Inhoudsopgave G
Terug naar de homepage
 

Maak uw keuze uit de hieronder getoonde lijst

 

GALILEO

Genoemd naar de Italiaanse sterren- en natuurkundige Galilei Galileo (1564-1642). Europees satellietsysteem voor navigatie en plaatsbepaling. Alternatief voor het Amerikaanse Global Positioning System (GPS) en het Russische Glonass.

Galileo moet in 2008 operationeel zijn met 30 bijna identieke satellieten. Officieel staat Galileo onder civiele controle van de Ministers van Energie & Transport van de Europese Unie, maar omdat het strategisch niet gewenst is dat Europa afhankelijk is en blijft van een Amerikaans satellietsysteem, zal Galileo juist ook de strategische behoeften waarborgen in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie.

Galileo heeft een stimulans gekregen door de Kosovo-oorlog in 1999, omdat de Verenigde Staten het civiele gebruik van de militaire M-code van GPS stoppen bij een militair conflict.

Overigens zal Galileo in overeenstemming gebracht kunnen worden met GPS (‘compatible') en plaatsen tot op 1 meter nauwkeurig kunnen lokaliseren.

De civiele versie van GPS, met de minder nauwkeurige C/A-code, heeft een precisie tot op 10 meter. Daarnaast zal Galileo naar verwachting een betere dekking hebben in urbane gebieden, wat het optreden in verstedelijkte gebieden vergemakkelijkt.

Op 21 oktober 2011 werden vanuit Frans-Guyana de eerste twee Galileo-satellieten gelanceerd met een Sojoez-raket.

Terug naar Boven

 

GAINFUL SWORD

In week 42 t/m 44 (13 t/m 31 oktober) 2003 vond in Polen de legerkorpsoefening Gainful Sword plaats op de Drwasko Pomorskie Training Area (DPTA) in het noordwesten van Polen.

Het oefenterrein, doorsneden door de rivier Drawa, is met een grootte van ± 40.000 hectare het grootste militaire oefenterrein van Centraal-Europa, het gebied - vanwege zijn geografische ligging – ideaal voor het oefenen onder ‘Siberische omstandigheden’.

In het verleden is de DPTA vaker door de Nederlandse krijgsmacht gebruikt als oefenterrein:

november 2001

Bison Drawsko

43 Gemechaniseerde Brigade

juni 2002

Rhino Drawsko

13 Gemechaniseerde Brigade

april 2003

Polish Falcon

11 Air Manoeuvre Brigade

Tijdens de oefening Gainful Sword zijn voor 11 Air Manoeuvre Brigade drie zaken beoefend:

optreden als Initial Entry Force (IEF)

optreden i.h.k.v. air assault

optreden i.h.k.v. Full Operational Capability (FOC) 11 Air Manoeuvre Brigade

INITIAL ENTRY FORCE (IEF)

De oefening ‘Gainful Sword’ heeft uitgewezen dat 11 (NL) Air Manoeuvre Brigade kan optreden als Initial Entry Force (IEF) van het legerkorps. De IEF is het concept van de NATO Response Force (NRF) dat de komst van de Follow-On Forces vergemakkelijkt. De Follow-On Forces maken – in tegenstelling tot de IEF – deel uit van de Main Defence Forces van de NAVO en beschikken over voldoende gevechtskracht (gevechts- en gevechtssteuneenheden) en logistieke capaciteit (gevechtsverzorgingssteuneenheden).

De IEF is het gedeelte van de High Readiness Forces dat wordt gebruikt in de beginfase van een operatie. De IEF heeft dan ook een hogere Notice To Move (NTM): voor 11 Air Manoeuvre Brigade geldt een NTM van 21 dagen.

De High Readiness Forces zijn hierdoor in staat om op korte termijn operaties te beginnen in en rond NAVO-verdragsterritoir, te weten:

Oefenboekje 'Gainful Sword'.

Artikel 5-operaties

Collective Defense

Algemene Verdedigingstaak (AVT)

Non-artikel 5-operaties

Crisis Response Operations

Crisisbeheersings operaties (CBOps)

Voor 11 Air Manoeuvre Brigade geldt dat deze als IEF kan optreden als zelfstandige eenheid van brigadegrootte. Op 23 september 2002 heeft de Supreme Allied Commander Europe (SACEUR) vier High Readiness Forces (Land) Head Quarters aangewezen: naast Italiaanse, Spaanse en Turkse Rapid Deployable Headquarters ook het Rapid Deployable Headquarter van het 1 ste Duits-Nederlandse legerkorps (1 GNC), waar 11 Air Manoeuvre Brigade onder valt.

