kala, Nyazi en Sarab onder de voet hadden gelopen. De Nederlandse militairen namen stelling: “Stand and fight”. En er werd hard gevochten.

© infographic: DAG, 17 oktober 2007.

Op de laatste dag van de Slag bij Chora volgde de, voor Nederlandse militaire begrippen, ongehoord grootse Operatie Troy. De vallei van Chora werd in een bataljonsgeleide aanval over drie assen schoongeveegd, waarbij grondtroepen de precieze locaties van de Taliban doorgaven aan de luchtstrijdkrachten. Deze veldslag vroeg om een drastische reactie: F-16’s, Apache-gevechtshelikopters, Amerikaanse A-10 Thunderbolt II- en B-1B Lancer-bommenwerpers en, last but not least, de Panzerhaubitze 2000 die vanaf het (40 km zuidwestelijker gelegen) Kamp Holland met 155 mm-projectielen een sleutelrol vervulde.

Het gevolg: doden. Nog een gevolg: collateral damage. Oorlog dus. Uiteindelijk vluchtte de Taliban de omliggende bergen in, de lokale bevolking ontvluchtte het geweld.

Verdere naslagwerken:

Terug naar Boven

 

9

waterloo, 18 juni 1815

Op 15 juni 1815 trekt Napoleon België binnen. Ten zuiden van Brussel bevinden zich twee geallieerde legers: een Pruisisch leger (120.000 soldaten) onder bevel van maarschalk Gebhard von Blücher en een Engels-Nederlands leger (95.000 soldaten) onder leiding van de hertog van Wellington (Arthur Wellesley) en de Prins van Oranje – de latere Koning Willem II.

Drie dagen later, de 18de, staat in de annalen als de veldslag bij het oord Waterloo, op de uitgestrekte velden ten zuiden van Brussel. Hier werd Napoleon, die de beschikking had over een veel grotere strijdmacht, definitief verslagen door het antinapoleontische coalitieleger.

De Nederlanders droegen ± 18.500 militairen bij, onder andere van het Regiment Huzaren van Boreel, van de Rijdende Artillerie en van stamregimenten van het Regiment Limburgse Jagers. Bijna 3.000 Nederlanders sneuvelen, raken gewond of worden nadien als vermist opgegeven. Samen met de Slag bij Quatre-Bras – twee dagen eerder en net iets zuidelijker gelegen – gingen beide veldslagen ten koste van ruim 4.000 Nederlandse doden en gewonden. De veldslag bij Waterloo was enkel mogelijk gebleken dankzij de smoel op het terrein van luitenant-generaal De Constant Rebecque en de volharding van de Nederlandse troepen bij Quatre-Bras. Zonder noemenswaardige oorlogservaring sloegen ze talrijke aanvallen van geharde Franse militairen af.

‘De slag bij Waterloo’, in olieverf op doek geschilderd door Jan Willem Pieneman (1779-1853), kwam gereed in 1824. Op een draagbaar aan de linkerkant op de voorgrond ligt de gewonde Prins van Oranje. Het schilderij is met 576 bij 836 cm het grootste van het Rijksmuseum Amsterdam.

De slag duurt van half twaalf in de ochtend tot half acht ’s avonds, slechts (!) 8 uur. ’s Lands troepenaanvoerder, de Prins van Oranje, raakte tijdens de strijd licht gewond als gevolg van een inschot in zijn linkerschouder, maar keerde in veler ogen als held in het vaderland terug. Mede daardoor was hij de eerste die de Militaire Willems-Orde mocht ontvangen, het Ridder-Grootkruis nota bene.

Na Waterloo, de bakermat van de verkenningseenheden, raakte de Nederlandse krijgsmacht langzaam in verval. Voornaamste oorzaak was het gebrek aan oefeningen. Het rondhangen in steeds dezelfde garnizoensplaatsen tastte niet alleen het moreel aan, maar bevorderde ook de gemakzucht.

Terug naar Boven

 

10
 
11

CHASSÉ VERDEDIGT DE CITADEL VAN ANTWERPEN, 1832

Op 29 juli 1994 werden bij Koninklijk Besluit nummer 618 de Regimenten Infanterie Johan Willem Friso, Menno van Coehoorn, Oranje Gelderland en Chassé ter ruste gelegd; op 6 oktober 1995 werden, voor het front van de troep, de vaandels van de regimenten Menno van Coehoorn, Oranje Gelderland en Chassé overgedragen aan de toenmalige Bevelhebber der Landstrijdkrachten, luitenant-generaal Hans Couzy. De vaandels werden ondergebracht in het Infanterie Museum in Harskamp (Ede), dat op diezelfde dag werd geopend.

Het Regiment Chassé kende een lange traditie in de slagorde van de Nederlandse landmacht. Het was de traditieopvolger van het 7de Regiment Infanterie (7 R.I.), dat zowel aan de slagen bij Quatre-Bras en Waterloo (1815) als het beleg van de Citadel van Antwerpen (1832) had deelgenomen.

De operatie tegen de laatstgenoemde stad en de opstandige Belgische revolutionairen vond plaats onder bevel van luitenant-generaal Baron Chassé. De opdracht die Chassé hiertoe van de koning kreeg luidde:

“Gij moet de citadel niet tot het uiterste verdedigen, maar wanneer gij meent dat er genoeg gedaan is voor eer en plicht dan moet gij haar overgeven. Zijne Majesteit wil geen roekeloze opoffering van zo vele braven en verlangt dat wanneer aan eer en plicht voldaan zal zijn, door hun gedrag aan oud-Nederland de duurzame achting van Europa zal verzekerd wezen, Uw hooggeschat leven en kan het zijn, dat van velen Uwer dappere lotgenoten, voor hem en voor het dankbaar Vaderland behouden blijven.”

Na de relatief rustige jaren 1830 en '31, brak in 1832 de spreekwoordelijke pleuris uit. Chassé had de Citadel intussen versterkt tot in totaal 4.500 militairen en maar liefst 145 vuurmonden. Imposant als je nagaat dat “de ideale stad” – de letterlijke vertaling van het renaissancistisch-Italiaanse “città ideale” – in oppervlakte het volledige zuiden van Antwerpen in beslag nam.

Het Lied van Chassé.

Op 22 oktober van dat jaar eisen Engeland en Frankrijk de ontruiming van de Citadel van Antwerpen en onderhorige forten vóór 12 november door de Noord-Nederlandse bezetting, onder bedreiging van een blokkade van de kust. Chassé gaat niet overstag. Drie dagen later trekt een Frans leger ter sterkte van 60.000 man België binnen. Bevelhebber van de Fransen is maarschalk Étienne Maurice Gérard, een oude bekende van de Noordelijke Nederlanden. In 1831 viel Gérard met het Armée du Nord ook al België binnen, toen Koning Willem I met de Tiendaagse Veldtocht een einde probeerde te maken aan de Belgische revolutie. Geconfronteerd met een dreigende oorlog met Frankrijk trokken de Noord-Nederlanderds zich toen terug, waarna de onafhankelijkheid van België een feit was.

Op 21 november, negen dagen na het ultimatimum, vestigt de Franse maarschalk zijn hoofdkwartier in Antwerpen. Nog op de 30ste november weigert Chassé nog altijd de Citadel te ontruimen: hij wenst geen herhaling van 1831!

Omdat de Nederlandse generaal het verdomd te vertrekken, beschouwt Gérard de stad als neutraal terrein en vangt hij meteen aan met de vijandelijkheden.

Pas op 23 december, na een beleg van vijfentwintig dagen (wat de bewondering van vriend en vijand opwekte) slagen de Fransen er eindelijk in de vesting Antwerpen te veroveren. De Nederlanders in de Citadel zijn gecapituleerd.

Niet vreemd als je bedenkt dat 82 kanonnen wekenlang op de stadsverdediging afvuren; per etmaal zijn zo'n 3.500 projectielen op de stad geworpen. De verdediging brokkelt langzaam af, maar aan ’s Konings opdracht is voldaan.

Koning Willem I.

Pas één dag later geeft een getergde Chassé zich over en draagt hij de puinhopen van de Citadel over – generaal P.G. Booms citerend dat “het inwendige der Citadel geleek een modderpoel vol gaten en kuilen”.

Alle door de Fransen gemaakte krijgsgevangenen, i.c. het complete Nederlandse garnizoen, worden naar Saint-Omer en omliggende plaatsen in de noordwesttop van Frankrijk geleid. Als dank voor bewezen diensten wordt maarschalk Gérard door Koning Leopold I onderscheiden met de Leopoldsorde.

Chassé op de barricaden van de Antwerpse Citadel.

Na zijn terugkeer uit krijgsgevangenschap, voert Chassé van 1834 tot 1839 het bevel over de vesting Breda en wordt hij door de koning op 18 oktober 1839 tot lid van de Eerste Kamer benoemd. De krijgservaren en voorheen energieke generaal, militair in hart en nieren, is door het voortdurend verblijf in zijn kazemat tijdens de bombardementen op de Citadel van de Scheldestad intussen lichamelijk uitgeput geraakt.

Maar voor de dappere en volhardende verdediging van de vesting Antwerpen wordt luitenant-generaal Baron Chassé wel volop geprezen; decennialang geldt hij in Nederland en geheel Europa als een held.

Voor de roemvolle verdediging wordt 'Papa Chassé' door Zijne Majesteit Koning Willem I versierd met het Grootkruis der Militaire Willems-Orde.

Terug naar Boven

 

12

TJAKRA NEGARA, 1894, NEDERLANDS-INDIE

Tot 1872 had het koninkrijk Mataram-Karangasem van de hindoeïstische Balinezen op het eiland Lombok, één van de Kleine Soenda-eilanden, een overeenkomst met de Nederlanders. Toen Mataram begon met de onderdrukking van de moslim-meerderheid – de Sasaks – grepen de Nederlanders in. Het koninkrijk, dat toch al geen financiële middelen noch militaire uitrusting had, kon in z’n eentje geen einde maken aan de zoveelste rebellie van de Sasaks.

De instabiele toestand was voor de Nederlanders de gelegenheid om in te grijpen en de koloniale ‘divide et impera’-politiek verder in praktijk te brengen. Getart stuurden de Nederlanders in 1893 de eerste militairen. De Radja van Lombok – de Balinese vorst Gusti Ngurah Gede Karang Asem – wilde hoe dan ook een conflict met de Nederlanders verhinderen en stemde op 7 juni 1843 in met de soevereiniteit van Nederlands-Indië: Lombok zou deel gaan uitmaken van het rijk van het gouvernement. De Radja hoopte hiermee onder meer dat de Nederlanders zijn zoon, kroonprins Anak Agung Ketut, zouden aanstellen als zijn opvolger en dat daarmee de orde op Oost-Lombok zou herstellen.

De Nederlanders wisten dat de Sasaks niet zouden toegeven. Daarom besloten ze in 1894 om het eiland op te delen in twee etnische woongebieden: één voor de minderheid (de hindoeïstische Balinezen onder Anak Agung Ketut), de andere voor de meerderheid van de Sasaks. De verdeling was het begin van het einde van de Balinese macht op Lombok.

Onder het voorwendsel van een rebellie van de moslims, stuurde het Nederlandse gouvernement een militaire strafexpeditie. Die vertrok op 22 juni 1894 vanuit Buleleng (Bali) en landde op 6 juli in Ampenan (Lombok). Onmiddellijk braken zware gevechten uit. Met behulp van enkele leiders van de Sasaks werden een paar Balinezen onttroond.

Een deel van de Nederlandse troepen legerde zich tussen Mataram en Tjakra Negara; de rest bivakkeerde in laatstgenoemde plaats tegenover de Poeri van de Radja. Twee afdelingen gingen het binnenland in onder bevel van de oversten H.F.C. van Bijlevelt en Pieter van Lawick van Pabst, die de Sasakss op de hoogte moesten brengen van het gebeurde en hen bewegen de wapens neer te leggen.

In de nacht van 25 op 26 augustus 1894 vond er echter een nachtelijke overval plaats op de Nederlandse troepen in Tjakra Negara. Na drie dagen van hevige gevechten waren 272 soldaten gewond en 98 gedood, onder wie generaal Van Ham. Door de zware verliezen waren ze gedwongen terug te trekken. Toen de colonne van Van Lawick van Pabst de 27ste terugkeerde naar Tjakra Negara, in de veronderstelling daar Nederlandse troepen aan te treffen, liep de colonne in een hinderlaag en sneuvelde hij. Het gouvernement en de bevolking in Batavia en Nederland waren gegriefd door de onverwachte en catastrofale Balinese tegenstand. De vorst was geen open gevecht aangegaan maar had de Nederlandse militairen in de rug aangevallen. ‘Het verraad van Lombok’ was geboren.

In de daaropvolgende weken stuurden de Nederlanders aanvullingstroepen om de nederlaag te wreken. Wekenlange systematische artilleriebombardementen op de Balinese strongholds Mataram en Tjakra Negara aan de westkust volgden. Het vervolg was de Tweede Lombok-expeditie van het KNIL onder leiding van de generaal-majoors J.A. Vetter en P.P.H. van Ham. Andermaal volgde tegenspoed: bij een hinderlaag bij de hindoetempel Pura Meru in Tjakra Negara werd generaal Van Ham gedood.

Onderhandelingen te Tjakra Negara tijdens de Eerste Lombokexpeditie. Helemaal links kroonprins Anak Agung Ketut, zoon van de Radja van Lombok, daarnaast de generaal-majoor P.P.H. van Ham en derde van links de generaal-majoor J.A. Vetter. Verder zittend de resident van Bali en Lombok, M.C. Dannenbargh, en Goesti Djilantik, bevelhebber van de Karangasemse hulptroepen.

Op 16 en 17 november 1894 werd Mataram veroverd, van waaruit het nabijgelegen Tjakra Negara kon worden beschoten. Op zondag 18 november 1894 om vijf uur in de ochtend begon met vijf bataljons infanterie, zestig man van de marinelandingsdivisie, een peloton cavalerie, twee sectiën veld, twee sectiën Coehoorn-mortieren en drie sectiën genietroepen de tegenaanval op Tjakra Negara. De Nederlanders ondervonden veel hinder van de hoge kleimuren rondom de Balinese erven, die een ideale dekking boden aan sluipschutters. Erf voor erf , voet voor voet moest worden veroverd.

Generaal-majoor M. Segov – commandant na het sneuvelen van de generaal-majoor Van Ham – viel vanuit Mondjok uit het noorden aan, kolonel H.N.A. Swart attaqueerde het centrum via de hoofdweg en de overste A. H. W. Scheuer (‘Dolle Dries’) viel aan vanuit het zuidwesten, elk met een bataljon.

Hoewel de Balinezen de residentie met ware doodsverachting verdedigden (zelfs vrouwen deden een lansaanval op de troepen), werd Tjakra Negara ingenomen, met inbegrip van de Poeri, maar de Radja was spoorloos.

De luitenants H.A.C. van der Heyden (zoon van generaal Karel van der Heyden) en Hendrik Colijn (de latere premier) waren de eerste officieren die de Poeri binnendrongen. Van der Heyden vond de dood, Colijn bleef ongedeerd. Vijfmaal redde een van Colijns Ambonese soldaten hem van een wisse dood. Van zijn compagnie waren 28 man gesneuveld. Van de overige 23 compagnieën, die aan de strijd deelnamen in totaal 70: het bewijs dat hij en de zijnen niet als laatste aanvielen. Als jong luitenant was Colijn die dag overigens compagniescommandant, omdat de kapitein wegens verwondingen niet in staat was het bevel te voeren.

Pas 20 november 1894 ontvluchtte de vijand de Poeri. De paleisschatten werden geconfisqueerd: 3.810 kg zilveren munten, 230 kg gouden munten, edelstenen, ornamenten, sieraden, verguld houtsnijwerk en andere kostbaarheden. In totaal acht ton uit de schatkamers is naar Nederlandse oorlogsschepen overgebracht.

Nederlandse schoolplaat van de vijandelijkheden te Tjakra Negara.

In de Poeri werden intussen drie compagnieën gelegerd. De oude Radja bleek aan een dijbeen gewond geraakt en gevlucht. Een dag later, de 21ste, vond een colonne onder generaal Segov de Radja bij Sasari. Hij gaf zich over en werd teruggebracht naar Tjakra Negara. Kroonprins Anak Agung Ketut, de grootste tegenstander van de Nederlanders, werd gedood.

Op 22 en 23 november bereikte de veldslag een anticlimax. De vorst en zijn familie pleegden hier de ‘perang puputan’ (“strijd tot het einde”), een rituele aanval op de vijand, gelijk aan zelfmoord. ± 400 Balinese mannen, vrouwen en kinderen stormden met krissen en klewangs op de zwaar bewapende Nederlandse troepen af. Geen van hen bereikte de Nederlandse militairen, allen werden ze neergeschoten.

De verliezen aan beide zijden waren hoog: aan Nederlandse zijde sneuvelden bijna 1.000 van de 4.400 man, aan Balinese kant ruim tweemaal zoveel. De gevechten waren bemoeilijkt door hevige stortregens door de regentijd (moesson) en de veel zieken, waaronder in hoge mate malaria en “buikziekten”.

De Nederlanders heersten nu over de Sasaks, maar ze behandelden hen zo mogelijk nog bruter dan de Balinezen dat hadden gedaan.

Na de laatste gevechtsacties op 26 november 1894 waren alle verzetshaarden geruimd, kon het wapengeweld worden gestaakt (het verraad was voldoende gewroken), was de Balinese heerschappij gebroken en waren de steden geruïneerd. Lombok werd toegevoegd aan Nederlands-Indië.

Van de geroofde oorlogsbuit werden de kosten van de expeditie betaald. De rijkdommen uit de Poeri van de Radja werden als exotische kunst in Nederland tentoongesteld. En van de veroverde bronzen kanonnen is later het Lombokkruis gemaakt.

Het Lombokkruis.

Terug naar Boven

 

13

SLAG OM ARNHEM, NO. 2 (DUTCH) TROOP, w.o. ii

De afloop van operatie Market Garden is bekend. Van de 10.300 geallieerde militairen die bij Arnhem streden, keerden er slechts iets meer dan 2.500 in eigen linies terug. De rest sneuvelde, raakte gewond of werd krijgsgevangen gemaakt.

Minder bekend is dat aan de operatie, met als doel het veroveren van de Rijnbrug, ook 36 Nederlandse commando's hebben deelgenomen. Op 22 maart 1942 begonnen 48 militairen van de Prinses Irene Brigade op het Commando Basic Training Centre in het Schotse Achnacarry (Invernessshire) aan de commando-opleiding; 25 van hen volbrachten de opleiding en ontvingen de groene baret - het begin van het Korps Commandotroepen.

Op het Europese vasteland werd ze onder andere ingezet bij operatie 'Market Garden'. Detachementsgewijs zijn ze aan diverse eenheden toegevoegd, met als taken contact zoeken met het ondergrondse verzet, inlichtingen inwinnen, liaison en het uitvoeren van verkenningen. De commando's waren ingedeeld bij de 1st Allied Airborne Army, bestaande uit 1 (UK) Airborne Division, 82 (US) Airborne Division (‘All American’), 101 (US) Airborne Division (‘The Screaming Eagle’), 1 (PO) Independent Parachute Brigade en 52 (UK) Lowland Division.

De geallieerde opmars met onder andere operatie 'Market Garden', de grootste luchtlandingsoperatie uit de krijgsgeschiedenis (© ‘Luchtlandingstroepen’, Charles MacDonald (1977).

Bij de 1st British Airborne Division waren twaalf commando’s gedetacheerd: luitenant Knottenbelt, de sergeanten Luitwieler en De Waard, de korporaal Italiaander en de commando’s Bakhuys Roozeboom, Beekmeyer, De Leeuw, Gobetz, Gubbels, Helleman, de Leeuw, Van Barneveld, Van der Meer en Wolters.

Sergeant Luitwieler en commando De Leeuw moesten met hun gliders (zweefvliegtuigen) noodlandingen maken in de buurt van respectievelijk Udenhout en Tholen en zouden de gevechten rond Arnhem niet meemaken.

Op D-Day, zondag 17 september 1944, werd eerste luitenant Maarten Jan Knottenbelt samen met sergeant De Waard, korporaal Italiaander en de commando's Bakhuys Roozeboom, Beekmeyer, Gobetz, Gubbels, Helleman, Van Barneveld, Van der Meer en Wolters in de buurt van Renkum gedropt. De Britten moesten de Rijnbrug in Arnhem veroveren en net zolang bezet houden totdat de versterkingen vanuit de richting Eindhoven en Nijmegen waren opgetrokken.

Knottenbelt en commando Van Barneveld staken in die tijd regelmatig de Rijn over om contact te maken met de in Driel, in de Betuwe, gelande Poolse parachutisten. Die konden, door hevige Duitse tegenstand, niet over de weg verplaatsen om de Britten te versterken aan de noordelijke Rijnoever, wat de geplande luchtlandingslocatie van de Polen was.

Toen de Duitsers steeds verder oprukten en de perimeter rond Hotel Hartenstein steeds kleiner werd, nam Knottenbelt op enig moment het bevel op zich over een detachement van ongeveer 25 Britse militairen van de ‘West Yorks’. Met de Britten verdedigde hij een voor het gevecht belangrijke huizengroep in Oosterbeek. Zelf raakte Knottenbelt op 22 september 1944 bij een actie gewond. Hij zwom de Rijn over en ontsnapte naar Londen.

Voor zijn acties in de Tweede Wereldoorlog werd Knottenbelt onderscheiden tot Ridder 4e klasse der Militaire Willemsorde én met het Bronzen Kruis.

Commando August Bakhuis Roozeboom sneuvelde op 22-jarige leeftijd op 19 september 1944 in de nabijheid van het spoorwegviaduct in Oosterbeek. Hij probeerde per jeep de Rijnbrug te bereiken om contact te maken met het 2nd Battalion, The Parachute Regiment, dat de noordelijke oprit van de brug in Arnhem bezet hield. Daarbij raakte hij in een vuurgevecht met Duitse troepen en overleed. Zijn wapenbroeders begroeven hem in de tuin van Hotel Hartenstein, dat tijdens de slag in gebruik was als het hoofdkwartier van de Britse bevelhebber generaal-majoor Roy Urquhart én als veldhospitaal onder leiding van Colonel Graeme M. Warrack, RAMC, de senior medical officer van Urquhart's divisie.

Op 5 mei 1997 werd het stoffelijk overschot van Bakhuis Roozeboom opnieuw ter aarde besteld op de Oorlogsbegraafplaats in Oosterbeek.

Het huidige tentenkamp van het KCT op de Rucphense hei, voorheen ‘Boer Bakx’, is naar hem vernoemd. Bakhuis Roozeboom was de eerste commando die sneuvelde sinds de oprichting van No. 2 (Dutch) Troop.

Aan het einde van de Slag om Arnhem werden de commando’s Gobetz, Gubbels en Beekmeyer krijgsgevangen gemaakt door de Duitsers. Ze kwamen terecht in Stalag IV-B bij Dresden, één van de grootste krijgsgevangenkampen van nazi-Duitsland. In de nacht van 13 op 14 februari 1945 ontsnapten ze, gebruikmakend van de chaos veroorzaakt door de geallieerde bombardementen. Op 2 mei 1945 bereikten het drietal bij Chemnitz de Amerikaanse linies.

Commando August Bakhuis Roozeboom.

Terug naar Boven

 

14

OVERSTE VERMEULEN KRIEGER, NEDERLANDS-INDIE

Overste Petro Ferdinand Vermeulen Krieger.

Een gezegde luidt: “Was nicht zum Kriege gehört, gehört auch nicht zum Krieger.” Het voeren van oorlog is de man die ter aarde is besteld op de begraafplaats achter de Nederlands Hervormde kerk in Etten-Leur met de paplepel ingegeven: Petro Ferdinand Vermeulen Krieger.

Later schreef hij ergens: “Het valt lichter landen te veroveren dan die met beleid en naar vaste beginselen te regeren.” Een ervaringsdeskundige ten voeten uit, openhartig, moedig en bezielend.

Petro Ferdinand wordt in maart 1782 geboren in Pruisen. Zijn militaire carrière begint als 14-jarige soldaat in het leger van het Koninkrijk Holland in de garde van Lodewijk Napoleon. Hij valt op, maakt promotie en onder zijn aanvoering dringen Nederlandse infanteristen op 31 mei 1809 als eerste door in de vestingstad Stralsund aan de Oostzee; na bloedige straatgevechten wordt de stad veroverd.

In 1812 vertrekt hij opnieuw met Napoleon naar Rusland, wordt bevorderd tot tweede luitenant, vecht onder meer bij Smolensk en aan de rivier Beresina en wordt gevangengenomen door de Russen. Na twee jaar krijgsgevangenschap keert hij terug in Nederland.

Na de Slag bij Waterloo rukt hij met de voorhoede op, neemt deel aan de verovering van Quesnoy, Valenciennes en Condé, en keert opnieuw terug naar Nederland.

Boek ''Oost-Indische Oorlogen' van overste Vermeulen Krieger uit 1829.

Op 29 oktober 1815 vertrekt hij met de Indische Brigade onder bevel van luitenant-generaal C.H.W. Antingh vanaf Texel naar Java. Hij neemt deel aan de onderwerping (“demping”) van de opstand op Saparoea, nadat de Molukkers op Fort Duurstede onder meer de resident hebben vermoord. Hij wordt bevorderd tot kapitein en benoemd tot commandant in Cheribon. In de tweede helft van 1818 treedt hij zo moedig op tegen onlusten, dat hij bij Koninklijk Besluit nr. 56 van 12 september 1818 wordt begiftigd met de Militaire Willems-Orde 4de klasse wegens zijn gedrag gedurende de Saparoea-expeditie.

Op 30 maart 1819 wordt hij bevorderd tot majoor en benoemd tot militair commandant van Malakka en onderhorigheden. Na demping van de opstand op het eiland Lingga (bij Malakka) wordt de majoor Vermeulen Krieger bij KB nr. 67 van 8 december 1820 de MWO 3de klasse toegekend.

In 1823 gaat hij met pensioen, maar op verzoek van de Koning gaat hij in 1929 terug naar Indië; de Koning kent hem de rang van luitenant-kolonel toe. Op Java is de oorlog daar net beëindigd, waardoor de geplande oprichting van een Korps Jagers te Paard (afdeling bereden lichte infanterie) niet tot uitvoering komt. In plaats daarvan krijgt hij in april 1830 het bevel over het 9de bataljon (later het 1ste bataljon) der 19de afdeling infanterie. Dat bataljon zal zich aan Sumatra’s westkust als ‘Jagers van Krieger’ buitengewoon onderscheiden…

Aan Sumatra’s westkust blijken intussen de Padri’s – islamitische fundamentalisten – geduchte guerrillero's. Overste Vermeulen Krieger komt op 4 juli 1832 in de kampong Pagar Roejong aan, waar de versterking Fort Van der Capellen is aangelegd. Hij wordt in december 1832 als garnizoenscommandant van de Padangsche Bovenlanden aangesteld en leidt diverse acties tegen de Padri’s. De bekendste is dat hij in vijandig gebied, op weg naar het oord Bonjol, een doorgang dient te maken door de zgn. ‘12 kota's en 7 loerah's’. Lukt dat, dan is de veiligheid van het gebied gewaarborgd. In het oord Matoea wordt het naar hem genoemde Fort Vermeulen Krieger gesticht.

Zo wordt met de Padri’s, zelfs na de Eerste en Tweede Padri-oorlog (1821-1832), flink strijd gevoerd in de Bonjolse opstand. Het eerder met zoveel moeite veroverde oord Bonjol wordt belegerd door een grote macht Padri's. In juli 1832 keert overste Vermeulen Krieger met 112 man terug om de bedreigde post te ontzetten, maar hij komt te laat: het gehele garnizoen is uitgemoord. Ook hij wordt van alle kanten aangevallen door de “de dweepzieke vijandelijke” Padri’s, maar wonderwel slaagt hij in de terugtocht van Pisang naar Koriri (12 en 13 januari 1833).

Op eigen verzoek mag hij in 1834, op 52-jarige leeftijd, opnieuw met pensioen. Na 57 dienstjaren geklokt, 22 veldslagen of belangrijke gevechten en meerdere oorlogswonden, keert hij terug naar Nederland, waar de Koning hem de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van de Eikenkroon verleend.

Nog tijdens de Java-oorlog schreef hij een handboek over de wijze van (guerrilla)oorlogvoering in de Indische Archipel: ‘Oost-Indische Oorlogen, of Listen, Hinderlagen en Verdedigingswijze der lnlandsche Volkeren, waargenomen in de onderscheidene Oorlogen op de Moluksche Eilanden, Cheribonsche, Bantamsche en Malakkasche Landen; in de jaren 1817, 1818, 1819 en 1820’ (1829). Het boek zal grote invloed hebben op het Nederlands militair onderwijs en doctrine. Zijn standaardwerk wordt tot begin 21ste eeuw nog gebruikt op de KMA. Het ligt dan ook aan de basis van latere leidraden over deze manier van oorlogvoeren.

Op 27 september 1865 is Petro Ferdinand Vermeulen Krieger op 83-jarige leeftijd in Etten (Noord-Brabant) overleden.

Bronnen:

Geert van Uythoven

Nationaal Archief

Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, deel 5, 1921, onder redactie van dr. P.C. Molhuysen, prof. dr. P.J. Blok en prof. dr. L. Knappert

‘Vermeulen Krieger. Tafereelen uit het Indische krijgsleven’ – majoor Willem Adriaan van Rees (1870)

‘Wapenfeiten van het Nederlands Indisch Leger, 1816-1900’ - George L. Kepper (1900)

Verdere naslagwerken:

‘Een vroeg handboek over de guerrilla in Nederlands-Indië: de Indische oorlogen van Vermeulen Krieger’ - drs. J.A. de Moor (Armamentaria 29, 1993)

‘Merkwaardige Terugtogt van Pisang op Agam. Episode uit den aanvang van den Bonjolschen opstand van 1833’ – kapitein J. C. van Rijneveld (Militaire Spectator, 1841)

‘Nederlandsch Leesboek voor de Lagere School’, 8ste deel, 1891, H.C. van der Heijde, ‘De Padri-oorlogen’, bladzijde 75 t/m 80

Terug naar Boven

 

15

VREDE VAN MUNSTER, 15 MEI 1648

Op 15 mei 1648 werd in de raadzaal van het stadhuis van Münster na vier jaar onderhandelingen, volgend op tachtig jaar oorlog, vrede gesloten tussen Spanje en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Spanje erkende de volledige soevereiniteit van de noordelijke Nederlanden en zag af van de steden Bergen op Zoom, Breda, Maastricht en 's-Hertogenbosch, met inbegrip van de monding van de Schelde.
 
Namens de Republiek was Adriaan Pauw, afgevaardigde van het belangrijkste gewest Holland, de drijvende kracht bij de vredesbesprekingen. Formeel was Pauw slechts één van de acht delegatieleden, in de praktijk fungeerde hij als hoofd van de Nederlandse delegatie die van 1646 tot 1648 in Münster onderhandelde.

Eindelijk was vrede het resultaat! Officieel erkende Spanje de Republiek als onafhankelijke en soevereine staat met afgesproken landsgrenzen. Alle door Frederik Hendrik veroverde steden hoorden nu definitief bij Nederland. Helaas heeft Frederik Hendrik zelf het sluiten van de vrede niet mogen meemaken; hij overleed een jaar eerder.

In de stad waar het einde van de Tachtigjarige Oorlog werd ingeluid, zetelt sinds 1995 aan de Hindenburgplatz het hoofdkwartier van het Duits-Nederlandse legerkorps (1 GE/NL Corps).

Gerard ter Borch de Jonge (1617-1681) vervaardigde in olieverf op koper ‘Het sluiten van de vrede van Munster, 15 mei 1648’, dat in het bezit is van het Rijksmuseum Amsterdam.

Terug naar Boven

 

16

SLAG OM AT TIRI, UNIFIL, APRIL 1980

Tussen 1979 en 1985 maakten bijna 9.000 Nederlandse militairen deel uit van de United Nations Interim Force in Lebanon (UNIFIL). Zij dienden bij het UNIFIL-hoofdkwartier in Naqoura, bij Dutchbatt of, vanaf 1983, bij Dutchcoy. De taak van Dutchbatt was het bezetten, bewaken en beveiligen van het toegewezen bataljonsvak. Met behulp van observatieposten, roadblocks en patrouilles moesten infiltraties in de UNIFIL-zone worden voorkomen. Het heimelijk binnendringen van militairen van de Israel Defense Forces (IDF), majoor Saad Haddad’s De Facto Forces (DFF) en ‘Armed Elements’ (vaak de PLO) moest worden verhinderd.

In het kader van de bewakingstaak probeerde Dutchbatt mogelijke infiltratieroutes, zoals de van het noorden naar het zuiden lopende Wadi-an-Nafkhah, af te sluiten. Genoemde drooggevallen rivierbedding scheidde het Nederlandse inzetgebied in een westelijk en oostelijk deel. Ook onderhield Dutchbatt intensief contact met alle partijen en de lokale bevolking. UNIFIL beschikte over een Force Mobile Reserve (FMR), die zij in crisissituaties kon oproepen en inzetten. De FMR was ad hoc samengesteld uit eenheden van de diverse contingenten en Dutchbatt leverde daaraan steeds een belangrijke bijdrage: met zijn zware wapens wapens kon zij snel vuursteun geven wanneer zich bij de andere UNIFIL-bataljons incidenten voordeden.

Het incident waarbij Dutchbatt, als onderdeel van de FMR, naam maakte vond plaats in april 1980 bij het kleine dorpje At Tiri. Dit lag in het gebied van Irishbatt (Ierse bataljon), ten zuidoosten van het Nederlandse vak. Ontegenzeglijk was dit één van de meest serieuze confrontaties uit de geschiedenis van UNIFIL.

Het UNIFIL-inzetgebied ten zuiden van de rivier Litani. Aangegeven zijn de oorden Haris (CP Dutchbatt) en At Tiri.

In At Tiri wilde Haddad’s DFF een OP vestigen, de VN-vredestroepen uit het dorp verdrijven en stukje bij beetje gebiedsdelen van UNIFIL afsnoepen. Toen de IDF een vergeldingsactie uitvoerden, kwam de DFF in het kielzog in actie en overrompelden het Ierse checkpoint bij At Tiri. Geleid door commandant David Taylor verzette de Charlie-compagnie van 46th Irish Infantry Battalion zich hevig om de inwoners te beschermen en omsingelde de indringers. Aanvankelijk was de strategie om de zaak te de-escaleren. Hoewel het dorpje strategisch onbelangrijk was, zag de DFF het als een springplank van de door de Ierse militairen veroverde heuvel 880. Die heuvel beheerste in het bijzonder de ruime omgeving ten noorden van At Tiri, met inbegrip van het stadje Haris waar de CP van Dutchbatt was gevestigd.

Al de eerste dag, op 6 april 1980, raakte een soldaat uit Fiji (Fijibatt) zwaargewond. Schrijnend detail is dat de IDF weigerde aan NORAIR toestemming te geven om de gewonde Fijiaan met een medevac te transporteren, totdat het te laat was om zijn leven te redden. De Ierse soldaat Stephen Griffin raakte een dag later door DFF-vuur gewond aan zijn hoofd en overleed op 14 april. In en rond het oord werd een paar dagen lang flink strijd geleverd. De FMR, onder bevel van kapitein W.J.T.M. Jeurissen, werd naar At Tiri geleid. De opdracht: het heroveren van het checkpoint en het dorp.

Bij aankomst op de heuvels tegenover At Tiri werden de YP-408’s van de FMR onmiddellijk zwaar onder vuur genomen. Vanaf de heuveltop vuurde de YP-TOW waarschuwingsschoten af; de inzet van zwaardere wapens als de draadgeleide antitankraket moest de DFF stoppen. Door gebruik te maken van de bescherming en vuurkracht die de YP’s boden - en af en toe een rookgranaat af te schieten - slaagde de FMR er ondanks zware tegenstand in het dorp te heroveren en de DFF-posities op te rollen.

