Inhoudsopgave CIJFERS
Terug naar de homepage
 

Maak uw keuze uit de hieronder getoonde lijst

 

1STE C.T.

Voluit: 1ste commandantenterugkoppeling.

De 1ste CT wordt ± 10 minuten ná de bevelsuitgifte gehouden op de locatie van de bevelsuitgifte.

Doel van de 1ste commandantenterugkoppeling is de ondercommandanten, al dan niet aan de hand van te stellen vragen door de commandant, te laten vertellen hoe zij hun rol zien in het hogere verband én in de richting van de eindsituatie. Het gaat er dus om te controleren (“Vertrouwen is goed, controleren is beter”) of de ondercommandant de commandant hebben begrepen.

De hamvraag is: “Wat wil de commandant eigenlijk van mij?”

Voorbeeld van een format voor een 1ste CT:

1ste CT

Mijn opdracht is om

Met het oog op (oogmerk commandant)

Ik zie de volgende deeltaken (in tijd/ruimte)

Ik heb de volgende verplichtingen

Ik vermoed de volgende beperkingen

Ik heb behoefte aan de volgende inlichtingen

Ik wil met ??? coördineren over

Ik heb de volgende vragen

Zie ook: zachte steen.

Terug naar Boven

 

1 LEGERKORPS

Afgekort: 1 LK.

Hoewel het legerkorps al bestaat sinds de oprichting van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) in 1949 (de ministerraad ging in januari 1949 akkoord dat er een legerkorps van drie divisies zou worden gevormd), is een en ander pas geformaliseerd in 1952.

1 Legerkorps kwam voort uit het Commando Strijdkrachten te Velde, zelf opgericht op 1 september 1951. Al vanaf september ’52 zou het nieuwbakken legerkorps gaan oefenen in Duitsland, maar de staf werd eerst dan op 15 november 1952 ingesteld. De staf van 1 Legerkorps (1 LK) bestond in den beginne slechts uit een commandant, bureau chef-staf en de secties 1 t/m 4. De staf van 1 LK was gehuisvest in de Koning Willem III-kazerne in Apeldoorn.

C-1LK stond direct onder bevel van de Chef van de Generale Staf, maar was in oorlogstijd gehouden bevelen van de Supreme Allied Commander Europe (SACEUR) op te volgen.

Vanaf juni 1963 droegen alle militairen van Staf 1 LK en de Legerkorpstroepen – waaronder artillerie-, verbindings- en verkenningseenheden, maar ook tank- en infanteriebataljons niet zijnde eenheden van 1, 4 en 5 Divisie – als mouwembleem een schild, rechts ponceaurood en links Nassau’s blauw, in het midden bedekt door een witte ruit. In de ruit bevindt zich een achtpuntige oranje ster.

Al tijdens de eerste NAVO-oefening in Duitsland, ‘Hold Fast’, waaraan 1 LK van 15 tot 21 september 1952 deelnam als onderdeel van de British Army of the Rhine (BAOR), bewees de Nederlandse militair “flink vindingrijk en goed gedisciplineerd” te zijn, aldus de Amerikaanse generaal die de oefening controleerde. In ‘Hold Fast’ testten Belgische, Britse, Canadese en Nederlandse troepen een mobiele verdediging tegen een massale aanval over land.

Oorspronkelijk was het de bedoeling één parate divisie te formeren en vier mobilisabele, maar dat bleek te hoog gegrepen. Onder druk van de politieke omstandigheden werd 1 Divisie, die van 1949 tot ’57 mobilisabel was geweest, op 1 november 1957 weer paraat gesteld. De naam luidde nu 1 Divisie “7 December” en de letters ‘EM’ – voorheen “Expeditionaire macht” – stonden nu voor “Elke man, elk moment”. Zo ontstond in de loop van de jaren ’60 een legerkorps met twee parate gemechaniseerde divisies (1 en 4 Divisie) en één mobilisabele (5 Divisie). Met betrekking tot de gevechtseenheden was de opbouw van 1 Legerkorps primair als volgt:

1 Divisie

4 Divisie

5 Divisie

13 Pabrig

41 Pabrig

51 Pabrig

   2 x tkbat + 1 x painfbat

   2 x tkbat + 1 x painfbat

   2 x tkbat + 1 x painfbat

11 Painfbrig

42 Painfbrig

52 Painfbrig

   2 x painfbat + 1 x tkbat

   2 x painfbat + 1 x tkbat

   2 x painfbat + 1 x tkbat

12 Painfbrig

43 Painfbrig

53 Painfbrig

   2 x painfbat + 1 x tkbat

   2 x painfbat + 1 x tkbat

   2 x painfbat + 1 x tkbat

(pabrig = pantserbrigade; painfbat = pantserinfanteriebataljon; painfbrig = pantserinfanteriebrigade; tkbat = tankbataljon)

5 Divisie (‘Kastanjeblad’), gelegerd in Kamp Stroe, moest na mobilisatie en een korte oefening in staat zijn als derde divisie van het legerkorps op te treden. 5 Divisie kreeg daartoe, evenals 1 en 4 Divisie, de brigadestructuur maar niet het moderne gemechaniseerde materieel. Pas vanaf 1979 was 5 Divisie volledig gemechaniseerd, konden haar brigades sneller worden gemobiliseerd en kreeg ze daardoor een meer prominente plaats in de verdedigingsoperaties van 1 LK. (In 1993 hield 5 Divisie op te bestaan.)

De mouwemblemen van (de divisies van) 1 Legerkorps (bron: 'Uniformen en emblemen van de Koninklijke Landmacht vanaf 1912', Martien Talens, pagina 109).

In 1955, na toetreding van de Bondsrepubliek Duitsland tot de NAVO, werd 1 LK aangewezen om in de BRD de verdediging in het kader van de algemene verdedigingstaak (AVT) van de NAVO op zich te nemen. (Als reactie op het toetreden van de Bondsrepubliek Duitsland regisseerde de Sovjet-Unie nog hetzelfde jaar de oprichting van het Warschaupact.) Door de toegenomen atoomdreiging was de strategie van de NAVO gebaseerd op een verdediging met ver op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde parate conventionele strijdkrachten, de zgn. forward-defence strategy (“voorwaartse verdediging”).

De NAVO-strategie van de voorwaartse verdediging diende zo dicht mogelijk tegen de innerdeutsche Grenze (Duits-Duitse grens) en de rest van het IJzeren Gordijn (de grens van de BRD met Oost-Duitsland en Tsjecho-Slowakije) plaats te vinden. Hierdoor waren de zwakke punten:

  • de lines of communication waren lang en zorgden onvermijdelijk voor problemen op het gebied van de herbevoorrading.
  • het leeuwendeel van de troepen van 1 Legerkorps moest in tijden van crisis en oorlog naar hun 350 kilometer voorwaarts gelegen inzetgebied tussen de rivieren Weser en Elbe worden verplaatst.