AIR ASSAULT

Logo oefening 'Gainful Sword'.

Naast het optreden als Initial Entry Force (IEF) van het legerkorps, is tijdens de oefening Gainful Sword bekeken of in brigadeverband air assault kan worden uitgevoerd: luchtlandingsstormaanvallen, waarbij helikoptereenheden en grondtroepen geïntegreerd optreden in en vanuit de lucht en op de grond.

Transporthelikopters zullen in zo kort mogelijke tijd infanteristen moeten invliegen, terwijl de gevechtshelikopters voor de nodige beveiliging zorgen. Een voorbeeld van air assault is het vestigen van een bruggenhoofd ver achter de vijandelijke linies.

Bij air assault ligt het zwaartepunt bij de luchtmobiele infanterie, hetzij:

bij de drie infanteriebataljons (11, 12 en 13)

bij de gevechtscompagnieën (Alfa, Bravo en Charlie) van de infanteriebataljons

bij de verkenningspelotons uit de staf- en antitankcompagnieën

Behalve voor air assault kan 11 Air Manoeuvre Brigade worden ingezet voor operaties in het kader van air mechanised en airmobile.

FULL OPERATIONAL CAPABILITY

Sinds de oprichting van de Luchtmobiele Brigade in 1994 was “het paradepaardje van de KL” aan het opwerken naar de Full Operational Capability (FOC). De oefening Gainful Sword was de laatste fase van het tien jaar durende voorbereiden, opwerken en trainen, waarmee 11 Air Manoeuvre Brigade zijn Operationele Gereedstellings Status (OGS) behaalde.

FASERING OEFENING

De oefening 'Gainful Sword' verliep in zeven fasen:

►Binnen 20 dagen overgaan van operationeel gereedheid (OG) naar inzetgereedheid (IG).
►Strategische verplaatsing verkenners, kwartiermakers en hoofdmacht per boot, trein en voertuig vanuit Nederland naar Polen.
►Vanuit het POD verzamelen personeel, voertuigen en materieel zich in de AA, waar de eenheid wordt geformeerd.
►Vanuit de AA wordt een SA ingericht en in bedrijf gehouden. In de SA vinden de voorbereidingen voor de komende actie plaats, wordt de eenheid logistiek opgetopt en vindt aanvullende training en opleiding plaats.
►Uitvoeren van opdrachten in het kader van het Air Manoeuvre Concept in de CA. De commandant wijst de CA toe en geeft aan met welke vorm van optreden (air assault, air mechanised en airmobile) de actie wordt uitgevoerd.
►Strategische verplaatsing vanuit het POE per boot, trein en voertuig vanuit Polen naar Nederland.
►Overgaan naar operationele gereedheidstatus (OGS).

Definities

AA

Assembly Area

Verzamelgebied

CA

Committal Area

 

POD

Point of Disembarkation

Uitlaadpunt voor een operatie

POE

Point of Embarkation

Inlaadpunt voor een operatie

SA

Staging Area

Afwachtingsgebied

DEELNEMENDE EENHEDEN

Naast 11 Air Manoeuvre Brigade namen de volgende eenheden aan de oefening Gainful Sword deel:

1 (GE/NL) Communication & Information Systems Bataljon

1 (GE/NL) Staff Support Bataljon

100 Bevoorradings- & Transportbataljon

103 Eskadron Koninklijke Marechaussee

11 Geniebataljon

400 Geneeskundig Bataljon

43 Gemechaniseerde Brigade (één samengestelde compagnie)

Detachement Opleidings- & Trainingscommando (OTCO)

Explosieven Opruimings Commando Koninklijke Landmacht (EOCKL)

Terug naar Boven

 

GAMEL

Ook genoemd: transportgamel (NSN: 7330-17-110-7845). Van het Franse “gamelle” (16de eeuw). Duits: Gamelle. In België wordt met een gamel overigens tevens een messtin bedoeld.

Geheel dubbelwandige en daarmee geïsoleerde en voedsel warmhoudende eetketel van aluminium met een roestvrijstalen (RVS) binnenkant. Het deksel kan worden vastgeklemd met behulp van ijzeren beugels met een veerconstructie. De stapelbare gamel heeft in het hermetisch afsluitbare deksel een ontluchtingsgat en is olijfgroen van kleur. De gamellen zijn verkrijgbaar in de inhoudsmaten 5, 10, 15 en 30 liter.