En dat terwijl buiten At Tiri de DFF werd gesteund door Super Sherman-tanks. Deze tanks van de IDF/DFF gaven het machtsvertoon een extra accent. De Super Shermans waren gemodificeerde en ge-update Shermans uit de Tweede Wereldoorlog die in de Zesdaagse Oorlog en de Yom Kippur-oorlog stellig hun kwaliteit hadden bewezen, maar de “eerste en enige operationele TOW-schoten in de geschiedenis van de KL” ('Vredesmacht in Libanon', pagina 224) maakte blijkbaar zodanige indruk dat de tanks daarna geen rol van betekenis meer speelde. De inzet van zowel TOW als terugstootloze vuurmond Carl Gustav overtuigde Haddad’s manschappen dat een terugtocht de enige optie was.

Volgens UNIFIL’s Force Commander, de Ghanese generaal Emmanuel Erskine, liet de vredesmacht hiermee voor het eerst zijn tanden zien. Hoewel de Slag om At Tiri door UNIFIL was gewonnen, bleek de vredesmacht slechts af en toe in staat haar taak naar behoren uit te voeren.

In alle consternatie was op 9 april kolonel B.C.M. van Genuchten, Chief Operations van UNIFIL, ernstig gewond geraakt toen zijn chauffeur in de buurt van Shaqra op een mijn reed. De chauffeur liep lichte verwondingen op, Van Genuchten werd gerepat.

Uit wraak voor de nederlaag van de DFF lagen in de dagen na de veldslag de Nederlandse posten regelmatig onder zwaar mortiervuur van de militie. Zo schoot de DFF op 12 april met tank- en mortiergranaten op het Nederlandse en Ierse UNIFIL-gebied. Ook Naqoura werd beschoten, waar het HQ van UNIFIL was gevestigd.

Hoewel de confrontatie in At Tiri een omslag was in het optreden van UNIFIL, gold dat niet het dorpje zelf. Sinds het treffen tussen UNIFIL en de DFF was het bijna volledig ontvolkt…

Bronnen:

‘Alleen kinderen huilen’ – Ron de Vos (1997)

‘I kamp for fred, UNIFIL i Libanon – Norge i UNIFIL 1978–1998’ - Wegger R. Strømmen & Dag Leraand (2005).

‘The Battle of At Tiri’ – Ray Murphy (An Cosaintóir, Irish Defence Forces Magazine, 1995).

‘Vredesmacht in Libanon’ – Nederlands Instituut voor Militaire Historie (2006)

Verder naslagwerk:

‘At Tiri '80. De vredesmacht in oorlog’ – W.J. (John) Angenent (1983, eigen beheer, 105 pagina’s)

Terug naar Boven

 

17

TIENDAAGSE VELDTOCHT, AUGUSTUS 1831

In 1813 kwam Nederland economisch en politiek verzwakt uit de Franse onderdrukking, maar dat was niet het enige. Twee jaar later besloot het Congres van Wenen tot een samenvoeging van de Noordelijke en Zuidelijke provincies tot de ‘eenheidsstaat’ der Verenigde Nederlanden. Zo ontstond een bufferstaat tussen Duitsland en Frankrijk.

Aan Koning Willem I de taak het land er bovenop te helpen, terwijl Noord en Zuid zo verschilden in godsdienst, mores en taal. Het samenleven was niet bepaald harmonisch, de gedwongen samenvoeging niet zonder smetten. Zowel Zuid als Noord kwam in opstand. Uiteindelijk zouden nationaal besef en retoriek het winnen van het imperialisme van de grootmachten.

De Nederlandse Koning Willem I.

De Zuidelijke provincies rebelleerden voor het eerst in 1830. Op 25 augustus van dat jaar – een dag na de 58-ste verjaardag van Koning Leopold I – werd de opera ‘La Muette de Portici’ in het Grand Théâtre in Brussel opgevoerd. (De opera verheerlijkt de opstand van het volk van Napels tegen de Spaanse overheersing.) Het publiek raakte verrukt toen “Amour sacré de la patrie, rends-nous l'audace et la fierté, a mon pays je dois la vie, il me devra la liberté” werd ingezet.

De toeschouwers klommen op de banken, bestormden het podium en veroorzaakten buiten de zaal een volksoploop. Het piket Grenadiers en Jagers, op de oproermakers afgestuurd om de opstand neer te slaan, mocht van de politie niet optreden, volgens van hogerhand gegeven bevelen. Pas laat in de avond traden de troepen alsnog op, maar het leed was al geschied. De rellen tegen Koning Willem I leidden ertoe dat eind september 1830 de Nederlandse troepen uit Brussel werden verjaagd en op 4 oktober de Belgische onafhankelijkheid werd uitgeroepen. Een verwachte tegenvaller was dat Frankrijk de afscheiding steunde…

De Belgische Koning Leopold I.

Al door de eerste rebellie in de nacht van ‘La Muette’ vond er een scheiding van geesten plaats in het verenigde leger.

Na moeizaam verlopen onderhandelingen aanvaardden de grote mogendheden eind 1830 in de Conferentie van Londen de scheiding tussen de Noordelijke en Zuidelijke provincies. Toch was de definitieve datum voor de scheiding, 26 juni 1831, voor Koning Willem I vanzelfsprekend niet acceptabel: de mogendheden weigerden de ondeelbaarheid van het grondgebied van de Verenigde Nederlanden te erkennen en, als klap op de vuurpijl, werden Limburg en Luxemburg meteen al aangemerkt als grondgebied van de Zuidelijke provincies.

Daarom besloot Willem I op 1 augustus 1831 gewapenderhand recht te halen. Daarin werd hij geruggensteund door een opleving aan patriottistische gevoelens. En hij vertrouwde, overmoedig, op militaire bijstand van Pruisen en de Russische Tsaar Nicolaas, omdat hij was getrouwd met diens zus Anna Paulowna.

Koning Willem I besloot de Citadel van Antwerpen niet te ontruimen maar deze, indien nodig, juist te verdedigen. Ook hield hij een flottielje op de Schelde in stand. Mede hierdoor verloor hij de steun van de Europese grootmachten Engeland en Frankrijk, die Nederland economisch blokkeerden. Hierdoor zou Nederland bijna bankroet gaan. Dit was het begin van Willems politiek van volharding.

Bij Koninklijk Besluit van 29 juli 1831 belastte hij zijn oudste zoon, de Prins van Oranje, met het opperbevel van het Nederlandse veldleger. Onder gejuich werd op 31 juli in Den Haag van hem afscheid genomen. Twee dagen later overschreed het veldleger – samengesteld uit een divisie artillerie, een divisie cavalerie en drie divisies infanterie –de Noord-Zuidgrens “om aan ’s Konings vruchteloze rechtsvorderingen bij de Londense Conferentie kracht bij te zetten”. Koning en Prins meenden dat de inzet van de strijdkrachten een betere positie aan de onderhandelingstafel kon bewerkstelligen.

In totaal ± 26 à 38.000 man (daarover lopen de schattingen uiteen), van wie ruim een derde afkomstig uit schutterijen en studentenweerbaarheden, overschreed de grens. Van Noord-Nederlandse zijde namen bijvoorbeeld de Afdeling Grenadiers- en Jagersbataljons, “dienende onder het oog des Konings”, en het Regiment Infanterie Johan Willem Friso deel.

Ook legerde de Prins – daargelaten ruim 4.000 man in de Antwerpse citadel en de forten aan de Schelde onder leiding van generaal Chassé – bataljons in de achterwaarts gelegen vestingsteden ’s-Hertogenbosch, Bergen op Zoom, Breda, Geertruidenberg, Grave en Willemstad – samen zo’n 18.000 man. En lagen in het garnizoen Maastricht bijna 6.000 man onder bevel van generaal Dibbets ten behoeve van de verdediging van de provincie Limburg. Nog eens ruim 8.000 verdedigden de Zeeuwse oevers van de Schelde.

Uiteindelijk wilde de Prins van Oranje met de krijgsgang de beide Zuid-Nederlandse legers scheiden: het Maasleger (Armée de la Meuse, o.l.v. generaal Daine) en het Scheldeleger (Armée de l'Escaut, o.l.v. generaal Tiecken de Terhove), daarna het Maasleger neutraliseren of vernietigen en ten leste optrekken naar Leuven om het Scheldeleger en het hoofdkwartier van Leopold I aan te grijpen.

De Prins van Oranje voert de Noord-Nederlandse armee aan in de Slag om Ravels op 3 augustus 1831.

Het plan verliep de eerste dagen als gepland. Het Noord-Nederlandse leger trok over drie assen de Kempen in en ontmoette weinig weerstand. Op 8 augustus verraste de Noord-Nederlandse troepen het Maasleger bij Hasselt, dat door artilleriebombardementen geheel uiteengeslagen werd. De Zuid-Nederlanders trokken inderhaast terug naar Luik. Koning Leopold I van Saksen-Coburg – die op 21 juli de grondwettelijke eed als eerste koning der Belgen had afgelegd – trok met het Scheldeleger terug op Leuven om het bedreigde Brussel te beschermen. Ook riep hij wijselijk de hulp van de Franse koning in, wat vanwege zijn verloving met diens dochter weinig moeite kostte.

Het Noord-Nederlandse leger rukte nu op naar Leuven om het Scheldeleger in te sluiten, maar gelet op een dreigende interventie van Engeland en/of Frankrijk besloot Koning Willem I niet tot het uiterste te gaan.

Op 11 augustus bereikte de Prins van Oranje van Koningswege de instructie de vijandelijkheden tegen de “Belgische muiters” te staken bij het verschijnen van de Franse troepen. Nog op 12 augustus vond de slag bij Bautersem plaats en werd Leuven binnengetrokken. Bij het verschijnen van de 50.000 man sterke (!) Armée du Nord onder bevel van de Franse maarschalk Etienne Maurice graaf Gérard in Waver, op twintig km afstand van Leuven, werd na tussenkomst van de Britse diplomaat Sir Robert Adair op de 14de een wapenstilstand afgekondigd. Uit ontzag voor een dreigende oorlog met Frankrijk trokken de Noorderlingen zich terug achter de grens van Noord-Brabant; om Engeland niet te irriteren deed Frankrijk hetzelfde. Op 20 augustus waren alle Nederlandse troepen weer in hun kazernes weergekeerd. Dankzij de generaals Chassé en Dibbets bleven Antwerpen en Maastricht voorlopig in handen. Op 23 augustus werd de terugkerende Prins van Oranje als een held binnengehaald.

De tussenkomst van de Fransen ten gunste van de Belgen leidde tot een status quo ante bellum, maar gevoelsmatig was de Tiendaagse Veldtocht voor de Belgen de zwaarste klap: ze waren met hun neus op de feiten gedrukt dat ze Frankrijk nodig hadden voor de verdediging, niets hoefden te verwachten van Engeland en de wapenstilstand moesten aanvaarden. Koning Willem I restte niets anders dan zijn krijgsmacht gemobiliseerd te houden om zijn onderhandelingspositie kracht bij te zetten. Hoewel de grote mogendheden hun voorstellen ten aanzien van Nederland in positieve zin wijzigden, was de einduitkomst van zijn oorlogvoering een pyrrusoverwinning.

Zelfs na de Tiendaagse Veldtocht en zelfs na het verlies van de Citadel van Antwerpen – op 23 december 1832 – weigerde Willem I het nieuwe ontwerp van de Conferentie te aanvaarden. Pas op 19 april 1839 werd een definitieve overeenkomst gesloten. Limburg werd gesplitst in een Belgisch en een Nederlands deel. Het gebied ten oosten van de Maas, plus Maastricht, werd de Nederlandse provincie Limburg met Maastricht als hoofdstad, het gebied ten westen van de Maas de Belgische provincie Limburg met Hasselt als nieuwe hoofdstad.

Terug naar Boven

 

18

JACK BOER, NEDERLANDS-INDIE

Het is 10 november 1945, vroeg in de ochtend, en zeer roerig in Soerabaja. Reserve-kapitein Jack Boer – geboren Jacobus Lambertus Boer op 28 mei 1911 in Rotterdam – van het Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger (KNIL) bevrijdt vanaf vier uur in de ochtend 2.384 Nederlandse gevangenen uit de Kalisosok-gevangenis aan de Werfstraat.

Alle ± 200 bewakers worden gedood, één handlanger sneuvelt.

De Kalisosok-gevangenis aan de Werfstraat.

Hij voert de actie uit met tien door de Britten ter beschikking gestelde Brits-Indische soldaten (Mahratta's) en Gurkha’s, gewapend met handvuurwapens, handgranaten en een aftandse Britse Stuart M3A1-tank.

Een paar weken daarvoor, op 25 oktober, kwam in de haven van Tandjung Perak triomfantelijk de Britse brigadegeneraal George Mallaby aan land; op 30 oktober werd hij op de Rode Brug in Soerabaja vermoord. Hij inspecteerde per auto de stad, kwam in een oproer terecht en liet het leven toen zijn auto werd opgeblazen. Pikant detail is dat hij zojuist in het Internatio Gebouw aan het Willemsplein een bestand was overeengekomen met Hatta en Soekarno…

De moord op Mallaby, commandant van de 49th Indian Infantry Brigade, liet de Britse geallieerde legerleiding niet over zijn kant gaan. Zijn opvolger, generaal Robert Mansergh, stelde op 9 november 1945 een ultimatum: vóór 06.00 uur de volgende dag moesten de ongeregelde Indonesische strijdgroepen in Soerabaja de wapens hebben neergelegd, alle gijzelaars vrijkomen en de Indonesische leiders zich hebben overgegeven. Op dat moment verbleven de 2.384 Nederlanders al als gijzelaar in de Werfstraatgevangenis in Soerabaja.

Jack Boer werkte op dat moment bij de Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM) – voorloper van Shell – ten behoeve van de brandstofvoorziening van de Nederlandse vloot op de marinebasis in Soerabaja. Maar hij was ook reserve-officier bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Vrijwillig stelde hij zich als tolk/gids ten dienste van een peloton Gurkha’s en Mahratta’s om met gevaar voor eigen leven mee te doen aan de bestorming van de Werfstraatgevangenis. Het gevaar was groot dat de ongeregelde Indonesische strijdgroepen de Nederlandse en Nederlands-Indische gijzelaars zouden doden. Gekleed in een Brits legeruniform deed Boer mee aan de actie.

Wie zaten er in de Werfstraatgevangenis?

Op of omstreeks 15 oktober 1945 waren onder andere de Nederlanders in de koloniale sociëteit Simpang Club opgepakt en overgebracht naar deze gevangenis. Drieëneenhalve week later kwam de Ambonees Pattiradjawane, een cipier van de gevangenis, vertellen dat het plan was de Nederlanders te vergiftigen met arsenicum en daarna de Werfstraatgevangenis in brand te steken. Nog de volgende dag, 10 november, bevrijdde Jack Boer en de zijnen, na een vuurgevecht met de bewakers, de onschuldige Nederlandse geïnterneerden uit de gevangenis, die soms met 15 man in een eenpersoonscel zaten. Hij voerde ze af naar de haven Tandjong Perak.

Dit speelde zich af in de nacht waarin, volgens het verslag van de Britse kolonel Lewis H.O. Pugh – plaatsvervangend commandant van de 49th Indian Infantry Brigade – de Indonesische radio: “[…] broadcast ceaselessly a call to wage total war. They threatened the death of any prisoners captured […]”. Door de Indonesiërs werd Jack Boer intussen gezocht voor zijn reddingsactie: op zijn hoofd stond een bedrag van 10.000 gulden.

Het Britse ultimatum van generaal Mansergh werd echter nog altijd niet beantwoord, waarna het de Britten vijf weken kostte om de Indonesische weerstand in Soerabaja te breken. Hierbij lieten zo'n 15.000 Indonesiërs het leven; vierhonderd Britse militairen raakten gewond of werden gedood. De bevrijdingsactie in de Werfstraatgevangenis was de opmaat gebleken voor een veldslag in Soerabaja, waarbij schepen tot zinken werden gebracht en haveninstallaties vernield. De Britse bezettingstroepen op Java – Nederlandse militairen waren er nog amper - hadden zich zwaar verkeken op de rebellen die ook Mallaby hadden vermoord.

Met nadruk dient te worden vermeld dat op een VEROUDERDE pagina van deze website - die nog altijd op zoekmachines is op te vragen zonder dat deze op de externe of lokale weergave van de website is terug te vinden - een afbeelding circuleert die abusievelijk is toegeschreven te zijn van de heer Jack Boer.

DIT IS NIET JUIST.

Webbeheerder dezes betreurt deze gang van zaken ten zeerste, zowel voor de nabestaanden als de overlevenden.

De afbeelding hiernaast is JACK BOER. Van deze foto berusten de rechten bij Pia Media BV

In 1953 verliet kapitein Jack Boer Indonesië als Ridder in de Orde van Oranje-Nassau met de zwaarden. Bij Koninklijk Besluit van 12 februari 1949 kreeg de toenmalige reserve-eerste luitenant voor speciale diensten van de Militaire Administratie van het KNIL de Bronzen Erepenning voor Menslievend Hulpbetoon wegens “het met ernstig gevaar voor eigen leven in veiligheid brengen van verschillende personen tijdens het in brand geraken en ontploffen op 28 maart 1948 van een op het haventerrein van Semarang gelegen munitieopslagplaats.”

Jack Boer overleed op 5 september 1993 op 82-jarige leeftijd in Capelle aan den IJssel. De laatste twee jaar van zijn leven besteedde hij aan het schrijven van zijn boek ‘Koninklijke Olie in Indië’, de prijs voor het vloeibare goud 1939-1953’. Drie jaar na zijn overlijden verscheen zijn boek, waarin ook een hoofdstuk is gewijd aan de gebeurtenissen in de Werfstraatgevangenis in Soerabaja, bij Uitgeverij Bonneville (ISBN 9073304539).

Op 4 september 1998 zond de EO-televisie een documentaire van Pia van der Molen uit over Jack Boer, geregisseerd door Rinus Spoor. Hierin werd aandacht gevraagd voor deze bijzondere man, die met zijn actie misschien wel een Militaire Willems-Orde had verdiend.

Naar aanleiding van de uitzending zetten prominente Nederlanders zich in een comité in voor een hoge militaire onderscheiding voor wijlen Jack Boer. In dit comité zaten onder andere initiatiefneemster Pia van der Molen, generaal der infanterie b.d. Govert Huyser, oud-minister en oud-burgemeester van Amsterdam Ed van Thijn, oud-premier en onderzeebootcommandant Piet de Jong, oud-premier Ruud Lubbers en professor Bob Smalhout. Het comité leverde 21 ooggetuigenverklaringen aan, van wie er tenminste vijf persoonlijk zijn gered door kapitein Boer.

Op advies van het Kapittel der Militaire Willems-Orde (MWO) heeft Minister van Defensie Henk Kamp op 9 december 2005 besloten de MWO niet toe te kennen: “Vastgesteld is dat de heer Boer zich vrijwillig heeft gemeld bij de Britse strijdkrachten en werkzaamheden heeft verricht als gids en tolk in Soerabaja. Hij wordt gekenschetst als gedreven en doortastend. Met grote waarschijnlijkheid is de bevrijding van de gevangenis uitgevoerd als onderdeel van de Britse aanval op de stad die op 10 november om 06.00 uur, na het verstrijken van het ultimatum aan de Indonesiërs, is ingezet. Een aparte bevrijdingsactie tegen de gevangenis om 04.00 uur en dus vooruitlopend op de aanval, zoals vermeld in de memoires van de heer Boer, wordt niet waarschijnlijk geacht. Daarover zijn geen documenten aangetroffen. Vast staat dat de heer Boer aanwezig is geweest bij de bevrijdingsactie. Niet bewezen is dat hierbij sprake is geweest van een door hem geleide actie met een door de Britten ter beschikking gestelde kleine groep militairen. Het zich vrijwillig beschikbaar stellen als tolk en gids en het zich met gevaar voor eigen leven begeven in de beschreven actie getuigt van moed. Door hem persoonlijk verrichte uitzonderlijke daden van moed, beleid en trouw bij de bestorming van de gevangenis zijn echter niet aangetoond.”

Met dank aan mevrouw Pia van der Molen, maakster van de documentaire Jack Boer, bevrijder van 2384 Nederlanders, en de heer Bouwe Lunstra, mede-eigenaar van Antiquariaat Parnassos in Wassenaar.

Terug naar Boven

 

19

SREBRENICA, DUTCHBAT-III, 11 JULI 1995

Eind 1992, begin ’93 sloot NCRV’s actualiteitenrubriek Hier en Nu elke uitzending af met de oneliner: “En nog steeds wordt er niet ingegrepen.” Ondanks de schrijnende tv-beelden van gevangenen in kampen in Keraterm, Manjača, Omarska en Trnopolje, volgde er geen actie in voormalig Joegoslavië.

De internationale gemeenschap, Europa, Nederland… ze moesten ingrijpen. De media maakte de publieke opinie en het kabinet rijp voor een uitzending naar de Balkan. Maar pas wanneer de Balkan-puist genoeg gerijpt was, kon het westen beginnen met uitknijpen…

De Bosnisch-Servische (BSA) aanval op de moslimenclave Srebrenica in maart 1993 leidde eindelijk tot het instellen van zes safe areas in Bosnië-Hercegovina: Bihac, Gorazde, Sarajevo, Srebrenica, Tuzla en Zepa. Het geschatte, benodigde aantal voor de ‘verdediging’ van deze gebieden was 34.000. Slechts 4.000 militairen werden ontplooid, omdat de meeste landen niet bereid waren gevechtstroepen te sturen.

In januari ’94 kwam de operationele opdracht voor Dutchbat binnen bij de KL-crisisstaf 'Ochtendblad'. De militaire top stemde, niet unaniem, in met het stationeren van Nederlandse militairen in Srebrenica, een gebied met in meerderheid een moslimbevolking (75%, tegenover 23% Serviërs). Ter bescherming van de burgerbevolking werd ter aflossing van de Canadezen in en aan de grenzen van de enclave het “paradepaardje van de KL” gelegerd. De net opgerichte Luchtmobiele Brigade werd na een korte voorbereiding als pantserinfanterie uitgezonden.

Hoe veilig ‘safe’ zonder VN-troepen was, bleek bijvoorbeeld uit de BSA-aanvallen op Gorazde in april 1994 en Bihac in december ’94. Geen wonder dat de moslims op hun beurt de safe areas benutten om raids op hun belegeraars uit te voeren. Geen wonder dat de blauwhelmen van UNPROFOR geen bescherming konden bieden: ze hadden simpelweg niet de middelen om hoofdstuk VII (Optreden met betrekking tot bedreiging van de vrede, verbreking van de vrede en daden van agressie) uit te voeren. Het was afwachten wanneer de BSA haar finale offensief zou inzetten; de bestandslijn rondom Srebrenica werd dagelijks door beide partijen geschonden.

In juli 1995 overliep de BSA de enclaves Srebrenica en Zepa – de climax voor de politieke en morele vernedering van de VN. Nu kon het westen eindelijk beginnen met uitknijpen, nu werd er eindelijk krachtdadig militair ingegrepen. De ontplooiing van een Brits-Frans-Nederlandse rapid reaction force, NAVO-bombardementen en een moslim-Kroatisch tegenoffensief leidden naar de onderhandelingstafel in Dayton (VS).

De safe areas in Bosnië-Hercegovina: Gorazde, Sarajevo, Srebrenica, Tuzla en Zepa. Bihac in het westen van Bosnië staat niet op de kaart.

Voor Srebrenica was het te laat. De enclave viel op 11 juli 1995 omdat de internationale gemeenschap zo onnadenkend was om slechts 400 (!) Nederlandse blauwhelmen verantwoordelijk te maken voor de veiligheid van 40 à 50.000 bijeengedreven Bosnische inwoners en vluchtelingen. Dutchbat-III kon van meet af aan niet beschikken over afdoende militaire middelen en moest opereren onder een onbestendig mandaat met onpraktische Rules of Engagement, zonder ruggensteun en een dubbele commandostructuur (dual key command van VN en NAVO).

Dutchbat heeft onder deze omstandigheden helaas niet meer kunnen doen dan het handhaven van de status-quo. Na de verovering van de enclave vermoordde de BSA duizenden Bosniacs, mannen en jongens. De lijken werden net buiten de enclave met bulldozers in massagraven geschoven.

De missie van Dutchbat in Srebrenica was complex, diffuus en gevaarlijk. In korte tijd veranderden de te nemen en de genomen beslissingen van tactisch naar (mondiaal) politiek-strategisch niveau. Het al dan niet inzetten van eigen logistiek ten gunste van de plaatselijke bevolking en de vluchtelingen is hiervan een bekend voorbeeld. Dilemma’s werden geboren, want ook het vege lijf moest worden gered. Militairen moeten nu eenmaal veel sneller (kunnen) beslissen en reageren dan volksvertegenwoordigers…

Terug naar Boven

 

20

RAWAGEDE, NEDERLANDS-INDIE, 9 DECEMBER 1947

Desa in het regentschap Krawang op West-Java in voormalig Nederlands-Indië, nu Indonesië. Tegenwoordig heet de desa Balongsari.

Op 9 december 1947 zijn in dit oord zuiveringsacties (oorlogsmisdaden?) begaan.

De zuiveringen vonden overigens plaats precies één dag nadat Indonesië en Nederland vredesbesprekingen waren gestart aan bood van de U.S.S. Renville, die in de haven Tandjong Priok (van Batavia) lag.

Het was oorlog tussen Nederland en Indonesië. Tijdens de Eerste Politionele Actie (Operatie Product) schoten negentig dienstplichtige infanteristen van de 3de Compagnie van het 9de Regiment Infanterie van de Koninklijke Landmacht, geleid door majoor Alphons Wijnen, in het dorp 431 mensen dood – althans volgens Indonesische opgaven. De desa werd vanaf zes uur ’s morgens binnengevallen en met mitrailleurvuur bestookt. De Nederlandse militairen bevonden zich in een gebied zo groot als de provincie Utrecht tussen ± 5.000 Indonesische guerrillero’s.

De actie was frappant omdat ze niet werd uitgevoerd door de beroepsmilitairen van KNIL of KST maar door dienstplichtigen van de Expeditionaire Macht. Ze werden Tentara Soesoe genoemd, “het leger van melkmuilen”, dat normaliter vriendelijk was tegenover de lokale bevolking. De kwestie-Rawagede is één van de 76 zaken uit de Excessennota (1969). Volgens Nederlandse opgaven was er sprake van 150 doden, waarvan ‘ongeveer twintig’ standrechtelijk werden geëxecuteerd. In Rawagede werden geen wapens aangetroffen.

De standrechtelijke executies waren weliswaar een afwijkende gedraging, maar nog merkwaardiger vanuit het oogpunt dat de Nederlandse troepen in april 1947 hadden verkondigd dat opstandelingen ‘de facto als krijgsgevangenen’ dienden te worden beschouwd. Vanuit het perspectief van de regelmatige beschietingen uit de desa Rawagede was het optreden van de Nederlandse militairen al gewoner: ze besloot de bewoners een lesje te leren dat als voorbeeld moest dienen voor andere desa’s.

Het ereveld van Rawagede (© foto: Michel Maas, de Volskrant, 29-11-2008).

De historicus Harm Scholtens wijdde zijn doctoraalscriptie ‘Rawahgedeh, 9 december 1947, een nieuwe Nederlandse versie?’ (Rijksuniversiteit Groningen, 2007) aan een reconstructie van de gebeurtenissen in Rawagede. In de maanden voorafgaand aan de bewuste datum vernielde het Indonesische verzet bruggen, spoorlijnen en wegen en dwong ze dorpsbewoners hun dorpen te verlaten. Scholtens hoopte met zijn scriptie - winnaar van de Nationale Scriptieprijs 2007 - ook van nut te zijn voor de Nederlandse militairen die in Uruzgan worstelen met enigszins vergelijkbare problemen: de opdracht rust en economische ontwikkeling te bevorderen te midden van actieve guerrillastrijders en gevechten waarbij burgerslachtoffers vallen.

Bewust niet vervolgd in zaak-Rawagede 1947.
Op 25 mei 2009 heeft Jeffry Pondaag van het Comité Nederlandse Ereschulden in de actualiteitenrubriek Netwerk gezegd dat uit een briefwisseling uit 1948 tussen generaal Spoor en procureur-generaal Felderhof blijkt dat al acht maanden na het bloedbad in het Indonesische dorpje Rawagede in 1947, is besloten de Nederlandse daders niet te vervolgen.

De verklaringen zaten in het pakket stukken dat het comité van de landsadvocaat kreeg. Uit de correspondentie van 62 jaar geleden tussen de toenmalige legercommandant Simon H. Spoor en procureur-generaal H.W. Felderhof blijkt dat zowel Defensie als Justitie niet van plan waren iemand te vervolgen. Spoor gaf in zijn brief uit juli 1948 aan “liever niet te vervolgen”. Overigens kan majoor Alphons Wijnen, onder wiens leiding 'Rawagede' plaatsvond, niet meer worden gehoord: hij overleed in 2001.

Pondaag gaf in Netwerk aan dat zijn comité nog altijd staat voor financiële compensatie en excuses voor de nu nog negen weduwen en één man die het bloedbad als jongen overleefde. Martijn van Dam, Tweede Kamerlid voor de PvdA, vindt het schokkend dat destijds is besloten niet te vervolgen: “Ik vond het al erg dat niet vervolgd was, maar nu blijkt dat het een bewuste beslissing is geweest”.

Terug naar Boven

Verder naslagwerk:

Terug naar Boven

 

21

FRED SPIJKERS

De zaak-Spijkers is zonder twijfel het grootste en langst lopende klokkenluiderschandaal van Nederland. De voormalige bedrijfsmaatschappelijk werker van Defensie Jacob Joseph (Fred) Spijkers onthulde in 1984 dat de Koninklijke Landmacht slecht functionerende landmijnen van het type AP-23 van de Zaandamse munitiefabriek Eurometaal gebruikte.

Fred Spijkers.

Al op 18 juli 1983 kostte het prestigewapen van Nederlandse makelij aan zeven dienstplichtige militairen het leven; negen raakten zwaargewond. Toen op 14 september 1984 de civiele munitiespecialist Rob Ovaa het leven liet bij opnieuw een ‘ongeval’ met de AP-23, weigerde Spijkers Ovaa’s weduwe voor te liegen dat haar man door eigen onvoorzichtigheid was overleden. Spijkers stelde de misstanden rond de AP-23 aan de kaak en werd vanaf dat moment gesard. Spijkers werd een lastpost, een luis in de pels, een klokkenluider.

De AP-23.

De Nationale Ombudsman zou jaren later concluderen: “Het is aannemelijk dat de ongelukken met de AP-23 mijn in 1983 en 1984 bij de Koninklijke Landmacht in Oldebroek niet zouden zijn gebeurd als Defensie al meteen in 1970 maatregelen had genomen, toen bij een controle van de mijn een constructiefout was geconstateerd.” Hoewel de Munitie Onderzoekingsdienst (MOD) al in 1970 een levensgevaarlijke constructiefout bij de AP-23 constateerde en de mijn officieel werd verboden, ging de productie in het grootste geheim verder.

Als gevolg van zijn klokkenluidersactiviteiten kwalificeerde de toenmalige inlichtingendienst van de landmacht (LAMID) Spijkers als "politiek crimineel".

Spijkers werd zelfs psychiatrisch onderzocht door een bedrijfsarts van de Koninklijke Landmacht, die tot de conclusie kwam dat Spijkers aan paranoia, wanen en schizofrenie leed. Uiteindelijk werd hij via een psychiatrisch rapport door werkgever Defensie op een zijspoor gezet.

Het gedrag van Defensie is dan allang niet meer fatsoenlijk. Het lijkt er alleszins op dat Spijkers wordt geslachtofferd door doofpotters. Jaren van correspondentie en twisten via advocaten volgen, totdat in 1997 toenmalig Minister van Defensie Joris Voorhoeve erkend dat Defensie verantwoordelijk was voor het mijnongeluk.

Weer vijf jaar later gloort er eindelijk eerherstel: op 29 november 2002 ondertekenen beide partijen een zgn. ‘vaststellingsovereenkomst’, die een regeling bevat ter oplossing van de bestaande geschillen. Fred Spijkers dreigt zowaar € 1,6 miljoen schadevergoeding te krijgen… ware het niet dat daar een belastingaanslag van ruim 900.000 euro over zijn belastingvrije schadevergoeding op volgt.

De samenspanning en het getreiter lijken niet op te houden. Totdat Spijkers op 27 november 2003 een Koninklijke onderscheiding uitgereikt krijgt van de toenmalige Staatssecretaris van Defensie Cees van der Knaap: Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Als snel blijkt dit een Judasactie, want in 2005 laat dezelfde bewindsman de Tweede Kamer doodgemoedereerd weten dat alle archiefstukken over Fred Spijkers in het Nationaal Archief verdwijnen en pas 50 jaar na diens dood openbaar mogen worden.

Weer een jaar later verschijnt bij uitgeverij De Papieren Tijger het thrillerachtige 'Een man tegen de staat', waarin onderzoeksjournalist Alexander Nijeboer verslag doet van de affaire-Spijkers. Helaas wordt het boek her en der afgeschilderd als naïef-idealistisch.

In 2008 keeg Spijkers de Philip Brouwer Integriteitsprijs. Volgens de juryvoorzitter belichaamt Spijkers de strijd van “Klein Duimpje tegen de grote staatsreus”. Het vakblad 'Openbaar Bestuur' publiceerde in maart 2008 de uitkomst van een wetenschappelijk onderzoek, uitgevoerd door een team van academici onder leiding van de rechtsethicus prof. dr. mr. Joep van der Vliet van de Universiteit van Amsterdam naar de affaire-Spijkers. De conclusie is niet mals: ministers, ambtenaren en andere overheidsdienaren hebben hun bevoegdheden misbruikt om de klokkenluider Spijkers het leven zuur te maken.

Verder naslagwerk:

Terug naar Boven

 

22

HONDERDVIJFENTACHTIG JAAR DIENSTPLICHT

De invoering van zowel belastingheffingen als dienstplicht kon pas efficiënt plaatsvinden als er een degelijke administratie van persoonsgegevens (geboorte, huwelijk en overlijden) was. De Franse overheerser Napoleon – die in 1810 het Koninkrijk Holland bij het Franse keizerrijk had ingelijfd – voerde daarom de burgerlijke stand in. De dienstplicht kon nu worden ingevoerd volgens de Franse wet op de conscriptie van 1798. De namen van alle mannen van 20 jaar of ouder werden opgevist uit de burgerlijke stand: Napoleon had ‘kanonnenvlees’ nodig voor zijn veldtochten, dat hij in eigen land niet meer kon rekruteren.

Maar de conscriptie (dienstplicht) was allesbehalve geliefd: ingelote jonge mannen waren voortaan verplicht in verre oorden hun leven te riskeren voor La Douce France. Het was dan ook niet verbazingwekkend dat veel jongelingen spoorloos verdwenen om de dienst te ontduiken. Bovendien lieten gefortuneerde dienstplichtigen zich graag tegen betaling vervangen door minder draagkrachtige landgenoten (remplaçantenstelsel).

In deze jaren van (Franse) dienstplicht zijn er slechts enkele tienduizenden landgenoten daadwerkelijk in dienst geweest. Ongeveer de helft hiervan is ingelijfd in de Grande Armée waarmee Napoleon in 1812 Rusland binnenviel... van wie ruim tweederde sneuvelde. De Franse dienstplichtjaren duurde tot 1813, toen bezetter Napoleon werd verjaagd en Koning Willem I het Koninkrijk der Nederlanden oprichtte. De door Napoleon ingevoerde dienstplicht bleef… tot het einde van de 20ste eeuw.

Het steeds meer gevoelde discriminerende karakter van de (mannelijke) dienstplicht en de toenemende inzet bij gevaarlijke vredesoperaties na de Koude Oorlog zorgden ervoor dat in 1996 de opkomstplicht officieel werd opgeschort. De dienstplicht blijft dus van kracht en kan bij de noodzaak van het massaal onder de wapenen roepen van staatsburgers worden geactiveerd. De Nederlandse krijgsmacht heeft sinds de opschorting formeel een beroepsleger.