Als gevolg van deze minpunten waren zowel de reactietijd als de parate gevechtskracht van 1 Legerkorps bij wijlen betwistbaar. Echter, maldeployment (ver van de vredeslocaties) gold ook voor de Belgische troepen en belangrijke versterkingen uit Groot-Brittannië en de Verenigde Staten die bij aanvang van een oorlog ook gereed moesten staan. Nederland slaagde er niet in deze maldeployment te corrigeren en had op zijn best slechts 7% van de parate troepen van 1 LK in de BRD gestationeerd. Van alle NAVO-strijdkrachten in Noord-Duitsland waren juist de in Nederland achtergebleven eenheden van 1 LK het meest van hun operatiegebied gedisloceerd.

Maldeployment was overigens niet het enige probleem waarmee NORTHAG, en dus ook 1 LK, te maken had. Het Warschaupact zou zeker de afwezigheid van een gecoördineerde tactische opmars in het vak van de Noord-Duitse legergroep, de gebreken in de besluitvormingsstructuren van de NAVO, de slechte integratie van de luchtstrijdkrachten in het optreden van de landstrijdkrachten en de ongunstige lines of communication uitbuiten – zo was althans de verwachting.

Om dergelijke uitdagingen voor te zijn werd vijfjaarlijks in Noord-Duitsland een legerkorpsoefening gehouden. In 1973 vond er – voor het eerst sinds 1954 – een grote legerkorpsoefening plaats: Big Ferro. Een legerkorpsoefening bood de brigades de mogelijkheid gezamenlijk verschillende manoeuvres en taken te beoefenen, zoals de inzet als aflossing, doorschrijding en reserve. Bovendien konden de staven van 1 LK, de divisies en de brigades, alsook de legerkorpstroepen hun organieke oorlogstaken onder realistische tijd- en ruimtefactoren én op grote schaal in de praktijk beoefenen. Na Big Ferro volgden Saxon Drive (1978), Atlantic Lion (1983) en – als laatste autonome legerkorpsoefening uit de geschiedenis van de KL - Free Lion (1988).

Het toegewezen Nederlandse vak maakte deel uit van de Northern Army Group (NORTHAG), één van de regionale hoofdkwartieren van de NAVO. Van noord naar zuid waren er vier legerkorpsen ontplooid: 1 (NL) Corps, 1 (GE) Corps, 1 (UK) Corps en 1 (BE) Corps. De legergroep trad op in de Noord-Duitse laagvlakte, met de staf in Mönchengladbach. NORTHAG maakte deel uit van de Allied Forces Central Europe (AFCENT) dat tot taak had het grondgebied in Centraal-Europa te verdedigen. Het hoofdkwartier van AFCENT was vanaf 1967 gevestigd in Nederland, op het complex van de buiten gebruik gestelde staatsmijn Hendrik in het Limburgse Brunssum.

In het NAVO-verdedigingsplan had NORTHAG het gebied toegewezen gekregen dat werd begrensd door Hamburg in het noorden, de Duits-Nederlandse landsgrens in het westen, Kassel in het zuiden en de innerdeutsche Grenze in het oosten. Zowel de kazernelocaties als de forward areas lagen in dit gebied. Het gebied van NORTHAG – de voormalige Britse bezettingszone na W.O. II – werd beschouwd als het meest kwetsbaar, want de meest waarschijnlijke aanvalsas in de richting van het Ruhrgebied na een beperkte verrassingsaanval van Warschaupacttroepen.

Omdat de Britse troepen onmogelijk het gehele gebied konden afdekken, zoals de Amerikanen het CENTAG-gebied wel konden behappen, was destijds een beroep gedaan op twee legerkorpsen van België en Nederland. Van het begin af was er een kwantitatieve onbalans tussen CENTAG en NORTHAG, bijvoorbeeld in aantallen nucleaire korteafstandsraketten, zoals Honest John en MGM-29 Sergeant.

Overigens had de voorwaartse verdediging ook grote gevolgen voor de Nationale Sector, die vanaf 1963 geheel Nederland omvatte. Hierbij werd de verdedigende taak ingewisseld voor een beveiligende.

In de Defensienota 1964 onder Minister van Defensie Piet de Jong (KVP) werden de drie nieuwe NAVO-strategieën voor het eerst aan het Nederlandse publiek gepresenteerd: flexible response, getrapte deterrent en de forward-defence strategy. Gedrieën betekenden deze dat de NAVO in het geval van een grootscheepse aanval van het Warschaupact met een bij de aard van de aanval passend antwoord (getrapt) zou reageren, met als laatste reddingsmiddel het gebruik van nucleaire wapens. De taken van de Nederlandse krijgsmacht waren direct uit de geldende NAVO-verplichtingen afgeleid: het vertragend gevecht voeren alvorens terug te trekken achter de IJssel-Rijnlinie. 1 Legerkorps kreeg hiertoe een vak op de Noord-Duitse laagvlakte.

Het toetreden van de Bondsrepubliek Duitsland tot de NAVO én de invoering van tactische nucleaire wapens in de geallieerde defensie maakten het mogelijk in 1958 de hoofdverdedigingslinie voorwaarts, d.w.z. meer naar het oosten, te verplaatsen naar de rivieren Weser en Fulda.

Vanaf 1963 werden troepen van de Koninklijke Landmacht permanent op de Noord-Duitse laagvlakte gelegerd. Nederland had hoofdzakelijk te maken met de bezettingszone waar de British Army of the Rhine (BAOR) was gestationeerd en kon nu evenzo gebruikmaken van de oefenterreinen Hameln, Hohne-Münsterlage (Bergen en Münster-Süd) en Sennelager.

Door de bouw van de Berlijnse Muur, waarmee werd begonnen in de nacht van 12 op 13 augustus 1961, bereikten de verhoudingen tussen Oost en West een dieptepunt. Wel kwam door deze gespannen situatie de kwestie van de permanente legering in de BRD in een stroomversnelling. In reactie op de crisis reageerde Nederland in eerste instantie met de vooruitgeschoven stationering van 121 Lichte Brigade – opgericht op 15 december 1960 – in Bergen-Hohne, Celle, Fallingbostel (Lager Örbke) en Langemannshof.

De belangrijkste (ad hoc-)eenheden van 121 Lichte Brigade waren 102 en 103 Verkenningsbataljon, 104, 105 en 108 Commandotroepencompagnie en 425 Compagnie Van Heutsz. Opdracht was om zich in geval van een conflict naar de rivier Weser te verplaatsen en daar de taak van de Duitse 3. Panzerdivision over te nemen en zowel opmars als ontplooiing van 1 LK te beveiligen. (De staf van 3. Panzerdivision was gelegerd in Buxtehude en telde een Panzerbrigade, Panzergrenadierbrigade en Panzerleichtbrigade.)

Gesprekken over een permanente legering duurden voort, zodat later 41 Pantserbrigade (41 Pabrig) van 4 Divisie (‘Klaverblad’) permanent op de Legerplaats Seedorf kon worden gehuisvest. 41 Pabrig werd versterkt met 41Geniebataljon en 103 Verkenningsbataljon, beiden behorend tot de Divisietroepen.