De (deels) bereide warme maaltijd – in keuken, mobiele veldkeuken (MVK) of mobiele satellietkeuken (MSK) - wordt opgevoerd in gamellen, waarna de sergeant distributie of de distributiegroep zorgen voor het verdelen van het eten over de diverse (sub)eenheden. Lege (vuile) gamellen worden retour gehaald bij het verstrekken van de eerstvolgende maaltijd (ontbijt).

Gamellen zijn er in verschillende maten; zij kunnen als extra veldlegeringsartikelen worden verkregen bij de AS-84.

Ter preventie van onder andere diarree, lint- en spoelworm wordt een zgn. 'gamellenplan' gemaakt; hiermee wordt verspreiding van ziekten voorkomen. Naast een gamellenplan houdt de distribueerder rekening met etnische maaltijden (moslims: géén varkensvlees), nachtvoeding e.d.

Terug naar Boven

 

GAY PRIDE / CANAL PARADE

Sinds 1996 jaarlijks, in het eerste weekeinde van augustus, terugkerend evenement voor lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgender mensen in Amsterdam. Hoogtepunt van de festiviteiten is de Canal Parade, waarbij de deelnemers op boten in de Amsterdamse grachten flaneren.

Op 6 augustus 2011 nam het Ministerie van Defensie hieraan voor het eerst deel met een eigen boot.

Doelstelling was de zichtbaarheid van lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgender militairen te vergroten en hiermee het bevorderen van de sociaal veilige werkomgeving bij Defensie.

Organisator namens Defensie was de Stichting Homoseksualiteit en Krijgsmacht (SHK).

Terug naar Boven

 

GDS2000

Niet-waterachtige, op alkoxide gebaseerde ontsmettingsvloeistof waarmee effectief en snel een operationele ontsmetting tegen bijna alle chemische strijdmiddelen kan worden uitgevoerd op zowel droge als natte oppervlakten. De gelige, ietwat dikke vloeistof is milieuvriendelijk. Fabrikant is het Duitse Kärcher Futuretech.

Deze opvolger van DS-2 is onder andere beproefd met chemische strijdmiddelen (antrax, mosterdgas, soman en VX) en industriële besmettingen die bij Release Other Than Attack (ROTA) kunnen vrijkomen. GDS2000 is niet explosief en niet oxiderend.

Er is 0,1 à 0,2 liter nodig voor één vierkante meter. Voertuigen kunnen in 5 tot 10 minuten geheel worden ontsmet met 10 à 20 liter. Aanvullingspakketten worden geleverd in roestvrijstalen containers van 1,25 en 5 liter. Het GDS2000 apparaat (ontsmettingstoestel 1,5 liter, NSN 4230-17-119-0780, voorheen DS-2 apparaat) wordt gebruikt voor zowel de oefenvloeistof als GDS2000.

GDS2000 kan minimaal tien jaar in opslag worden bewaard, worden blootgesteld aan temperaturen tussen -30° en +49° Celsius en is binnen een paar minuten na het aanbrengen al effectief. De fysische eigenschappen brengen met zich mee dat GDS2000 brandgevaarlijk is, gevaarlijk bij inademing (pijnlijke keel, hoesten, ademtekort en dufheid) en gevaarlijk bij contact met huid en ogen (roodheid, ernstige irritatie, brandwonden en allergische reactie).

Terug naar Boven

 

GEBROKEN GEWEERTJE

Beweging die in de jaren ’30 – tijdens het Interbellum – ontstond en in alle hevigheid toenam in de jaren voorafgaande aan de Tweede Wereldoorlog. Het Gebroken Geweertje, gespeld op het revers, was hét symbool van antimilitarisme en pacifisme. Voorstanders van deze beweging waren met name de socialisten van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), voorlopers van de Partij van de Arbeid (PvdA).

Na de Belgische Opstand van 1830 was er in Nederland vrede geweest en zeker door de desastreuze gevolgen van de Eerste Wereldoorlog tierde het pacifisme welig. De kreet “Nooit meer oorlog!” was alomtegenwoordig en eenzijdige ontwapening leek voor velen aanvankelijk een serieuze optie.

Na de Eerste Wereldoorlog, in het Interbellum, voelden velen totaal geen oorlogsdreiging, het leger was verworden tot iets dat niet hoorde en Nederland stelde militair gezien weinig voor. Leger, vloot en luchtmacht waren onder het motto “Geen cent en geen man” ernstig verwaarloosd.

Oorlog en oorlogsvoorbereiding waren als vloeken in de kerk. Tot 1937 brokkelde het leger langzaamaan af en zowel de geoefendheid als de inzetbaarheid (beperkte opkomstplicht van vijf maanden) waren op een triest dieptepunt beland. Pas in 1938 werden er opbouwende maatregelen genomen: zo werd de duur van de dienstplicht op elf maanden gebracht.