Terug naar Boven

 

23

KING KONG: VERZETSMAN, DUBBELSPION, VERRADER

Naslagwerken in chronologische volgorde:

Abwehr III F. De Duitse contraspionage in Nederland (1949)

H.J. Giskes

De Slag bij Arnhem en het verraad van Lindemans (1950)

Theodoor A. Boeree

Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek der Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945, delen IVa en IVb (1950)

Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945

Spycatcher (1952)

Oreste Pinto

L'affaire King Kong. Cinquième colonne aux Pays-Bas (1969)

Anne Laurens

King Kong. Leven, dood en opstanding van een verrader (1986)

Frans Dekkers

King Kong op Crooswijk (1988)

R.J. Hollander

Spion in de tuin: King Kong voor en na zijn dood (1992)

Bob de Graaff

De affaire-Sanders, spionage en intriges in herrijzend Nederland (1996)

Gerard Aalders & Koen Hilbrink

Dood van een dubbelspion. De laatste dagen van Christiaan Lindemans (1997)

Bob de Graaff

Beroep: Meesterspion. Het geheime leven van prins Bernard (2002)

Philip Dröge

Spionne in het Derde Rijk (2004)

Maria de Meersman

King Kong. Het verraad van Arnhem (2006)

Tomas Ross

Terug naar Boven

 

24

HERMENS & HOPPENBROUWERS, SARAJEVO 1992

Het is april 1992. Bosnië is door moslimpresident Izetbegovic onafhankelijk verklaard, met Sarajevo als hoofdstad. De Vojska Republika Srpska (Bosnisch-Servisch leger) start onmiddellijk haar 'verdediging': 44 maanden lang zal de stad in de wurggreep worden gehouden van meedogenloze artillerieaanvallen en 24/7 loerende sluipschutters. Vanuit de omliggende bergen en flatgebouwen bestoken ze alles en iedereen. Op het dieptepunt van de belegering dalen ± 3.500 Servische granaten op de etnische hot spot neer.

Nederland heeft intussen verbindelaren naar het voormalig Joegoslavië gestuurd; later zullen een transport- (1 (NL/BE) VN Tbat) en infanteriebataljon (Dutchbat) volgen. Commandant van 1 (NL) VN Verbindingsbataljon binnen UNPROFOR in Sarajevo is luitenant-kolonel Frans Vermaas. Hij is er sinds maart ‘92 en vindt dan al “dat hij deze ervaring voor geen goud had willen missen” (dagblad Trouw).

Een van zijn detcahementen verbindelaars zetelt in de Maarschalk Tito-kazerne, een voormalige JNA-kazerne in het centrum van Sarajevo, gelegen aan de beruchte Snipers’ Alley.

Snipers' Alley.

De kazerne ligt net ten westen van het Holiday Inn Hotel, één van de veiligste plekken in de stad vanwege de aanwezigheid van horden buitenlandse journalisten. Snipers’ Alley is de belangrijkste Oost-Westverbinding van Sarajevo, parallel lopend aan de zuidelijker gelegen rivier Miljacka. De weg verbindt Aerodrom Sarajevo met het stadscentrum: een brede boulevard van vier rijstroken met in het midden een trambaan. Om ongeschonden de permanent onder vuur liggende Snipers’ Alley te passeren moet een gemiddelde snelheid worden aangehouden van zo’n 120 km per uur of onder pantser worden gereden; voetgangers zijn levende schietschijven.

Het verbindingsdetachement van in totaal elf militairen wordt geleid door sergeant-majoor E.J.M. (Bert) Hermens uit Wijchen en sergeant J.A. (Hans) Hoppenbrouwers uit Apeldoorn, commandant respectievelijk plaatsvervangend commandant. De eenheid is toegevoegd aan een Oekraïens VN-bataljon op de kazerne.

Op 20 augustus 1992 escaleert de situatie: 's middags rond 16.00 uur wordt een Oekraïense VN-soldaat op de kazerne door een sluipschutter gedood. Vanaf ± 20.00 uur ligt de kazerne onder zwaar Servische mortier- en artillerievuur: in drie kwartier worden 34 granaatinslagen geteld. Hierop wordt de verbindingseenheid teruggehaald naar het VN-hoofdkwartier in Sarajevo (PTT-gebouw). De communicatieapparatuur van de Nederlandse blauwhelmen blijkt onherstelbaar beschadigd.

Op 27 augustus wordt de situatie ter plaatse veilig geacht. Hermens en Hoppenbrouwers krijgen de opdracht terug te keren naar de kazerne om (opnieuw) een verbindingscentrum te ontplooien. Dat weigeren ze, omdat ze niet kunnen instaan voor de veiligheid van de negen dienstplichtigen die ze onder hun hoede hebben. De twee onderofficieren worden nog dezelfde dag door de Koninklijke Marechaussee gehoord. Al de volgende dag, 28 augustus, worden ze in hun ambt geschorst.

Op de kazerne zijn geen bunkers of schuilkelders. Ook hebben de Nederlanders niet de beschikking over kogelvrije of -werende vesten.

Aanvankelijk is de beslissing om de kazerne te evacueren ondersteund door de tot straffen bevoegd meerdere van het tweetal, de plaatsvervangend bataljonscommandant van 1 (NL) VN Verbindingsbataljon, majoor Nauta. De psycholoog oordeelt dat ze voorlopig niet inzetbaar zijn. Maar het voorstel van Hermens en Hoppenbrouwers om desnoods samen terug te keren zonder dienstplichtigen, wordt afgewezen. Na beider weigering van het expliciet gegeven dienstbevel vliegen ze naar Zagreb, waar ze voor de tweede maal terugkeer naar de kazerne in Sarajevo weigeren.

Gezien het plichtsverzuim komt de situatie van beide onderofficieren neer op de weigering van een dienstbevel. Acceptatie van de feiten betekent dat de KL een precedent zou scheppen: veroordeling van beide onderofficieren is dus ‘noodzakelijk’ om een voorbeeld te stellen. Militairen dienen, juist onder levensbedreigende omstandigheden, te blijven functioneren. Hoe het ook zij, beide opties – wel of niet terugkeren – blijken voor de twee bezwaarlijk. Een dilemma is geboren.

Bert Hermens en Hans Hoppenbrouwers.

Majoor Gerard Wondergem – schrijver van Je komt anders terug, die tezelfdertijd United Nations Military Observer (UNMO) in Sarajevo is - getuigt later eigener beweging in het proces in de zaak tegen Hermens en Hoppenbrouwers. Hij noemt de beschietingen een "doelbewuste aanval". Ook stelt hij: "Gelet op de omstandigheden en het feit dat er nog nauwelijks een vertrouwensbasis bestond tussen het Oekraïense bataljon en het verbindingsdetachement, kan ik de beslissing van betrokkenen goed indenken."

Brigadegeneraal G.J.M. Bastiaans, destijds souschef Operatiën van de KL, maakt later duidelijk dat, ondanks de beschietingen, de taakstelling niet wezenlijk was veranderd en dat ze de verbindingen voor het Oekraïense infanteriebataljon hadden moeten blijven garanderen.

De weigering van het dienstbevel wordt in juni 1993 door de militaire kamer van de
rechtbank te Arnhem bestraft met vier maanden onvoorwaardelijke militaire detentie in Nieuwersluis, plus oneervol ontslag op grond van artikel 39, lid 2, sectie k van het AMAR: "wegens verregaande nalatigheid in de vervulling van zijn plichten". Ondanks het feit dat de Commissie Onderzoek Ontslag Militairen (COOM) de Minister van Defensie, Relus ter Beek, heeft geadviseerd beiden niet te ontslaan, wordt in januari 1994 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd door de Hoge Raad. Nadat in november 1994 een gratieverzoek bij de Koningin is afgewezen, zit het tweetal vanaf januari 1995 vier maanden detentie uit.

Ondanks de rechterlijke uitspraak waren volgens de verdediging de bevelen onredelijk, verwarrend en cryptisch, was onduidelijk wie de bevoegdheid had om het bevel te geven, hielden de bevelen geen rekening met de omstandigheden ter plaatse, is te gemakkelijk voorbijgegaan aan de verantwoordelijkheid van groepscommandanten én is het disfunctioneren van officieren onderbelicht gebleven.

Volgens de rechter heeft de weigering van het dienstbevel het aanzien van de Nederlandse krijgsmacht geschaad ten opzichte van buitenlandse eenheden. Beiden hadden zich er te weinig rekenschap van gegeven dat zij in VN-verband werkzaam waren en dat zij belast waren met een taak (onderhouden van radio- en satellietverbindingen) die ook voor andere eenheden van vitaal belang kon zijn.

Terug naar Boven

 

25

KAREL "All ships, follow me" doorman, 27 februari 1942

In de Pacific is in de Tweede Wereldoorlog zwaar slag geleverd, waaronder in de Javazee. De zee wordt omsloten door Borneo, Celebes, Java en Sumatra – allen eilanden van de Indonesische archipel. In de Javazee vond de eerste grote zeeslag van W.O. II plaats. Hier verenigden de U.S. Asiatic Fleet zich met drie geallieerde vlooteskaders om de strijd aan te gaan met de Japanse Keizerlijke Marine.

Tweede van rechts schout-bij-nacht Karel Doorman in de longroom op de Hr. Ms. De Ruyter.

Inmiddels had op 16 mei 1940 Karel Doormans bevordering tot schout-bij-nacht plaatsgevonden: “Doorman had een zeer goed verstand, een grote algemene ontwikkeling en viel op door zijn uitstekende manieren en vermogen om snel contact te leggen. Tegenover zijn collega's kon hij soms op een enigszins minachtende en ongeduldige wijze optreden en voor de doodgewone schepeling was Doorman streng, doch rechtvaardig. Hij was geen uitzonderlijk tacticus, maar had zeker meer kwaliteiten dan de gemiddelde zeeofficier uit zijn jaren.”

Op 2 januari 1942 was het American-British-Dutch-Australian Command (ABDACOM) in het leven geroepen als joint commando voor het zuidwestelijk Pacifisch gebied: Birma, de Filippijnen, Malakka en Nederlands-Indië, dus ook in de Indische wateren. In deze vloot voeren onder Nederlandse vlag de lichte kruisers Hr. Ms. De Ruyter (met 150 mm-geschut) en Hr. Ms. Java én de torpedobootjagers Mr. Ms. Witte de With en Hr. Ms. Kortenaer – vier van de in totaal veertien schepen. In de functie van C-ABDACOM, vanaf 3 februari 1942,  moest Doorman Japan, dat na het bombardement op Pearl Harbor op 7 december 1941 door Nederland de oorlog was verklaard, beletten in de archipel door te dringen en troepen te laten landen op de vele eilanden van Nederlands-Indië.

Kaart van de Javazee, het decor van een voor 915 Nederlanders fatale zeeslag.

Op 26 februari ‘42 kreeg Doorman het bevel van vice-admiraal Conrad Helfrich, de opperbevelhebber van de geallieerde zeestrijdkrachten in het ABDA-gebied, opdracht een naderende Japanse invasievloot aan te vallen. Hoewel Helfrich het sein hiertoe had ontvangen uit Washington, waren de Amerikanen nauwelijks van de partij toen de zeeslag zijn beslag kreeg. Rond 19.00 uur voer het ABDA-eskader uit vanuit Soerabaja, dat na de val van Manilla en Singapore de laatste vlootbasis van de anti-Japanse vloot in Zuidoost-Azië was. Helfrich wilde coûte que coûte Java verdedigen, het zwaartepunt van de Nederlanders; de Japanners moesten worden belet Nederlands-Indië binnen te vallen. Voorafgaand aan en na de opdracht uit te varen drong commandant Doorman frequent aan op luchtsteun, niet alleen om een meer dan zeer globaal idee te hebben van de positie van de Japanse landingsvloot maar ook om de vijandelijke vlootbewegingen te helpen doen keren (aan te vallen). Terwijl de Japanse admiraakl Sokichi Takagi, op het vlaggenschip Jintsu (lichte kruiser), dankzij zijn luchtverkenningen feilloos wist dat de Striking Force East van Doorman onderweg was.

Het ad hoc samengestelde eskader van schout-bij-nacht Karel Doorman was een ratjetoe aan schepen. Het had nimmer samen geoefend , werkte met verschillende tactische doctrines en afwijkende, vaak slecht functionerende communicatiesystemen. Voeg daarbij de weliswaar beschikbare, maar niet gecoördineerd met de Striking Force ingezette geallieerde vliegtuigen; de gebrekkige seincommunicatie; het zowel geestelijk als lichamelijk uitgeput geallieerd personeel; de onbekendheid met de Japanse lange-afstandstorpedo; en de onvolledige en achterhaalde inlichtingen waarover Doorman beschikte - en een aanval op de Japanse vloot was bij voorbaat gedoemd te mislukken.

De lichte kruiser Hr. Ms. De Ruyter, het vlaggenschip van het eskader van Doorman.

Op 27 februari 1942 om ± 16.00 uur kregen de Japanse en geallieerde eskaders elkaar in het vizier. Het eskader van de Japanse vlootcommandant Takagi telde 41 schepen, waarmee de verhouding drie tegen één was. Wat volgde was een klassiek oppervlaktegevecht, waarbij een hels duel met scheepsartillerie en torpedo’s losbrak. Hierbij reikte het Japanse geschut stukken verder dan dat van de geallieerden.

Omstreeks 17.00 uur werd de Britse kruiser H.M.S. Exeter getroffen. Twintig minuten later werd de Nederlandse torpedobootjager Hr. Ms. Kortenaer getorpedeerd: het schip explodeerde en brak in tweeen. In het geallieerde eskader ontstond verwarring over de te volgen koers, onder meer doordat de H.M.S. Exeter nog maar op halve kracht kon varen en op eigen gelegenheid naar de haven Tandjung Priok (Batavia) wilde terugkeren.

Indachtig de hem door Helfrich verstrekte instructies, gaf schout-bij-nacht Doorman, bij nadering van de Japanse vloot, het bevel tot de aanval. Echter, het tactisch sein “Ik val aan, volg mij” heeft hij nooit laten uitzenden. Dit is enkel een zeer vrije, romantisch-heroïsch verfraaide vertaling van het door hem door middel van vlaggen en over de radio verstuurde sein “All ships, follow me” om de ontstane verwarring te verhelpen en de desorganisatie in het zwaar gehavende eskader te bewaren. Hopeloos...

Doorman op de brug van zijn vlaggenschip.

Inclusief gevechtspauzes duurde de Slag in de Javazee ruim zeven uur. Zij eindigde met de nagenoeg volledige vernietiging van Doormans eskader. Het vlaggenschip Hr. Ms. De Ruyter en de andere Nederlandse kruiser werden vlak voor middernacht getroffen door type 93-torpedo’s, door de Amerikanen ‘Long Lance’ genoemd. Deze voor die tijd uitzonderlijk krachtige lange-afstandstorpedo’s hadden een maximaal bereik van veertig kilometer met een oorlogskop van 490 kg!

In de nacht van 27 op 28 februari vond het beslissende gevecht plaats. In de inktzwarte duisternis, alleen werd onderbroken door lichtfakkels van Japanse verkenners, raakte om 23.32 uur een Japanse torpedo de Hr. Ms. De Ruyter. Eskadercommandant Doorman verkoos, volgens oude marinetraditie, aan boord te blijven en ging na anderhalf uur samen met zijn schip ten onder.

Behalve de Hr. Ms. De Ruyter verdwenen ook vier andere schepen van Doormans flottielje in de golven van de Javazee, waaronder de Hr. Ms. Java en de Hr. Ms. Kortenaer. De meeste bemanningsleden verdronken of werden het slachtoffer van munitieontploffingen aan boord van de twee snel zinkende Nederlandse kruisers. De doden restte niets anders dan een zeemansgraf.

De superioriteit van de Japanse Keizerlijke Marine was overweldigend gebleken: in de Striking Force East lieten 915 Nederlanders het leven, zo’n 90% van alle doden in deze zeeslag. Daarnaast verloren de geallieerden met de Slag in de Javazee in korte tijd niet alleen de Filippijnen en Singapore, maar zou het zeegevecht ook de val inluiden van het Nederlandse koloniale rijk van Nederlands-Indië.

Ondanks zijn moed en overtuiging was schout-bij-nacht Doorman er niet in geslaagd de Japanners te stoppen. De protectie van Java was mislukt en Indië lag open voor een Japanse landing. Op 5 maart 1942 trokken Japanse troepen Batavia binnen, waar het KNIL niet was opgewassen tegen de geoefende en ervaren Japanse troepen. Het KNIL trok zich ijlling terug op de stellingen op en rond de Tjiater bij Bandoeng op West-Java. “Indië verloren, rampspoed geboren”.

Op 5 juni 1942 werd Karel Doorman bij Koninklijk Besluit van 5 juni 1942 nummer 9 postuum de Militaire Willemsorde der 3de klasse verleend. Op 23 mei 1947 werd de dapperheidsonderscheiding door luitenant-admiraal C.E.L Helfrich, aan boord van de Hr. Ms. Karel Doorman en in het bijzijn van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard, uitgereikt aan de oudste zoon van de schout-bij-nacht.

Ook zijn, tussen 1946 en 2006, met tussenperioden drie vaartuigen van de Koninklijke Marine vernoemd naar Doorman. Hieronder de tweede Hr. Ms. Karel Doorman, het vliegkampschip H.M.S. Venerable uit de Colossus-klasse van de U.K. Royal Navy, het grootste schip ooit door de Koninklijke Marine gevaren. Dit schip werd in 1948 door Nederland aangekocht voor een bedrag van 27 miljoen gulden, nu ruim € 12 miljoen.

Een bijzonder document is de docufilm ‘De Slag in de Javazee’ (‘The Battle in the Java Sea’) uit 1995.

In de 135 minuten durende film, waaraan regisseur/scenarist Niek Koppen drie jaar lang werkte, komen vijftig veteranen aan het woord die een minutieus ooggetuigenverslag geven van de fatale zeeslag.

In 1996 won de film een Gouden Kalf voor de beste documentaire op het Nederlands filmfestival; in mei 2006 verscheen de film op DVD.

Door de zeeslag in de Javazee werd Karel Doorman de laatste Nederlandse zeeheld. Sindsdien kennen heel wat gemeenten in Nederland kaden, lanen, pleinen en straten die naar hem zijn vernoemd; van Amsterdam tot Zutphen leeft de heroische 20ste-eeuwse zeecommandant voort. Ter nagedachtenis aan de Nederlandse gevallenen uit de Slag in de Javazee werd in 1954 op het ereveld Kembang Kuning in Soerabaja het Karel Doormanmonument onthuld.

Terug naar Boven

 

26

ZUID-CELEBES, NEDERLANDS-INDIE, 1946-'47

Om een einde te maken aan de terreur tegen het Nederlands bestuur op Zuid-Celebes, tegenwoordig Sulawesi Selatan geheten, trok vanaf 10 december 1946 een groep Nederlandse militairen over het eiland.

Op het eiland was een ware volksopstand tegen de Nederlanders uitgebroken, met inbegrip van aanslagen en brandstichtingen. Honderden vrijheidsstrijders uit Java hadden de oversteek gemaakt om, met medeneming van enorme hoeveelheden meegesmokkelde wapens, hun broeders op Celebes bij te staan. Nederland kon niet anders dan de noodtoestand uitroepen. Sommigen noemden het een hard bewind, anderen “pacificeren”.

De groep Nederlandse militairen betrof 123 commando’s van het Detachement Speciale Troepen. Geharde militairen met tropenervaring en getraind in contraguerrilla. Het DST had van de legercommandant in Nederlands-Indië, luitenant-generaal Simon H. Spoor, carte blanche gekregen om “met alle daartoe geëigende middelen een eind te maken aan de heersende nationalistische terreur tegen het Nederlands gezag en de rust te herstellen”.

Het DST stond onder leiding van kapitein Raymond Westerling en onderluitenant Jan Vermeulen. En hoewel het optreden soms erg hard en rigoureus was, bleek het efficiënt. In de periode tot februari 1947 bracht het DST orde en rust. Westerling’s eenheid doodde in 68 dagen tijd maximaal 600 mensen. Toch spreken andere bronnen van meer dan 1.500 en zelfs 3.114 doden, terwijl aan Indonesische zijde nog altijd wordt gesproken van het mythisch opgeklopte en irreële aantal van 40.000. Na het uitvoeren van verschillende operaties vertrok het DST naar West-Java.

Kapitein Raymond Westerling bij de commando-overdracht van het DST op Zuid-Celebes aan luitenant-kolonel Van Beek, kort voor de Tweede Politionele Actie.

Westerling’s optreden werd gedekt door de hogere legerleiding, totdat Spoor zijn beschermeling in november 1948 ontsloeg.

Bronnen:

‘Achter het Nieuws in Zuid-Celebes. Een VARA-productie’ - Herman Wigbold (1969)
‘De Zuid-Celebes affaire. Kapitein Westerling en de standrechtelijke executies’ - Willem IJzerdreef (1984)
‘Westerling’s oorlog. Indonesië 1945-1950’ – J.A. de Moor (1999)

Terug naar Boven

 

27
 
28
 
29
 
30
 
31

BELEG VAN 'S-HERTOGENBOSCH, 1629

Het Beleg van 's-Hertogenbosch duurde van april tot 14 september 1629. De tegenaanval op de Spaanse bezetter werd uitgevoerd door Prins Frederik Hendrik in de eindfase van de Tachtigjarige Oorlog. Uiteindelijk nam Frederik Hendrik, de enige zoon van Willem van Oranje en Louise de Coligny, de stad. Maar de voortekenen waren allesbehalve goed. ’s-Hertogenbosch was gezien haar ligging allesbehalve een lonend doel: tijdens de oorlogsjaren was de stad versterkt met diverse bastions. Daarnaast had de stad het voordeel van omliggende moerasgronden die de nadering bemoeilijkten. Tot slot leken alle voor die tijd gebruikelijke belegeringsmethodes (loopgraven en ondermijning) onuitvoerbaar. De stad gold als een onneembare veste.

Het beleg van 's-Hertogenbosch, in olie op canvas geschilderd door de Vlaming Pieter Snayers (1592-1667).

Frederik Hendrik, opperbevelhebber van het Staatse leger.

Toch ging Frederik Hendrik – die als opperbevelhebber van het Staatse leger de strategie van Prins Maurits voortzette (belegering had prioriteit boven het vernietigen van legers) – het quasi-onmogelijke gevecht aan met de troepen van Anthonie Schets, baron van Grobbendonck.

Schets was namens de Spanjolen militair gouverneur van de stad; tijdens zijn bewind werden de bekende bastions gebouwd, zoals Fort Isabella, de Pettelaarse schans en het Muntelbolwerk.

Frederik Hendrik’s troepenmacht was vanaf de Mookerheide opgerukt naar ’s-Hertogenbosch, of beter gezegd: naar Vught. Daar waren ± 20.000 militairen gelegerd. Frederik Hendrik bestierde zijn troepenmacht vanuit het Heymshuis, op een eilandje bij de rivier Dommel – het huidige Kasteel Maurick.

Na 4½ maand van belegeringen versloeg hij de Spanjaarden, onder andere door de aanleg van een circumvallatielinie. Dit was een aaneengesloten cirkelvormige linie van bastions rondom de belegerde stad. Twee jaar eerder, in 1627, had Frederik Hendrik dit principe al toegepast tijdens het beleg van Groenlo. Zo konden versterkingen van buitenaf de stad niet naderen. Ook liet de opperbevelhebber het waterpeil in de moerassige ommelanden zakken en controleerde hij systematisch alle aan- en afvoerwegen naar de stad.

Terug naar Boven

 

32
 
33

TREINKAPING BIJ DE PUNT, MEI 1977

In de jaren ’70 van de 20ste eeuw liet de tweede generatie Molukkers in Nederland van zich horen met gijzelingen en treinkapingen. Hun ouders waren in de jaren ’50 tijdelijk naar Nederland gekomen, omdat de Nederlandse regering ze een eigen staat op de Molukken in het vooruitzicht had gesteld. De jaren verstreken, maar de eigen Molukse staat kwam niet dichterbij omdat Nedeland de politieke verstandhouding met Indonesië niet in gevaar wilde brengen door de zaak van de RMS (Republik Maluku Selatan; de zelfuitgeroepen Republiek der Zuid-Molukken op Ambon) te steunen.

Enkele Molukse jongeren verkropten de frustratie niet langer en vroegen met radicale acties aandacht voor de zaak van de RMS.

Een YP-408 pantserwielvoertuig bewaakt het gebied rondom de door Molukkers gekaapte intercity in De Punt.

Een YP-408 grendelt de treinkaping bij De Punt af.

De doorzeefde trein na afloop van de kaping.

In 1975 vond een eerste treinkaping plaats bij het Drentse oord Wijster; twee jaar later volgde een soortgelijke actie bij De Punt. Deze treinkaping begon ’s morgens op 23 mei 1977 in de intercity Assen-Groningen; de kaping zou twintig dagen duren.

De bevrijdingsoperatie was de grootste militaire operatie sinds de Tweede Wereldoorlog in Nederland en tevens één van de weinige gebeurtenissen in vredestijd waarbij voor alle wapens scherpe munitie werd uitgereikt.

In de ochtend van 11 juni 1977 belaagden mariniers de trein. Na wekenlang praten en tijd rekken werden 15.000 patronen op de trein afgevuurd, waarbij de elitetroepen werden bijgestaan door zes F-104G Starfighters van de Koninklijke Luchtmacht vanaf de Vliegbasis Leeuwarden. De gevechtsvliegtuigen scheerden meerdere malen laag over de trein. De afterburners (naverbrander) produceerden daarbij zo’n oorverdovende herrie dat de kapers tijdelijk totaal gedesoriënteerd en verward waren. Dit was het moment dat de grondtroepen de trein bestormden. Zes kapers en twee gegijzelden kwamen daarbij om het leven. De overige ruim 50 gegijzelden kwamen ongedeerd vrij. Tijdens de laatste week van de kaping werd de buitenste ring rondom de trein afgegrendeld door militairen van 48 Pantserinfanteriebataljon Regiment Van Heutsz, samen met eenheden van de Mobiele Eenheid en de Koninklijke Marechaussee.

Zondag 3 mei 2009 heeft de EO de telefilm 'De Punt' (regie: Hanro Smitsman) over de treinkaping uitgezonden.

Het is een gedramatiseerde reconstructie, met als centraal personage de enige vrouwelijke kaper, Noor, die bij de bevrijdingsactie door een marinier werd doodgeschoten.

Terug naar Boven

 

34

jean victor 'jungle pimpernel' de bruijn, 1943 en '44

Nieuw-Guinea herbergt een groot stuk 'Nederlandse' geschiedenis dat langzaamaan in de vergetelheid dreigt te raken. Zo werd tussen 1942 en ’45 een groot deel van Nieuw-Guinea door de Japanse strijdkrachten bezet. Slechts een klein gebied rondom Merauke bleef in Nederlandse handen.

Al vanaf mei 1935 was Centraal Nieuw-Guinea – het westen van het eiland – onder controle van de Nederlanders en vanaf ’38 diende ene Jean Victor de Bruijn er als district officier ("kontolulle") het Binnenlands Bestuur in Enarotali: hoofdstad, bestuurlijk centrum van het Wissel Lakes District én thuisbasis voor de antropologische, etnologische en geologische expedities in het westelijke hooglanden van Papua. Enarotali ligt op de oostelijke oever van het Paniai Meer, het grootste van de drie Wisselmeren, op een hoogte van 1.760 meter. Er is geen wegennet dat naar de twee andere Wisselmeren, Tage en Tigi, leidt, enkel paden die te belopen zijn.

Dr. Jean Victor de Bruijn temidden van zijn Bergpapoea's.

Jean Victor de Bruijn werd op 25 november 1913 geboren in het Javaanse Magelan, waar zijn vader administrateur van een suikeronderneming was. In Semarang en Magelan doorliep hij lagere school en HBS. Aan de Universiteit van Leiden promoveerde hij in 1937 tot doctor in de letteren (indologie) en wijsbegeerte, een studie die toewerkte naar een bestuurlijke carrière bij het Binnenlands Bestuur in Nederlands-Indië.

Na acht maanden als aspirant-controleur in Saparoea en West-Ceram werd hij in Enarotali de vertegenwoordiger van de Nederlandse regering. Daar bouwde hij een vertrouwelijke band op met de stam der Ekari. Als één van de eerste blanken leefde hij jaren achtereen met deze Papoea’s en dompelde zich letterlijk in het Stenen Tijdperk.

Ekari''s in het bergland bij Enarotali in Nieuw-Guinea.

Toen Vic de Bruijn in 1942 om medische redenen Australië moest bezoeken, melddde hij zich in Melbourne aan bij de Netherlands Forces Intelligence Service (NEFIS) – de Nederlandse inlichtingendienst met betrekking tot Nederlands-Indië. De NEFIS vormde een speciale eenheid die verkenningsmissies uitzond naar het bezette gebied – de zgn. NEFIS-parties. Die parties waren zelden succesvol, totdat in mei 1943 Enarotali door de Japanners werd bezet.

Verkenningsparty Oaktree (Eikenboom) zou een goede uitzondering op de mislukte parties blijken, geleid door de tot kapitein benoemde De Bruijn. Meer dan twee jaar bleef hij in de afgelegen en uitgestrekte binnenlanden een doorn in het oog van de Japanse agressor, waar de party uiterst waardevolle inlichtingen opdeed, de superieure Japanse strijdmacht bond en, niet in de laatste plaats, het prestige van de Nederlanders onder de lokale bevolking handhaafde.

Dr. Jean Victor de Bruijn.

Op het moment dat de Japanners het eiland bezetten, vluchtten De Bruijn en zijn vrienden de nauwelijks bereikbare binnenlanden in. Daar leefde hij tussen en met de Bergpapoea’s, nam hun gewoonten over en hield zich in leven met kikkers, ratten en vleermuizen. Enkele Papoea’s werden hechte vrienden: Weakebo, Soalekigi, Lutamakulita en Bobatara. De groep-De Bruijn opereerde samen met de Bergpapoea's, 29 in totaal, acht koloniale politieagenten en een Nederlandse radiotelegrafist. Hun belangrijkste taak: de troepenbewegingen en –sterkte van de Japanners rapporteren aan de NEFIS in Australië. Dat gebeurde met een door een geallieerd vliegtuig gedropte radiozender.

De acties van De Bruijn c.s. vertraagden de Japanse opmars langs de zuidkust. De groep zette proviand- en munitiedumps op en overleefde dankzij de steun van de bevolking. Vooral na de door de geallieerden in de loop van 1943/’44 behaalde successen – toen door de blokkade de voedselsituatie van de Japanners zeer precair werd en ze ertoe overgingen te branden, mishandelen en roven – werd de houding van de inlandse bevolking ronduit vijandig. Enthousiast hebben de Papoea’s dan ook deelgenomen aan de acties ter vernietiging van de naar de binnenlanden gevluchte Japanners.

Intussen bleef alles wat Japanner was op Nieuw-Guinea jacht op hem maken, maar ondanks de pressie was hij onvindbaar. Hele bataljons werden deze “Nederlandse spion” achterna gezonden, wat de Japanners honderden doden kostte – niet alleen aan malariakoorts en ontberingen. Op Koninginnedag 1943 zond hij vanuit het Wisselmerengebied zelfs zijn gelukwensen aan Koningin Wilhelmina in Londen.

In april ’44 nam het strategisch belang van Nieuw-Guinea toe: de Amerikaanse opperbevelhebber in de Pacific, generaal Douglas MacArthur, landde er. Nabij de bestuurspost Hollandia liet hij een enorme basis aanleggen, die in totaal 140.000 man (!) met hun materiaal kon herbergen. Ook op het eiland Biak en het nabijgelegen atol Woendi werd de nodige militaire infrastructuur opgezet.

In het kat-en-muisspel was De Bruijn nu nog meer op zijn qui-vive; met zijn acties was De Bruijn immers al bij leven een legende geworden. Na ruim twee jaar in de oerbossen van Nieuw-Guinea landden dan eindelijk, op 26 juli 1944, twee Catalina-watervliegtuigen op Hagers Lake (Vonkmeer). Ze wilde alleen hem meenemen, maar De Bruijn weigerde. Of alle 43 mannen gingen mee - inclusief de Bergpapoea’s die hem zo trouw als lijfwacht hadden gediend en keer op keer hun leven op het spel hadden gezet - of niemand. Ze gingen allemaal mee: de NEFIS-parties Oaktree en Crayfish (Rivierkreeft) werden geëvacueerd naar Australië.

 (Crayfish was op 26 februari 1944 onder leiding van reserve-tweede luitenant C.J. Overweel gedropt in de omgeving van Liborai en had de opdracht om informatie over de Japanners, die zich hadden verzameld bij Nabire, te verkrijgen. Omdat in de loop van mei ’44 de opmars van de Japanners begon, was de Crayfish-party niet langer in staat haar taken uit te voeren.)

Vanwege zijn heroïsche daden in het inlichtingenwerk noemde De Bruijn’s biograaf Lloyd Rhys hem in zijn biografie ‘Jungle pimpernel: the story of a district officer in central Netherlands New Guinea’ de Jungle Pimpernel. In het Nederlands werd het boek vertaald als ‘Aligamè, vriend der Papoea's. Het verhaal over de "Jungle Pimpernel" Dr J.Victor de Bruijn onder de Bergpapoea's in Nieuw-Guinea.’

Later wijdde de Nederlander Anthony van Kampen, die vele malen Nieuw-Guinea bezocht, een beeldend en barok geschreven trilogie aan de Jungle Pimpernel, onder meer vertaald in het Duits en alle Scandinavische talen. Voor Van Kampen was De Bruijn “een stralend voorbeeld van integriteit en van de moed om compromissen te weigeren”.

Na zijn verzetsavonturen moest De Bruijn in augustus 1945 lange tijd in een Australisch ziekenhuis aansterken als gevolg van ondervoeding en uitputting. Zijn verpleegster – de van oorsprong Friese, blonde en blauwogige tweede luitenant Geertje (Gé) Botma – zou in juli 1947 op het eiland Biak met dr. J.V. de Bruijn trouwen; Biak was de plek waar De Bruijn na zijn ziekbed werd geplaatst als hoofd van het plaatselijk bestuur.

Bij Koninklijk Besluit nummer 18 van 12 april 1945 kreeg de reserve-eerste luitenant der infanterie voor speciale diensten van het Wapen der Infanterie van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger het Bronzen Kruis, wegens:

“Moedig en beleidvol optreden getoond in het tijdvak van 23 Mei 1943 tot 26 Juli 1944 op Nederlandsch Nieuw Guinea waardoor op succesvolle wijze, ondanks bijna onoverkomelijke moeilijkheden, de Amerikaanse intelligence-parties “Crayfish” en “Oaktree” konden worden geëvacueerd.”

In 1965 keerde hij terug naar Nederland, waar hij tot zijn pensionering bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam werkte. Behalve met het Bronzen Kruis, werd hij onderscheiden met onder andere het Oorlogsherinneringkruis en de Orde van Oranje-Nassau.

In '78 publiceerde hij zijn memoires onder de titel ‘Het verdwenen volk’, die een bestseller werd. Jean Victor de Bruijn overleed op 8 februari 1979 in Driebergen-Zeist.

Terug naar Boven

 

35

HOLLANDER KORPS BIJ ELANDSLAAGTE, 21 OKTOBER 1899

Tijdens de Tweede Engels-Boerenoorlog was het oord Elandslaagte in Natal één van de belangrijke schakels in de telefoonverbindingen tussen de Engelse troepen (‘Rooineks’) in Ladysmith en Dundee. Ladysmith lag 25 km naar het zuidwesten, Dundee 50 km naar het noorden.

Kaart van de omgeving waarin de Slag bij Elandslaagte zich voltrok.

Onder de Boeren bevond zich ook het inderhaast in Pretoria opgerichte Hollander Korps. Dat vocht aan de zijde van de Boeren onder leiding van de Afrikaner Johannes Petrus la Grange Lombard. Algemeen was de leiding in handen van generaal Johannes Kock. De bescheiden vrijwilligerseenheid van de Nederlanders was samen met de Boeren het Britse Natal binnengetrokken.