De permanente legering werd mogelijk doordat de verdedigingslinie in het kader van de voorwaartse verdediging verplaatst werd van de rivier Weser naar de rivier Elbe en het Seitenkanal. Het oostelijk van de rivier Weser gelegen Seedorf, op 40 km ten noordoosten van Bremen, kwam nu midden in het nieuwe vak van 1 Legerkorps te liggen. (Het Elbe-Seitenkanal – dat van de Elbe ten oosten van Hamburg naar het Mitellandkanal ten westen van Wolfsburg loopt – was een typisch product van de Koude Oorlog.)

De Legerplaats Seedorf was onderdeel van het Budel-Seedorf-Abkommens, getekend op 17 januari 1963. (Twee weken later werd 121 Lichte Brigade formeel opgeheven.) Met de legering van Duitse troepen in het Brabantse Budel was Nederland de eerste NAVO-lidstaat die permanent stationering van Duitse eenheden op zijn grondgebied accepteerde. Bij Seedorf was inbegrepen het medegebruik van het oefenterrein Garlstedt.

In 1967 kwamen de Duitse en Nederlandse regeringen overeen dat de eenheden die ten oosten van de Weser zouden worden ingezet, in een zeer vroegtijdig stadium – bij ‘military vigilance’ (alert condition 4) in plaats van bij ‘simple alert’ (alert condition 3) – automatisch de Nederlands-Duitse grens mochten passeren; vanaf 1969 zouden de eenheden van 1 Legerkorps zich in het geval van een vijandelijke agressie direct naar de oorlogsopstellingen mogen gaan en niet meer eerst in het oosten van Nederland verzamelen in concentratiegebieden.

NATO Alert Plan:

Alert condition 5

Peacetime readiness

Alert condition 4

Military vigilance

Alert condition 3

Simple alert

Alert condition 2

Reinforced alert

Alert condition 1

General alert

In oorlogstijd bestond het voertuigenpark van 1 LK uit ± 9.500 wiel- en 1.200 rupsvoertuigen.

In 1989 betrof 1 Legerkorps de volgende gevechtseenheden:

1 Divisie “7 December” (Schaarsbergen)

11 Mechbrig (Schaarsbergen)

12 Mechbrig (Nunspeet)

13 Mechbrig (Oirschot)

102 Verkbat (Hoogland)

25 Luverdbt

4 Divisie (Harderwijk)

41 Mechbrig (Seedorf, BRD)

42 Mechbrig (Assen)

43 Mechbrig (Steenwijk)

103 Verkbat (Seedorf, BRD)

15 Luverdbt

5 Divisie (Apeldoorn)

51 Pabrig (Harderwijk)

52 Mechbrig (Arnhem)

53 Mechbrig (Garderen)

104 Verkbat (Apeldoorn)

35 Luverdbt

Het operatiegebied van 1 Legerkorps was 130 kilometer breed en 170 kilometer diep en bestreek de rechtstreekse nadering tot het Nederlandse grondgebied.

Regelmatig werden, al dan niet in NAVO-verband, oefeningen gehouden.

Voor de verdediging van het Nederlandse vak waren in vredestijd zes brigades gedeeltelijk paraat in het vak gelegerd. Hierbij ging het in vredestijd om 35.000 - meest dienstplichtige - militairen, van wie ruim 5.000 permanent in West-Duitsland gelegerd. In oorlogstijd zou het vak door tenminste tien brigades met de daarbij behorende Legerkorpstroepen – gevechts(verzorgings)steuneenheden – worden verdedigd.

De resterende 45.000 (van de 80.000) militairen waren hoofdzakelijk grootverlofgangers op herhaling. Deze reservisten konden binnen 48 uur worden gemobiliseerd.

Het begin van het einde van 1 Legerkorps werd in maart 1991 ingeluid met de Defensienota 1991 (‘Herstructurering en verkleining’), de eerste na afloop van de Koude Oorlog. Verantwoordelijk voor de Defensienota ’91 – die volgde op de ondergang van het Warschaupact als militaire organisatie en de terugtrekking van troepen van de Sovjet-Unie uit de satellietstaten in Oost-Europa – was Minister van Defensie Relus ter Beek.

In de notitie werd voorgesteld de KL fors in te krimpen en 1 Legerkorps geheel te reorganiseren. Al in januari 1993 werd de beleidsnotitie aangepast door de Prioriteitennota 1993 (‘Een andere wereld, een andere Defensie'), eveneens onder Ter Beek. In plaats van twee divisies had alleen 1 Divisie "7 December" nog bestaansrecht, terwijl de staf van 1 Legerkorps op termijn zou opgaan in een Duits-Nederlandse staf.

De Prioriteitennota ’93 is, gezien de ingrijpende besluiten die werden gepresenteerd, zonder twijfel de Moeder aller Defensienota’s sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog.

Al op 30 maart ‘93 tekenden de Ministers van Defensie van Duitsland en Nederland een Joint Statement betreffende de vorming van een bi-nationaal legerkorps, waarin 1 (NL) Legerkorps en I. (GE) Korps zouden opgaan.

Vanaf 1992 werd 41 Pabrig omgevormd tot 41 Lichte Brigade (41 Ltbrig); in ’98 werd 41 Ltbrig omgevormd tot 41 Mechbrig – in overeenstemming met de gemechaniseerde brigades op Nederlands grondgebied. In 2003 viel het besluit 41 Gemechaniseerde brigade op te heffen, wat in mei 2006 plaatshad. In dat jaar sloot ook de Legerplaats Seedorf, waarmee een einde kwam aan een periode van 43 jaar aanwezigheid van Nederlandse landstrijdkrachten in Noord-Duitsland. Vanaf 5 juni 2009 draagt de kazerne in Seedorf, hoofdlocatie van de 31. Luftlandebrigade, de naam Fallschirmjäger-Kaserne.

Ten grondslag aan de vorming van het bi-nationaal legerkorps lagen bezuinigingen, waardoor Nederland het eigen 1 Legerkorps niet op sterkte kon worden gehouden. Door het opschorten van de dienstplicht bleek de instandhouding van het enige Nederlandse legerkorps, met inbegrip van een volledige staf en legerkorpstroepen niet langer mogelijk. Daarnaast werkten de Duitsland en Nederland al langer in NAVO-verband samen en vergemakkelijkten de materiaalstandaardisatie en het naar elkaar toe groeien van beide organisatiestructuren en -procedures de keuze. Tot slot dwong een kleiner wordende Koninklijke Landmacht met de ambitie om internationaal te blijven opereren tot grensoverschrijdende samenwerking.

Op 21 februari 1995 ratificeerden de Duitse en Nederlandse legerkorpscommandant, respectievelijk Generalmajor Hannsjörn Boes en luitenant-generaal Ruurd Reitsma, een Technical Agreement. Hierin zijn taken en verantwoordelijkheden van én bevelsverhoudingen in 1 GE/NL Corps vastgelegd. Op 30 augustus 1995 werd 1 (GE/NL) Corps (I. Deutsch/Niederländische Korps) officieel operationeel gesteld in aanwezigheid van de Nederlandse Minister van Defensie Joris Voorhoeve en zijn Duitse ambtgenoot Volker Rühe. Het hoofdkwartier van 1 (GE/NL) Corps werd gevestigd in Münster in de Duitse deelstaat Nordrhein-Westfalen.