Op 24 augustus 1939 kondigde de regering de voormobilisatie af, gevolgd door mobilisatie op 29 augustus 1939. Er werden weliswaar 15 lichtingen onder de wapenen geroepen, maar het was al te laat. De internationale spanning was al te hoog opgelopen.

Op 1 september 1939 vielen de Duitsers Polen binnen, op 9 april 1940 gevolgd door Denemarken en Noorwegen. Hoewel de verloven steeds vaker werden ingetrokken omdat de oorlogsdreiging voelbaar werd, vielen de Duitsers zonder voorafgaande oorlogsverklaring Nederland binnen op 10 mei 1940.

Zowel de snelle capitulatie in mei 1940 als de verloren Slag in de Javazee in februari 1942 waren volgens velen dan ook een direct gevolg van de socialistische politiek van het Gebroken Geweertje.

Politiek tekenaar Leo Jordaan (1885-1980) tekende deze 1 april-grap voor De Groene Amsterdammer van 1939. De prent symboliseert de opkomst van het nationaal-socialisme in Duitsland tegenover het pacifisme van het gebroken geweertje. De tekening maakt deel uit van de Atlas van Stolk, één van de belangrijkste en omvangrijkste collecties historieprenten van Nederland.

De lessons learned uit de gebroken geweertjesmentaliteit is zonder twijfel het adagium “Si vis pacem, para bellum” ("Als je vrede wil, bereid je dan voor op oorlog”), dat tot op de dag van vandaag één van de basisprincipes is voor buitenlandse- en veiligheidspolitiek.

Terug naar Boven

 

GECLASSIFICEERD

Zie verder: rubriceringen.

Terug naar Boven

 

GEDRAGSCODE DEFENSIE

De Gedragscode Defensie is op 4 april 2007 geïntroduceerd door de toenmalige Commandant der Strijdkrachten, generaal Dick Berlijn.

De Gedragscode Defensie, die staat voor professioneel gedrag, fatsoenlijke omgangsvormen en goede samenwerking, beoogt gewenst gedrag te stimuleren en ongewenst gedrag terug te dringen en doet een appèl op de eigen verantwoordelijkheid en professionaliteit van het Defensiepersoneel.

De vijf pijlers zijn:

1. Ik maak deel uit van een professionele organisatie. Ik houd mijn kennis en vaardigheden, zowel vakinhoudelijk als sociaal, op het vereiste peil. Daardoor kan ik, ook onder moeilijke omstandigheden, mijn taken goed uitvoeren.

2. Ik ben lid van een team met een gemeenschappelijke taak. Ik werk samen met collega’s en ben mede verantwoordelijk voor hen en het team. Ik spreek anderen aan op hun gedrag en accepteer dat anderen mij op mijn gedrag aanspreken.

3. Ik ben mij bewust van mijn verantwoordelijkheid. Ik schaad de belangen van Defensie niet en geef in houding, voorkomen en gedrag het goede voorbeeld. Ik ga verantwoord om met defensiemiddelen en gebruik deze zorgvuldig en rechtmatig.

4. Ik ben integer en behandel iedereen met respect. Ik accepteer geen ongewenst gedrag zoals discriminatie, (seksuele) intimidatie en pesten, niet ten aanzien van mijzelf of anderen. Ik houd mij aan de geldende wetten en regels en misbruik mijn macht of positie niet.

5. Ik zorg voor een veilige werkomgeving. Ik voel mij verantwoordelijk voor de veiligheid van anderen en mijzelf. Dit geldt voor alle vormen van veiligheid, zoals operationele veiligheid, informatieveiligheid en veilige arbeidsomstandigheden. Ik laat mij niet in met drugs. Alcohol mag nooit invloed hebben op mijn functioneren.

Terug naar Boven

 

GEDRAGSCODE KL

De Gedragscode KL is op 21 oktober 1997 geïntroduceerd door de toenmalige Bevelhebber der Landstrijdkrachten, luitenant-generaal Maarten Schouten.

De Gedragscode KL, die past in de verdergaande professionalisering van de krijgsmacht, is zowel een richtsnoer voor het eigen handelen als een vangnet met gedragsregels dat voor een goed functioneren van de KL essentieel is.