Generaal Kock en zijn in totaal 800 à 1.000 man kregen de opdracht de spoorlijn tussen Dundee en Ladysmith te onderbreken in een poging zo het Brits offensief de kop in te drukken. Overigens had Kock nog een tweede opdracht: Biggarsbergnek bezet houden, een bergpas op ruim 30 km van het station van Elandslaagte. Beide opdrachten tot een goed einde brengen was schier onmogelijk.

Vanaf de 16de oktober 1899 bezetten patrouilles van de Boeren de kolenmijn en het spoorwegstation van Elandslaagte; daarmee was de communicatie afgesneden.
Intussen hadden de manschappen van Kock een goederentrein buitgemaakt. Het Hollander Korps kreeg de opdracht een inventaris van de goederen te maken en de trein te bewaken tegen plunderingen. Kock had bevel gegeven om buitgemaakte flessen brandewijn, jenever, whisky en wat dies meer zij stuk te slaan. Dat gebeurde niet. De mannen die het de eerste dagen na de oorlogsverklaring zeer zwaar én koud hadden gehad, dronken. Het is niet ondenkbaar dat het drankgebruik de vechtlust heeft aangetast.

Op 21 oktober, tien dagen na de officiële oorlogsverklaring van de Transvaalse Boeren aan Engeland – laafden de verkleumde Boeren zich almaar aan de sterke drank.

Het Hollander Korps was op het laatste nippertje aan Kock’s commando toegevoegd. Die had te weinig mensen voor deze zware taak. De eerste gedachten zijn dat de roekeloze vrijbuiter Kock gecharmeerd moet zijn geweest van de Nederlanders; van het idee dat met Koningin Wilhelmina de gehele Nederlandse bevolking zich achter de Boeren had geschaard; of omdat de Nederlandse vrijwilligers zich met hen verwant (want van Nederlandse komaf en gereformeerd) voelden.

Nederland bleef echter neutraal tegen de overmachtige Engelsen, terwijl de Nederlandse vrijwilligers in het Hollander Korps dat allerminst waren. (Later zou de Nederlandse kruiser Hr. Ms. Gelderland bij wijze van gebaar president Kruger van de Delagoabaai naar Marseille brengen.)

De strijd van het Hollander Korps bij Elandslaagte betekende het einde van de in een eigen eenheid georganiseerde Nederlandse aanwezigheid in die oorlog. Het eerste wapenfeit van het Hollander Korps werd meteen ook het laatste.
Al de 20ste hadden Kock en zijn mannen alle posities in en rondom Elandslaagte bezet. Kock beval kolonel Adolf Schiel van het Duitse korps te patrouilleren op het terrein ten westen.

Het gevecht begon rond half vier ’s middags. Toen delen van de Engelse 1st Cavalry Brigade onder leiding van generaal-majoor John French via Helpmekaar vanuit Dundee naderden, namen de Boeren met twee 15-ponderkanonnen stellingen in op de heuvels (kopjes). Op ruim 3,5 km van de Boeren nam bijna het tienvoudige aan Engelse kanonnen ook posities in. Zo ving de strijd aan met een bij voorbaat ongelijk artillerieduel tussen Engelsen en Boeren. Het geschut van de Boeren werd tot zwijgen gebracht.

Engelse lansiers vallen de zich terugtrekkende Boeren in de rug aan.

Om 18.30 uur, toen de kanonnen van de Boeren reeds oorlogsbuit waren, ging de Engelse infanterie voorwaarts: dragonders en lansiers voerden tot driemaal toe een allesvernietigende charge uit op de zich terugtrekkende Boeren. De infanteristen chargeerden met de bajonet op het geweer. Onder de Engelsen vielen 55 doden en 205 gewonden. Aan de kant van de Boeren waren 38 doden en 105 gewonden te betreuren, onder wie Nederlanders, hoewel de grootste verliezen waren geleden in het Johannesburgse Kommando en bij de Duitse vrijwilligers. Ook werden 185 Boeren krijgsgevangene gemaakt, onder wie opnieuw Nederlanders.

Duidelijk was dat het Hollander Korps zich de strijdwijze van het Boer Commando nog niet eigen had gemaakt: hoe de strijd zich ook ontwikkelde, ze bleven zich weren op hun kopje. Weliswaar namen de Boeren zelf ook plaats op kopjes, maar maakten bij serieuze tegenstand en het gevaar van omsingeling snel dat ze te paard ontkwamen. Het Hollander Korps had ook nog eens de pech dat hun kopje gemakkelijk te omtrekken was, terwijl hun met acacia's, doornstruiken en rotspartijen bedekte vluchtroute zeer moeilijk was.

Dientengevolge moesten de Nederlanders lijdzaam toezien hoe hun kopje werd ingenomen. Langzaam raakten ze geïsoleerd, terwijl de Engelsen het gevecht meedogenloos voerden: terwijl de zich terugtrekkende Boeren om genade smeekten, werden ze met lansen alsnog in de rug gespiest. Ook doorboorden de Engelsen een Rode Kruis-wagen met 70 kogels. Hierna werden de Engelsen beticht van schending van het jus in bello. (Aan de andere kant leidde generaal Kock nog een tegenaanval toen sommige Boeren al witte vlaggen lieten zien…)

Vrijwel alle Nederlanders sneuvelden, raakten gewond of werden krijgsgevangen gemaakt. De helft van het Hollanderkorps was zo in één keer weggevaagd.

Commandant J.P. la Grange Lombard van het Hollander Korps wist te ontkomen. Van de ± 130 Nederlanders die in de Slag bij Elandslaagte onder Kock vochten, kwamen er negen om het leven. Naast Herman Coster, de oprichter van het Hollander Korps, en luitenant Carst de Jonge waren dat de manschappen P.J. van den Broek, H. van Cittert, Lepeltak Kieft, J. Moora, J.Th. Rummeling, M. Schaink en F.W. Wagner.

Vierenvijftig Nederlanders werden krijgsgevangene gemaakt; de Nederlanders die wisten te ontsnappen werden later ingedeeld bij andere eenheden. De krijgsgevangenen werden gedeporteerd naar Sint Helena (waar Napoleon de laatste jaren van zijn ballingschap doorbracht) en Ceylon. Generaal Kock, die bij Elandslaagte ernstig gewond was geraakt, overleed op 8 november in het Engelse hospitaal van Ladysmith.

Navrant is dat de overwinning van de Engelsen bij Elandslaagte een Pyrrusoverwinning is gebleken. Onbedoeld bleek het een afleidingsmanoeuvre van de Boeren om te voorkomen dat generaal George White zich bij generaal James Herbert Yule bij Glencoe kon voegen. Daarmee was het door de Engelsen bij Elandslaagte behaalde voordeel te niet gedaan.

In de Boerenoorlog (1899-1902) lagen de eerste wortels van wat men later counter-insurgency is gaan noemen. De oorlog had grote impact op het Britse leger: na de nederlaag van de hoofdmacht van de Boeren, veranderde de oorlog van een conventionele in een bittere guerrillacampagne.

In die tweede oorlogsfase opereerden de Boeren in hoogst mobiel opgezette detachementen (commando's) die “raiding tactics” (overvaltactieken) gebruikten. Hierop paste ook de Britse generaal Horatio Kitchener zijn operaties aan in de tactiek van de verschroeide aarde: duizenden boerderijen werden in vlam gezet en Boeren werden geconcentreerd in detentie geplaatst (concentratiekampen avant-la-lettre).

Deze maatregelen separeerden de guerrillero’s van hun ondersteuningsnetwerk. Grootschalige zuiveringen en cordon and search-operaties waren het resultaat. Deze vormden de basis van de Britse COIN-doctrine in de eerste helft van de 20ste eeuw.

 
 

Terug naar Boven

 

36

SLAG BIJ MALPLAQUET, 11 SEPTEMBER 1709

Niemand zou ooit van Malplaquet hebben gehoord als daar niet de meest bloedige slag uit de Spaanse Successieoorlog en “de bloedigste veldslag van de achttiende eeuw” had plaatsgevonden. Het gehucht – dat deel uitmaakt van de gemeente Taisnières-sur-Honin in het departement Nord-Pas-de-Calais – ligt twintig km ten zuiden van Bergen (Mons), net over de Belgisch-Franse grens. Op 11 september 1709 vond hier vanaf een uur of acht in de ochtend een zeven uur durende slag plaats, de Bataille de Malplaquet.

De Nederlander Jan van Huchtenburg schilderde de veldslag bij Malplaquet. Het schilderij meet 89 x 114 cm. Het origineel hangt in de Turijnse Galleria Sabauda.

Zonder Malplaquet was de kans ook een stuk kleiner geweest dat wij de veelbelovende Johan Willem Friso hadden gekend. Weliswaar onderscheidde hij zich ook in het strijdperk bij Oudenaarde (1708), het beleg van Rijssel (1708) en te Douai (1710), hij beleefde zijn grootste wapenfeit in Malplaquet.

Aanleiding voor de strijd rondom Malplaquet was de troonopvolging in Spanje. De Spaanse koning Karel II stierf kinderloos op 1 november 1700. Hoewel hij Filips V (Filips van Anjou) had aangewezen als troonopvolger, waren Lodewijk XIV en keizer Leopold I van mening dat juist hun familie recht had op de vrijgekomen Spaanse troon. Als gevolg van de complicerende erfopvolgingkwestie, brak in 1701 de Spaanse Successieoorlog uit. De Verenigde Republiek der Nederlanden vocht hierin zij aan zij met Groot-BrittanniŽ en Oostenrijk tegen het Frankrijk van Lodewijk XIV. De Britse bevelhebber John Churchill, 1st Duke of Marlborough, was de aanvoerder van de geallieerde legers. Hij had samen met Prins Eugenius van Savoye, een Franse edelman in dienst van de Habsburgers, al vele veldslagen en belegeringen gewonnen.

Maar de Fransen, geleid door maarschalk Duc de Villars, brachten Marlborough en Van Savoye bij hun frontale aanval op de verschansingen bij Malplaquet zware verliezen toe. De legers van Marlborough en Van Savoye telde 110.000 man, het Franse 80.000. In totaal telden de Fransen ‘slechts’ 11.000 slachtoffers tegen 25.000 doden en gewonden aan geallieerde kant; ze waren hierdoor zelfs niet meer in staat tot een achtervolging en overnachtten op het slagveld. De zeer zware verliezen zijn niet vreemd: naar schatting zijn in de Slag bij Malplaquet 1,8 miljoen schoten afgevuurd!

Het aandeel van de Nederlanders blijkt onder meer uit hun doden- en gewondental: aan de zijde van het Staatse infanterie alleen al waren 2.380 doden te betreuren en ruim 6.000 gewonden.

De component van de Verenigde Republiek der Nederlanden onder aanvoering van de 22-jarige prins Johan Willem Friso speelde een belangrijke rol. Op de linkerflank hield het Staatse leger ferm stand tegen een grote Franse overmacht. Hierbij bevond de dappere Friso zich steeds in de voorste linies. Omdat de Nederlanders op de linkervleugel zo veel vijandelijke troepen bonden, braken de bondgenoten op een ander punt door de vijandelijke linies heen.

Busteportret van Johan Willem Friso (1687-1711), in wapenrusting met hermelijnen mantel en allongepruik.

Daardoor werd een zwaar bevochten ‘zege’ bereikt. Niettemin was Malplaquet een Pyrrusoverwinning: op tactisch niveau was de veldslag onbeslist, strategisch gezien was ze een overwinning voor de Fransen.

Aan de slag ging een snelle mars van de Nederlandse troepen onder Friso vooraf. Door kruisvuren leidde hij 31 bataljons naar de Franse stadswallen, waar de vijandelijke gelederen zich op hem stortten.

Door een misverstand tussen Friso en Marlborough verloren vele duizenden Nederlanders hierbij het leven. Toen alles duizelde rukte hij een vaandrig de driekleur uit de hand, plantte die op een borstwering en riep: “Volgt mij mijne vrienden, hier is uw post”.

Frankrijk verloor na tien jaar strijd uiteindelijk zijn controle over Spanje en – nog belangrijker – over de Zuidelijke Nederlanden. Nederland kwam, bij de Vrede van Utrecht in 1713, onder bestuur van Oostenrijk en de Spaanse troon kwam alsnog in handen van een kleinzoon van Lodewijk, Filips V van Bourbon.

Terug naar Boven

 

37

GREBBELINIE, w.o. ii

© Kaart: 'Linies en stellingen en het strategisch plan van generaal Winkelman, 1940' - Teo van Middelkoop (website Mars et Historia)

Doordat na de Duitse inval op vrijdag 10 mei 1940 boven Den Haag Duitse vliegtuigen zijn neergeschoten, waarbij de Nederlandse regering de Duitse aanvalsplannen tot haar beschikking krijgt, wordt het doel van de invasie duidelijk: de gevangenneming van de Koningin, regering en Defensietop. Om dit te verijdelen besluit de kersverse Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht, generaal Henri G. Winkelman, Den Haag geheel af te grendelen. Het tempo van de Duitse opmars bij de Grebbelinie – de waterlinie tussen de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug – is echter zo hoog dat dit plan op niets uitloopt.

De avond van de 10de mei hebben de Nederlanders de Peel-Raamstelling al losgelaten. Deze linie doorschrijdt Limburg en Brabant, zuidoostelijk van de Grebbelinie, en ontbeert afdoende artillerie. De volgende ochtend wordt de aanval op de Grebbelinie ingezet. Aan het einde van de Utrechtse Heuvelrug – de Grebbeberg – en langs de rest van de Grebbelinie proberen Nederlandse militairen de numeriek en kwalitatief sterkere Wehrmacht nog te stoppen. In de Grebbelinie heeft éénderde van het Nederlandse leger zich verschanst, met een hoofdrol voor het 8ste Regiment Infanterie (8 R.I., waarvan de tradities nu worden voortgezet door 45 Pantserinfanteriebataljon Regiment Oranje Gelderland).

De Grebbelinie zelf bestaat dan uit twee verdedigingslijnen: front- en stoplijn. In de frontlijn moet planmatig de verdediging plaatsvinden, terwijl de stoplijn – die een zwakkere bezetting heeft – alleen in actie komt als de frontlijn het begeeft. De stoplijn is niet meer dan een langgerekte loopgraaf, een primitieve weerstandslijn met een zwakke bezetting, maar toch vooralsnog te sterk voor de Duitse aanvallen.

Het zwaartepunt van die Duitse aanvallen ligt logischerwijs op de hooggelegen punten van de Grebbelinie - punten die niet onder water kunnen worden gezet. Er zijn dan weliswaar draadversperringen en loopgraven, maar de meeste opstellingen zijn verre van gevechtsklaar.

Dit is begrijpelijk: voortdurende strubbelingen tussen de regering en Winkelman’s voorganger generaal Izaak H. Reijnders, hebben op 5 februari 1940 geleid tot zijn ontslag. Als Winkelman hem opvolgt, besluit hij van de Grebbelinie de hoofdverdedigingslinie te maken. De opperbevelhebber vermoedt namelijk dat op de Grebbelinie de belangrijkste verdediging zal worden gevoerd. Blijkbaar heeft hij niet voldoende meegewogen dat de linie sinds het einde van de 19de eeuw amper is onderhouden. Toch krijgt Winkelman steun voor zijn plan, zowel van de commandant van het Veldleger, J.J.G. Baron van Voorst tot Voorst, als – wat belangrijker is – van de regering.

Na een inleidende artilleriebeschieting slagen 227. Infanterie Division en het bij haar ingedeelde SS Regiment ‘Der Führer’ er op 11 mei in om de voorposten te veroveren.

De voorposten zijn bedoeld om de vijand enige tijd op te houden (zodat de frontlijn gewaarschuwd kan worden), maar in die dagen krijgen de militairen in de voorposten juist te horen dat ze tot het uiterste moeten standhouden. Hoewel ook nog eens talrijke tegenstoten mislukken, komt toch door de felle Nederlandse tegenstand de Duitse opmars even tot stilstand.

Op 13 mei 1940 is het pleit beslecht: de Duitsers breken door de verdedigingslinie in de Gelderse vallei. Alleen kleine groepjes weten zich nog staande te houden. Ongehinderd kunnen de Duitsers verder trekken naar Rotterdam en Utrecht.

© foto: Hennie Keeris, Ministerie van Defensie.

In de loop van de volgende dag luwt de strijd en trekken de Nederlanders zich terug achter de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het opperbevel besluit tot de capitulatie, die generaal Winkelman en de Duitse veldmaarschalk Georg von Küchler op 15 mei 1940 in een school in Rijsoord (Zuid-Holland) tekenen.

In enkele dagen ongelijke strijd op de Grebbeberg zijn alleen al 382 militairen van 8 R.I. gesneuveld.

Terug naar Boven

 

38

TRIX TERWINDT, ENIGE VROUW VAN HET ENGLANDSPIEL

Het Englandspiel was één van de meest omstreden periodes uit de Tweede Wereldoorlog. Vanaf 1940 rekruteerde de Special Operations Executive (SOE) agenten voor sabotageacties op het bezette Europese vasteland. Die kregen dan een zender mee en, als ze zelf geen morse konden, een marconist. Vanaf eind 1941 werden ook Nederlanders in hun vaderland gedropt, maar dat duurde slechts tot 6 maart 1942. Toen arresteerde majoor Giskes, hoofd van de Duitse contraspionagedienst Abwehr in Nederland, SOE-agent Huub Lauwers. Daarmee begon een intrigant spel dat de SOE om de tuin zou leiden. Vanaf dat moment vingen de Duitsers praktisch elke nieuw geparachuteerde agent en deden aan hen voorkomen alsof ze in alle vrijheid naar Londen konden seinen.

Het Englandspiel duurde tot 1944. Na de geallieerde invasie van juni 1944 werden bijna alle gevangen Nederlandse SOE-agenten naar Mauthausen getransporteerd. Daar werden ze geëxecuteerd. De enige vrouw onder de SOE-agenten kwam pas maanden later naar Mauthausen: Trix Terwindt.

Trix – voluit Beatrice Wilhelmina Marie Albertina Terwindt – werd als zevende kind van een gegoede familie geboren op 27 februari 1911 in Arnhem.

Haar vader was eigenaar van een steenfabriek, haar moeder een adellijke Franstalige Belg. Na de kostschool hoorde ze van een plan van de KLM om ‘luchtgastvrouwen’ te werven: ze is één van de uitverkorenen.

In 1942 vraagt het verzet haar om een cadet naar Zwitserland te brengen. Het lijkt haar dé kans om naar Engeland te gaan. Via Spanje en Portugal vliegt ze op 26 augustus 1942 naar Bristol. In Engeland volgt ze een parachutistenopleiding, zodat ze voor MI-9 in bezet Nederland kan worden gedropt.

Haar eerste dropping wordt echter meteen ook haar enige. Op zaterdag 13 februari 1943 springt ze 's nachts tijdens een harde storm uit een viermotorige Halifax-bommenwerper van de Royal Air Force. De bedoeling is dat ze ergens tussen Kampen en Zwolle in vijandelijk gebied landt. Het wordt Kallenkote, oostelijk van het Overijsselse Steenwijk. Haar opdracht luidt: organiseer ontsnappingsroutes (escape lines) voor geallieerde krijgsgevangenen.

Na de landing wacht de Gestapo haar op. Ze wordt drie dagen en nachten achtereen verhoord en overgebracht naar het seminarie in Haaren, waar ook andere agenten van het Englandspiel worden vastgehouden.

Na vijftien maanden in volstrekte eenzaamheid in Haaren wordt ze overgeplaatst naar strafgevangenis ‘Oranjehotel’ in Scheveningen, van waaruit ze op 10 mei 1944 wordt afgevoerd naar vrouwenkamp Ravensbrück. Pas op 2 maart 1945 wordt concentratiekamp Mauthausen haar eindbestemming, waar Trix op 5 mei 1945 door de Amerikanen wordt bevrijd.

In 1946 hervatte ze haar werk bij de KLM, nu als hoofdstewardess. In haar boek ‘Een vrouw vloog mee’ (Kosmos, 1951) over haar tijd bij de KLM noemde ze haar medesollicitanten bij de KLM: “Wufte wezens, bijdehante juffers, knappe snuitjes.”

Op verzoek van Plesman startte ze een opleiding voor stewardessen en stelde ze een korps stewardessen samen. Nog op 10 januari 1947 vierde ze, dankzij de vooroorlogse jaren, haar twaalfeneenhalfjarig jubileum bij de KLM. Maar in 1951 emigreerde ze naar Canada.

In veertien jaar tijd heeft ze dan 1,4 miljoen mijl met de KLM gevlogen.

Tussendoor werd ze op 23 juli 1948 nog gehoord door de Parlementaire Enquêtecommissie regeringsbeleid 1940-1945.

In het Canadese Mount Forest (Ontario) begint ze een boerderij met kippen, koeien en varkens. Haar drie kinderen gaan er naar school, maar na één jaar keert ze op rasse schreden terug naar Nederland.

De oorlogsjaren eisen hun tol: ze stort in, raakt vanwege Konzentrationslager-syndroom volledig arbeidsongeschikt en niemand neemt haar klachten serieus. In 1969 laat ze zich, ten einde raad, opnemen in de psychiatrische kliniek van zenuwarts professor Jan Bastiaans (Centrum ’45 en Jelgersmakliniek), van wie ze later één van de meest fervente aanhangers wordt. Zelf ondergaat ze veertig behandelingen met de hallucinogene drug LSD – Bastiaans’ omstreden methode tegen oorlogstrauma’s.

Trix Terwindt, de enige vrouw uit het roemruchte Englandspiel die twee concentratiekampen overleefde, overleed op 7 april 1987 op 76-jarige leeftijd in Oegstgeest. Samen met Huub Lauwers en Ben Ubbink had ze als enige het Englandspiel overleefd.

Bij leven werd ze onderscheiden met het Bronzen Kruis, Croix de la Confédération Européenne des anciens Combattants, Engelandvaarderskruis, Kruis van Verdienste, Medal of Freedom, Silver Laurel Leaf Emblems (King’s decoration of courage) en Verzetsherdenkingskruis.

Pas op 1 januari 2031 worden – na 84 jaar – de archieven over Trix Terwindt in The National Archives in Groot-Brittannië geopend. Tot dan zal de lezer moeten wachten op de verbanden en achtergronden in het leven van Terwindt, tenzij… Elsevier-redactrice Ingrid van der Chijs een boek over Trix Terwindt het licht laat zien.

Terug naar Boven

 

39

VREDESOPERATIES


Definitie van 'vredesoperatie' volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal: "campagne om vrede tot stand te brengen, of om het uitbreken of het zich uitbreiden van een conflict te voorkomen".

Vredesoperaties horen ervoor te zorgen dat er géén wapengekletter is.

Dit heeft een gunstig effect op voorspoed en welvaart... Met een Engelstalige naam worden ze ook wel Peace Support Operations genoemd.

In 2008 bestonden de Verenigde Naties 60 jaar.

De Zweed Dag Hammarskjöld, van 1953 tot ’61 Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, zei het treffend: “Peacekeeping is not a job for soldiers, but only soldiers can do it”. Ook Lodewijk Thomson was zo'n "soldaat". De majoor der infanterie staat in de annalen als de eerste Nederlandse militair die tijdens een vredesoperatie sneuvelde, op 15 juni 1914 in Dürres. Hij leidde de eerste echte Nederlandse vredesmissie, die naar Albanië in 1914.

Maar ook de oorlogsmissie naar Korea (NDVN) was een vredesmissie, evengoed als de waarnemingsmissies in het Midden-Oosten (de oudste, UNTSO, sinds juni 1948) en de missie naar Libanon in de eerste helft van de jaren ’80.

Na de val van de Berlijnse muur en de democratiseringsgolf over de voormalige Sovjet-vazalstaten in Oost-Europa gaat het hard. Met het einde van de Koude Oorlog verandert de taakstelling van de Koninklijke Landmacht. In plaats van wachten op massaal doorstotende tankdivisies op de Noord-Duitse laagvlakte is de blik gefocust op het deelnemen aan vredesmissies.

Het handhaven van vrede – als die er al is – en het afdwingen van vrede, al dan niet in VN- of NAVO-verband, worden core-business. Zeker als, niet onverwacht, de verschillende etniciteiten op de Balkan elkaars soevereiniteit betwisten. Vredesoperaties bepalen vanaf dan ook de organisatie en werkwijze van de Nederlandse landstrijdkrachten, hoewel tot op de dag van vandaag géén richtinggevende taken-middelendiscussie is gevoerd: de algemene verdedigingstaak blijft in naam eerste prioriteit.

In de jaren ’90 mislukten veel vredesoperaties. Het debacle van de VN was compleet toen de Amerikanen in 1993 bakzeil haalden in Somalië, de Belgen een jaar later in Rwanda en in ’95 de Nederlanders in de safe area Srebrenica. De rijke, troepenleverende landen wilden hun vingers niet meer branden aan de Afrikaanse conflicten. Missies in donker Afrika waren voortaan uit den boze. Totdat eind 2000 Nederlandse blauwhelmen na een bloedige grensoorlog tussen Eritrea en Ethiopië het initiatief namen om in UNMEE de grens tussen beide landen te bewaken.

Vredesoperaties kregen voortaan een robuuster mandaat. Zo niet, dan werden er geen troepen meer ontplooid. De ISAF-missie in de islamitische republiek Afghanistan is wat dit betreft dubbel-uniek: ISAF volgt het mandaat van de VN en is tevens de eerste NAVO-missie buiten het NAVO-verdragterritoir. Nederland is eindverantwoordelijke in de provincie Uruzgan.

Terug naar Boven

 

40

MENNO VAN COEHOORN, BELEGERAAR EN MORTIERIST

In juni 1672 trokken de troepen van de Franse koning Lodewijk XIV onder leiding van de generaals Condé en De Turenne via de oostgrens de jonge Republiek der Nederland binnen. Condé, naar verluidt de beste van de twee, raakte al bij Lobith gewond, maar De Turenne nam op respectievelijk 5 en 9 juli 1672 Grave en Nijmegen in. De Franse koning had nu eenmaal een grote voorliefde voor expansie en belegeringen…

Alle gepasseerde dorpen werden gebrandschat. Met de komst van De Turenne – die van 1625 tot 1630 nota bene onder Frederik Hendrik van Oranje in het Staatse leger had gediend – deed Grave haar naam als meest belegerde vestingstad van Nederland wederom eer aan.

Na twee belegeringen tijdens de Tachtigjarige Oorlog – in 1586 door de Spanjaarden onder Parma en in 1602 door Prins Maurits, stadhouder der Verenigde Nederlanden – ging het strategisch gelegen Grave in 1672 over in handen van Lodewijk XIV. De Turenne liet de bestaande vesting Grave verder versterken door de Franse generaal en vestingbouwkundige Seigneur de Vauban – evenknie van de Nederlandse baron Menno van Coehoorn.

Het beleg van Grave in 1674.

Twee jaar later, in 1674, zou het Staatse leger Grave weer in handen krijgen. De Fransen verzetten zich fel en maakten onder de aanvallende troepen van de Prins van Oranje, stadhouder Willem III, vele duizenden slachtoffers, maar Grave viel. Niet alleen het kasteel en de wallen waren verwoest, het leeuwendeel van de stad lag in puin.

Tijdens het beleg, van juli tot en met oktober 1674, voerde Van Coehoorn zelf voor het eerst een vestingoorlog aan; in Grave bewees hij de grote waarde van concentraties van artillerievuur bij het belegeren van een vesting. Tijdens het beleg van Grave werden ook de door hem uitgevonden mortieren voor het eerst gebruikt. Dit was duidelijk een verbetering van het tot dan toe gebruikelijke werpgeschut.

Baron Menno van Coehoorn, infanterist, artillerist/belegeraar, ingenieur en vestingbouwer.

Het kleine, zeer korte mortier van ijzer (later brons) was vastgezet op een houten blok. Het gewicht was ruim 80 kg, maar dankzij handvatten was het licht genoeg om over korte afstand door twee man te verplaatsen. Het oorspronkelijke kaliber was 13 duim (cm), gelijk aan 5,12 inch. Hoewel het mortier bijdroeg aan de vuurkracht van de Staatse infanterie was, onder andere dankzij de inwendig gladde loop, de precisie nog ver te zoeken. Hoewel de doeltreffendheid pas bij massale inzet tot uiting kwam, zou Van Coehoorns wapenvinding in de krijgskunst een belangrijke rol gaan spelen.

Het Coehoornmortier, ook genaamd handmortier, kattekop of kwispeldoor.

Voorafgaand aan de aanval kon de infanterie met dit krombaangeschut voortaan de nodige hindernissen opruimen, voorheen een taak van de artillerie. Bij ‘hindernissen’ moet in dit verband worden gedacht aan personeel, want het Coehoornmortier was een typisch antipersoneelswapen, dat nu juist bij uitstek geschikt was om vijandelijke loopgraven en op de aanval geconcentreerde kleine vijandelijke secties te bestoken.

Met zijn mortieren werd dus ‘worpvuur’ achter de vestingwallen uitgebracht, met alle consequenties van dien voor het verdedigende Franse garnizoen. Met een gemiddelde dracht van iets meer dan honderd meter, betekende dit dat de Nederlandse aanvallers vanuit de dekking zeer dicht op de Franse verdediging zaten.

Een tweede probleem was de elevatie van 45°: de vaste elevatie van het houten blok waarop de mortier was bevestigd. Om de mortier een grotere elevatie te geven werd het blok met de voorkant op houten blokken geplaatst: hoe hoger de elevatie, des te korter de schootsafstand.

Onderin de Coehoornmortier zat de kruitkamer. Met het primitieve geschut konden ‘granaten’ tot 30 cm in doorsnede worden afgevuurd.

Na het zware beleg werden de vestingwerken grondig vernieuwd. De uitvoering van die plannen, in de jaren 1684-1690, was in handen van… opnieuw Menno van Coehoorn.

Pas in 1702 zou zijn mortier voor het eerst door het Nederlandse leger worden aangeschaft; het leger kocht toen tweehonderd Coehoornmortieren voor granaten van 8 of 16 pond steen of ijzer, kaliber 13 cm. Het Coehoornmortier zou allerlei bijnamen krijgen, van ‘kattekop’ en ‘kwispeldoor’ tot, in Nederlands-Indië, ‘mariam kodok’.

Zeker twintig mortiertjes werden ingezet tijdens het beleg van de Citadel van Antwerpen in 1832. Later is het mortier veelvuldig gebruikt in Nederlands-Indië. Tot vlak voor de 20ste eeuw stond het Coehoornmortier nog in de handboeken van de artillerie en tot ver in die eeuw werd het mortier nog door de marine gebruikt om bevoorradingskabels van het ene schip naar het andere te schieten en voor het werpen van lichtkogels. Tijdens de Eerste Wereldoorlog raakten de Coehoornmortieren langzaam in onbruik. De nog in ’s lands bewapening aanwezige mortieren bleven in gebruik voor het verschieten van lichtgranaten en waren hiertoe opgenomen in de bewapening van vestingen. Al met al zou het Coehoornmortier bijna 200 jaar in de krijgsmacht aanwezig blijven.

Van Coehoorns kwaliteiten werden beloond met onder andere zijn benoeming, in 1695, tot luitenant-generaal der infanterie en, in 1697, tot meester-generaal der artillerie. Van infanterist had Van Coehoorn zich ontwikkeld tot artillerist, belegeraar, ingenieur en vestingbouwer. Niet voor niets leeft zijn naam voort in het Regiment Mortieren Menno van Coehoorn (opgeheven op 6 oktober 1995) en de Arnhemse Menno van Coehoornkazerne (1950-1973).

Verdere naslagwerken:

‘Duizend Bommen en Granaten. Verslag over het Beleg van Grave in 1794. Belicht vanuit diverse zijden’ – Jean A. Ph. Laguette (1994).

‘Grave als militaire stad’ – brochure (deel 19) van het Instituut voor Militaire Geschiedenis Koninklijke Landmacht (1998).

‘Het beleg van de stad Grave in 1674’ – C.R. Patist (1974).

‘Menno van Coehoorn 1641-1704. Vestingbouwer, belegeraar, infanterist’ – Joep van Hoof (2004).

‘Neêrlands Arsenaal 6: De Coehoornmortier’ – John Verbeek

Terug naar Boven

 

41

ZWARTENDIJKSTERSCHANS EN STUYVESANT'S FORTEN

De Zwartendijksterschans ligt ten westen van het dorpje Een op Drents grondgebied, maar het is van oorsprong Fries. De schans (redoute, verschansing) bestaat uit een vierhoekige aarden wal, verstevigd met plaggen, met op de hoekpunten uitbouwsels, ‘bastions’ of ‘bolwerken’ genaamd. Naar drie kanten toe heeft de schans een onafgebroken onder water liggend moeras en naar de vierde zijde, naar de kant van het Friese Bakkeveen, een droge heide. Het geheel was omgeven door een gracht, waarover een ophaalburg lag. Binnen de wallen lagen de houten barakken voor de manschappen van de schansbezetting.

In de 16de en 17de eeuw sloot de schans de zandweg af en beschermde op die manier de Zevenwouden (Sânwâlden). Het is één van de weinige nog bestaande schansen uit de tijd van de Tachtigjarige Oorlog.

De Friese Waterlinie uit de hier besproken oorlogsjaren 1672-’73 liep langs een stuk of tien schansen. Het was geen aaneengesloten linie, maar had alleen schansen op plekken waar dit nodig was. De ‘lijn’ begon in het zuidwesten, bij Kuinre en Slijkenburg aan de Zuiderzee, en eindigde in het noordoosten bij de schans van Frieschepalen. Via de verschansingen bij Leek liep het defensiewerk – hier de Groningse Waterlinie geheten – door tot aan de Dollard op de huidige Nederlands-Duitse grens.

In het oorlogsjaar 1672 – het Rampjaar waarin “het volk redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos” waren – begonnen de Engelsen, de Fransen en de bisschoppen van Keulen en Münster aan hun gezamenlijke aanval op de Republiek der Verenigde Nederlanden. De bisschop van Münster, Christoffel Bernhard van Galen, had als bijnaam ‘Bommen Berend’ en was in Friesland actief. Een waterlinie was dus meer dan welkom.

Aan de bouw van die Friese Waterlinie was al bijna een eeuw eerder, kort na 1580, begonnen. In dat jaar sloot Friesland zich aan bij de Opstand tegen Spanje. Zo liet de toenmalige graaf Willem Lodewijk van Nassau onder andere bij Breeberg, Frieschepalen, Oldeberkoop (Bekhofschans) en het dorpje Een metershoge aarden verschansingen opwerpen, volgens de nieuwste krijgsmode uit Duitsland. Zo is ook de Zwartendijksterschans (in het Fries: Zuartendijitster) in 1593 aangelegd om Friesland te beschermen tegen invallen van de  Spaanse troepen die werden geleid door de kolonel-stadhouder Francisco Verdugo.

In 1672 werden die schansen eenvoudigweg samengevoegd, op linie gelegd. Zo werd ook de Zwartendijksterschans in 1673 op last van Prins Maurits opnieuw in staat van verdediging gebracht omdat ‘Bommen Berend’ en zijn Münsterse troepen eraan kwamen. Onder leiding van luitenant-generaal Hans Willem baron van Aylva ging het er rond de schansen van de Friese Waterlinie soms heftig aan toe.
Mede dankzij de Fries Aylva, in 1633 geboren op het landgoed Brandstede onder Holwerd, hielden de Friese troepen stand. Waar de veel beroemder Oude Hollandse Waterlinie vermaard werd omdat ze in 1672-’74 de opmars van de Fransen wist te stuiten, zorgde de Friese Waterlinie ervoor dat het de krijgszuchtige bisschop van Münster niet lukte tot het hart van Friesland door te dringen. Het gevolg was dat Leeuwarden niet hoefde worden ontzet, zoals bij Groningen wel het geval was.