Terug naar Boven

 

1 LOGISTIEKE BRIGADE

Opdracht

1 Logistieke brigade bestaat uit drie bataljons en drie compagnieën, telt bij elkaar ± 4.000 militairen en biedt operationele logistieke ondersteuning aan alle onderdelen van de Koninklijke Landmacht en bij alle grondgebonden operaties voor de gehele krijgsmacht.

Het motto van 1 Logistieke Brigade is: ‘Wij zijn er altijd van’. Het motto slaat op het gegeven dat iedere missie en oefening logistieke ondersteuning vereist.

Commandant

De huidige commandant van 1 Logbrig is, sinds oktober 2004, brigadegeneraal Rob Knol. Hij nam indertijd het commando over van brigadegeneraal Marinus van Ulden. Van Ulden, sinds januari 2002 commandant, was de eerste die in de rang van generaal het commando op zich mocht nemen van het toenmalige Divisie Logistiek Commando (DLC).

De laatste kolonel als commandant, Henk de Koff, was tot januari 2002 DLC-commandant.

Het mouwembleem van 1 Logistieke brigade (1 Logbrig)

Verreiker, één van de vele overslagmiddelen binnen 1 Logbrig

Geschiedenis

Na grootscheepse reorganisaties binnen de Koninklijke Landmacht kreeg het voormalig Divisie Logistiek Commando (DLC) van de Divisietroepen in 2005 een nieuwe naam: 1 Logbrig. De eenheden van DLC waren 100 en 200 Bevoorrading- en Transportbataljon (100 en 200 B&T-bat), 300 Materieeldienstbataljon (300 Matdbat), 400 Geneeskundig bataljon (400 Gnkbat) en de kernstaf van het mobilisabele 500 Geneeskundig bataljon.

De parate eenheden van de beide B&T-bats kenden samen een interne driedeling. Daarmee was, samen met de bevoorradingscompagnieën van de gemechaniseerde brigades, de ondersteuning (National Support Element) ten behoeve van maximaal 3 bataljons over 2 assen mogelijk. Het parate deel van 400 Gnkbat kent een soortgelijke interne driedeling. Daarmee was, samen met de geneeskundige compagnieën van de gemechaniseerde brigades, dienovereenkomstig de ondersteuning ten behoeve van maximaal 3 bataljons over 2 assen mogelijk.

Mouwembleem van de voorganger van 1 Logbrig, het Divisie Logistiek Commando (DLC)

 

Zo goed als al het logistieke werk binnen de Koninklijke Landmacht kwam voor rekening van het DLC.

Twee uitzonderingen op de regel waren de gemechaniseerde brigades, die over een eigen logistieke eenheid beschikten, en het Landelijk Bevoorradingsbedrijf Koninklijke Landmacht (LBBKL), dat alles wat de krijgsmacht nodig heeft, inkoopt.

1 Logbrig heeft dezelfde taakstelling, maar die is wél uitgebreid sinds zich een aantal omvangrijke veranderingen hebben voorgedaan:

Ten tijde van én na de naamswijziging naar 1 Logbrig zijn de eenheden zich meer gaan concentreren. De verspreiding over kazernes in onder nadere ’t Harde, Amersfoort, Ede, Ermelo, Garderen, Nieuw-Milligen en Nunspeet is goeddeels samengebundeld in Garderen en Ermelo.

 

De invoering van het concept van Fysieke Distributie (FD) met de daaraan gekoppelde instroom van nieuw materieel: de introductie van de Scania vrachtauto, inclusief aanhangwagens, interoperabele containers, flatracks (container roll in and out platforms), overslagmiddelen en wissellaadsystemen.

 

De bevoorradingscompagnieën van de gemechaniseerde brigades zijn opgeheven.

 

FD heeft ervoor gezorgd dat de ‘haalplicht' van de brigade-eenheden is veranderd in een ‘brengplicht' van 1 Logbrig.

Terwijl voorheen de brigades hun voorraden moesten ophalen bij de verzamelplaatsen, regisseert 1 Logbrig de gehele goederenstroom (ondere andere dankzij het T racking & Tracing -informatiesysteem voor het ‘tracken’ (volgen) en ‘tracen’ (opsporen) van goederenzendingen ) én alle voorraadbeheer om ervoor te zorgen dat eenheden op het juiste moment het juiste aantal middelen hebben.

Daartoe worden 100 en 200 Bevoorrading- en Transportbataljon omgevormd tot 100 en 200 Fysieke Distributie-bataljons.

Voertuig dat de spil is in het concept van de Fysieke Distributie: de Scania vrachtauto

Reorganisaties

De organisatie van het logistieke commando binnen de KL is veelvuldig bijgesteld. Sinds 1994, toen het logistiek onderdeel van het 1 ste Legerkorps (1 LK) – het Legerkorps Logistiek Commando (LLC) – ophield te bestaan, vonden de volgende reorganisaties plaats:

Mouwembleem voor het gevechtstenue (© website Koninklijke Landmacht)

 

  • Het LLC werd opgedeeld in de Divisietroepen en het Staff Support Command; de laatste was bedoeld om de logistiek van 11 Luchtmobiele Brigade te regelen.
  • De Divisietroepen werden in januari 2000 gesplitst in het Divisie Gevechtssteun Commando (DGC) en het Divisie Logistiek Commando (DLC). Het Staff Support Command werd ingedeeld bij het DLC.
  • De verzorgingsdependances van het Nationaal Verzorgings Commando (NVC) werd toegevoegd aan het DLC om het te kunnen integreren in het 1ste Duits-Nederlandse Legerkorps. De materieellogistieke pelotons van de herstelcompagnieën zijn de voormalige verzorgingslocaties van het NVC.
  • 300 Materieeldienstbataljon (300 Matdbat) uit Nieuw-Milligen wordt opgedeeld in drie herstelcompagnieën: 310, 320 en 330.
  • De naam van het DLC werd in maart 2005 gewijzigd in 1 Logistieke brigade. 1 Logbrig maakt deel uit van het Operationeel Commando (OPCO) van de KL.

Eenheden

EENHEID

TAAKSTELLING

 

100 B&T-bat

(100 FD-bat)

>>> bevoorraden van eenheden met brandstof, munitie, voedsel, water e.v.a.

>>> verlenen van algemene vervoerssteun, m.n. transport van (middel)groot materieel

 

200 B&T-bat

(200 FD-bat)

>>> bevoorraden van eenheden met brandstof, munitie, voedsel, water e.v.a.

>>> verlenen van algemene vervoerssteun, m.n. transport van (middel)groot materieel

 

310, 320 en 330 Hrstcie

>>> onderhoud en herstel van alle typen materieel, uitrustingsstukken en voertuigen

 

400 Gnkbat

>>> leveren van militaire gezondheidszorg

>>> uitvoeren van urgente chirurgische ingrepen.

Zie ook: Operationeel Ondersteunings Commando Land (OOCL).

Terug naar Boven

 

101 GEVECHTSSTEUNBRIGADE

101 Gevechtssteunbrigade is de opvolger van het Combat Support Command (CSC). De staf van de eenheid bevindt zich in Apeldoorn. 101 Gevechtssteunbrigade valt rechtstreeks onder het Commando Landstrijdkrachten (CLAS) en levert gevechtsondersteuning: artillerie, genie, gevechtsinlichtingen, luchtverdediging en verbindingen.