In 1672 werd Van Aylva tot luitenant-generaal der infanterie benoemd en belast met de verdediging van Friesland. Van Aylva zette samen met Albertine Agnes van Nassau – regentes van Friesland, Groningen en Drenthe voor haar zoon Hendrik Casimir II– het leger op poten bij de Münsterse inval van 1672. Met een relatief klein, vliegend leger van 1.200 à 1.400 man en de al genoemde schansen aan de zuidoostzijde had hij Friesland snel in opperste staat van verdediging gebracht.

‘Bommen Berend’ slaagde er slechts in tot vlak voor de stelling Heerenveen te komen, want die was versterkt met een aarden wal en dubbele grachten. De bezetting bestond uit burgercompagnieën, schutters uit Leeuwarden en Franeker en geregelde troepen, allen onder het bevel van graaf Johan Maurits van Nassau, erfstadhouder Hendrik Casimir, generaal Carl von Rabenhaupt en Van Aylva zelf. De Münstersen vielen in de nacht van 18 op 19 augustus 1673 tot driemaal toe aan, maar ze werden steeds gestopt. Daardoor konden ze niet verder Friesland binnendringen. Van Aylva bleek in zijn verdediging een veldheer met een eigen tactiek: die van de guerrillaoorlog avant la lettre.

Van Aylva – die zijn carrière begon als kolonel van een regiment artillerie – was op dat moment al legendarisch, en niet alleen in Friesland. Al in de lente van 1667  bevocht hij als luitenant-admiraal met een Fries vlooteskader bij Chatham de Engelsen. Zijn oorlogsschepen, zeker tien in totaal, maakten deel uit van de Hollandse vloot van admiraal De Ruyter. Niet voor niets kreeg hij door zijn moedige optreden in de Tocht naar Chatham, die het einde van de Tweede Engelse Oorlog zou inluiden, de bijnamen 'De Ontzaglijke' en ‘De gouden Aylva’. Zo liet hij van zich blijken bij de verovering van het Engelse vlaggenschip H.M.S. Royal Charles.
Luitenant-generaal Hans Willem baron van Aylva bleek, kortom, “een man van goot gezag en met militaire leiderschapscapaciteiten, die veel voor zijn onderhebbenden deed en dan ook bij hen zeer geliefd was.”

Locaties van de Hudson en Manhattan.

Het verdedigingswerk Zwartendijksterschans had zijn werk gedaan. Voordat het zijn taak in 1672 had volbracht, was de schans volgens de toonaangevende Encyclopedia Britannica "supposedly used as a model for a fort that he [Peter Stuyvesant, webbeheerder] built at New Amsterdam (New York)."

Stuyvesant was een Fries, geboren in Peperga en later woonachtig in Scherpenzeel. Het is dus mogelijk dat de Zwartendijksterschans model heeft gestaan voor de forten die de koloniale gouverneur in Nieuw Amsterdam – het latere New York - liet bouwen. Ook de Bekhofschans kan een inspiratiebron zijn geweest, gelegen tussen Oldeberkoop en Boyl in de gemeente Weststellingwerf. De Bekhofschans ligt fysiek zelfs nog dichter bij Stuyvesant’s Friese wortels.

Een reis van de Engelse kapitein Henry Hudson in 1609 leidde ertoe dat de steenrijke West-Indische Compagnie (WIC) in 1624 Nieuw-Amsterdam vestigde. Twee jaar, nadat Peter Minuit het gehele eiland ter grootte van  ± 220 km² voor “trinkets and cloth valued at 60 guilders, then worth about 1½ pounds (0,7 kg) of silver” van de Manhattoe-Indianen had gekocht, kon Fort Amsterdam worden gebouwd.

Fort Amsterdam was een vierhoekig vestingwerk in dezelfde vorm als de Zwartendijksterschans. Het fort op het zuidelijkste puntje van het eiland Manhattan moest de Nederlandse vestiging aan de Hudson rivier beschermen tegen aanvallen van de Fransen en Engelsen. Aan het fort werden later een kerk en twee windmolens toegevoegd.

In 1647 werd Stuyvesant de nieuwe gouverneur van het eiland Nieuw-Amsterdam in de kolonie Nieuw-Nederland. In 1653, onder zijn bewind, kreeg Nieuw-Amsterdam stadsrechten. De stad bloeide op door de komst van een stadsbestuur, wegen werden geplaveid en houten huizen vervangen door stenen. Helaas kon Stuyvesant niet goed opschieten met de Nederlandse kolonisten, die hem niet hielpen met de verdediging toen een Engelse vloot Nieuw-Amsterdam in 1664 probeerde te veroveren.

Fort Amsterdam uitvergroot uit de fotocompilatie verderop in dit artikel; duidelijk waarneembaar is de vierhoekige vorm.

Als daarnaast de bewindhebbers van de WIC wat meer op de verdediging en versterking van het eiland Manhattan hadden gelet, zouden de Engelsen nooit Nieuw-Amsterdam hebben bezet. Er werd echter geen geld uitgegeven voor aanvullende fortificaties, troepen en andere defensieve middelen. Op 6 september 1664 zag Stuyvesant zich dan ook genoodzaakt de kolonie Nieuw Nederland over te geven aan de Engelsen.

Fotocompilatie van Fort Amsterdam, Nieuw-Amsterdam, Nieuw-Nederland.

Het fort werd in 1776 vernield door de Amerikanen, maar er zijn nog legio afbeeldingen te vinden waar de contouren van het fort op te vinden zijn. Naast Fort Amsterdam hebben ook de forten Nassau (1617-1618) en Oranje (1624-1664) de tand des tijds niet doorstaan.

Terug naar Boven

 

42

SLAG BIJ DE MOOKERHEIDE, 14 APRIL 1574

Beiden kwamen ze uit Maastricht: langs de westoever van de Maas marcheerde de katholieke don Sancho d'Avila – gesteund door Bernardino de Mendoza en Cristóbal de Mondragón – op, terwijl de patriottische protestanten Lodewijk en Hendrik van Nassau aan de oostzijde volgden.

Bij Grave stuitte d’Avila op Lodewijk’s opmars om te voorkomen dat hij over de Maas naar het zuiden trok. Zo troffen zo’n 14.000 militairen elkaar bij de Mookerheide.

Uit: 'Beknopt overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen uit de Nederlandsche krijgsgeschiedenis van 1568 tot heden' - J.L. Uijterschout (pagina 54).

Lodewijk wilde namelijk wèl over de Maas oprukken om zich met zijn broer, Prins Willem van Oranje, te verenigen. Die had in de Bommelerwaard 6.000 man verzameld. Maar de 35 compagnieën infanterie van Lodewijk van Nassau werden opgejaagd door de Spanjaarden. De manoeuvres van Lodewijk, die in noordelijke richting oprukte via Roermond, Venlo en Nijmegen, werden gevolgd door d’Avila – gepokt en gemazeld in het gevecht.

Onwetend van de gelijktijdige opmars van d’Avila kwam Lodewijk op 13 april 1574 ook in Mook aan, terwijl zijn Spaanse opponent snel bij Grave een pontonbrug had geslagen en hem de pas afsneed. Het eerste treffen volgde: een ruitergevecht. Lodewijk won, werd overmoedig en wierp ten noorden van Mook een verschansing op, die door éénderde van zijn infanterie werd verdedigd. Het restant van zijn infanterie bevond zich, achter de ruiterij, op het terrein tussen de Maas en een heuvelrug van de Mookerheide.

De Spanjaarden verkeerden in een gunstige positie: de infanterie stond aan de Maasoever tussen Heumen en Overasselt, gedekt door de ruiters van de cavalerie, tegen vermeesteringen en flankaanvallen beschermd door de glooiingen van de Mookerheide.

Naar gunstiger terrein wilde de eigenwijze Lodewijk niet uitzien, want zijn Staatse troepen waren te moe voor opnieuw een verplaatsing. Ook overschatte hij dat ene gewonnen ruitergevecht en wist hij niets van de sterkte, laat staan van de ervaring, van d’Avila’s contingent.

Het gevecht ging helemaal los: Cristóbal de Mondragón vermeesterde in een stormaanval de verschansing ten noorden van Mook. Met de zojuist gearriveerde troepenversterkingen plaatste d’Avila opnieuw een aanval. Het gros van Lodewijk’s troepen sloeg in chaos en paniek op de vlucht naar Gennep. Tenminste 2.500 infanteristen en 500 ruiters van het leger van Lodewijk van Nassau waren om het leven gekomen, terwijl de Spaanse tol slechts 150 à 200 man bedroeg.

De veldslag was uitgelopen op een ramp. Alleen op plaatsen waar Lodewijk zelf in het strijdgewoel opdook, werd tijdelijk en plaatselijk enig succes behaald. Maar ook Lodewijk en Hendrik van Nassau sneuvelden.

Lodewijk van Nassau.

Ter herinnering staat in het protestantse kerkje in Heumen een gedenkteken met de zinspreuk van Lodewijk van Nassau: “Plutôt mort que vaincu, généreux sang de Nassau” (“Liever dood dan overwonnen, edel bloed van Nassau").

Terug naar Boven

 

43

ENGELANDVAARDERS, w.o. ii

Een Engelandvaarder vluchtte tijdens W.O. II vanuit het door de Duitsers bezette Nederland naar Engeland, of probeerde dat, om actief aan de strijd tegen de vijand te kunnen deelnemen. Soms per boot of zelfs kano, meestal via een grote omweg over land en later per vliegtuig vanuit Portugal, Spanje, Zweden, Zwitserland, de VS.

Het exacte aantal Engelandvaarders zal nooit kunnen worden bepaald, maar Agnes Dessing komt in haar proefschrift Tulpen voor Wilhelmina. De geschiedenis van de Engelandvaarders tot een aantal van ongeveer 1.700. Van de Engelandvaarders die de Noordzee-route verkozen kwamen er minder dan 200 in Engeland aan. Veel Engelandvaarders staken met een boot of zelfs met een kano de Noordzee over. Vaak namen zij in Engeland dienst bij de geallieerde strijdkrachten, zoals de Prinses Irene Brigade, het KNIL, het Bureau Inlichtingen of anderszins.

De oversteek naar Engeland was niet zonder gevaren. Velen zijn hierbij om het leven gekomen of konden niet eens aan de overtocht beginnen, bijvoorbeeld door verraad. Sommigen werden gefusilleerd, anderen naar een concentratiekamp afgevoerd. Vanaf het strand van Scheveningen vond in de winter van 1941-’42 de bekendste vlucht van varenden op Engeland plaats: Chris Krediet, Peter Tazelaar en Erik Hazelhoff Roelfzema, alias de Soldaat van Oranje. Zij zouden het contact tussen Koningin Wilhelmina en de regering in Londen en het verzet in Nederland gaan onderhouden.

Bij Engelandvaarders wordt in eerste instantie gedacht aan mensen als de Soldaat van Oranje. Een relatief onbekende in dit verband is Cornelis (Kees) Koole, geboren op 21 april 1912 in Schipluiden (Zuid-Holland). Koole bracht maar liefst 72 mensen buitengaats voor de overtocht van de Noordzee. Ongeveer de helft hiervan bereikte Engeland. Hiermee was Kees vaak de laatste, zeer belangrijke schakel bij het ontvluchten van bezet Nederland.

Koole – die in het dagelijks leven vanuit Schipluiden over het water aardappelen vervoerde naar de Hoekse Waard, Voorne-Putten, Goeree-Overflakkee – had van een vriend die naar Engeland was gevlucht een aak van 40 ton gehuurd, genaamd ‘Nooit Volmaakt’.

De schipper haalde andere scheepjes met zijn schip ‘Nooit Volmaakt’ op bij een werf in Leidschendam en trok ze mee tot aan het Brielsche Gat of het Haringvliet. Daar werden de scheepjes losgemaakt en voeren ze zelfstandig verder.

Niet alle mensen bereikten Engeland, velen zijn er gearresteerd. Zelf was Koole pas getrouwd en had hij geen zin om naar Engeland over te steken.

Op 20 april 1943 meerde Koole zijn aak af in een vliet vlakbij Brielle. Na middernacht stapte vijf Engelandvaarders in de ernaast afgemeerde vlet ‘Yvette’, waarna ze zeewaarts roeiden. Op zee werd de buitenboordmotor gestart, maar die weigerde al snel dienst. Zeilend werd op 2 mei 1943 de monding van de Thames bereikt.

Eén van deze Engelandvaarders was Hein Kaars Sijpesteijn, nazaat uit een Zaans industrieel geslacht. Na de oorlog was hij Koole niet vergeten en verzorgde hij de financiering van de ombouw tot motortanker van zijn ‘Prinses Wilhelmina’ én zorgde hij voor transportcontracten. Uit deze tanker groeide de grootste Nederlandse transport- en opslagonderneming op het gebied van eetbare oliën en vetten, Koole Tanktransport, met vestigingen in Zaandam, Rotterdam en Nijmegen.

Op 9 mei 1964 is tijdens een reünie van oud-Engelandvaarders in het oorlogsmuseum van Overloon de 5½ meter lange vlet ‘Yvette’ aan het museum overgedragen. Het is het enige van de Engelandvaarten overgebleven scheepje.

Vreemd genoeg is Koole één van de toonaangevende verzetsmensen die nooit zijn onderscheiden door de Nederlandse regering. Des te vreemder, omdat Engelandvaarders normaliter voor hun gevaarvolle overtocht werden onderscheiden met het Kruis van Verdienste of, zo zij onderweg hadden deelgenomen aan krijgsverrichtingen, het Bronzen Kruis ontvingen. Kees Koole is op 13 april 1977 op 64-jarige leeftijd in Alkmaar overleden.

De Engelandvaarders hadden stuk voor stuk groot respect bij Koningin Wilhelmina. Ze werden bij haar op de thee uitgenodigd, waarbij Hare Majesteit zelf thee voor hen inschonk. Het langst, van oktober 1940 tot februari ’44, woonde Wilhemina op Stubbings House aan de rand van Maidenhead, een statig landgoed van 32 hectare tussen Londen en Reading.

Koningin Wilhemina schilderde in 1941 Stubbings House, waar zij vele Engelandvaarders op de thee uitnodigden. Het olieverfschilderij is te bewonderen in Paleis Het Loo Nationaal Museum.

In haar autobiografie ‘Eenzaam maar niet alleen’ (1959) schrijft ze over haar ontmoetingen met de Engelandvaarders:

“De Engelandvaarders ontving ik of afzonderlijk of groepsgewijs, vaak het laatste. Deze groepen telden soms vijftien tot twintig personen. De ontmoetingen vonden meestal plaats op Stubbings, doch ook wel op Chester Square […].

Meestentijds ontving ik de Engelandvaarders op het thee-uur. In Stubbings sprak ik dan niet alleen binnen met ze, maar wisselde ook al wandelend met hen van gedachten. De deuren van mijn huis gaven, zoals ik reeds zeide, onmiddellijk toegang tot een klein park met een grasveld. Hoeveel kilometer heb ik wel niet sprekend en lopend in kleine groepjes met hen afgelegd? Tot laat in de herfst en weer vroeg in het voorjaar werd er na de thee gewandeld. Engelandvaarders, die bijzonder geleden hadden of berichten voor mij bij zich hadden, sprak ik daarna onder vier ogen.”

Bronnen:

‘Eenzaam maar niet alleen’ (1959) - Wilhelmina prinses der Nederlanden (autobiografie)

‘Kees Koole bracht tientallen Engelandvaarders buitengaats’, Leeuwarder Courant, 13 mei 1964

‘Tulpen voor Wilhelmina. De geschiedenis van de Engelandvaarders’ – Agnes Dessing (2004, uitgeverij Bert Bakker, ISBN 9035126408)

Terug naar Boven

 

44

HELMENAFFAIRE

Het militair-industrieel complex is sinds W.O. II een factor van betekenis met een miljoenenomzet en –winst geworden. Hoewel de politiek uitwassen probeert te voorkomen, zijn de krijgsmacht en de wapenindustrie er van oudsher op gebrand dat niet te veel in de keuken wordt gekeken. Daarom kwamen lastige parlementaire vragen op dit gebied zelden voor. Totdat de krijgsmacht na W.O. II nieuwe helmen wilde...

Generaal Hendrik Johan Kruls had er vanaf 1949 op aangedrongen dat hij een sterkere en beter uitgeruste krijgsmacht wilde hebben dan de “fröbelschool” waarover hij het bevel voerde.

Kruls en zijn Generale Staf hadden in april 1950 de Kamercommissie van Defensie achter Legerplan 1950 gekregen om ruim 1,1 miljard gulden aan de opbouw van de strijdkrachten te besteden. Terwijl Kruls zijn eisen bijstelde onder invloed van de crisis in Korea, voelde de regering er weinig voor.

Legerplan 1950 (d.d. 27 juni 1950) vloeide voort uit de afspraken die de NAVO-lidstaten bij de oprichting van de NAVO maakten om hun Defensie op orde te brengen. Nederland moest de beschikking krijgen over een legerkorps met één parate en drie mobilisabele infanteriedivisies en troepen voor de territoriale verdediging, maar beschikte over onvoldoende materiaal voor al die ± 75.000 militairen. Ook schreef het legerplan een Amerikaanse organisatievorm, Amerikaanse tactische instructies en Amerikaans militair materieel voor via het Mutual Defense Assistance Plan (MDAP) – de militaire variant van het Marshall-plan.

De wederopbouw moest, kortom, gehaast en voortvarend worden aangegrepen. Daarom ging NAVO-opperbevelhebber Dwight Eisenhower op 10 januari ’51 naar Nederland voor een oriëntatie- en inspectiereis.

Maakte Nederland wel werk van haar Defensie-inspanningen? Kruls vond natuurlijk van niet, maar hij was intussen de grootste “pain in the ass” van de regering… en moest opstappen. Formeel niet omdat generaal Eisenhower zich bijzonder teleurgesteld had getoond over de Nederlandse terughoudendheid op Defensiegebied.

Typerend is echter dat op 17 maart ’45 premier Willem Drees ineens wel vergaande beslissingen uiteenzette: het militaire apparaat zou worden uitgebouwd, de dienstplicht werd tot 18 maanden verlengd en de Defensie-uitgaven werden voor vier jaar op jaarlijks (!) 1,5 miljard gulden vastgelegd. De lat van Kruls had niet te hoog gelegen: Legerplan 1950 kon integraal doorgang vinden.

De overschakeling van de taak in Indonesië naar de opbouw van een nieuw Defensieapparaat ging in sommige opzichten echter wel te snel. Uit het MDAP werden veel wapens uit overtollig geworden Amerikaanse voorraden aangeleverd, zoals de middelzware Sherman-tank Achteraf bezien was het een briljant idee geweest om ook de overbodig geworden voorraad Amerikaanse M-1 helmen aan te spreken. Want in april ’51 besloot Minister van Oorlog en van Marine Kees Staf, op voorstel van de Chef van de Generale Staf (CGS), de tot dan toe gebruikte legerhelmen naar Brits model te vervangen door helmen naar Amerikaans model. Die CGS was de voorganger van de zojuist geïnstalleerde Ben Hasselman: Kruls.

Enkele spelers die zeer zijdelings of direct betrokken waren bij de 'helmenaffaire'. Van links naar rechts: NAVO-opperbevelhebber Dwight Eisenhower, Chef van de Generale Staf Hendrik Jan Kruls, Minister van Oorlog en van Marine Kees Staf, en Staatssecretaris van Oorlog en van Marine Ferdinand Jan Kranenburg.

De M-1 bood een betere bescherming in de hals, zat vaster op het hoofd en de voorraad Britse helmen zou in  ’53 op zijn. Zo kreeg het zwaar onderbemande Directoraat Materieel Landmacht (DML) in oktober ’52 van de Minister van Oorlog opdracht tot de aanschaf van ± 400.000 Amerikaanse buiten- en evenveel binnenhelmen. De order moest op grond van het regeringsstreven om industrialisatie en werkgelegenheid te bevorderen, bij voorkeur aan een Nederlands bedrijf worden gegund. Dat werd de NV Verenigde Blikfabriek Verblifa in Doesburg en Krommenie – de laagste inschrijver. Uiteindelijk zou het gaan om 274.160 binnen- en buitenhelmen, voor een totaalbedrag van 4.468.808 gulden.

De helmen moesten een kloon worden van de M-1, die voor meerdere doelen kon worden gebruikt: de buitenhelm (shell) als emmer, kookpotje of wasbak, de binnenhelm (liner) als stootpet. De helm had in licentie gemaakt kunnen worden, maar Nederland wilde zijn eigen helm. Helaas beschikte het DML alleen over (incomplete) technische voorschriften van de helm (die de Amerikanen uit oogpunt van nationale veiligheid niet wilden vrijgeven). Mede hierdoor werden uiteindelijk tienduizenden helmen kwalitatief ondeugdelijk (met haarscheurtjes en/of wazig gekeurd) en tegen woekerprijzen uitgeleverd.

Op 1 juni 1958 concludeerde de verantwoordelijke Staatssecretaris, Ferdinand Jan Kranenburg, dat hij niet langer het vertrouwen van zijn medeparlementariërs had en vroeg ontslag. Voor de KVP, ARP en VVD in de Eerste Kamer was het vertrouwen definitief geschaad toen hij tijdens een debat over de ‘helmenaffaire’ in de VS bleek te zijn. Er werden moties ingediend door de VVD’er Govert Ritmeester en de PvdA’er Evert Vermeer. De motie-Ritmeester vroeg het instellen van een onderzoek door een commissie van deskundigen bij de DML; de motie-Vermeer beoogde het laten instellen van een onderzoekscommissie door de Tweede Kamer bij DML. De motie-Ritmeester werd verworpen, maar die van Vermeer werd zonder hoofdelijke stemming aangenomen met de strekking een commissie uit de Kamer een onderzoek te laten instellen naar taak, organisatie en werkwijze van DML.

Op 3 juni ’58 werd de parlementaire Commissie Onderzoek Militair Aankoopbeleid (COMA, onder voorzitterschap van de KVP’er Theo Koersen) ingesteld, die de aanschafprocedures van het DML kritisch moest analyseren. Het ging niet alleen om helmen, ook om NBC-maskers, gevechtslaarzen en jeepwielen. In oktober 1960 kwam de commissie-Koersen met haar bevindingen.

Er was een hoop fout gegaan:

  • De mangaanstalen buitenhelmen werden niet uit Amerikaans, Frans of Duits maar duurder Engels staal gemaakt; mangaanstaal was bij DML en Verblifa onvoldoende bekend, zoals ook niet bekend was of mangaanstaal antimagnetisch was.
  • DML beschikte over incomplete technische voorschriften van de helm, omdat de Amerikanen ze niet wilden vrijgeven.
  • Het Korps Mariniers op missie in Nieuw-Guinea klaagde dat de helmen al haarscheurtjes vertoonden terwijl ze nog in het magazijn lagen.
  • In ’57 bleek een toezichthouder van de Afdeling Planning, Ontwikkeling en Productie van het DML (‘Leendert B.’), die voor zowel productiebewaking als keuring bij Verblifa was gedetacheerd, de keuringsrapporten te hebben vervalst; ook waren talloze helmen lichter dan was voorgeschreven.
  • In Duitsland moest een extra partij van 132.000 helmen (meerkosten: 1,7 miljoen gulden) worden besteld bij gebrek aan helmen; Verblifa produceerde uiteindelijk maar 274.160 stuks, die op 1 maart 1955 tegen meerkosten en twee maanden na de contractueel vastgestelde datum werden uitgeleverd; uiteindelijk zou Verblifa, samen met de Duitse partij, vier series van in totaal 418.920 helmen leveren.
  • Ondanks technische problemen die stelselmatig tot kostenoverschrijdingen leidden, werden toch steeds vervolgorders bij Verblifa geplaatst, terwijl de fabrikant niet beschikte over de vereiste machines en technische kennis.
  • Verblifa experimenteerde op Duits advies zelfs met de productie van helmen in dubbeltrek met tussengloeiing – een productiemethode die niet door de Amerikanen werd gevolgd.

Het rapport van de commissie-Koersen over het militaire aankoopbeleid gaf een opmerkelijk overzicht van de fouten, misverstanden, nalatigheden, knoeierijen en tekortkomingen die daarbij in enkele gevallen zijn gemaakt. Tegelijkertijd met de publicatie van het rapport richtte Minister Staf een ‘nota van opmerkingen’ aan de Tweede Kamer om de in het verslag gegeven feiten te verduidelijken. Minister Staf noemde de door de helmenaffaire veroorzaakte schade “slechts een kleine fractie” van de 1,95 miljard gulden bedragende aankopen en opdrachten in de jaren 1951 tot ’55...

De commissie-Koersen kwam tot de conclusie dat de helm niet identiek aan de Amerikaanse was geworden. Eigenlijk was de helm een miskoop: zowel DML als Verblifa hadden uit onverschilligheid en/of onkunde hun plicht verzaakt. Het rapport was ook ontlastend voor oud-Staatssecretaris Kranenburg. Daarentegen werd Minister Staf bestookt met verwijten, die soms meer een persoonlijk, antiparlementair en demagogisch dan een zakelijk karakter hadden.

45

VAN KORPS ZWARTE JAGERS TOT EINDE SLAVERNIJ

De handel in slaven is zo oud als de weg naar Rome, maar de slavenhandel tussen Afrika en Amerika tussen de 16de en 19de eeuw was Onvergelijkelijk. Miljoenen Afrikanen eindigden als dwangarbeider op de koloniale plantages, onder andere in Suriname dat in die tijd een kolonie in Nederlands West-Indië was. De West-Indische Compagnie vulde in Benin, Guinee, Ivoorkust, Togo e.d. de scheepsruimen met slaven om ze over te varen naar Suriname.

Daar werden ze te werk gesteld op de koloniale koffie-, suiker- en tabaksplantages, waar ze zich een slag in de rondte werkten en de levensomstandigheden over het algemeen erbarmelijk waren. Geen wonder dat de slaven altijd pogingen deden om uit te breken. Daarentegen leefde de gemiddelde planter (plantagehouder) als een vorst: hij werd bediend, bracht de avond door met kaarten, roken en drinken en de nacht met een van zijn slavinnen.

Onder dit misdadige winstbejag speelde zich in Oost-Suriname, in het gebied van de rivier Cottica, de zgn. Eerste en Tweede Boni-oorlog af. In het oosten van Suriname was tot 1765 Asikan Sylvester, een slaaf afkomstig van de West-Afrikaanse Slavenkust, de leider van een grote groep weggelopen slaven. In datzelfde jaar werd Sylvester opgevolgd door Boni, een geboren marron (bosneger). Hij leerde de voormalige slaven nieuwe gevechtstactieken en pookte de strijd tegen de Nederlandse kolonisten tot een heuse guerrilla op. Hierbij plunderden de Boni’s de plantages van hun voormalige broodheren.

De Nederlandse kolonisten hadden de grootste moeite om de Boni’s te verslaan. De oud-slaven waren bloedfanatiek. Als slaaf hadden ze geen enkel recht en werden ze nog slechter behandeld dan beesten en hadden dus op de vlucht niets te verliezen. Pas na zeven jaar guerrilla kwamen de Bakra’s (blanken) met een mogelijke oplossing. In 1772 werd door Jan Nepveu, de Gouverneur van Suriname, het Korps Zwarte Jagers opgericht. In de volksmond was dit korps bekend als ‘Redi Moesoe’ (“Rode Mutsen”) of Neger Vrijcorps.

Het Korps Zwarte Jagers bestond zowel uit blanken als uit slaven, in totaal zo’n 1.500 à 2.000 militairen.

De blanken waren in 1772 vanuit Texel met drie fregatten vertrokken: vijfhonderd Duitse, Engelse, Nederlandse en Schotse huurlingen. De commandant van hen was de in Genève geboren kolonel der mariniers Louis Henri Fourgeoud, vandaar ook Regiment Fourgeoud – of officieel: Regiment Mariniers nr. 19.

Begin 1773 kwamen ze in Paramaribo aan. Fourgeoud was bekend met het terrein, want hij had in 1763 in Berbice (Brits Guyana), een kolonie westelijk van Suriname, een opstand neergeslagen. In Suriname ging de ijzervreter steeds voorop in de moerassen en het oerwoud. Dit vestigde zijn reputatie van een door de wol geverfd militair die niet snel ergens van onder de indruk was. Toch slaagde hij er pas na vijf jaar van intensieve campagne in om de slavenopstand in Suriname enigszins te temperen.

De campagnes waren een slijtageslag: veel van zijn mariniers leden aan koekoe, een miltvergroting bij malaria die het gevolg was van het drinken van moeraswater.

De Boni's verdedigden hun dorpen in de Surinaamse jungle met hand en tand tegen de kolonisten. Achter deze Boni wachten twee Zwarte Jagers het moment af om hem te verrassen.

In ruil voor hun vrijheid wilden de slaven – de zgn. Vrijnegers – in het Korps Zwarte Jagers het graag tegen de Boni’s opnemen. John Gabriel Stedman, de beroemde Schotse Nederlander die kapitein was in het leger van Fourgeoud, prees in zijn boek ‘Narrative of a five years' expedition against the revolted Negroes of Surinam’ (1796) hun kracht, constitutie, activiteit en doorzettingsvermogen. Hij prefereerde één Vrijneger boven zes Europeanen op de expedities in de Surinaamse jungle.

De Nederlandse kolonisten hoopten met de nieuwe tactiek de vogelvrije Boni’s beter te kunnen bevechten. Talloze militaire expedities moesten de marrons uitroeien, maar ze waren zwaar in het voordeel vanwege hun guerrillatechnieken, terreinkennis en wil om te overleven. Regelmatig werden Nederlandse patrouilles verslagen, waarna afgehakte hoofden van patrouilleleden op staak werden gezet. Ook vermoordden de Boni’s wrede plantage-eigenaren en bevrijdden ze slaven.

De Boni’s verscholen zich diep in de binnenlanden, middenin de moerassen, vanuit het onvindbare Fort Boekoe. Aan het einde van de Eerste Boni-oorlog verliet kolonel Fourgeoud, die het met Gouverneur Nepveu nooit goed had kunnen vinden, Suriname.

Pas tijdens de Tweede Boni-oorlog werd de legendarische Boni op eigen terrein, Fort Boekoe, verslagen: hij sneuvelde op 22 januari 1793. Een deel van zijn medestrijders werd verdreven naar buurland Frans-Guyana.

Hoewel Koning Willem I in 1814, onder druk van de Engelsen, een Koninklijk Besluit uitvaardigde dat de handel in slaven moest stopzetten, werd pas op 1 juli 1863 de slavernij – het eigenlijke houden van slaven – in de West-Indische koloniale bezittingen afgeschaft. De kanonnen van Fort Zeelandia werden afgeschoten om de bevrijding aan te kondigen. In Suriname kregen naar schatting 35.000 slaven eindelijk de vrijheid. Sindsdien wordt op die dag gefeest onder de naam Keti Koti (“gebroken ketenen”).

Terug naar Boven

 

46

PIETER JANSZ. JONG, PAUSELIJK ZOEAAF, 1867

In 1830 werd binnen het Franse leger een Algerijns keurkorps infanteristen opgericht: de Franse Zoeaven. De rekruten hiervoor kwamen aanvankelijk uit de stam der Kabylen uit Noordoost-Algerije, later waren het voornamelijk jonge, blanke Fransen in traditionele Arabische kledij. Daarbij viel de pofbroek ("drollenvanger") het meest op. De Franse Zoeaven verwierven zich een reputatie in de Krimoorlog, Frans-Duitse oorlog én Eerste Wereldoorlog, waarbij alleen al op Belgisch grondgebied 8.000 Franse Zoeaven sneuvelden.

In 1860 bezette het nationalistische Piëmont-Sardinië de pauselijke provincie Romagna. Uit ongenoegen richtte de paus, Pius IX, een vrijwilligersleger op om langs gewelddadige weg dit besluit teniet te doen. Naar het voorbeeld van de Franse Zoeaven richtte hij de Pauselijke Zoeaven op, het Regiment Zuavi Pontifici.

Paus Pius IX.

Een toestroom van jonge, ongehuwde en vooral fanatieke katholieke mannen kwam uit tientallen landen het pauselijk legioen versterken. Maar de eerste echte veldslag, die bij Castelfidardo op 18 september 1860, verloren de Pauselijke Zoeaven.

De Belgische en Franse vrijwilligers onder de Franse generaal Christophe de Lamoricière moesten het massaal afleggen, maar door de nederlaag gingen nu in groten getale Nederlanders op weg om onder het pauselijk vaandel te strijden.

Het Piëmont-Sardinische leger bleek eens te meer de stuwende kracht achter deze oorlog die als enig doel had de eenwording van alle koninkrijkjes van Italië. Uiteindelijk zou het Nederlandse contingent met ruim 3.000 man zelfs het grootste zijn…

Maar de toestand verslechterde snel: al een jaar later was de unificatie een feit en werd het Koninkrijk Italië uitgeroepen met Victor Emanuel II als koning. Hoewel de opdracht van de Pauselijke Zoeaven – de verdediging van de pauselijke staat (toen nog globaal Midden-Italië) tegen de troepen van de koning en diens antiklerikale bondgenoot Giuseppe Garibaldi – onmogelijk was en uiteindelijk dan ook faalde, is hun krijgsgeschiedenis vervuld met vele heldhaftige momenten en beïnvloedde hun diepe spiritualiteit vele katholieken in andere militaire eenheden.

Getooid met een kepie en gestoken in het blauwgrijze uniform was van de meest vermaarde Nederlandse jongeling Pieter Janszoon Jong. Met zijn 2,04 meter was zijn bijnaam ‘De reus uit Lutjebroek’. Hij had een enorm imposante gestalte en stak, als hij aan tafel zat, met kop en schouders boven de anderen uit.

Omslag van ‘Pieter Jong: de held van Lutjebroek’ (1927) van frater Jos M. Reynders. In die jaren een zeer populair jeugdboek, uitgebracht door het R.K. Jongens-Weeshuis (RKJW) in Tilburg.

De Lutjebroeker schreef zich op 4 februari 1866 in als Pauselijk Zoeaaf, waarbij werd aangetekend: “Een kerel als een boom!”. Nadat hij met andere zoeaven in audiëntie door de paus was ontvangen, moest er in Rome zelfs een speciaal uniform voor hem worden gemaakt.

In de slag bij het versterkte bergdorpje Montelibretti, gevoerd van 6 tot 13 oktober 1867, liet Janszoon Jong zich net buiten de stadspoort op heroïsche wijze gelden in de strijd tussen de Garibaldisten en de paapse troepen. Solistisch wist hij een horde Garibaldisten te stoppen, waardoor de overige zoeaven zich konden hergroeperen en uiteindelijk slechts 87 zoeaven ruim 1.200 Garibaldisten uit het dorpje verdreven. Daarbij sneuvelden zestien Pauselijke Zoeaven, van wie de helft Nederlanders.

Een daarvan was Pieter Janszoon Jong. Hij werd met dertig bajonetsteken gedood nadat hij, verstoken van munitie, veertien Garibaldisten met de kolf van zijn geweer de hersens had ingeslagen.

Toen aan het begin van de Frans-Duitse oorlog (1870-’71) Napoleon III zijn troepen uit Rome terugtrok, was het pleit voor de Pauselijke Zoeaven beslecht en trokken het Piëmont-Sardinische leger Rome binnen. De val van Rome was een feit.

Het uniform van de zoeaven, te zien in de collectie van het Archief- en Documentatiecentrum voor Rooms-Katholiek Friesland in Bolsward (© foto:  Siep van Lingen, Leeuwarder Courant, 22 juni 2009).

Terug naar Boven

 

47

KAPITEIN g.d. benthien, brugslag onder napoleon in 1812

In 1795 werd Nederland overlopen door de troepen van de Franse republiek en geannexeerd als de Bataafse Republiek. De uitbreidingspolitiek van Napoleon Bonaparte kende geen grenzen. Op 22 juni 1812 verklaarde Napoleon Bonaparte weer eens aan Rusland de oorlog, waarmee een einde kwam aan de Vrede van Tilsit (1807). Die was juist het gevolg van de Franse overwinning op de Pruisen en de Russen na de val van Danzig.

Napoleon trok met een Grande Armée van zo’n 600.000 militairen naar Moskou. Nadat de stad in vlammen was opgegaan, trok Napoleon in oktober 1812 terug uit het tsarenrijk. Zijn veldtocht was tot mislukken gedoemd. Op 24 november stonden zijn troepen aan de rivier Berezina, noordelijk van Minsk. De Fransen hadden haast, op de hielen gezeten door constant aanvallende Kozakken, maar alle vaste oeververbindingen waren vernield door de Russen.

Huidig baretembleem van de pontonniers.

Extra verhaastende factoren waren de intussen ver te zoeken discipline en oprakende voorraden.

De dag erop arriveerde de Franse generaal Jean Baptiste Eblé met onder andere de 7de en 11de compagnie van het 1ste Bataljon Franse Pontonniers van het 2de Franse Legerkorps. De 7de Compagnie Bataljon Franse Pontonniers stond onder leiding van de in 1810 in Franse dienst getreden kapitein George Diederich Benthien (geboren op 29 oktober 1767 te Velzen in Lünenburg, Hannover) en bestond uit (meester-)werklieden, schippers (bateliers) e.d.

De pontonniers onder leiding van kapitein G.D. Benthien kregen de opdracht een vlotbrug – de voorloper van de huidige vouwbrug – te slaan bij Studianka, het meest geschikte overgangspunt. Vijftig meter verderop werd een tweede brug geslagen door de 11de Compagnie Bataljon Franse Pontonniers onder leiding van kapitein Busch. Beide bruggen waren globaal negentig meter lang en vijf meter breed.

De brugslagen werden in totaal door ruwweg 320 man verricht, van wie er tweehonderd tot de compagnieën van Benthien en Busch behoorden. Ze maakten gebruik van materiaal dat ze uit nabijgelegen oorden haalden, want hout was er nauwelijks: de Russen hadden alles achter zich verbrand (tactiek van de verschroeide aarde). De brug werd verder vervolmaakt met behulp van allerlei afval, boomschors, hooi, touw e.d.

In de felle kou, bij temperaturen tot minus 20 graden Celsius, bouwden de pontonniers met bijl, hamer, houweel en schop twee vlotbruggen over de met ijsschotsen bedekte Berezina. Vaak moesten ze hierbij het ijskoude water in om, staand tussen het drijfijs, balken, planken en schragen vast te maken.

Toch waren beide vlotbruggen binnen een etmaal gereed, waarmee de bij een snerpende kou en zonder voldoende materiaal werkende pontonniers zonder twijfel de levens van vele tienduizenden militairen uit Napoleons leger hebben gered.

George Diederich Benthien (1767-1836).

Terwijl de Hollandse regimenten infanterie en het 14de Regiment Kurassiers (geleid door kolonel Jhr. Trip van Zoudtlandt) de terugtocht afschermde, ontsnapten Napoleon en de restanten van zijn Grande Armée naar het veiliger Polen. Van 26 tot en met 29 november 1812 werd vanaf de moerassige rechteroever de Berezina overgestoken door de overgebleven 30.000 militairen en vele anderen. De Fransen verloren in de strijd rond de riveroversteek 20.000 man. Niet alleen bij gevechten in de achterhoede, want velen werden door de sterke stroming van de rivier meegesleurd of bezweken aan onderkoeling.

Bouw van een brug door Nederlandse pioniers bij de overtocht over de Berezina. De prent is gemaakt door Jan Hoynck van Papendrecht (1858-1933)(© foto Nederlands Instituut voor Militaire Historie).

Van de 7de Compagnie Bataljon Franse Pontonniers had minder dan veertig man de oversteek van de Berezina overleefd; alleen Benthien zelf, zijn sergeant-majoor Ary Schröder en zes pontonniers keerden terug in Nederland. In totaal keerden slechts enkele honderden van de 15.000 Nederlanders die aan Napoleons veldtocht in Rusland hadden deelgenomen behouden terug.

Na de Slag bij Leipzig (1813) trok Benthien terug naar Torgau, waar hij zich bij het beleg van die stad van nut maakte als artillerieofficier, totdat zij zich moesten overgeven aan de Pruisen. Benthien werd krijgsgevangen gemaakt en afgevoerd naar Silezië maar op 12 juni 1814 vrijgelaten. Twaalf dagen later sloot hij zich aan bij het Regiment Pontonniers, Mineurs en Sappeurs in het nieuwgevormd Nederlands leger. Op 21 maart 1826 werd de blind geworden Benthien pensioen verleend. Hij overleed op 1 augustus 1836 in ’s Hertogenbosch. Bij besluit van 25 september 1812 was Benthien in Moskou benoemd in het Légion d'honneur.

“De terugtocht van de Grande Armeé behoort tot de meest tragische gebeurtenissen in de geschiedenis. Van de oorspronkelijke 675.000 soldaten aanvaardden slechts 100.000 de lange terugtocht naar Frankrijk. In Koningsbergen kwamen nauwelijks 10.000 uitgeputte mannen aan.” (© foto:  jaarverslag 1980, Vereniging Oud-Dordrecht).

Sinds 1812 staat "Bérézina" in de Franse taal gelijk aan ‘ramp’. Benthien is later voor zijn verdiensten als militair geëerd door de naar hem vernoemde Benthien- of Pontonnierskazerne in Dordrecht (1882-1985).

Verdere naslagwerken:

Met dank aan: Vereniging 'Oud-Dordrecht', jaarverslag 1980.

Terug naar Boven

 

48

MINISTERS VAN DEFENSIE

Jacob Lambooy (1874-1942) staat te boek als de eerste Minister van Defensie van Nederland na de geslaagde combine van de departementen van Oorlog en Marine. Hij werd op 1 september 1928 bewindsman.

Na te zijn opgeleid aan de KMA doorliep de geboren Maastrichtenaar Lambooy van 1896 tot 1923 de officiersrangen tweede luitenant tot en met majoor der infanterie. Behalve leraar tactiek, strategie en krijgsgeschiedenis aan de KMA en leraar aan de Hogere Krijgsschool, schopte hij het tot souschef van de Generale Staf van het Veldleger (1924-’25). Na zijn militaire carrière werd hij voor de Roomsch-Katholieke Partij (RKSP) – voorloper van de KVP en uiteindelijk het CDA – Minister van Oorlog en Marine in het eerste kabinet-Colijn (1925-’26).

In 1928 bracht Lambooy met Minister van Financiën Dirk De Geer de wet tot stand waarbij de departementen van Oorlog en van Marine werden verenigd. Al in de 19de eeuw vroeg men zich af of het niet efficiënter en goedkoper zou zijn leger en vloot samen te brengen, m.a.w. de departementen van Oorlog en Marine te koppelen. Het Nederlands Instituut voor Militaire Historie schrijft hierover: “De tegenstanders van een dergelijke fusie, die vooral binnen de marine waren te vinden, oordeelden dat de krijgsmachtdelen bij het verlies van hun volledige zelfstandigheid aan slagvaardigheid zouden inboeten.”

Na lang gebakkelei kregen de voorstanders hun zin met de benoeming van Lambooy tot de eerste Minister van Defensie; hij bleef aan tot 10 augustus 1929. Johan Lambooy was zonder enige twijfel een capabel bewindsman (zoals hij ook een buitengewoon bekwaam hoofdofficier was), maar ook hij kon niet voorkomen dat er in het tijdperk tussen de beide wereldoorlogen aanzienlijk werd versoberd (bezuinigd) op zijn departement.

Op de foto: geheel links Minister van Defensie Johan Lambooy, in het midden luitenant-generaal Th. F. J. Muller Massis (commandant van het Veldleger).

Op zijn conduitestaat prijkt onder andere zijn ministeriële verantwoordelijkheid voor de uitreiking van een vaandel aan het Korps Mariniers op 16 september 1929. Hare Majesteit Koningin Wilhelmina reikte het vaandel op het Malieveld in Den Haag uit en noemde de mariniers het “oudste corps onzer weermacht”. Ook ondertekende Lambooy bijvoorbeeld het Koninklijk Besluit van 21 november 1928, eveneens bekrachtigd door Koningin Wilhelmina, om militairen die de Vierdaagse afstandsmarsen hadden afgelegd “eens voor al te vergunnen bedoelde onderscheidingstekenen op de uniform zowel in als buiten dienst te dragen”.

Terug naar Boven

 

49

AFRIKA

Het Donkere Continent – een verwijzing naar het boek ‘Through The Dark Continent’ (1878) van de Britse ontdekkingsreizigers Henry Morton Stanley die beroemd werd met de woorden “Dr. Livingstone, I presume” – is een New Area of Interest voor de Koninklijke Landmacht. Dat wil niet zeggen dat er nooit Nederlandse militairen in Afrika zijn geweest. Al in de 18de eeuw groeide Kaap de Goede Hoop, een verversingsstation voor schepen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, uit tot een omvangrijke Nederlandse kolonie. Sinds Van Riebeeck werd Zuid-Afrika gaandeweg meer dan louter een agentschap voor Oost-Indiëvaarders.

Na WO II was eerste Nederlandse operatie in Afrika het bieden van noodhulp aan de slachtoffers van een aardbeving in Agadir, een havenstad aan de westkust van Marokko. Schepen van de Koninklijke Marine die net een oefening nabij Gibraltar hadden afronden, boden in 1960 hulp: naast het vlaggenschip, de Hr.Ms. De Ruyter, een smaldeel dat bestond uit de Drenthe, Gelderland, De Bitter, Limburg en Zwaardvis.

Verser in de geschiedenis ligt de humanitaire operatie Provide Care in Goma, Zaïre (nu: D.R. Congo) in 1994. Nederland droeg met militaire middelen haar steentje bij aan het lenigen van de nood als gevolg van een gruwelijke genocide.

De situatie in Afrika sinds mensenheugenis onzeker en wankel. Na de slavernij en de kolonisatie lijken, vooral ten zuiden van de Sahara, burgeroorlogen, hongersnoden en natuurrampen stuivertje te wisselen om het grootste marktaandeel op CNN. Zo toog zowel in 1995 als 2000 de 105 Brugcompagnie naar Mozambique voor noodhulp in het door overstromingen getroffen gebied; er vonden individuele en ontmijningsmissies plaats naar Angola; in 2003 stoomde de marine op naar Liberia in het kader van de United Nations Mission in Liberia (UNMIL); en de generaal Patrick Cammaert – inmiddels b.d.’er – gaf in de D.R. Congo leiding aan een deel van de United Nations Organization Mission in the Democratic Republic of the Congo (MONUC).

Het meest vers in het geheugen zijn het optreden van het Korps Mariniers in de United Nations Mission in Ethiopia and Eritrea (UNMEE) en de operatie EUFOR Tsjaad/CAR van de Europese Unie. Verder steunt Nederland sinds 1997 Afrikaanse militairen door middel van training en advies in het kader van de door Frankrijk geleide trainingscyclus voor deelname aan vredesoperaties Renforcement des capacités africaines de maintien de la paix (RECAMP).

In een halve eeuw tijd werd verder onder andere ook militair opgetreden in Ivoorkust (Non-combatant Evacuation Operation). Afrika is een steeds belangrijker werkveld voor Defensie geworden, hoe ogenschijnlijk kleinschalig soms.

Afrika staat bekend om haar instabiliteit. Er zijn relatief weinig democratische staten, zoals Benin, Egypte en Zuid-Afrika, burgeroorlogen zijn schering en inslag. Vanaf het einde van de Koude Oorlog is een groot aantal intrastatelijke conflicten overgeslagen naar omliggende landen. Hoewel het einde van het Oost-West conflict positieve verwachtingen wekte over samenwerking tussen de permanente leden van de VN-Veiligheidsraad en de rol die de Verenigde Naties zouden kunnen spelen bij de handhaving van vrede en veiligheid, traden er in het bijzonder veranderingen in vraag en aanbod op. Het aantal vredesoperaties nam zienderogen toe, wat juist in Afrika ruimte bood aan een opkomende industrie van militaire bedrijven (private military companies). Te denken valt aan fragiele staten als Angola, D.R. Congo en Sierra Leone.

De aanwezigheid van westerse landen heeft dan ook vaak toegevoegde waarde bij vredesmissies in Afrika. Regionale Afrikaanse organisaties, zoals de Afrikaanse Unie, zijn vaak niet in staat om de klus alleen te klaren, terwijl een stabiel Afrika van levensbelang voor Europa is. De aanvankelijke schoorvoetendheid om alleen hulp te bieden met specialistische kennis en materieel, zal zich in de komende jaren in toenemende mate richten op bijvoorbeeld het Grote Merengebied (Burundi, D.R. Congo, Kenia, Rwanda, Tanzania en Uganda) en de Hoorn van Afrika. De inzet van grote troepencontingenten is weliswaar niet per se noodzakelijk, maar een actieve bijdrage in de beheersing van conflicten in én de wederopbouw van grote delen van Afrika wèl.

Het terrein in Afrika is divers en onstuimig: jungle, savanne, woestijn. Nagenoeg overal zijn de weersomstandigheden dezelfde, nl. warm met een hoge luchtvochtigheid. Niet alleen is er de onvermijdelijke confrontatie met uitheemse flora en fauna (ook ziekteverwekkende zoals malariamuggen), ook is gebleken dat het werken onder extreem hoge temperaturen veel van het personeel vraagt: ze raken sneller vermoeid. Acclimatisatie is daarom dringend gewenst.

Oefende in 2005 al ruim 600 militairen van 11 Luchtmobiele Brigade in Egypte (Bright Star), in januari/februari 2009 oefende een peloton van 13 Infbat Lumbl AASLT met Belgische militairen in het Afrikaanse Benin. De oefening ‘Dassa 09’ was een van de voorbereidingen op de grote oefening Joint African Lion in Senegal in 2012. Het opdoen van ervaring op het Afrikaanse continent is wenselijk wanneer de Luchtmobiele Brigade zijn Operationele Gereedheidsstatus (OGS) in 2012 opnieuw moet bevestigen en zo kan bewijzen nog steeds te voldoen aan de gestelde eisen.

Een willekeurige foto in een willekeurig (?) Afrikaans land. Deze foto is genomen tijdens de oefening 'Dassa 09' in Benin (West-Afrika).

Verder naslagwerk:

Terug naar Boven

 

50

DEN BRIEL, 1 APRIL 1572

Op het Zuid-Hollandse eiland Voorne ligt Brielle, vroeger Den Briel. Het havenstadje was in 1572 het strijdtoneel van het begin van de Tachtigjarige Oorlog. Op 1 april van dat jaar vond de verovering van het havenstadje plaats, wat de aanleiding was voor een algemeen volksoproer waar Willem van Oranje al jaren op uit was.

De verovering van Den Briel op 1 april 1572 op een prent van Jan Luyken (1649-1712); de tekening is in het bezit van het Amsterdams Historisch Museum.

De watergeuzen – van het Franse "gueux" (bedelaars) – waren zeerovers, geworven als huurling in Wallonië. Aangevoerd door admiraal Willem van der Marck, heer van Lumey, en geronseld door de Prins van Oranje – Willem van Oranje, stadhouder van de provincies Holland, Zeeland en Utrecht – veroverden ruim 1.000 watergeuzen met een vloot van 26 schepen Den Briel. Dit was het sein voor een landelijke opstand (insurgency) die zich rap verspreidde over Vlissingen, Terneuzen en Veere. Vele steden volgden in de keuze tegen het Spaanse juk en ten gunste van de Prins van Oranje.

Toen de hertog van Alva, landvoogd van de Nederlanden die sinds de Beeldenstorm van 1566/'67 in opdracht van Filips II naar de Nederlanden was gestuurd om orde op zaken te stellen, in de steden troepen wilde legeren, werden de stadspoorten gesloten gehouden.

Van de bevrijding van het bezette stadje komt het gezegde “Op 1 april verliest Alva zijn bril”, waarbij ‘bril’ staat voor Den Briel. De verovering van Den Briel was overigens het tweede grote wapenfeit in de opstand tegen koning Filips II, die wilde dat iedereen katholiek zou worden (terwijl de Nederlanders in meerderheid protestants waren): het eerste was de Slag bij Heiligerlee in 1568.
Wat zeker meespeelde in de Spaans-Nederlandse (geloofs)strijd was dat Willem van Oranje in 1570, in zijn streven naar religieuze tolerantie, was overgelopen naar het Lutherse calvinisme. Hierdoor waren de calvinisten gunstiger gezind om mee te werken aan zijn acties tegen Alva. Na het mislukte beleg van Alkmaar, in 1573, trok de hertog van Alva zich definitief terug in Spanje.

Terug naar Boven

 

51

BATAVEN: eerste nederlandse krijgers

Wie kan het nog meezingen?

“Zoveel duizend jaar terug, ons land was enkel zee
Dronk men in China uit verveling thee
Maar wat een geluk voor ons, kwamen zij toen niet naar hier
Maar Batje Vier kwam langs de Rijn op een lekker vatje bier”

‘Batje Vier (De uitvinder van het bier)’ – Cocktail Trio (1961)

  

Batje Vier was natuurlijk de Batavier, door de Nederlander beschouwd als zijn voorouder.

De “woeste afgodendienaars” – aldus het ‘Handboek der geschiedenis van het vaderland’ (1846) van Guillaume Groen van Prinsterer – vluchtten voor de naar het noorden oprukkende Romeinen en stroomden op uitgeholde boomstammen de Rijn af naar het land der Cananefaten, Friezen, Marezaten en Tubanten. Volgens de overlevering waren ze bij Lobith Nederland binnengekomen.

Rond 50 v.C. had Julius Caesar vrijwel alle volkeren in het uitgestrekte Gallië onderworpen. Toen de keizer terugkeerde naar Rome, bleven de Galliërs zich echter danig roeren. Daarom zocht Caesar aansluiting bij bevriende volkeren. Één daarvan waren de Batavieren (of Bataven), die rond 35 v.C. naar Nederland verhuisden. De Romeinen noemden hen Batavi, naar het gebied Batawia. Dat viel globaal samen met de huidige Betuwe. De Bataven vormden voor de Romeinen een ideale buffer tussen de Galliërs aan de ene en de Germanen aan andere kant van de Rijn.

Ook de humanist Desiderius Erasmus (1469-1536) meende dat het krijgersvolk der Bataven de Rijn was afgezakt en dat hun binnenkomst bij Lobith het begin van de Nederlanden was. En hij vond het gebrek aan beschaving van de Bataven een verdienste...

Erasmus heeft in ‘Auris Batavia’ (‘Het Bataafs oor’, 1508) – waarvan de titel was geleend van de Romeinse dichter Martialis (40-102) – geprobeerd de negatieve associatie met de lompe, grove, botte, boerse Bataven een positieve draai te geven. Volgens hem was er uiteindelijk geen volk dat meer openstond voor medemenselijkheid en vriendelijkheid en minder geneigd was tot onbeschaafd en gewelddadig gedrag.

Erasmus was overigens niet de enige die de Bataven als oervoorzaten van de Nederlanders duidde. Ook Cornelius Aurelius (1460-1531) en collega-humanist Gerard Geldenhouwer (1482-1542) stelden de Bataven voor als grondleggers van een gemeenschappelijke Nederlandse identiteit. Maar Erasmus boog als eerste de kwalificaties “boers, bot, grof en lomp” om tot eretitels.

Zijn analyse was klip en klaar: de Bataven waren oprecht, zonder list of bedrog, niet geneigd tot zonde, behalve een beetje tot feesten. De reden hiervoor was de natuurlijke vruchtbaarheid van de streek, doorkruist als hij was door bevaarbare rivieren vol vis, en vol rijke weiden.

De Romeinen wilden de Bataven echter nog dichter bij de buitengrens van hun Rijk. De strategie wil dat ze bij de grens van de Germaanse vijand, vlakbij Noviomagus (Nijmegen), een nieuwe hoofdstad voor hun trouwe Bataafse bondgenoten bouwden: Oppidum Batavorum.

De Romeinen hadden een prima verstandhouding met de Bataven, die bijvoorbeeld geen belasting hoefden te betalen. Bovendien, en niet onbelangrijk, waren de Bataven goede krijgers, die in diverse cohorten dienst deden als hulptroepen van de Romeinen.

Zelfs de persoonlijke lijfwacht van keizer Nero (54-68) bestond in hoofdzaak uit Bataven.

Maar de goede relatie liep spaak, feitelijk dankzij het overlijden van Nero in 68 n.C. Daarna begon een strijd om de macht in het Romeinse Rijk, waarin vier keizers verwikkeld waren: Galba, Otho, Vespasianus en Vitellius. Laatstgenoemde nam zijn soldaten uit het Rijnleger mee. De Bataven profiteerden van de keizerlijke crises en het daardoor ontstane machtsvacuüm in de Rijndelta: de troepenvermindering langs de Limes – de grens van het Romeinse Rijk, die in Nederland van Katwijk langs Arnhem naar Duitsland liep – was koren op de molen. Julius Civilis, een Bataaf met een hoge functie in het Romeinse leger. In 69 n.C. liet hij alle Romeinse grensforten tussen de Noordzee en Trier in brand steken, waarmee hij in het noorden van het Rijk een opstand ontketende.

De Bataven verslaan de Romeinen bij de Rijn.

Hoewel Civilis steun kreeg van de Cananefaten en Friezen, kon keizer Vespasianus – door de inzet van vele legioenen – de opstand gemakkelijk neerslaan. De rust in de noordelijke gebieden werd hersteld. Vreemd genoeg volgden géén strafexercities tegen de Bataven, de initiators van de opstand.

Sterker nog: ondanks hun onafhankelijkheidsstreven bleven de Bataven in vele opzichten ideale medestanders: ze waren goed geïntegreerd in de Romeinse cultuur, hadden Romeinse namen, spraken Latijn en uiteindelijk bezaten velen van hen zelfs het Romeinse burgerrecht. De Bataven waren, kortom, geromaniseerd. Ze baden, bouwden en kookten zelfs in romaneske stijl.

Tot aan de 2de eeuw n.C. zouden de Romeinen en Batavieren in het land van Maas en Waal, de Betuwe en het westen van de Nederlandse delta het straatbeeld bepalen.

Hieruit blijkt dat de heldenstatus van de Bataven, al met al, behoorlijk wordt overdreven. Ze hebben zich weliswaar tijdens één oproer teweer gesteld tegen de kwantitatief veel sterkere Romeinen, maar het verzet tegen de onderdrukking is met mythische proporties aangedikt in de geschiedenisboekjes.

Niet zo vreemd, want de Bataven hadden het stempel van mannetjesputters en wildemannen, verslaafd aan drank en dobbelspel – zo wil althans de geschiedschrijving. Laat die historiografie nou vooral door de Romein Tacitus geboekstaafd zijn…

Het schilderij ‘De samenzwering van de Bataven’ is door  Rembrandt Harmensz. van Rijn in 1661-’62 geschilderd. Het doek is tegenwoordig te zien in het Zweeds Nationaal Museum in Stockholm. Het beeldt Julius Civilis uit op het moment dat hij met zijn vertrouwelingen de eed van trouw zweert, waarmee – aldus Tacitus – de Bataafse opstand begon.

Terug naar Boven

 

52

JOHANNES VAN DEN BOSCH; geestdriftig en verlicht

Wat was Johannes van den Bosch, behalve een geslaagd generaal in Nederlands-Indië: een humanist, praktisch idealist, sociaal wrak, utopisch socialist of paternalistische weldoener?

Johannes van den Bosch (1780 -1844).

Van den Bosch werd vooral bekend als architect van het Cultuurstelsel: een systeem waarbij boeren uit grote delen van Java, Minahasa en Sumatra gedwongen werden eenvijfde van hun gewassen (indigo, kaneel, katoen, koffie, peper, suiker, tabak, thee en andere cultures) tegen uiterst lage beloning aan het koloniale bestuur af te staan. Dat was een economisch succes: alle winsten vloeiden direct in de Nederlandse staatskas.

Het was ook hoognodig om de koloniale bezittingen in Nederlands-Indië lonend te maken, want Nederland was zo arm als Job. Koning Willem I had geld nodig om Nederland in de vaart der volkeren te stuwen.

Zo werd met een groot deel van het batig saldo uit het Cultuurstelsel het Nederlandse spoorwegnet aangelegd.

In totaal verkreeg de Nederlandse staat in de 19de eeuw maar liefst 840 miljoen gulden uit het koloniale bezit in de Oost.

Toch was Van den Bosch’ Cultuurstelsel niet louter positief. De manier waarop de woekerwinsten tot stand kwamen was echter scharrig: armoede en honger onder de inheemse bevolking namen juist toe.

Blijkbaar mat generaal Van den Bosch met twee maten. Terwijl hij in Nederlands-Indië niet zag of wilde zien dat de inlanders onder hongersnoden gebukt gingen, constateerde hij in Nederland juist "schrikbarend pauperisme".

Na de Franse overheersing (1795-1813) lag de Nederlandse economie op zijn gat: het afzetten van Napoleon in 1813 en de mislukte oogsten van 1816 en ’17 zorgden wijd verbreid voor honger (ruim 10% van de bevolking leefde onder de armoedegrens), kinderen werden bij honderden te vondeling gelegd, de criminaliteit nam schrikbarende vormen aan en armoede was troef onder de helft van de hoofdstedelijke bevolking. Door het verdrijven van de Franse bezetter werd in de hand gewerkt dat het leger van bedelaars vermeerderde met uitgediende soldaten.

Na de Napoleontische periode was de armoede massaal. Van den Bosch trok zich het lot van de gevallenen, ouderlozen en verwaarloosden aan en wilde het armoedevraagstuk oplossen. Overigens ook ten bate van Koning Willem I, die het land er bovenop wilde helpen. Paupers pasten niet in dat beeld. Ook zag de regering in dat honger een voedingsbodem voor oproer en opstootjes was – en ook daaraan was geen behoefte.

Ter verbetering van de toestand van de lagere volksklasse richtte “de doortastende houwdegen-met-sociaal-gevoel” Johannes van den Bosch op 1 april 1818 – dus vóór zijn introductie van het Cultuurstelsel – de Maatschappij van Weldadigheid op. Het oogmerk: de talrijke klassen van behoeftige ingezetenen arbeid verschaffen.

Hoe kwam Van den Bosch aan geld voor dit particulier initiatief?

Elke welgestelde Nederlander werd aangespoord om voor vijf cent (sic!) per week lid te worden van deze Maatschappij van Weldadigheid. Met het ingezamelde geld werd grond gekocht. Op zgn. ‘woeste gronden’ (onontgonnen land) werden de stedelijke paupers te werk gesteld.

Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Frederik, de tweede zoon van Koning Willem I, werd voorzitter van de Maatschappij van Weldadigheid. Zo stond het Koninklijk Huis, althans in naam, mede aan de wieg van een ongekend sociaal experiment.

Frederiksoord.

Voormalig generaal-majoor der cavalerie Van den Bosch had voor de ontginning zijn oog laten vallen op de Drenthse heidevelden en veengebieden. De plattelandskolonies moesten zichzelf kunnen bedruipen. De bewoners – allen paupers – werden op basis van vrijwilligheid geworven. Het eerste dorp dat verrees was Frederiksoord, genoemd naar Prins Frederik.

Al op 25 augustus werd een begin gemaakt met de bouw van de eerste woningen, opgetrokken op het landgoed Westerbeeksloot in de gemeente Vledder. Op 60 meter afstand van elkaar verrezen boerenhuisjes in lintbebouwing. Elk huisje bestond uit een kamer met bedsteden, waarachter zich een aanpalend schuurtje bevond. Dat was voldoende voor het stallen van enkele koeien.

Willemsoord.

Uit de grote steden uit het westen van het land kwamen de eerste 52 geselecteerde gezinnen naar de proefkolonisatie Frederiksoord. Hierna ontstonden tussen 1818 en ‘20 de ‘vrije kolonies’ Wilhelminaoord, vernoemd naar prinses Wilhelmina van Pruisen (weduwe van Willem V), Willemsoord (naar Koning Willem I) en ook Boschoord – naar zichzelf genoemd. Op enig moment hadden de koloniën een bevolking van 11.000 mensen, onder wie ruim 40% ‘bekeerde’ bedelaars en 15% wezen. De totale oppervlakte bedroeg 70 km2.

De kolonies hebben echter nooit hun nagestreefde aantallen verbeterde paupers opgeleverd. Bovendien bleken niet alle kolonisten even werkwillig, niet alleen omdat ze onvoldoende betaald werden en slecht te eten kregen. Het was duidelijk dat Frederiksoord, Wilhelminaoord, Willemsoord en Boschoord helemaal geen sociaaldemocratische heilstaten in het klein waren. En de gepropageerde zedelijke verheffing van de lagere volksklasse bleek een lachertje.

Veenhuizen II.

Omdat onwillige en niet-werkwillige kolonisten in een streng regime moesten worden aangepakt, begon de Maatschappij van Weldadigheid in 1823 in het buurschap Veenhuizen, gemeente Norg, met de bouw van drie gestichten: Veenhuizen I, II en III. Dit waren de zgn. ‘onvrije kolonies’, ook wel dwang- of strafkolonies genoemd. Hier werd de gedwongen heropvoeding van recalcitrante armen, wezen en vondelingen - vergoelijkend “verpleegden” genoemd - met de nodige orde en tucht ter hand genomen. Niet voor niets waren én zijn hier moraliserende opschriften te vinden als ‘Werken is leven, arbeid is zegen’…

Hoewel Van den Bosch’ ideaal in vervulling was gegaan, waren de vrije koloniën – in tegenstelling tot de echte kolonie Nederlands-Indië – nooit rendabel. De kolonies waren het bewijs dat de praktische invulling van een ideale samenleving een utopie was. Hoewel onderdak en voedsel verzekerd waren, werden veel kolonisten ongewild het slachtoffer van drang en dwang. Hierdoor is het de koloniën nooit gelukt een gezonde, enthousiast werkende klasse af te leveren.

Terug naar Boven

 

53

VAN SPEYK, dan liever de lucht in, 5 februari 1831

Nederland is meer een land van zinloze opofferingsgezinden dan van houwdegens, ijzervreters en vechtjassen. Dat is door de eeuwen heen althans gemeengoed geworden. Een martiale traditie ontbreekt. Als in ’s lands krijgsgeschiedenis helden boven het maaiveld uit komen, zijn het zeehelden. Witte de With, Van Heemskerck, Van Galen, Tromp, Kortenaer, Hein, Evertsen, Doorman, De Ruyter en Coen. En natuurlijk Jan van Speyk.

Tijdens de Belgische Opstand waren er drie maritieme verdedigingslinies die zich uitstrekten van Antwerpen tot Vlissingen. Niet alleen over de maritieme linies zou generaal D.H. baron Chassé tot in 1832 het opperbevel voeren, ook over de Antwerpse citadel en enkele bezette forten langs de Schelde.

Aan kapitein-luitenant Jan Coenraad Koopman – die voer op ’s lands korvet De Komeet, de directe superieur van Van Speyk was en later Chef van de Generale Staf der Zeemacht op de Schelde zou worden – werd het bevel opgedragen over de eerste van deze drie linies: een flottielje van twaalf kanonneerboten en korvetten

Op 19 december 1830 vond met De Komeet van Koopman een incident plaats, dat met terugwerkende kracht een verstrekkend voorproefje was van wat er op die 5de februari stond te gebeuren. Op die dag werd De Komeet door een hevige stormvlaag bijna tegen de Antwerpse stadskade gedreven.

Een juichende, losbandige menigte op de kade hief kreten aan die voor de Hollandse zeelieden niet geruststellend waren. Er was alle reden te geloven dat wanneer het schip de wal raakte, de oorlogsbodem zou worden geënterd. Gelukkig raakte het schip kant noch wal. Gelukkig, want de bemanning had reeds “het lont vaardig gemaakt” om zo nodig de aanvallers met oorlogsbodem en al in de lucht te laten vliegen. Want naar verluidt had De Komeet 150.000 pond (!) buskruit aan boord.

Van Speyk was vastbesloten zich een dergelijke belediging niet te laten welgevallen. Op de dag dat Koopman’s roeiers alle krachten moesten bijzetten én het stopanker werd uitgebracht om dit onheil te voorkomen, schreef  Van Speyk aan een nicht in Amsterdam “dat eerder nog boot en kruit en mij de lucht in gaat dan immer een infame Brabander te worden of het vaartuig over te geven”. Liever spiegelde Van Speyk zich, zo schreef hij verderop in dezelfde brief, aan viceadmiraal Reinier Claeszen.

Een vloot onder het commando van de luitenant-admiraal Willem de Zoete, heer van Haultain, was naar de Portugese kust gestuurd om de Spaanse vloot het uitvaren naar Indië te beletten. Één van de ondercommandanten van Haultain was viceadmiraal Reinier Claeszen.

In de zeeslag bij Cabo de São Vicente (Kaap Sint-Vincent), enkele mijlen voor de kust van het meest zuidwestelijke punt van Portugal, had Claeszens de pech dat bij een aanvaring met een vijandelijk galjoen zijn grote mast overboord ging. Hierdoor raakte zijn schip stuurloos. Al snel werd Claeszen’s schip door acht vijandelijke galjoenen omringd en geënterd, waarna de Spanjaarden het dek vermeesterden.

Maar hij gaf zich niet over, want hij kende de wreedheden die de beruchte Spaanse vlootvoogd Don Luis de Fiasciardo als overwinnaar zou toepassen. Terwijl benedendeks Claeszens en zijn mannen werden blootgesteld aan deze ongelijke krijgskans, bleef Haultain op veilige afstand twee dagen lang met zijn uiteengeraakte vloot werkeloos toezien. Niets werd ondernomen om Claeszen te ontzetten.

Toen duidelijk werd dat Claeszens aan zijn lot werd overgelaten en zowel bemanning als schip reddeloos verloren waren, gaf hij op 7 oktober 1606 opdracht “om de lont in het kruitvat te steken”. Het schip mocht niet in Spaanse handen vallen. Heldenmoed ter voorkoming van een ongewisse gevangenschap in de Tachtigjarige Oorlog, die aan de 60 overgebleven schepelingen het leven kostte.

Het was de taak van de 29-jarige luitenant ter zee 2de klasse Jan Carel Josephus van Speyk om met zijn kanonneerboot de schepen op de Schelde te controleren, indien nodig de haven te blokkeren en de stad te bombarderen.

Door een felle noordwester storm raakte op 5 februari 1831, omstreeks 10.00 uur in de ochtend, zijn schip Zr. Ms. Kanonneerboot Nr. 2 op drift.

Ondanks verwoede pogingen om het te wenden, dreef het schip naar de oever. Het schip strandde op de kaai van de lunet Sint-Laureis – een vooruitgeschoven halvemaan van de Antwerpse Zuidercitadel.

Een troep gewapende Belgen beklom het schip, vastberaden om de Nederlandse driekleur te veroveren.

Van Speyk heeft al snel in de gaten dat de Belgen zijn schip en daarmee de vlag zullen onteren. Tegen de Belgische opstandelingen zegt hij benedendeks de overgavepapieren te gaan halen. Met een brandende sigaar loopt hij het ruim in. Zijn persoonlijke knecht, scheepsjongen Hendrik Wijler, vraagt aan Van Speyk of hij vuur in het kruit gaat steken. “Berg je gat!” roept hij uit, waarmee hij hem waarschuwt zich uit de voeten te maken.

Wijler behoort tot de weinigen die het gelukt tijdig overboord te springen…

Daarna kwam Van Speyk in het ruim tot zijn heldendaad: onder het uitspreken van de patriottische catch-phrase “Dan liever de lucht in” stak hij de sigaar in het kruitvat. De immense knal hielp het complete schip naar de ratsmodee. Inclusief hemzelf vonden 26 Nederlandse bemanningsleden en vijf Belgische opstandelingen de dood.

In het Amsterdamse Rijksmuseum bevindt zich dit olieverfschilderij van 26 bij 21 cm uit 1834 van Jacobus Schoemaker Doyer (1792-1867). Het laat treffend het moment zien dat van Van Speyk zijn beroemde daad verricht.

Maar wat Van Speyk in 1831 deed, kan nu gemakkelijk doorgaan voor hysterische onbaatzuchtigheid, een militair exces of zelfs een (zelf)moordaanslag. Was het wel een heldendaad? Met de zelfdoding van Jan van Speyk was het taboe op zelfmoord blijkbaar zo radicaal aan de kant gezet dat iedere zeeheldenwijk in Nederland een Jan van Speykstraat kreeg.