De eenheden die hieronder vallen zijn:

EENHEID

TAAK

LOCATIE

101 Geniebataljon

Genie

Prinses Margrietkazerne in Wezep

101 CIS-bataljon

Command & Information Systems

Generaal-majoor Kootkazerne in Garderen

103 ISTAR-bataljon

Intelligence, Surveillance, Target-Acquisition & Reconnaissance

Luitenant-kolonel Tonnetkazerne in ‘t Harde

Commando Luchtdoelartillerie

Luchtverdediging

Luchtmachtbasis Peel in Vredepeel

101 Geniebataljon telt 101 NBC-compagnie, drie constructiecompagnieën (genummerd 102, 103 en 104) en 105 Brugcompagnie.

101 CIS-bataljon telt een stafcompagnie en een A-, B- en C-compagnie.

103 ISTAR-bataljon telt 101 Artillerieondersteuningsbataljon, 101 Remotely Piloted Vehicle-compagnie (RPV), 102 Elektronische Oorlogsvoering-compagnie (EOV), 103 Verkenningsbataljon (vanaf 2006) en 104 Verkenningsbataljon (vanaf 2007) .

Het Commando Luchtdoelartillerie is de nieuwste loot aan de stam. De eenheden die hieronder vallen zijn:

11 Pantserluchtdoelartilleriebatterij

41 Gemechaniseerde Brigade

12 Pantserluchtdoelartilleriebatterij

43 Gemechaniseerde Brigade

13 Pantserluchtdoelartilleriebatterij

13 Gemechaniseerde Brigade

Organogram van 101 Gevechtssteunbrigade

Zie ook: Operationeel Ondersteunings Commando Land (OOCL).

Terug naar Boven

 

2DE C.T.

Voluit: 2de commandantenterugkoppeling.

De 2de CT wordt gehouden, wanneer dat gewenst is, nádat de ondercommandanten hun plan gereed hebben. De 2de CT kan plaatsvinden vóór of na hun bevelsuitgifte, vaak in combinatie met een rendez-vous. Hierin vertellen de ondercommandanten hoe zij hun taak zullen uitvoeren.

Voorbeeld van een format voor een 2de CT:

2de CT

Mijn opdracht is om

Met het oog op (oogmerk commandant)

Wat ik als volgt ga uitvoeren (eigen optreden/hindernissen e.d.)

Hierbij heb ik de volgende (essentiële) verplichtingen

En vermoed ik de volgende beperkingen

Ik heb nog de volgende coördinatiebehoefte

Ik heb de volgende verzoeken

Zie ook: zachte steen.

Terug naar Boven

 

3D-DOCTRINE

Doctrine die bestaat uit de integratie van de elementen Defence, Development en Diplomacy. De militair van tegenwoordig is óók ontwikkelingswerker en diplomaat. 3D combineert het goede uit militaire inzet die gepaard gaat met ontwikkelingshulp en diplomatie. De tactische counterpart van de 3D-doctrine is het principe van de three block war. De doctrine gaat uit van het beleid van één of meerdere Ministeries van Buitenlandse Zaken in samenspraak met Defensie en spitst zich toe op het verkrijgen van controle van het civiele over het militaire.

Naar verluidt is de doctrine uitgedokterd door Jean Chrétien, van 1993 tot 2003 premier van Canada, om fragiele staten te kunnen stabiliseren, en vervolgens overgenomen door zijn opvolgers.

Defence

Peace Support Operations in plaats van een schadelijke aanval

 

Development

Ontwikkelingssamenwerking, zoals training van krijgsmacht en politie én demining-activiteiten

 

Diplomacy

Diplomatie

Een schoolvoorbeeld van de integratie van de drie elementen uit de 3D-doctrine is de werking van Provincial Reconstructions Teams (PRT’s) in Afghanistan. Niet toevallig is de intrede van Stage-III van de International Security Assistance Force (ISAF) in Afghanistan in 2006 een test-case voor de implementatie van de 3D-doctrine.

Zie ook: comprehensive approach, Effects Based Operations (EBO) en three block war.

Terug naar Boven

 

4 C's

Ezelsbruggetje dat wordt gebruikt bij de awareness van en de reactie op een incident, zoals het aantreffen van een mogelijke IED of landmijn.

De 4 C’s zorgen ervoor dat een commandant geen essentiële zaken vergeet, daarmee de veiligheid van zijn eenheid vergroot en (verdere) slachtoffers worden voorkomen:

Confirm

Bevestigen

  • Bevestig de situatie.
  • Beoordeel de toestand (BVT): is de aangetroffen situatie verdacht of levert die gevaar op.
  • Doe een melding aan opsroom of hoger echelon.
  • Richt een ICP (incident control point) in, van waaruit de gehele situatie onder controle kan worden gehouden.
  • Bij een mogelijke IED / landmijn handelen alsof die elk moment kan afgaan (BMW).
  • Gebruik zo weinig mogelijk mensen.
  • Troepen laten uitkijken naar veelbetekende signalen: afwezigheid kinderen, draden, zichtbare materialen, vluchtende mensen.

Clear

Ontruimen

  • Ontruim de gevarenzone, van binnen naar buiten.
  • Iedereen zonder bezigheden ‘on scene’ moet zich buiten de gevarenzone (cordon) begeven (m.u.v. EOD / genie e.d.)
  • Veilige afstand laten bepalen door tactische situatie, onvoorspelbaarheid van de situatie en bewegingen in het voorterrein.
  • Vermijd tijdens het ruimen clichématig eigen gedrag en kijk uit voor andere IED’s/mijnen.
  • Berging of noodvernietiging van vitale uitrustingsstukken.

Cordon

Afzetten

  • Zet alle toegangswegen af a.d.h.v. een oleaat/overlay met kordonafstanden.
  • Handhaaf eigen posities rond de volledige perimeter; benut daarbij alle mogelijke dekkingsmogelijkheden.
  • Verhinder lopend / rijdend verkeer met tijdelijke blokkades. Houd rekening met mogelijke ontstekingspunten.
  • Controleer willekeurig mensen die de perimeter verlaten.

Control (Consolidate)

Controleren (Handhaven)

  • Maak gebruik van een contingency plan (eventualiteitenplan).
  • Zorg dat iedereen kennisneemt van de inhoud van het contingency plan.
  • Richt een strongpoint / stronghold in tegen mogelijk (in)direct vuur.
  • Niemand het gebied laten verlaten totdat EOD/genie teken ‘alles veilig’ geeft.

Terug naar Boven

 

4TH GENERATION WARFARE

Voluit: fourth generation warfare. Afgekort: 4GW. In het Duits: Krieg(sführung) der 4. Generation. In het Frans: guerre de 4ème génération. In het Nederlands: vierde generatie oorlogvoering.

Militaire operaties waarbij (stateloze), belligerente en propagandistische opstandelingen (insurgents) de strijd aangaan met de strijdmacht van één of meer staten. Voor de strijd tegen (de dreiging van) 4GW lijkt vooralsnog geen zuiver militaire oplossing voorhanden.