Een immense knal helpt het schip naar de ratsmodee. Met inbegrip van Van Speyk vinden 26 Nederlandse bemanningsleden en vijf Belgische opstandelingen de dood.

Daarenboven kon Van Speyk met zijn opofferingsgezinde daad – die in de context van de Belgische Opstand overigens van luttel belang is geweest– niet voorkomen dat België in hetzelfde jaar toch onafhankelijk werd van Nederland. Ondanks (of juist door?) deze schaamtevolle afgang werd Van Speyk de held die hij vandaag nog steeds is, zeker in kringen der zeestrijdkrachten. In elk geval bleef de Hollandse vlag gehandhaafd.

Brokstukken van Van Speyk’s schip werden omgewerkt tot souvenirs, zoals ringen en tabaksdozen. Het grappige is dat over helden altijd onmiddellijk wordt verteld dat ze zo gewoontjes zijn gebleven. Dat gold ook Jan van Speyk, een nette weesjongen die zich had opgewerkt tot bevelvoerder van een eigen schip.

Met zijn patriottische toewijding voegde Van Speyk zich in het rijtje van helden als Gajus Mucius Scaevola, die in 507 vóór Chr. – toen Rome werd belegerd door de Etrurische koning Porsenna – zijn hand onverschrokken in de vlammen van het offervuur tot as liet verkolen; aan de Zwitser Arnold von Winkelried die tijdens de Slag bij Sempach (1386) tegen de Oostenrijkers, de lanspunten die anderen bedreigden, wist samen te bundelen en op zijn eigen hart richtte; aan Jan van Schaffelaar die in 1482 van de toren van Barneveld sprong; en aan de Engelse admiraal Lord Horatio Nelson die in de Zeeslag bij Trafalgar (1805) het leven liet door een gericht scherpschot op zijn borst, die door de vele medailles een duidelijk doelwit was.

Terug naar Boven

 

54

KOKKELINK: KRIJG IN HET OERBOS VAN NIEUW-GUINEA

Op 17 juni 1913 werd in Willem I, tegenwoordig beter bekend als Ambarawa, in Nederlands-Indië, Mauritz Christiaan Kokkelink geboren. Op 12 april 1945 zou hij, intussen militiesergeant van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL), worden onderscheiden in de Militaire Willemsorde.

Hoe het kwam dat het Hare Majesteit behaagde hem deze onderscheiding te doen toekomen is te lezen in zijn boek ‘Wij vochten in het bos. De guerrillastrijd op Nieuw-Guinea tijdens de Tweede Wereldoorlog' uit 1956. Een verslag van het overleven in de jungle in Nieuw-Guinea gedurende de Japanse bezettingsjaren.

 

Sergeant M. Ch. Kokkelink was een schoolvoorbeeld van iemand van wie je tevoren niet zou verwachten dat hij tot heldendaden in staat is. Dat vond hij zelf ook, in elk geval toen hij nog dienstplichtige was.

Aan het begin van zijn boek schrijft Kokkelink: “In mijn diensttijd, nu al weer zo lang geleden, had ik in de sleur van dienstkloppen mijn militaire plichten vaak lusteloos en met onverschilligheid vervuld. Ik zag er het nut niet van in de theorie van een beroep te leren waarbij naar alle waarschijnlijkheid de praktijk nimmer zou worden toegepast. Nu lagen de kaarten anders.”

Omslag van 'Wij vochten in het bos', met de Japanse vlag die door een hand aan flarden wordt getrokken

Manokwari – omsloten door de Doré-baai en de voet van het Arfak-gebergte – was al in 1898 één van de eerste Nederlandse bestuursposten in Nederlands Nieuw-Guinea. Het is gelegen op het noordwestelijke schiereiland met de naam Vogelkop, een gebied tweemaal zo groot als Nederland en vrijwel geheel bestaand uit schier ondoordringbare jungle.

Op zondag 12 april 1942 werd het KNIL-garnizoen in Manokwari gealarmeerd door de aanwezigheid van tientallen Japanse schepen voor de kust.

Manokwari, gezien vanuit de Geelvink of Doré-baai.

Door de massale Japanse aanval van die dag werden ook de Nederlandse kolonisten op de Vogelkop betrokken in de oorlog, onder wie Kokkelink. Al vanaf '33 woonde de kolonist in het plaatsje Mangoapi, gelegen op een heuvel vlakbij Manokwari, waar hij zich bezighield met landbouw en varkens. Kokkelink behoorde nu tot het garnizoen dat onder leiding stond van de kapitein J.B.H. Willemsz Geeroms.

Al vanaf januari hadden Japanse vliegtuigen enkele malen hun bommen boven Manokwari afgeworpen. Op 6 maart meldde Radio Bandoeng de capitulatie van Java, waarna het radiostation zweeg. Het bleek niet meer vergezocht om aan het afgelegen, praktisch onontgonnen en sporadisch bewoonde Nieuw-Guinea een strategische positie toe te kennen… niet alleen voor het achter Nieuw-Guinea gelegen Australië. (Al in 1936 werd in het westen van Vogelkop bij Klamono door de Nederlanders olie aangeboord. Daarna volgden productieboringen bij Mogoi en Wasian, beiden in het oosten van Vogelkop. In de ontwikkelingsfase van deze olievelden door de NV Nederlandsche Nieuw Guinea Petroleum Maatschappij (NNGPM) – beheerd door de Bataafsche Petroleum Maatschappij, voorloper van Shell – stopte het vallen van de oorlog over Nieuw-Guinea alle werkzaamheden.)

Na het bewuste alarm trokken de mannen de oerbossen van Nederlands Nieuw-Guinea in, bewapend met karabijnen, klewangs en kapmessen. Tevoren had commandant Willemsz Geeroms drie schuilplaatsen laten gereedmaken met opgeslagen mondvoorraad, in Wasirawi, Tjosi en Testega, allen ten zuidwesten van Manokwari en gelegen ter hoogte van de Anggi-meren. Voor nieuwe bevoorrading vanuit de kustplaats zou immers geen mogelijkheid noch tijd meer zijn. Na de Japanse bezetting van Manokwari werden alle Europeanen afgevoerd naar Ambon en geïnterneerd.

De oorlog in het oerbos zou geen gemakkelijke worden, maar zelfs dat is - zeker naar westerse begrippen - een understatement. Woest kolkende, verraderlijk diepe rivieren zijn een eerste hindernis van betekenis. Ze dragen exotische namen als Kasi, Noeni, Pami, Prafi, Wariki en Wandoppi.

Goede tweede is het weer, verraderlijk heet met een hoge luchtvochtigheid, dan weer dagenlange hoosbuien of plotseling hoog water dankzij de moesson. Ten derde is er het voedsel. Ze eten casave (kasbi), maïs (djagoeng), de vruchten van klapper-, papaja- en pisangbomen, insecten, gras, boomschors, bladeren, vis en schaaldieren uit de riviertjes. En hoewel velen dysenterie, malaria, zwartwaterkoorts en heftige ontstekingen oplopen of te lijden hebben van de altijd aanwezige muskieten en bloedzuigers, blijft het moreel uitstekend: “Gekanker en sarcastische opmerkingen hoorde je genoeg, maar dat is nu eenmaal een Hollandse gewoonte en betekent niets” (p. 41).

Een gewapende Manikionner. Een lid van deze Papoea-stam trof Kokkelink met een pijl in zijn kaak.

In de jungle is geestelijke weerbaarheid eerste prioriteit. Niet voor niets geldt vandaag nog het parool dat wie oorlog kan voeren in de jungle, OVERAL oorlog kan voeren. Één van de zaken die daaraan bijdroeg was de hulp van de Papoea’s, de lokale bewoners van het oerbos die de Nederlanders bijstonden als francs-tireurs. Hoewel de Jappen er alles aan deden om de Papoea’s om te kopen met kauri-schelpen en kralen en daarmee aanzette tot verraad van de Nederlanders, en er zelfs 10.000 gulden – een astronomisch bedrag voor die tijd – op het hoofd van Kokkelink stond, lukte het niet alle Nederlanders te vinden. Onder meer omdat ze het bivak bleven verplaatsen om onderkenning minder gemakkelijk te maken.

Zelfs na het eerste verlies onder de eigen troepen (de Indische fuselier Hoesein bij een hinderlaag); na het Japanse bombardement op Tjosi (waarbij de voorraden door de vluchtende bevolking zijn meegenomen); na de moord op soldaat Löwisse (die door de Karoners – een Papoeastam op de Kebarvlakte – was opgegeten); en na de gevangenneming en daaropvolgende onthoofding van commandant Willemsz Geeroms bleef het moreel ‘im Großen und Ganzen’ verrassend goed.

Kokkelink, roepnaam “Kok”, overtrof zichzelf en was allang niet meer de lusteloze, met onverschilligheid vervulde dienstplichtige. Hij bleek een jungle-fighter die de Arfak-taal van de Papoea’s begreep, in den brede verstand had van de tactieken die je in oorlogstijd moet beheersen om een voorsprong op je tegenstander te houden en leerde snel van de bewoners van de Anggi-meren in het Arfak-gebergte: Manikionners. Deze Papoea’s zijn weliswaar kannibalen, op het gebied van ziekten, wonden, weersvoorspellingen, slangenbeten, plantenkunde en het opslaan van een bivak leerde de groep veel van hen.

In de jungleguerrilla werden soms gedeserteerde, naar de Jappen overgelopen groepsgenoten opgespoord en zonder vorm van proces omgelegd. Ook werden strafexpedities gehouden, onder andere tegen de kannibalistische moordenaars van soldaat Löwisse. Op een dergelijke expeditie werd Kokkelink door een pijl in zijn linkerkaak getroffen, nota bene door een lid van de Manikionners. De Japanners in en rondom Manokwari, zo’n 2 à 4.000 in getal, zijn voor de Blanda’s ware kwelgeesten: “Wie wapens, een radio, een portret van de Koningin of de Nederlandse vlag in zijn bezit had, werd met de dood gestraft.” (p. 85).

De oorlog (perang) werd op z’n hardst gevoerd, waarbij menigeen zichzelf oversteeg. Zoals foerier De Beaufort “een uitstekend groepscommandant met veel initiatief en tactisch inzicht, gepaard aan grote moed en hoog moreel” (p. 125). Als eindelijk de Amerikanen en anderen zich in de oorlog hebben gemoeid, staan er op het oostelijke deel van het eiland – Australisch Nieuw-Guinea – tenminste 60.000 geallieerden in de startblokken. Maar daar heeft de groep - na de dood van Willemsz Geeroms geleid door Kokkelink - bar weinig aan.

“Nu liepen we rond in lompen, gesloopt door ziekten en met verwaarloosde wapens voor onze verdediging. Zo moesten wij de guerrillastrijd voeren. Wij moesten moorden om zelf niet vermoord te worden. Toch had dit leven, vreemd genoeg, voor mij zijn bekoringen en een zekere aantrekkingskracht.” (p. 160) De aanval van honderden Jappen op het provisorische hoofdkwartier in Wekari, op 18 april 1944, en de arrestatie van Willemsz Geeroms is een hard gelag, maar een tijdje later is het goede nieuws (kabar baik) dat de Amerikanen Hollandia, Biak en Noemfor op de Japanners hebben heroverd.

Dan gaat het hard: op 4 oktober 1944 maakt de groep contact met hun bevrijders, luitenant ter zee 3de klasse Abdul Rasak en de zijnen. Na 906 dagen strijd in het oerbos is dit hun bevrijdingsdag.

Op 12 april 1945 kreeg Mauritz Christiaan Kokkelink de versierselen die behoren bij Ridder 4de klasse van de Militaire Willemsorde. De overweging van het kapittel luidde:

"Aanvankelijk als ondercommandant, later als commandant van een detachement van in den beginne 58 man sterk, na de bezetting van Manokwari op Nieuw-Guinea door de Japanners in maart 1942 zeer grote moed, beleidvol optreden, doorzettingsvermogen en bekwaamheid getoond. Bij de Japanse bezetting het binnenland ingetrokken zijnde, den vijand, ondanks onbeschrijfelijke moeilijkheden en ontberingen, gedurende 2½ jaar den grootst mogelijke afbreuk gedaan, zodat de Japanse autoriteiten zelfs f 10.000 en een grote hoeveelheid rijst en zout op zijn hoofd stelden en een macht van 1.100 Japanse soldaten uitzonden om zijn guerrillabende te vernietigen. Nog zwak en ziek zijnde, na zich te hebben teruggemeld bij de Nederlandse autoriteiten, zich onmiddellijk wederom aangeboden voor zeer riskante opdrachten."

Over de officiële uitreiking van de MWO schreef Kokkelink: “Ik voelde mij als de hoofdpersoon van een executie.” (p. 250). Op dezelfde dag werd sergeantfoerier A.J.C. De Beaufort onderscheiden met het Bronzen Kruis wegens het actief deelnemen aan de guerrillakrijg. In 1994 overleed Kokkelink op 81-jarige leeftijd in Frans-Guyana, waar zijn graf zich bevindt in Matoury

 

Zwaar op de proef gesteld in discipline, gevechtskracht en moreel, overleven uiteindelijk slechts 14 voormalige kolonisten de Tweede Wereldoorlog in de jungle van Nederlands Nieuw-Guinea: de tien mannen van Kokkelink en de vier rond sergeantfoerier De Beaufort.

Achteraf blijken deze mannen de enigen in de gehele Indonesische archipel die zich niet hebben overgegeven aan de Japanse bezetter.

Terug naar Boven

 

55

TAZELAAR: engelandvaarder naast de soldaat van oranje

Er waren eens drie vrienden die naar Engeland voeren: de later wereldberoemde Erik Hazelhoff Roelfzema (‘Soldaat van Oranje’), de bijna onbekende Chris Krediet en een ‘vergeten Soldaat van Oranje’. Het drietal trad in dienst bij de Britse geheime dienst en ondernam in 1941 en ’42 een aantal mislukte pogingen om contact met Nederland te leggen. De ‘vergeten Soldaat van Oranje’ was Peter Tazelaar.

Tazelaar was een avonturier, een man met een hekel aan aandacht, heersend burgergeleuter en opsmuk.

Hij werd geboren op 5 mei 1920 in Fort de Kock in het westen van Sumatra en bracht zijn jeugd door in Nederlands-Indië, waar zijn vader een hoge ambtenaar was.

Aangespoord door diens vader meldde de 18-jarige Tazelaar zich als adelborst op het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM) in Den Helder. Maar hij accepteerde geen orders, dus een carrière bij de marine was niet langer dan één opleidingsjaar beschoren. Het enige dat hem aansprak was het in de muur gebeitelde KIM-adagium ‘Kennis is macht, karakter is meer’ in de hal van het hoofdgebouw van Willemsoord: het komt op mentaliteit aan, niet op de strepen die op het uniform worden gedragen.

Na zijn voorspelbare falen als adelborst vestigde hij zich tijdelijk bij familie in Groningen en deed enkele halfbakken pogingen op de koopvaardij.

Toen de oorlog uitbrak wilde hij iets doen. Hij belandde bij de Ordedienst (OD), de verzetsclub van Oom Alexander in Den Haag, maar het verzet had ook dringend behoefte aan contact met Engeland. Tazelaar kreeg de opdracht naar Londen te gaan.

Het onder Panamese vlag varende Zwitserse stoomschip 'St. Cerque' met een Letse kapitein.

Via via lukte het hem op 2 juni 1941 aan te monsteren op het onder Panamese vlag varende Zwitserse stoomschip St. Cerque. Het 7.600 ton metende schip met een lengte van 222 meter lag in de Noorderhaven van Schiedam en zou in New York graan gaan laden voor de Duitsers. De Letse kapitein maakte geen bezwaar dat hij als stoker aanmonsterde. Aan boord bevonden zich ook de Nederlanders Toon Buitendijk, Erik Hazelhoff Roelfzema en Bob van der Stok – laatstgenoemd tweetal studenten uit Leiden en corpsleden van sociëteit Minerva. Het lukte om met de St. Cergue het ruime sop te kiezen en al doende de nazi’s te ontvluchten. Voor de Schotse kust stapten het gezelschap over op een Britse kruiser en na een kort verblijf op de Deense Faeröer Eilanden – tussen Schotland en IJsland – bereikten de Engelandvaarders Groot-Brittannië.

Erik, Bob en Peter werden de hoofdpersonen in Contact Holland, dat van harte werd gesteund door Koningin Wilhelmina, een echte moeder in den vreemde. Meer dan haar ministers en de ambtelijke bureaucratie had ze oog voor de persoonlijke besognes van ’haar jongens’. Van hen zouden uiteindelijk 108 mannen als geheim agent weer naar Nederland vertrekken; voor bijna de helft was de werkelijkheid een stuk minder mooi dan de film: ze zouden het niet overleven.

In Londen vormden Erik en Peter met Chris Krediet, een studiegenoot van Erik – wat de historicus dr. Loe de Jong in ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog’ – de Groep Hazelhoff Roelfzema noemt. Ze bereiden de ongewoon moeilijke prestatie voor om met een boot vanuit Engeland de Noordzee over te steken en vervolgens Tazelaar met een houten dinghy op de kust bij Scheveningen af te zetten.

Na een aantal mislukte pogingen, lukte het 1st Lieutenant Bob Goodfellow met zijn ruim drieëntwintig meter lange motortorpedoboot ‘320’ van de Royal Navy om Hazelhoff Roelfzema en Tazelaar in de nacht van 22 op 23 november ’41 af te zetten voor een landing op de Nederlandse kust. Het laatste stukje waadt Peter naar het strand van Scheveningen, terwijl Hazelhoff Roelfzema rechtsomkeert maakt naar Engeland. In de koude novembernacht is er gelukkig weinig maanlicht, zodat de verzetsheld zonder gezien te worden aan land kan komen.

De toen 21-jarige Tazelaar moest voor Koningin Wilhelmina een betrouwbaar contact tot stand te brengen tussen de Nederlandse regering in ballingschap in Londen en het verzet in bezet Nederland. En verzetsmensen ophalen. Daartoe infiltreerde de ‘geheim agent’ die nacht in een waterdicht pak op het Scheveningse strand. Daaronder droeg hij een smetteloze smoking en was hij gewapend met een Colt .45. Tazelaar, die het meest gevaarlijke aandeel in de operatie had, staat model voor het personage Guus LeJeune dat door Jeroen Krabbé wordt gespeeld in de film ‘Soldaat van Oranje’.

Jeroen Krabbé, alias Guus LeJeune, a.k.a. Peter Tazelaar, in de rolprent ' Soldaat van Oranje' (1977).

Op hetzelfde strand zou hij later tevergeefs wachten op een MTB. Die moest hem en twee ‘prominente burgers’ ophalen op verzoek van Wilhelmina (en Gerbrandy). Ze zouden kunnen zorgen voor een nieuwe politieke wind in het oorlogskabinet: dr. Herman Bernard (‘Stuuf’) Wiardi Beckman en de kapitein der Generale Staf P.M.H. Tielens – de latere chef van de speciale inlichtingendienst van diezelfde Generale Staf (GS III).

De eerste was een sociaaldemocratisch politicus in hart en nieren, als reservist op eigen verzoek gedetacheerd bij de Generale Staf en redactielid van het illegale Het Parool; de tweede een militair pur sang en een ‘coming man’ op de Generale Staf. Hij weigerde naar Londen te gaan: hij voelde zich als officier van de oude stempel gehouden aan het erewoord dat hij de Duitsers had gegeven om geen dingen te doen welke op dat moment in strijd waren met de belangen van de Duitsers.

Adelborst Gerard Dogger – een oude bekende van Tazelaar van het KIM en nu de leider van de OD, die Nederland moest ontvluchten omdat de Gestapo 5.000 gulden op zijn hoofd had gezet – verving Tielens. Frans Goedhart, medeoprichter van Het Parool, was de nummer drie van het gezelschap. In de nacht van 17 op 18 januari 1942 stonden Wiardi Beckman, Dogger, Goedhart en Tazelaar kleumend te wachten op de clandestiene overtocht naar Engeland.

’s Nachts was het rond -10 graden geweest. De Sicherheitspolizei maakten aan het avontuur op die snijdend koude zondagochtend in januari vroegtijdig een einde. Tazelaar en Dogger weten te ontkomen. Na de rampzalige gebeurtenis, waarbij ook nog eens geen open lijn met Londen tot stand kwam, trok Tazelaar heel West-Europa door om terug te reizen naar Engeland. Eind januari vertrok hij met Dogger om via België, Frankrijk, Zwitserland, Spanje en Portugal op 13 april 1942 Engeland te bereiken. Hiermee was Tazelaar voor de tweede maal Engelandvaarder geworden. Toch kreeg hij (nog) niet, zoals Erik Hazelhoff Roelfzema, de Militaire Willemsorde, hoewel hij toch het meest gevaarlijke aandeel in de operatie had gehad.

Het was dan ook allesbehalve vreemd dat Tazelaar, “toch al niet een van de meest diplomatieke personen”, verbitterd raakte en iedereen van alles en nog wat beschuldigde. Na het buiten zijn schuld goeddeels mislukte avontuur van Contact Holland belandde Tazelaar gedesillusioneerd bij het Fire Station van de London Fire Brigade in het stadsdeel Soho. Verder beperkte hij zich tot deelname aan het Londense nachtleven en zijn jacht op vrouwelijk schoon.

Totdat op 12 juli ’44 Gerrit Jan van Heuven Goedhart als Minister van Justitie wordt opgenomen in het tweede kabinet-Gerbrandy. De verzetsman van Het Parool was in april op spectaculaire wijze naar Engeland ontkomen en daarmee ook Engelandvaarder geworden. Van Heuven Goedhart zorgde voor de rehabilitatie van Peter Tazelaar: zijn voorwaarde om toe te treden tot de Nederlandse regering in ballingschap was dat ook Tazelaar zou worden onderscheiden met de Militaire Willemsorde. Zo kreeg de oogappel van Wilhelmina, toch nog tamelijk onverwacht, twee jaar na Hazelhoff Roelfzema op 9 september 1944 zijn erkenning.

Twee maanden later, in november ’44, werd Tazelaar als agent voor het Bureau Bijzondere Opdrachten (BBO) gedropt in Haskerhorne bij Heerenveen in Friesland, samen met sergeant/radiotelegrafist Lykele Faber. Faber was op 17 september van dat jaar ook al met Jedburgh-team DANIEL II gedropt in de omgeving van het Brabantse Son om het radiocontact voor de Amerikanen tijdens de Slag om Arnhem – operatie Market Garden – te verzorgen.

Onder de codenaam NECKING zouden Tazelaar en Faber een half jaar lang het radiocontact met Engeland verzorgen, het ‘Frysk ferset’ organiseren en helpen bij het opzetten van dropsites om het Friese verzet van wapens te voorzien. Later installeerden ze zich met zendapparatuur in een kajuitjachtje in de rietkragen van de veenmeren Lytse Wiid en het oostelijker gelegen Nannewiid, niet ver van hun droppingplaats in Haskerhorne.

In maart ’45 werden ze daar door de Duitsers betrapt, waarbij het bootje zonk maar Tazelaar en Faber wisten te ontkomen. Tot het einde van de oorlog bivakkeerde het tweetal in Friesland. Voor zijn aandeel in de bevrijding van Nederland kreeg Tazelaar op 22 december 1951 de Bronzen Leeuw.

Adjudanten van Koningin Wilhelmina bij een bezoek aan Breda (Anneville) aan Hare Majesteit en Prinses Juliana op 2 mei 1945. V.l.n.r. Peter Tazelaar, Rie Stokvis en Erik Hazelhoff Roelfzema.

Na de bevrijding werd Tazelaar, evenals Erik Hazelhoff Roelfzema en de vrouwelijke Engelandvaarder Rie Stokvis, adjudant van Koningin Wilhelmina. Samen vergezelden Erik en Peter Hare Majesteit op 2 mei 1945 bij haar eerste stappen op naoorlogs vaderlands grondgebied toen ze met een Dakota C-47 op vliegveld Gilze-Rijen was geland. Hij en Hazelhoff staan beneden aan de vliegtuigtrap.

Ook is het Tazelaar die Wilhelmina op vrijdagavond 4 mei ’45 in haar verblijf Anneville bij Breda persoonlijk op de hoogte stelt van de Duitse capitulatie. Hij stormt de salon van Wilhelmina binnen, die onder het avondeten in gesprek is met luitenant-generaal H.J. Kruls, en roept dat de wapenstilstand is getekend.

Tazelaar blijft niet lang in dienst van de Koningin: in augustus 1945 vertrekt hij naar Ceylon om vandaar uit deel te nemen aan de strijd tegen de Japanners in Nederlands-Indië. Later is hij nog spion voor de CIA in Oost-Europa.

Na “een extreem spannend leven” is Peter Tazelaar op 6 juni 1993 op 73-jarige leeftijd in het Friese Hindeloopen overleden aan de gevolgen van slokdarmkanker. Met zijn laatste vriendin organiseerde zijn zoon Peter Tazelaar jr. de drukbezochte crematie.

Op 24 april 2003 werd ter ere van de Engelandvaarders een plaquette onthuld op de boulevard van Scheveningen ter hoogte van het Kurhaus. Ook de zoon van Tazelaar was hierbij aanwezig. Het strand werd omgedoopt tot ‘Soldaat van Oranjestrand’.

Ruim 67 jaar na zijn landing op de kust bij Scheveingen kwam op zijn 89ste geboortedag, 5 mei 2009, de historische biografie ‘De grote Tazelaar. Ridder & Rebel’ uit, geschreven door Victor Laurentius.

Verdere naslagwerken:

Terug naar Boven

 

56

'WAPENHANDELINGHE', JACOB DE GHEYN, 1607

Als leerling van de beroemde graveur Hendrick Goltzius bekwaamde de graveur (plaatsnijder) en (glas)schilder Jacob de Gheyn II – geboren in Antwerpen in 1565, maar vanaf 1605 tot aan zijn dood op 29 maart 1629 woonachtig in Den Haag – zich in de burijn- of kopergravure. Die had haar oorsprong in de versierselen van de harnassen en schilden van krijgslieden. Nu worden zowel Goltzius als De Gheyn gerekend tot de grondleggers van de kunst van de Gouden Eeuw (Barok) – het tijdperk van onder meer Rembrandt, Rubens en Vermeer.

Hoewel De Gheyn’s naam al was gevestigd, kon hij zich pas na zijn huwelijk met de Haagse burgemeestersdochter Eva Stalpaert van der Wielen in betere kringen begeven. Hierdoor, en dankzij het succes van het Staatse leger in allerlei veldslagen en de daardoor gecreëerde vraag naar historische prenten, sleepte hij al snel zijn eerste betaalde opdracht in de wacht. De Admiraliteit van Amsterdam verzocht hem de belegering en overwinning door Maurits’ Staten-Generaal in Geertruidenberg in beeld te brengen.

Geertruidenberg, Hollands oudste stad, was op 10 april 1589 opnieuw in handen van de Spanjolen gekomen. Het was een stuiptrekking, veroorzaakt door het omkopen van het Engelse garnizoen in dienst van de Staten-Generaal. Een slinkse actie van het Spaanse leger, want de Engelsen – die al tijden geen soldij hadden ontvangen – hadden allang laten doorschemeren te gaan rebelleren.

Drie jaar later keerde het tij: Alexander Farnese, hertog van Parma en aanvoerder van de Spanjolen, overleed. Maurits zag zijn kans schoon maar begreep dat het kleine, strategisch gelegen Geertruidenberg zeer goed werd verdedigd. Nadat in de winter van 1592-’93 al zoveel mogelijk de aanvoer van proviand voor de 1.000 Spanjolen in Geertruidenberg was afgesneden, verscheen Prins Maurits op 28 maart 1593 als een dief in de nacht met ruim 5.000 man voor de stad. Hij deed dit op verzoek van de Staten van Zeeland, die het stadje nodig hadden voor het vrije verkeer van goederen van en naar de Biesbosch en verder weg.

De verrassingsaanval was effectief: al op 7 april overmeesterde hij één van de buitenste verdedigingswerken van de vesting. Maurits sloeg zijn leger aan beide zijden van de rivier Donge op en verbond de kampen door middel van brugslag. Zelf had Maurits het bevel over de linkerafdeling, terwijl de rechter werd geleid door Philips graaf van Hohenlo. Om beide kampementen liet Maurits verschansingen opwerpen, waarvan de voltooiing door hevige stormen en zware regen maar langzaam vorderde.

Nadat Hohenlo de Spaanse veldheer Graaf van Mansfelt, bevelhebber van de stad, letterlijk uit de toren op de Grote Markt had geschoten en de omsingeling volmaakt was, voerde Maurits op 24 juni 1593 met kanonniers, musketiers en piekeniers de beslissende aanval uit. Daarbij zette hij ruim honderd kanonnen in, waarmee de bevelhebber van het Staatse leger veel bekijks trok: als ware de belegering een toeristische attractie had hij toeschouwers uit binnen- en buitenland uitgenodigd om te zien hoe een modern Staats beleg in zijn werk ging. Met de succesvolle belegering schreef Maurits geschiedenis; de Spanjolen gaven zich over, zodat Maurits na drie maanden kanonnengebulder Geertruidenberg weer aan de kant van Holland had.

Van het geslagen beleg maakte De Gheyn een overzichtsprent, waarin de groepering van de legeronderdelen ook voor buitenstaanders een goed beeld gaf van de tactieken die Maurits beroemd maakten. Opvallend was dat Maurits op de prent als een gewone militair werd neergezet, niet grootser of specialer dan de hem omringende krijgslieden. Dat ‘gewone’ was precies de kracht van Maurits.

Na ‘De belegering van Geertruidenberg’ (tegenwoordig objectnummer RP-P-OB-80.138 in het Rijksmuseum) zou De Gheyn meer opdrachten krijgen, zoals het schetsen van de overwinning van Maurits op de Thieltsche heide bij Turnhout op 24 januari 1597, waar hij de Spanjolen onder de Graaf van Varax in een ruitergevecht versloeg, en in 1600 de tocht van Scheveningen naar Petten langs het strand, die uiteindelijk zou leiden tot de overwinning in Nieuwpoort.

In 1607 verscheen in Den Haag de eerste druk van het boek ‘Wapenhandelinghe van roers, musquetten ende siessen. Achtervolgende de ordre van Syn Excellentie Maurits, Prince van Orangie, Grave van Nassau etc. Gouverneur ende Capiteyn Generael over Gelderlandt, Hollandt, Zeelandt, Utrecht, Overyssel etc.’ van Jacob de Gheyn. Hoewel het boek als zodanig bekend is geworden, werd het feitelijk samengesteld door graaf Johan VII van Nassau-Siegen (1561-1623), broer van de Friese stadhouder Willem Lodewijk van Nassau (1560-1620), die weer een neef was van stadhouder prins Maurits van Nassau (1567-1625).

Het ongeorganiseerde huurlingenleger waarmee Willem Lodewijk van Nassau, zijn broer Johan en neef prins Maurits de onafhankelijkheidsstrijd tegen de regimenten van de hertogen van Parma moesten aangaan, wist het drietal door standaardisatie van commando’s en instructies te hervormen tot een gedisciplineerd, georganiseerd leger dat de overwinning op het slagveld kon behalen. Prins Maurits had de vernieuwende infanterietactiek van het Staatse leger uitontwikkeld en in navolging liet ook koning Gustaaf II Adolf van Zweden zijn troepen voortaan regelmatig exerceren.

Gustaaf II Adolf was een bewonderaar van Maurits, wiens legerhervormingen hij goed had bestudeerd, zoals Maurits op zijn beurt goede studie had gemaakt van de Romeinse krijgstactieken. Met de instelling van de staande legers nam de exercitie een hoge vlucht, hoewel het beroep van militair in de Nederlanden eerder met voorzichtigheid dan met enthousiasme werd begroet. Vanaf het einde van de 17de eeuw werd exercitie niet meer uitsluitend als een voorbereiding tot oorlogvoeren beschouwd, maar ook als een middel om in vredestijd de vorstelijke macht in haar pracht en praal te tonen.

Om discipline in het onordelijke leger te krijgen werden, naast het ontwerp van een gestandaardiseerd uniform en uitrusting, exercitieoefeningen ingesteld. Exercities met roers (snaphaangeweren), musketten van de musketiers en spiesen van de piekeniers werden ‘wapenhandelingen’ genoemd. ‘Wapenhandelinghe’ is daarmee vermoedelijk het vroegste boekwerk in zijn soort voor massale training en inspectie van de militairen.

Hoewel in 1730 ook een gekleurd manuscript van kapitein Ernst Willem van Bilderbeek (in het infanterieregiment van kolonel Gerlach van Doys) verscheen en in het begin van de 19de eeuw de Franse schilder van militaire scènes, illustrator en lithograaf Hippolyte Bellangé (1800-1866) verraste met ‘L’école du soldat’ (1820) en wel vijftig platen in ‘Collection des types de tous les corps et des uniformes militaires de la République et l’Empire’ (1844), is ‘Wapenhandelinghe’ enig in zijn soort.

Jacob de Gheyn – die voor zijn ‘Wapenhandelinghe’ het militaire leven aan het einde
van de 16de eeuw moest leren kennen – tekende in 117 gravures de verschillende individuele houdingen ten behoeve van de exercitie voor het laden en afvuren van een musket. Maurits gaf het boek cadeau aan bevriende staatshoofden, graven en legeraanvoerders. Hiermee bevestigde hij zijn reputatie als innovatief militair. Overigens was De Gheyn niet de enige die Maurits’ wapenhandelingen verluchtte met afbeeldingen. De exercitiereglementen van Maurits werden ook door de Duitse militairhistoricus Johann Jacob von Wallhausen (1580-1627) te boek gesteld in ‘Kriegskunst zu Fuß’ (1615) en ‘Kriegskunst zu Pferdt’ (1616). Wallhausen noemde Maurits zelfs een “minnaar van drillen”.

De Gheyn bracht de exercities uit Maurits’ tijd uitstekend in beeld en werkte, na diens dood in 1625, ook voor zijn jongere broer en opvolger prins Frederik Hendrik. De ‘Wapenhandelinge’ vormde zo een belangrijk deel van de legerhervormingen die Maurits vanaf het begin van de jaren ’90 van de 16de eeuw doorvoerde. Deze verbeteringen legden het fundament voor diens overwinningen tijdens de Nederlandse Opstand tegen de Spanjolen.

De afbeeldingen uit ‘Wapenhandelinghe’ – bedoeld om onervaren krijgslieden te instrueren en ervaren militairen hun kennis op peil te laten houden – hebben dat fundament mede veroorzaakt. Maurits’ militairen exerceerden dat het een lust was, want uiteraard moest de drill van de opeenvolgende handelingen juist ook in het heetst van de strijd worden beheerst. Tot deze handelingen behoorden het laden van het geweer, het innemen van een positie, het plaatsen van het geweer op de furket (musketvork), richten, schieten en het terugmarcheren na een gelost schot.

Voor constante vuurafgifte met enige snelheid waren veel schutters benodigd. De schutters werden over een groot aantal gelederen verdeeld, die om beurten naar voren traden om vuur af te geven en daarna terugtraden naar het achterste gelid om te herladen. Zodra de musketier in het tweede gelid een vrij schootsveld kreeg, vuurde ook hij zijn geweer af. De handelingen die de musketier verrichtte voor de bediening van zijn wapen, duurde voor elk schot enkele minuten, maar door drill en exercitie werden de handelingen meer en meer geroutineerd. Hierdoor verhoogde uiteindelijk de vuursnelheid.

Het boek ‘Wapenhandelinghe’ behoorde al snel tot de meest populaire werken op het gebied van de krijgskunde. In de eerste van in totaal achttien edities waren de afbeeldingen vervaardigd uit gravures, in de latere edities – in kleiner en goedkoper formaat – uit houtsneden. Vooral de latere edities waren handzame militaire handboeken. Er verschenen Deense, Duitse, Engelse en Franse uitgaven. In 1619 verscheen een viertalige editie in het Nederlands, Duits, Engels en Frans.