De term ‘4th generation warfare’ verscheen voor het eerst in het blad van het U.S. Marine Corps (Marine Corps Gazette) in oktober 1989, in een artikel getiteld ‘The Changing Face of War: Into the Fourth Generation’, geschreven door William S. Lind, Colonel Joseph W. Sutton, Colonel Keith Nightengale, Lieutenant Colonel Gary I. Wilson en Captain John F. Schmitt: “In broad terms, fourth generation warfare seems likely to be widely dispersed and largely undefined; the distinction between war and peace will be blurred to the vanishing point. It will be nonlinear, possibly to the point of having no definable battlefields or fronts. The distinction between ‘civilian’ and ‘military’ may disappear. Actions will occur concurrently throughout all participants’ depth, including their society as a cultural, not just physical, entity.”

Ironischerwijs is 4GW de enige vorm van oorlogvoering die de Verenigde Staten ooit hebben verloren – en niet slechts in Vietnam. In Libanon pleegde Hezbollah op 23 oktober 1983 een aanslag op het hoofdkwartier van de Amerikanen, waarbij 241 mariniers om het leven kwamen. Hierop verlieten de Amerikanen in aller ijl Libanon. In de Somalische hoofdstad Mogadishu leverden Amerikaanse Rangers en Delta Force op 3/4 oktober 1993 na de crash van twee helikopters urenlang straatgevechten met Somalische krijgsheren en rebellen. Nadat gedode Amerikanen triomfantelijk achter pick-ups door de straten van Mogadishu waren gesleept, trokken de VS zich terug. Zowel het optreden in Libanon als Somalië werd door de publieke opinie als zeer vernederend ervaren.

Na de Golfoorlog van 2003, onder leiding van de Verenigde Staten en Groot-Brittannië én de aanslagen op de VS van 11 september 2001, is het tijdvak aangebroken van de zgn. non-state opponents waar internationale coalities mee te maken hebben gekregen in Irak en Afghanistan, respectievelijk tijdens de operaties Iraqi Freedom en Enduring Freedom.

4GW – asymmetrisch en non-lineair, met een sterke verwantschap aan guerrilla, insurgency en terrorisme – kent vele dilemma’s, onder welke:

gebruik van alle mogelijke (pressie)middelen – behalve militair ook economisch, politiek en sociaal
onveilig voor wielvoertuigen en gepantserde voertuigen zonder modificaties tegen geïmproviseerde explosieven e.d.
opgaan (verdwijnen) van strijdgroepen in de burgerbevolking (waardoor de aanwezigheid van non-combattanten tot tactische besluiteloosheid kan leiden)
psychologische oorlogvoering door manipulatie van de media

Kenmerken van de tegenstander:

(niet) overleven op het gevechtsveld (letterlijk; niet alleen de wil om te vechten en het geloof in de overwinning)
gedecentraliseerd (numeriek overwicht op zich is niet het militaire antwoord)
laagtechnologisch (hightech op zich is niet het militaire antwoord)
non-nationaal
zwaartepunt is nationalistisch, patriottisch, religieus-fundamentalistisch, rondom een clan of stam e.d. (strategie is moeilijk of haast onmogelijk te bepalen)

Geïmproviseerde explosieven, lokale/regionale intimidatie en terreur, hinderlagen e.d. moeten de politieke besluitvorming van de vijand ervan overtuigen dat hun doelstellingen onbereikbaar zijn of te duur worden. Het oogmerk van 4GW is de vernietiging van het moreel van de vijand door de toename van angst. Naarmate het geweldsniveau stijgt, zal het belang van cohesie binnen en tussen eenheden ook toenemen, om te voorkomen dat deze gedemoraliseerd raken.

 

Kenmerk

Strijdmethode

Voorbeeld

1GW

Eerste generatie oorlogvoering (lineaire oorlogvoering)

Massalegers die gebaseerd zijn op mankracht. Hoe meer militairen te velde, des te groter de kans op de overwinning, want er is een gebrek aan strategieën en tactieken.

Man-tot-man in linie- en colonneformaties.

In den beginne met de musket, daarna het gedisciplineerd gebruik van vuurwapens die de beslissing forceren.

Veldslagen in de regel lokaal en van korte duur.

 

Campagnes van Napoleon (30-jarige oorlog).

Vrede van Westfalen (1648, na 30-jarige oorlog) 'institutionaliseert' het het staatsmonopolie op het legale gebruik van geweld.

2GW

Tweede generatie oorlogvoering (attritie- of uitputtingsoorlogsvoering).

Massalegers maken gebruik van de mogelijkheden van industriële vuurkracht.

Tactieken zijn gebaseerd op die van de frontlinies.

Wie de meeste granaten over de grootst mogelijke afstand en gedurende de langste periode naar de vijand kan schieten, wint de oorlog.

 

Massale, statische artillerie (indirect en lineair vuur) tegen mankracht.

Verdedigingsopstellingen (loopgraven) zijn in het voordeel.

Eerste Wereldoorlog (WO I), m.n. Westelijk Front.

3GW

Derde generatie oorlogvoering (bewegings- of manoeuvreoorlogvoering).

Blitzkrieg.

Air Land Battle.

Snelle opeenvolging van manoeuvres met relatief beweegbare eenheden.

 

Tanks en bommenwerpers tegen legers en steden.

Non-lineaire tactiek om de vijandelijke strijdkrachten te omtrekken, achter de vijandelijke linies te bewegen en/of te infiltreren.

Verdediging in de diepte.

Tweede Wereldoorlog (WO II), m.n. carpetbombing en tankslagen.

4GW

Vierde generatie oorlogvoering (full spectrum warfare; non-state warfare; unrestricted warfare).

De vijand de wil (moreel en mentaal) om te vechten ontnemen. De vijand weet dat ze militair inferieur is en probeert daarom de politieke wil om te vechten te ontnemen en te ontwettigen; ze zaaien willekeurig terreur onder burgers én de tegenpartij.

Conflicten worden steeds vaker uitgevochten (niet beslist) in het hartland van non-gouvernementele strijdgroepen.

Stateloze propagandisten die strijden tegen een staat.

Korea-oorlog; Vietnam-oorlog.

Aanslagen van 11 september 2001.

Non-state opponents in Irak en Afghanistan, respectievelijk Operation Iraqi Freedom en Operation Enduring Freedom.

Boeken ter verdieping in het onderwerp:

Militant Tricks: Battlefield Ruses of the Islamic Insurgent

H. John Poole

2005

NATO and Terrorism - On Scene: Emergency Management after a Major Terror Attack

Frances L. Edwards

2007

Tactics of the Crescent Moon: Militant Muslim Combat Methods

H. John Poole

2004

The Sling and the Stone. On War in the 21st Century

Thomas X. Hammes

2004

Download hier het PDF-document met de 1ste tot en met de 4de generatie oorlogvoering (37 kB)

Terug naar Boven

 

400 GENEESKUNDIG BATALJON

Op 30 juni 2005 is op de Generaal Spoorkazerne te Ermelo het 10-jarig bestaan (tweede lustrum) gevierd van het enige operationele geneeskundige bataljon van de Koninklijke Landmacht: 400 Geneeskundig bataljon. De eenheid kwam in 1995, als één van de eerste beroepseenheden van de kL, voort uit 103 Geneeskundig bataljon.