Zelfs Rembrandt heeft voor zijn in 1642 geschilderde ‘De compagnie van Frans Banning Cocq en Willem van Ruytenburch’, beter bekend als de ‘Nachtwacht’, gebruik gemaakt van de informatie over wapens en het hanteren daarvan op de prenten van De Gheyn. Op de ‘Nachtwacht’ schilderde Rembrandt onder meer musketiers vóór, tijdens en na het schieten.

In 1971 verscheen een modern, becommentarieerde heruitgave van ‘Wapenhandelinghe’ in een facsimile-editie bij ‘The exercise of armes: all 117 engravings from the classic 17th-century military manual. A commentary’ (De Tijdstroom, Lochem, ISBN 9789060872710) van Bas Kist (1933-2003), oud-conservator van het Legermuseum en, bijna 35 jaar lang, van de afdeling Nederlandse Geschiedenis van het Rijksmuseum.

Zie ook: Friese ruiter, drill, 'Maurits, Prins van Oranje' - J.J.G. Beelaerts van Blokland, Opleidings- & Trainingscommando, Slag bij Nieuwpoort, taptoe, Turfschip van Breda en Willem Lodewijk van Nassaukazerne.

Terug naar Boven

 

57

KENAU SIMONSDOCHTER HASSELAER, "EEN MANNINNE"

Het laatste beleg van de Noord-Hollandse stad Haarlem uit de vaderlandse krijgsgeschiedenis vond plaats in het jaar 1572, ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog. Tijdens die belegering had een niet onbekende dame een hoofd- of bijrol – daar zijn de historici het nog altijd niet over eens. Deze dame (?) was Kenau Simonsdochter Hasselaer.

Ze was een zakenvrouw in hart en nieren, die in 1562 de scheepstimmerwerf van wijlen haar man Nanning Borst en haar schoonvader had overgenomen. Vanaf dat jaar werden er zestien karveelschepen op de scheepswerf vervaardigd, waardoor Kenau financieel zelfstandig was.

Van haar is het naamwoord "kenau" afgeleid. Of was ze gewoon lastig, een ‘pain in the ass’, en strijdbaar.

in de Volkskrant van 12 maart 2010 schreef Wieteke van Zeil over haar in een universele ‘vergelijking’ met Agnes Kant (oud-fractievoorzitter van de SP):

“Samen met andere mannen en vrouwen hielp ze bij de versteviging van de Haarlemse vestingmuren. Er wordt gezegd dat ze meevocht. Dat ze kokende pek over de wallen gooide naar de Spaanse vijand. Dat ze de Spanjaarden spietste op haar zwaard, dat ze kanonnen afvuurde. De legendevorming, aangewakkerd door buitenlandse verslaggevers, gaat zelfs zo ver dat ze een leger van driehonderd vrouwen zou hebben aangevoerd.”

Het doen en laten van Kenau tijdens het beleg is echter bijzonder slecht gedocumenteerd. Waarschijnlijk is haar roem slechts terug te voeren op het boekje ‘Historie ende waerachtich verhael van al die dinghen die gheschiet sijn, van dach tot dach, in die lofweerdichste ende vermaerste stadt van Hollandt, Haerlem ghenoemt, in dien tijt als die van den Hertoghe van Alba beleghert was’ (1573). Dit boekje, nog tijdens het beleg gepubliceerd, is geschreven door de latinist Joannes Arcerius uit Franeker. Hij noemt Kenau tactvol “een zeer mannelijke vrouw, die met recht een Manninne genoemd mag worden, … [die] met arbeid, wapens en tegenweer het algemene welzijn voorstond en met spijt en schimpen de vijand onophoudelijk tergde”.

Feit is dat de roem, hoe ongeloofwaardig die ook mag voorkomen, doordreunde tot in de 19de eeuw.  Toen schilderde de Antwerpenaar Ferdinand de Braeckeleer (1792-1883) het ‘Beleg van Haarlem’, waarop de Haarlemse stadsheldin Kenau met een lans in de hand en met een brandend Haarlem op de achtergrond ten strijde trekt tegen de Spanjaarden. En ook in de 21ste eeuw kent iedereen wel een kenau in zijn of haar omgeving...

Het olieverfschilderij ‘Beleg van Haarlem van De Braeckeleer meet 83 bij 97,5 cm. Het is te vinden in het oudste museum van Nederland, Teylers Museum in Haarlem.

Terug naar Boven

 

61

P.A.H. GERAERDS THESINGH'S KANAAL OVER DE VELUWE

Op 25 juni 1834 werd in Hazerswoude-Dorp, Zuid-Holland, Pieter Abraham Hendrik Geraerds Thesingh geboren. Uiteindelijk zou Pieter in 1867, als kapitein bij de artillerie, opzien baren met een weinig realistisch ontginningsplan voor de Veluwe.

In hetzelfde jaar dat zijn 78 pagina’s belopende boek ‘Is Amsterdam nog te verdedigen ook na de droogmaking van het IJ? Naar aanleiding der denkbeelden van l'Homme blanc’ verscheen, schreef hij – blijkbaar totaal niet gehinderd door enige terughoudendheid - ‘De ontwikkeling van de Veluwe in verband met de verdediging des lands’.

Dit was een slechts dertig bladzijden tellend boekwerk, uitgegeven door J. van Egmond in Arnhem.

In dit boekje pleitte hij voor een kanaal dwars over de Veluwe:

“Dat zou perfect aansluiten bij het op dat moment al enige jaren in gebruik genomen Kamp Nieuw-Milligen. Het was immers spijtig dat het gebied slechts enkele weken per jaar door een bonte menigte werd opgeluisterd.

Om de ontginning sneller te laten verlopen, wilde Thesingh een kanaal laten graven van noord naar zuid, via Nieuw- en Oud-Milligen, langs Kootwijk, Harskamp en Otterlo naar Renkum. Op die manier kon de ‘onvruchtbaren bodem’ en ‘verlaten plek’ die de Veluwe nu was, ontwikkeld worden.

De indiener van het plan zag parallellen met het Suezkanaal, dat ook voor ontginning van het achterland had gezorgd. Zijn enthousiasme ten spijt verdween het plan echter direct in de prullenbak.”

Bron: Militairen op de Veluwe, Ingrid van der Vlis (2012, pagina's 69/70)

In 1884 verliet Pieter Abraham Hendrik Geraerds Thesingh als luitenant-kolonel het leger. Twee jaar later, in juni 1886, overleed hij in Voorschoten, Zuid-Holland.

Terug naar Boven

 

65

PIET HEYN'S ZILVERVLOOT, 8 SEPTEMBER 1628

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog tussen de Republiek der Nederlanden en Spanje (1568-1648) haalden de Spanjaarden grote hoeveelheden zilver en andere kostbaarheden, zoals de kleurstoffen cochenille (karmijnrood) en indigo (donkerblauw), uit Zuid-Amerika. Hieruit werden de oorlogshandelingen betaald.

De Republiek, Engeland en Frankrijk, allen gekende vijanden van Spanje, stuurden schepen naar de andere kant van de wereld om schepen van de vijand te kapen. De kapiteins van de oorlogsvloten hadden een zgn. kaperbrief aan boord. Met zo’n brief was het in tijd van oorlog, op gezag van een regering of vorst, toegestaan met een gewapend schip de vijand op zee afbreuk te doen door op zijn koopvaardijschepen jacht te maken, ze aan te vallen en leeg te roven.

Volgens het recht was kaapvaart dan ook niet hetzelfde als piraterij. Een kaper overviel alleen schepen van landen waarmee zijn land in oorlog was en zijn kaperbrief was een legitieme reden voor diefstal van de vijand op zee. Kaperbrieven waren een middel om met relatief schone handen oorlog te voeren en intussen veel geld binnen te halen.

Piet Heyn.

Een bekende Nederlandse kaper-met-kaperbrief was Piet Heyn – in 1577 geboren in Delfshaven, in de stank van de traankokerijen van de toenmalige walvisvaart. Heyn kwam uit een eenvoudig gezin, maar drong uiteindelijk via omwegen tot de hoogste regionen binnen de Nederlandse marine door.

In 1621 werd de West-Indische Compagnie opgericht en twee jaar later trad Heyn als vlootvoogd en admiraal in dienst van de West-Indische Compagnie met toestemming om de wereldzeeën af te schuimen naar vijandelijke schepen. Het doel van de WIC was immers openlijk offensief op te treden tegen de wereldmachten Portugal en Spanje en koloniën en zilvervloten te veroveren.

In mei 1826 voer Piet Heyn aan boord van de Hollandia uit naar de kusten van Brazilië. In de Allerheiligenbaai bij San Salvador viel Heyn een met suiker beladen Spaanse armada aan, maar de Hollandia verging. Hij miste zijn kans en moest noodgedwongen met een ander schip de kusten afstruinen.

Op 8 september 1628 was het zover: in de Cubaanse Baai van Matanzas vielen vijftien schepen van de Spaanse Sint Jacobsvloot onder leiding van admiraal Juan de Benavides Bazán bijna zonder slag of stoot ten prooi aan Piet Heyn, die op dat moment een vloot van 31 schepen en 4.000 matrozen bestierde.

Benavides, met zijn vloot onderweg naar Spanje, kwam ter hoogte van Havana in een niet te corrigeren oostwaartse stroom terecht, verzeilde zich en dreef met de jaaropbrengst van kostbare delfstoffen die in Mexico en Peru uit de grond waren gehaald rechtstreeks in de armen van Piet Heyn.

In de zeeslag voor de Cubaanse kust waren nauwelijks slachtoffers te betreuren. Wel overleden er aan Nederlandse zijde zo’n 150 zeelieden aan ziekten, met name de beruchte scheurbuik. Behalve dat een aantal Spaanse galjoenen in de kustwateren aan de grond liep, bracht Heyn met zijn bemanning dertien Spaanse schepen tot zinken en maakte hij in totaal vier schepen buit.

Prent van de verovering van de Zilvervloot in de Cubaanse Baai van Matanzas.

Aan boord van Benavides’ vloot bevonden zich vier miljoen dukaten goud en zilver, verdeeld over 177.000 pond zilver en 66 pond goud, met een waarde van twaalf miljoen florijnen (guldens). Verder bestond de buit uit cochenille, huiden, indigo, parels en suiker. Was dat in die tijd al een fortuin, in 2010 was de waarde van deze schat omgerekend een half miljard euro (!) – hetzelfde bedrag dat volgens De Nederlandsche Bank in 2010 nog in Nederland zou rondzwerven in lades, potjes, sokken en onder matrassen.

Vanwege de enorme geldswaarde van de veroverde vloot, werd dit de Zilvervloot genoemd – in het Spaans “Flota de la Plata”. De verovering van het kapitaal bracht Piet Heyn ware heldenverering, op massahysterie af. Tot zijn grote ergernis. Ter ere van de WIC en Holland werden zijn daden uit en te na geromantiseerd. Na zijn terugkeer in Holland nam Heyn ontslag bij de WIC en trad in maart 1629 in dienst van de Staten van Holland. Prins Frederik Hendrik en de Staten zagen in hem dé man om de Duinkerker kapers (met Spaanse kaperbrieven) aan te pakken, die dicht bij huis de Hollandse koopvaardij- en vissersschepen veel schade berokkenden.

Totdat het noodlot luitenant-admiraal Heyn op 17 juni 1629 trof. Niet Duinkerker maar Oostender kapers beschoten zijn schip Vlieghende Groene Draeck; staande op het dek kreeg hij een achtpondskogel recht door de schouder, welke hem op slag doodde.

De verovering van de Zilvervloot had de Hollanders geen windeieren gelegd; daarna keerde de WIC maar liefst 50% dividend uit en was ook de staatskas van de Republiek weer rijkelijk gevuld. Hiermee kon vanaf april 1629 het Beleg van ’s-Hertogenbosch worden gefinancierd, want de Spanjaarden hadden de landerijen om de zuidelijke vestingstad onder water gezet.

Gelukkig kon Frederik Hendrik, de opvolger van Prins Maurits, de inkomsten uit de Zilvervloot benutten om het geïnundeerde land te laten droogleggen. Hiervoor kreeg hij advies van de waterbouwkundige Jan Adriaansz. Leeghwater, zeer deskundig op het gebied van polderbemaling. Met de aanleg van een serie molens en twee ringwallen werd het gebied tussen de wallen leeggemaald, zodat een polder ontstond. Door het aanleggen van loopgraven kon het voetleger ’s-Hertogenbosch gemakkelijk naderen, onder vuur leggen en met een groots opgezette tegenaanval veroveren.

De belegering door Frederik Hendrik eindigde met het verdrijven van de Spanjaarden. De éclatante overwinning betekende een enorme verzwakking van de Spaanse greep op de Zuidelijke Nederlanden.

Terug naar Boven

 

77

KRAIJENHOFF (1758-1840), ARTS EN SELFMADE DUIZENDPOOT

Cornelis baron Kraijenhoff was aan het einde van de 18de en het begin van de 19de eeuw wereldberoemd in Nederland. De Nijmegenaar was opgeleid tot arts, maar zou het onder andere schoppen tot topograaf, Minister van Oorlog, natuurkundige, generaal, cartograaf en ingenieur. Zo werd hij één van de toonaangevende Nederlandse bouwmeesters. Een van de meest gerenommeerde Europese waterwerken van die tijd, het Canal Imperial de Aragón (Keizerskanaal) tussen Zaragoza en Tudela in Spanje, werd mede op advies van Kraijenhoff tussen 1766 en 1808 aangelegd.

Na het uitroepen van de Bataafse Republiek in 1795 (Fluwelen Revolutie) en dus in dienst van het Franse leger werd Kraijenhoff benoemd tot luitenant-kolonel der genie.

Ook in de Nederlanden liet Kraijenhoff, vanaf 1796 Directeur der Hollandse Fortificatiën, Defensie- en Artificiële Inundaties, zich niet onbetuigd. Bij Napoleon, die het hier voor het zeggen had, pleitte hij voor een verschuiving van de oude Hollandse Waterlinie in oostelijke richting, om ook de stad Utrecht “binnen den kring der Waterlinie te betrekken”. Vooral om te voorkomen dat de vijand de waterhindernis zou kunnen aftappen; de vesting Utrecht moest worden beschermd door een aaneenschakeling van voorposten. Met diens persoonlijke aanwijzingen was Napoleon dus zeer verguld, want Kraijenhoff’s verlichte hervormingsplan voor de aanleg van een nieuwe waterlinie betekende dat de verdediging van de strategische stad Amsterdam duidelijk zou verbeteren.

Cornelis Rudolphus Theodorus baron Krayenhoff

In de nazomer van 1799 wordt de prille Bataafsche Republiek bijna overrompeld door een Engels-Russische invasie in het Noordhollandse Callantsoog. In de gevechten bij Callantsoog raakt hij gewond door een kogelschot aan zijn linkerbovenbeen, maar toch slaagt Kraijenhoff, die het bevel voert over de genie te velde, er hals-over-kop in van Wijk aan Zee naar de Zuiderzee een strook grond onder water te zetten. Hiermee wordt Amsterdam in optimale staat van verdediging gebracht. Door zijn nauwe betrokkenheid bij de gevechtsvoering is Kraijenhoff’s naam onmiddellijk gevestigd en op 6 oktober 1799, in de Slag bij Castricum, wordt de Engels-Russische opmars een halt toegeroepen.

In maart 1809 wordt hij door Lodewijk Napoleon, de Koning van Holland, tegen wil en dank benoemd tot Minister van Oorlog. Als op 30 juli van dat jaar bijna 40.000 Engelsen een invasie op Walcheren uitvoeren – terwijl Lodewijk Napoleon in Aken vertoeft en het leeuwendeel van het Bataafsche leger deelneemt aan de Franse campagnes in Westfalen en Spanje – neemt Kraijenhoff met de beperkte militaire middelen die hem ten dienste staan maatregelen om de aanval tot staan te brengen. Toch verloopt de inval rampzalig en de verraderlijke Engelsen houden maandenlang voet bij stuk op Hollandse bodem om te proberen via Vlissingen Antwerpen te veroveren. De dagen van Lodewijk Napoleon zijn geteld.

Een jaar nadat Napoleons troepen, in 1814, zijn verdreven, het Koninkrijk der Nederlanden wordt gesticht en Kraijenhoff is benoemd tot Inspecteur-Generaal van Fortificatiën, neemt de nieuwe Koning Willem I de plannen voor een verschuiving van de oude Hollandse Waterlinie over.

Kraijenhoff, die alle regimes tussen 1795 en 1813 heeft overleefd, mag ze uitvoeren: de aanleg van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. In dit verband mag waterbouwkundig ingenieur Jan Blanken niet onvernoemd blijven: hij paste de al eerder uitgevonden waaiersluis toe in de linie, zodat sluisdeuren ook tegen waterdruk in konden worden geopend. Zo werden Kraijenhoff en Blanken in het post-Napoleontische tijdperk de architecten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

Net als de Oude Waterlinie maakte de Nieuwe gebruik van uitgebreide, maar beter beheersbare inundaties.

Kraijenhoff voorstel – ook de belangrijke garnizoensstad Utrecht beschermen door inundaties – werd uitgevoerd. In die tijd was het onder water zetten van strategische stukken Nederland in militair opzicht dan ook zeer belangrijk.

Een 85 kilometer lang verdedigingsstelsel werd aangelegd, dat zich uitstrekte van Muiden en Naarden tot voorbij Gorinchem (Slot Loevestein) en Werkendam – de Biesbosch.

Uiteindelijk zou het gebied 46 forten tellen en vijf vestingsteden. De strook land was door de bank genomen vijf kilometer breed; bij het naderen van de vijand zou het grotendeels onder water kunnen worden gezet.

Die inundatie was – met gemiddeld 40 cm – net te diep voor bereden militair transport en te ondiep voor een boot maar afdoende om de infanterie te stoppen.

Aan de westzijde van de inundaties lag de te verdedigen Vesting Holland (Noord- en Zuid-Holland en de helft van de provincie Utrecht). De batterij aan forten werd aangelegd om, na de onderwaterzettingen, de overgebleven wegen en hoger gelegen terreindelen onder schot te houden: Muiden, Weesp, Nichtevecht, Kijkuit, Nieuwersluis, Tienhoven, Maarseveen, de Gagel, Blauwkapel, Biltstraat, Batterij, Jutfaas, Vreeswijk, Henswijk, Asperen en vele anderen. Met 35 hectare werd Fort Rijnauwen (Bunnik) het grootste verdedigingswerk van Nederland; de vesting Boertange werd zelfs in een moeras gebouwd!

De bouw van de Nieuwe Hollandse Waterlinie werd één van de grootste infrastructurele projecten die ooit in Nederland is uitgevoerd. Ze nam decennia in beslag en behelsde ook het opknappen van grote delen van de Oude Waterlinie die dateerden uit de 17de eeuw. Opmerkelijk, aangezien het vestingsstelsel tot in de 21ste eeuw een icoon van bouwkunst is gebleven.

Pas rond 1870, ver na de dood van Kraijenhoff, was het gehele stelsel van boezemwateren, dijkcoupures, forten, inlaatwerken, kazematten, sluizen e.d. eindelijk voltooid. Maar ook daarna zou er, onder invloed van technische ontwikkelingen, krijgskundige veranderingen (zoals de ontwikkeling van de luchtmacht) en voortschrijdend inzicht, voortdurend aan de waterlinie worden verbouwd.

Verdere naslagwerken:

  • ‘Atlas Nieuwe Hollandse Waterlinie’ - Rita Brons & Bernard Colenbrander (2009, Uitgeverij 010 Publishers, ISBN 9789064506086)
  • ‘Cornelis Kraijenhoff 1758-1840. Een loopbaan onder vijf regeervormen’ – Wilfried Uitterhoeve (2008, Uitgeverij Vantilt, ISBN 9789460040429)
  • ‘De Stelling van Amsterdam. Vestingswerken rond de hoofdstad 1880-1920’ – Peter Kant, Peter Saal en Rob Schimmel (1988, AMA-boeken Beetsterzwaag, ISBN 9789064749018)
  • ‘Sterk Water. De Hollandse Waterlinie’ – Chris Will (2002, Uitgeverij Matrijs, ISBN 9789053452042)

Terug naar Boven

 

83

j.f.c. toelen, ordonnans op de grebbeberg (1940)

Johannes Franciscus Cornelis Toelen werd op 1 november 1918 geboren als zoon van een caféhouder in het Gelderse Druten.

De dienstplichtige soldaat der infanterie was vóór de oorlog schutter van de lichte mitrailleur Lewis M.20, kaliber 6,5 mm. In de meidagen was hij eigenlijk reservefacteur, militair postbode, maar hij nam vrijwillig het baantje van ordonnans op zich.

Ordonnans van kapitein Rudolf E.J. Colette, commandant van de 2de Compagnie 8ste Regiment Infanterie. De eenheid die in 1940 het grootste aandeel had in de verdediging tegen de Duitse troepen van de Grebbeberg in Rhenen.

Getooid met zijn persoonlijk wapen, een revolver, bracht Toelen in mei 1940 op de fiets berichten van zijn kapitein over naar de voorposten op de Grebbeberg. Colette kwam zijn commandopost overigens in ieder geval nauwelijks uit en wist hoegenaamd geen raad met de ontstane situatie.

Achter de mitrailleur Lewis M.20, J.F.C. Toelen.

Volgens dienstplichtig soldaat Hagen, staf 8 R.I., was Toelen “de steun van den Kapitein en zelfs zijn adviseur. De aanwijzingen, die Toelen gaf, werden door de Kapitein opgevolgd.”

Na de oorlog, in het getuigeverhoor aangaande de acties, verwoordde Toelen die adviserende functie als volgt: “Kapitein bleek niet voldoende leiding te kunnen geven. Ik trad op, zoals ik meende te moeten doen. Het algemeen belang stelde ik boven de slapte ten opzichte van het geven van bevelen. Zoodoende ben ik wel eens opgetreden, alsof ik de chef was, om de doodeenvoudige redenen, dat ik mij niet zenuwachtig maakte en de dingen logisch onder het oog zag.”

“Alsof ik de chef was.” Toelen zal het niet weersproken hebben, ook niet nadat hij op 12 mei in de stelling van de eerste luitenant Iepe Jan Timmermans door een granaatscherf aan zijn rechterwang gewond raakte.

De CP van Colette bevond zich 300 meter achter de loopgraven aan het riviertje Grift, noordelijk van de Rijksweg Rhenen-Wageningen – de huidige N225. In de loopgraven lagen drie van de vier secties van zijn compagnie in stelling.

Hoewel het Duitse vuur niet extreem zwaar was, raakte het moreel van de Nederlandse troepen flink aangeslagen. ’s Avonds had menigeen zijn stelling al verlaten. Waar de officieren niet in slaagde, de troepen terug in de stellingen krijgen, lukte de toevallig aanwezige Toelen wel.

Maar de vijand rukte parallel aan de weg op, ondervond weinig weerstand en viel vervolgens de secties van de 2de Compagnie in de flank aan. Met een flinke numerieke overmacht werd de eenheid uitgeschakeld.

Op een bunker aan de voet van de Grebbeberg ontdekte Toelen een witte vlag – een zakdoek aan een bajonet. Er was op dat moment geen Duitser in het voorterrein, maar kort daarvoor hadden stoottroepen nog met mitrailleurs geschoten en was er kwistig met artillerie en mortieren gevuurd. De Nederlanders zaten nu vrijwel zonder munitie.

Op 5 augustus 1949 krijgt Prinses Irene voor haar tiende verjaardag taart van de juist uit Nederlands-Indië teruggekeerde reserve-eerste luitenant J.F.C. Toelen.

V.l.n.r. RWMO Toelen, Prinses Margriet, Prinses Beatrix, Prinses Irene en Koningin Juliana.

Op de Grebbeberg incasseerde 8 R.I. grote verliezen: het verloor 189 man, onder wie twee bataljonscommandanten. Na de oorlog kregen 37 militairen van het regiment, van wie een aantal postuum, de Militaire Willems-Orde uitgereikt.

Bij Koninklijk Besluit nummer 6 van 9 mei 1946 werd de – toen al -  dienstplichtig tijdelijk sergeant van Speciale Diensten ook Ridder 4e klasse der Militaire Willems-Orde.

De motivering luidde: “Heeft zich in den strijd door het bedrijven van uitstekende daden van moed, beleid en trouw op 12 mei 1940 op den Grebbeberg onderscheiden. Zich herhaaldelijk aangemeld, en opgetreden als ordonnans naar de voorste lijn, daarbij zelfs anderen vervangende. Voorts daden verricht van bijzonder beleid, waarbij hij telkens onder artillerie- en mitrailleurvuur kwam; is hierbij gewond geraakt. Herhaaldelijk initiatief getoond door vrijwillig het bevel over terugtrekkende afdelingen, waarbij zich zelfs onderofficieren bevonden, op zich te nemen en deze door zijn moedige en kordaat optreden en zijn voorbeeld weer naar haar stellingen terug te brengen.”

45 Pantserinfanteriebataljon, dat is verbonden aan het Regiment Infanterie Oranje Gelderland (RIOG), is de traditiebewaarder van 8 R.I. Zo levert het RIOG de vaandelwacht bij de jaarlijkse herdenkingen. Eerder al vernoemde 45 Painfbat een gebouw naar soldaat Toelen, die in 1961 als reservekapitein de dienst verliet en op 5 februari 2002 in Rotterdam overleed.

Terug naar Boven

 

88

HET ZOVEELSTE BELEG VAN GROL (1627)

Grol - of Groenlo - in de Achterhoek is wereldberoemd dankzij het biermerk dat er wordt gebrouwen: in 1615 startte er de jaartelling voor Grolsch. Zo is het bier ouder dan dit beleg van Groenlo.

Tussen 1548 en 1555 had de Vlaamse architect Marcelis Keldermans, in opdracht van Keizer Karel de V – de Spaanse machthebber van de Habsburgse Nederlanden – de oostelijke vestingstad genereus versterkt met stadsmuren en overige verdedigingswerken. Daarmee groeide Grol uit tot de sterkste vesting van de Nederlanden, in een tijd dat de baas van de stad evenzo ook de ommelanden beheerste. Zoals elk ander zichzelf respecterend “Steedje” zou ook Grol steeds de poorten sluiten voor de partij aan gene zijde en daardoor keer op keer belegeringen ondergaan.

Mogelijk door de aantrekkingskracht van de opgeknapte verdedigingswerken, heeft Grol het lot vaak getart. In 1576 Staats, in 1580 onverwacht Spaans door de desertie van de Graaf van Rennenberg, op 27 september 1597 heroverd door Prins Maurits (weer Staats), in 1606 opnieuw bezet door de Spanjaarden onder Don Ambrogio Spinola. Tussen de belegeringen door breidden Keldermans’ fortificaties zich almaar uit, waardoor Grol als garnizoensplaats zonder belemmering nog jarenlang in Spaanse handen kon blijven.

Wordt vervolgd...

Terug naar Boven

 

97

KÖHLER: GERIDDERD IN LAMPONG, GEFAALD IN ATJEH

Generaal-majoor Johan H.R. Köhler sneuvelde tijdens de eerste Atjeh-expeditie in 1873.

Die eerste tocht van het KNIL op Atjeh zou tot 1878 duren. Doel was een nieuw verdrag te sluiten, als vervolg op het Traktaat dat in 1959 door generaal Jan van Swieten was gesloten met de sultan van Atjeh.

In januari van dat jaar was de Atjese krijgsheer Tiban Mohammed, die de havenrechten van Atjeh beheerde, in Singapore met onder meer Italië gaan onderhandelen over de handel op Sumatra. Dit ‘Verraad van Singapore’ was voor de Nederlanders een onmiddellijke aanleiding tot oorlog.

Op 26 maart 1873 werd de oorlog tegen Atjeh uitgeroepen en al op 8 april zette koloniale troepen voet aan land. Een ongewis avontuur. Volgens het ogenschijnlijk eenvoudige operatieplan van Köhler moest in de nabijheid van de monding van de rivier Atjeh een uitvalsbasis worden ingericht. Van hieruit dienden de ± 3.000 militairen door te stoten naar de kraton. Één probleem: het was niet bekend waar de kraton – het paleis van de sultan in Kota Radja (nu: Banda Atjeh) – lag!

Hiernaar op zoek, stuitte het koloniale leger op 11 april 1873 op een fortificatie die abusievelijk voor de kraton werd aangezien. Het bleek een moskee, die verbeten werd verdedigd door goed bewapende soldaten die zich zeer fanatiek en met ware doodsverachting wisten te handhaven. Naar verluidt kreeg de sultan hierbij militaire hulp uit onder andere Italië.

De moskee werd in brand gestoken en uiteindelijk pas tegen zware verliezen veroverd. Daarop maakte Köhler de ernstige tactische fout door een juist ingenomen, zwaar beschadigde object subiet te verlaten: volgens hem was het niet veilig in het gebouw en waren de troepen te vermoeid voor de verdediging tegen terugkerende troepen van de sultan.

De moskee werd dan ook onmiddellijk opnieuw door de Atjeeërs bezet. Köhler ging weer in de aanval en heroverde de tot fort omgebouwde moskee drie dagen later, ten koste van zware verliezen. Van deze misinterpretatie werd hijzelf het slachtoffer: op 14 april 1873, op de zesde dag van de veldtocht, werd hij door een kogel gedood.

Zijn vervanger was de oudste officier: kolonel Eeldert C. van Daalen. Twee dagen na Köhler’s dood werden de vijandelijke forten bestormd. Hierbij vielen in een half uur tijd 105 doden en gewonden.

Ontmoedigd blies Van Daalen de expeditie af, waarop de koloniale manschappen zich op de 17de april in allerijl terugtrokken op het strand. Na zeventien dagen, op 25 april, verliet het KNIL Atjeh. De koloniale troepen bleken onvoldoende voorbereid, beschikten over goede kaarten noch betrouwbare informatie over de tegenstander en hadden de militaire capaciteit van de Atjeeërs zwaar onderschat.

De aanval op en de onderwerping van het sultanaat waren faliekant mislukt. Ernstiger was dat de nederlaag het Nederlands gezag had ondermijnd, wat juist nu zo hard nodig was om Atjeh te onderwerpen.

Voor de geflopte expeditie werd de kolonel Van Daalen de Kop van Jut, terwijl dit feitelijk deels te wijten was aan generaal-majoor Köhler... die zeventien jaar eerder als kapitein Ridder 4de klasse in de Militaire Willems-Orde kon worden door moedig optreden in de expeditie naar de Lampongse districten onder leiding van de kolonel Jacobus A. Waleson.

Terug naar Boven

 

98

T.J. STIELTJES SR., INGENIEUS VRIJDENKER

Thomas Joannes (Jan) Stieltjes was de jongste van elf kinderen. Bij zijn geboorte op 19 mei 1819 in Leuven in de Zuidelijke Nederlanden waren er al drie overleden.

Na de Belgische Opstand van 1830 en de dood van zijn vader - kapitein-kwartiermeester der infanterie – het daaropvolgende jaar, koos het gezin Breda als woonplaats.

In 1834 trad Stieltjes als vrijwilliger in dienst bij het bataljon veldartillerie in Nijmegen. Bij Koninklijk Besluit van 26 mei 1839 werd hij bij de artillerie tot tweede luitenant benoemd.

Als waterbouwkundig ingenieur, niet als militair, maakte Stieltjes naam. Zo adviseerde Stieltjes bij de aanleg van de spoorwegen op Java in Nederlands Oost-Indië, een kanaal door Denemarken, de waterhuishouding van Rijnland, de afwatering en aanleg van scheepvaartkanalen in Overijssel en de afsluiting van de Zuiderzee.

Toen in de topjaren van de Drentse turf nieuwe kanalen werden gegraven, werd het laatst gegraven kanaal – waarvoor Stieltjes zich had beijverd – naar hem vernoemd: het omleidingkanaal van de stadsgracht van Coevorden naar de Verlengde Hoogeveensche Vaart ten zuiden en oosten van het Drentse Nieuw-Amsterdam.
De aanleg van het Stieltjeskanaal vond plaats van 1882 tot ’84.

Al in 1843 gaf Stieltjes zijn eerste pennenvrucht uit onder het pseudoniem ‘Oud-Soldaat’. Die bevatte denkbeelden over een spaarzamer en doelmatiger samenstelling van het Veldleger. Onvermoeibaar publiceerde hij over militairen zaken. In het midden van de 19de eeuw was hij één van de officieren die de Militaire Spectator te conservatief vonden. Daarom richtte hij in 1847 de Nieuwe Spectator op. Deze kritische variant ging verder onder de naam ‘De Nieuwe Militaire Spectator, krijgs- en geschiedkundig tijdschrift voor Neêrlands land- en zeemagt, ook in de Indiën’. Het stond “onder redactie van eenige oud-militairen”. Na het overlijden van haar hoofdredacteur in 1878 hield De Nieuwe Militaire Spectator op te bestaan.

Annonce voor De Nieuwe Militaire Spectator.

Stieltjes was een pain-in-the-ass avant-la-lettre. Op 20 april 1849, bij de troonsbestijging van Koning Willem III, werd hij oneervol ontslagen als tweede luitenant bij de artillerie omdat hij de eed wel op de grondwet maar niet op de Koning wilde afleggen.

Vervolgens was hij van 1850 tot ’60 ingenieur-directeur van de Overijsselsche Kanalisatie Maatschappij, waar hij werd belast met de ontwikkeling van het spoorwegnet op Java (sic!). Daar vertoefde hij drie jaar.

In 1863 kreeg hij weer oneervol ontslag – ditmaal als technisch adviseur van het Ministerie van Koloniën – omdat hij bij de Tweede Kamer een verzoek had ingediend waarin hij vroeg om een onderzoek naar de verlening van een concessie waarover hij als ambtenaar afwijzend had geadviseerd.

Toch had Nederland blijkbaar behoefte aan een intellectuele losbol van het kaliber Stieltjes: beide ontslagzaken werden na verloop van tijd gewijzigd in ‘eervol’ en eind 1866 werd hij zelfs tot Tweede Kamerlid gekozen.

Hierin maakte hij, samen met waterstaatingenieur Jan Anne Beijerinck, een plan voor de afsluiting en drooglegging van het zuidelijk deel van de Zuiderzee door een dijk van Enkhuizen naar Kampen te leggen. Ook had hij, samen met onder meer Jan Karel Hendrik de Roo van Alderwerelt, een groot aandeel in het rapport over de mislukte mobilisatie van 16 juli 1870 in verband met de dreigende Frans-Duitse oorlog. Die mobilisatie verliep zo chaotisch en bracht zo’n slechte toestand van het leger aan het licht, dat de Minister van Oorlog, generaal Van Mulken, in 1871 moest aftreden.

Tot 1878 bleef hij lid van de Tweede Kamer, waar hij zich liet gelden als een rad spreker en vakkundig woordvoerder op het gebied van Defensiezaken. In de zomer van dat jaar overleed Thomas Jan Stieltjes in Rotterdam.

Terug naar Boven

 

100

grutte pier, KRIJGSMAN VOLGENS OVERLEVERING

Terug naar Boven

 

De volgorde van de onderwerpen in de MILITAIRE CANON is niet chronologisch noch in volgorde van belangrijkheid!!!

Bronnen:

Canongebulder. Wat iedereen moet weten over de Nederlandse militaire geschiedenis – Kees M. Paling & Legermuseum (2006, ISBN 9789087500016)

De militaire geschiedenis in een notendop. (bijna) Alles wat je altijd al wilde weten – Bart Funnekotter (2008, Uitgeverij Bert Bakker, ISBN 9789035133181)

Het misplaatste Oranje Boven-gevoel. Het falen van het politiek-militaire systeem in Nederland en Nederlands-Indië: 1825-1995 – Maarten C. Hoff (1998, Uitgeverij Addison Wesley Longman Nederland BV, ISBN 9067897515)

Militair historische kalender 2006 – Nederlands Instituut voor Militaire Geschiedenis (NIMH), ISBN 9012108640

Veldslagen in de Lage Landen – Luc de Vos (1999, Davidsfonds/Leuven, ISBN 906152895X)

Met dank aan Bert Soer

11 Luchtmobiele Brigade, één van de vele websites van Bert Soer.