Sinds 2005 is 400 Geneeskundig bataljon voor de zoveelste maal verwikkeld in een reorganisatieproces: zo komen er twee Opvang- en Afvoercompagnieen in plaats van 430 Ziekenautocompagnie en het in Seedorf opgeheven 41 Geneeskundige compagnie, van de drie hospitaalcompagnieen verdwijnt 422 Hospitaalcompagnie en worden de drie MOGOS-pelotons ‘opgeblazen’ tot compagniesgrootte.

De bataljonscommandanten door de jaren heen zijn:

TIJDVAK

BATALJONSCOMMANDANT

1995-1997

Luitenant-kolonel Evers

1997-1999

Luitenant-kolonel De Rooij

1999-2001

Luitenant-kolonel Hakkenes

2001-2004

Luitenant-kolonel De Graaff

2004-2007Luitenant-kolonel Bek

vanaf 2007

Luitenant-kolonel Sinnige

Download hier de Power Point-voorstelling over 400 Geneeskundig Bataljon (3,38 MB)

Sinds 22 mei 1997 heeft 400 Geneeskundig Bataljon een ‘Patenschaft’  (vriendschapsverdrag) met Lazaretregiment 11 (LazRgt 11), gelegerd op de Pommern-Kaserne in Fürstenau, Duitsland. Tegenwoordig heet LazRgt 11 Sanitätsregiment 11 en ressorteert onder het Sanitätskommando I (Nord) in Kiel.

Op 24 januari 2008 heeft een eenheid van 400 Gnkbat, 472 MOGOS-compagnie, op de parkeerplaats bij het ziekenhuis Medisch Spectrum Twente (MST) een noodafdeling voor de intensive care (IC) opgebouwd nadat op de IC van het ziekenhuis 2 van de 14 patiënten besmet bleken met de resistente Acinetobacter baumannii-bacterie (MDARB).

Deze bacterie lijkt sterk op MRSA, kan mensen infecteren door bijvoorbeeld open wonden en katheters en is, evenals de MRSA, ongevoelig voor de meeste antibiotica. De eenheid met ± 50 militairen heeft een MOGOS gebouwd met 1 operatiekamer en 2 units met elk 6 bedden.

Zie ook: 1 Logistieke brigade.

Terug naar Boven

 

5 P'S

Ezelsbruggetje voor de controles die moeten worden uitgevoerd bij de verdenking op compartimentsyndroom, crushsyndroom, een fractuur of andere ledemaatbedreigende verwondingen.

In alle gevallen kan in meer of mindere mate sprake zijn van de afsluiting van één of meer slagaders, met als gevolg acute ischemie aan het ledemaat. Ischemie (zuurstoftekort) is het gevolg van onvoldoende bloedvoorziening.

Pain

Pijn

Volgens Visueel Analoge Schaal (VAS); soort pijn; lokaal of uitstralend; acuut of chronisch.

Palor

Bleekheid

Kleur van de extremiteit; nagelbed; capillaire refill (> 2 seconden). Gevolg van verminderde of afwezige circulatie.

Paralysis / Paresis

Volledige of onvolledige verlamming

Gevoelloosheid. Laat patiënt niet alleen vingers en tenen bewegen: ook pols en enkel. Gevolg van deformiteiten, dislocatie, pijn e.d.

Paresthesia

Brandend, doof, prikkelend of tintelend gevoel

Controleer sensatie met een steriele naald. Gevolg van oedeem dat de zenuwwerking tenietdoet.

Pulselessness

Geen pols

Distaal geen pols; anders pols aan beide extremiteiten (lateralisatie) gelijk in ritme.

Poikilothermia

Koudbloedigheid

Koude extremiteit. Gevolg van verminderde of afwezige circulatie.

De laatste P - die van poikilothermia (koudbloedigheid) - wordt soms vergeten. Indien alle P’s aanwezig zijn, moet het ledemaat onmiddellijk (onder tractie) worden geïmmobiliseerd.

Terug naar Boven

 

6 p'S

Ezelsbruggetje binnen de Geneeskundige Dienst van de Koninklijke Landmacht:

pijn bij het plassen

brandende pijn tijdens het plassen (boven het schaambeen en/of onder in de rug)

 

pus uit de penis

afscheiding -al of niet met pus- aan uitgang van de penis (gonorroe of druiper) dan wel meer of andere afscheiding uit de vagina

 

productieloos persen

vaak aandrang tot urineren dan wel moeilijk kunnen urineren

Het geheel van verschijnselen van 6P kan wijzen op een urineweginfectie - blaasontsteking (cystitis) cq. plasbuisontsteking (urethritis) – of, indirect, op een seksueel overdraagbare aandoening (SOA). Bij vrouwen komen urineweginfecties vaker voor dan bij mannen: bacteriën kunnen via de kortere plasbuis gemakkelijker de blaas penetreren. De meest voorkomende verwekker van de plasbuisontsteking is de bacterie Chlamydia trachomatis. Chlamydia, de meest voorkomende SOA, is zeer besmettelijk en wordt overgedragen via de slijmvliezen van geslachtsorganen en/of anus.

De meest voorkomende verwekker van de blaasontstekingen is de bacterie Escherichia coli, die normaal in de ontlasting en rondom de anus voorkomt.

Een gonococ-infectie, met gonorroe, wordt veroorzaakt door de bacterie Neisseria gonorrhoea. De infectie kan bij vrouwen via de baarmoeder (endometritis) opstijgen naar de eileiders (salpingitis) en eierstokken, terwijl bij mannen de bijballen (epididymitis) en de prostaat (prostatitis) geïnfecteerd kunnen raken.

Terug naar Boven

 

7 DECEMBER

Erenaam met veel tradities en een rijke historie.

Op 7 december 1941 vielen de Japanners bij verrassing Pearl Harbor aan. De Amerikanen verklaarden Japan de oorlog, Nederland eveneens.

Koningin Wilhelmina voor de microfoon van Radio Oranje/BBC

Na de benoemingen van Minister van Koloniën H.J. van Mook , Piet Kerstens tot Minister van Handel, Nijverheid & Scheepvaart en Pangeran Adipati Soejono tot Minister zonder portefeuille (toegevoegd aan Van Mook), kwam er na maart 1942 – toen Nederlands-Indië door de Japanners werd bezet - een radicale ommekeer in het denken over de positie van de Nederlandse koloniën.

Een en ander mondde uit in een radiorede, geschreven door Van Mook. Van Mook was overigens óók een vertrouweling van Z.K.H. Prins Bernhard in diens besprekingen met Amerikaanse en Britse militairen.

Precies een jaar na de aanval op Pearl Harbour, op 7 december 1942, bereikte de stem van Hare Majesteit Koningin Wilhelmina Nederlands-Indië

De radiorede, uitgesproken voor de microfoon van Radio Oranje ( “De stem van strijdend Nederland” ), werd overigens op 6 december 1942 de ether in geslingerd; in Batavia was het 6 uur later en dientengevolge al de volgende dag!

Radio Oranje, dat uitzond via de zenders van de BBC, was de zender van de Nederlandse regering in ballingschap, gevestigd in het Londense Stratton Street.

In deze regeringsverklaring gaf Koningin Wilhelmina aan dat na de oorlog de koloniale verhoudingen tussen Nederland en Nederlands-Indië zouden worden gewijzigd; de overzeese gebieden zouden voortaan in interne aangelegenheden zelf kunnen beslissen. In haar rede lagen de grondslagen voor een nieuwe verhouding tussen de Rijksdelen onderling. Deze grondslagen waren het herstel van recht en veiligheid én vernieuwing in vrij overleg. Uiteindelijk bleven de politieke en economische belangen voorop staan.

Ook kondigde zij de oprichting aan van de “7 December” Brigade. Deze brigade liet overigens nog even op zich wachten...

Twee citaten uit de rede van Wilhelmina:

“Ik stel mij voor, zonder vooruit te lopen op de adviezen der rijksconferentie, dat zij zich richten zullen op een Rijksverband, waarin Nederland, Indonesië, Suriname en Curaçao tezamen deel zullen hebben, terwijl zij ieder op zichzelf, de eigen inwendige aangelegenheden in zelfstandigheid en steunend op eigen kracht, doch met den wil elkander bij te staan, zullen behartigen.Daarbij zal voor verschil van behandeling op grond van ras of landaard geen plaats zijn, doch zullen slechts de persoonlijke bekwaamheid der burgers en de behoeften van de verschillende bevolkingsgroepen den doorslag geven voor het beleid der Regering.”

 

“Zeven December zal de naam dezer divisie luiden, omdat in mijn rede van 7 december 1942 de grondslagen zijn neergelegd voor een nieuwe verhouding tussen de delen des Rijks onderling en binnen die delen zelve. Deze grondslagen zijn: herstel van recht en veiligheid en vernieuwing in vrij overleg.

Het uitroepen van de onafhankelijke 'Republik Indonesia', twee dagen na de Japanse capitulatie van 15 augustus 1945, doorkruiste de Nederlandse plannen om Nederlands-Indië langzaamaan een grotere zelfstandigheid te verlenen, zoals Wilhelmina in haar rede had laten doorschemeren.

Helaas kon het geweld op de archipel niet worden beteugeld door enkel het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger ( KNIL) en de inzet van Nederlandse oorlogsvrijwilligers, zodat vanaf 1 september 1946 de “7 December” Divisie – de eerste eenheid met dienstplichtigen ná de Tweede Wereldoorlog – naar Nederlands-Indië vertrok om te worden ingezet ter herstel van orde en rust, en later om de nationalisten te bestrijden in de Politionele Acties. In overleg met de Britse krijgsmacht was inmiddels besloten tot het opzetten van één divisie van ± 20.000 militairen, die een maand na de bevrijding een opleiding zouden krijgen van ruim 1 jaar. Vanaf het najaar van 1945 werden de dienstplichtigen opgeroepen. In december 1945 was de Bergansiuskazerne te Ede – tegenwoordig een deel van het kazernecomplex Ede-West - aangewezen als de thuisbasis (depot) van de nieuwe divisie. Generaal-majoor Henri Dürst-Britt was de eerste divisiecommandant.

De oorsprong voor de naamgeving “7 December” lag bij de kolonel M.R.H. Calmeyer. Er moest, volgens de Chef van het Militair Kabinet van de Minister van Oorlog, een zo treffend mogelijke motivering zijn om militairen naar Nederlands-Indië uit te zenden. Minister van Overzeese Gebiedsdelen Jan Jonkman doopte de nieuwbakken eenheid in juli 1946 dan ook de “7 December” Divisie; niettemin was het Koningin Wilhelmina zélf die op 20 augustus 1946 tijdens een inspectie van de troepen in Assen aankondigde dat de eenheid de erenaam “7 December” mocht gaan dragen. De oprichtingsdatum werd vervolgens bij Ministeriële Beschikking gesteld op 1 september 1946.

In Nederlands-Indië wordt “7 December” Divisie als C(harlie)-Divisie gestationeerd in West-Java. De militairen dienen ± 40 maanden overzee en keren eind 1949 / begin 1950 terug in Nederland.Bijna 700 militairen van de "7 December" Divisie komen tijdens de strijd om het leven en liggen begraven op de Indonesische erevelden.

Het embleem van de “7 December” Divisie herinnert nog altijd aan Nederlands-Indië: op een ponceaurood schild staan de witte letters EM voor ‘Expeditionaire macht'. Daarnaast het Romeinse, eveneens witte zwaard uit het wapen van Batavia, de hoofdstad van Nederlands-Indië (het huidige Jakarta), omringd door een groene lauwerkrans (symbolisch voor onsterfelijkheid en overwinning). Het geheel wordt door een oranje lint samengeknoopt (symbolisch voor de band met het Koninklijk Huis). Het embleem wordt nog steeds op de rechtermouw van het militaire tenue gedragen.

Wapen van Batavia

Embleem van 1 Divisie "7 December"

Na de krijgsverrichtingen in voormalig Nederlands-Indië was de “7 December” Divisie tot 1 november 1957 mobilisabel gesteld: op deze datum werd de eenheid opnieuw paraat gesteld onder de naam 1ste Divisie “7 December” .

Vervolgens bleef de 1ste divisie als operationele moedereenheid binnen de slagorde van de Nederlandse landmacht, vanaf 30 augustus 1995 als gemechaniseerde divisie binnen het binationale Duits-Nederlandse legerkorps.

Op 1 januari 2004 is de naamgeving “7 December” , na het opheffen van de staf van de 1ste Divisie, overgedragen aan het Operationeel Commando (OpCo) “7 December”. Het OpCo zette tevens de traditie en historie van 1ste Divisie “7 December” voort.

Op 5 september 2005 heeft generaal-majoor b.d. P.H.M. Messerschmidt de traditie en historie van de 1ste Divisie “7 December” overgedragen aan 11 Luchtmobiele Brigade Air Assault. Reden voor de traditieoverdracht is het opgaan van het Operationeel Commando in het nieuwe Commando Landstrijdkrachten (CLAS).

Omslag van FALCON, maandblad voor 11 Luchtmobiele Brigade en Tactische Helikopter Groep (nummer 7, september 2005, 12de jaargang) naar aanleiding van de traditie-overdracht

Bronnen:

‘Wij werden geroepen: de geschiedenis van de 7 December Divisie, met zweten en zwoegen geschreven door twintigduizend Nederlandse mannen, in inkt geboekstaafd' – Alfred van Sprang

 

Uitgeverij W. van Hoeve, Den Haag, 243 pagina's, 1949

 

‘De Geschiedenis van 1 Divisie '7 December', 1946-1996'- Martin Elands, Richard van Gils en Ben Schoenmaker (Sectie Militaire Geschiedenis)

SDU Uitgevers, Den Haag, 365 pagina's,1996

Zie ook: 1 Legerkorps (1 LK).

Terug naar Boven

 

Laatste update:07.03.2010