Download hier de Power Point-presentatie van de Gedragscode Koninklijke Landmacht (100 kB)

De Gedragscode KL is een bewerking van de gedragscode van de krijgsmacht, die de toenmalige Staatssecretaris van Defensie, Jan Gmelich Meijling, op 7 november 1996 heeft aangeboden aan de Tweede Kamer. Belangrijkste elementen van de gedragscode van de krijgsmacht, die het verantwoordelijkheidsbesef van het Defensiepersoneel dient aan te scherpen, zijn:

Correct uitvoeren van taken

Gepast omgaan met geweld

Hulp en steun verlenen in moeilijke omstandigheden

Naleven van internationale rechtsregels

Zelfrespect en respect voor de medemens

De Gedragscode KL geeft puntsgewijs aan hoe het personeel van de KL zich behoort te gedragen. De Gedragscode KL spreekt de normen en waarden uit die het personeel met elkaar in gedrag en beroepshouding behoort te delen.

Terug naar Boven

 

GEDRAGSREGELS

Duits: Verhaltensregels; Verhaltensnormen. Engels: rules of behaviour; behaviour guidelines. Frans: règles de comportement. Gedragsregels (normen) zijn voorschriften of beginselen waarnaar iemand zijn gedrag inricht omdat die een concrete invulling van een waarde geven.

Dit is mogelijk langs formele weg – zoals via een voorschrift binnen Defensie dat geldt als dienstbevel (regelgeving) – of informeel, via de mores van dikwijls onuitgesproken groepsnormen en –waarden (etiquette en fatsoen). Toch worden groepsnormen ook wel nadrukkelijk vastgelegd, zoals in de regels van huishoudelijke aard op het gebied van corvee, vuile was e.d. die gelden tijdens ernstinzet en oefening.

Voor de gedragslijn van het personeel binnen Defensie wordt in de regel verwezen naar discipline: zich houden aan vastgestelde gedragsregels. Discipline is één van de grondbeginselen voor het functioneren van een krijgsmacht. Een overtreding van een expliciet omschreven gedragsregel in de Wet militair tuchtrecht (WMT) zal dan ook worden bestraft: de commandant start het tuchtproces. Dit is het onder andere het geval bij ongeoorloofde afwezigheid en gedragingen die strijdig zijn met het dienstbevel of een dienstvoorschrift.

Een bekend voorbeeld binnen de KL is de Gedragscode KL. Andere bekende en minder bekende gedragsregels zijn regels met betrekking tot integriteit en gewenst versus ongewenst gedrag, radiodiscipline bij het zenden van radioberichten, licht- en geluidsdiscipline, Instructeurscode voor militaire instructeurs, gedragsregels voor de toepassing van geweld (Rules of Engagement), de gedragsregel tegen drugsgebruik (zero tolerance) en de gedragsregel jegens alcoholgebruik (matiging).

Gedragsregels zijn een kenmerk van communicatie en interactie en zouden door iedereen begrepen en omarmd moeten worden als leidraad voor het handelen van allen. Soms is de scheidslijn tussen regelgeving en gedragsregels flinterdun, een andere keer is die zelfs ver te zoeken, maar in alle gevallen geldt dat het naleven van de geldende gedragsregels een zaak van iedereen is, niet alleen van kaderleden.

In Falcon, het blad van 11 Luchtmobiele Brigade (AASLT) van november 2010 zat een inlegvel met daarop de door de brigadecommandant, brigadegeneraal Otto van Wiggen, zijn vastgesteld voor de ‘Keurtroepen van de Koninklijke Landmacht’:

1. Haardracht is kort gedekt waarbij de oren vrij zijn van haar, vrouwelijke militairen met lang haar dragen hun haar op een knot of in een gesloten staart.
2. Het dragen van een baard is met terughoudendheid toegestaan, na toestemming van de CC. Zogenaamde “gemakzuchtbaardjes” (niet scheren), “mohawk”-haardracht en matjes passen niet bij ons imago en zijn dus ongewenst. Nadruk ligt op een verzorgd uiterlijk (uitstraling als overheidsdienaar, ook in internationaal verband).
3. Naamlinten, juiste mouwemblemen en militaire ID dienen gedragen te worden en in een goede staat te verkeren.
4. Op de kazerne tijdens het verplaatsen niet eten, drinken en/of roken.
5. Roken is alleen toegestaan op de daarvoor bestemde locaties, roken in gebouwen is niet toegestaan.
6. Kazernetenue: GVT (evt. met bilaminaat of parka GVT) met zwarte door KL verstrekte of met een vergoeding aangeschafte gevechtslaarzen, naamlint, onderdeelembleem op borst en rechterarm, rangonderscheidingstekens, herkenningsplaatje om de nek, militaire ID zichtbaar aan de linkerschouder of –borst dragen.
7. Het is toegestaan om op de werklocatie de jas GVT uit te doen; het is dan wel verplicht om een KL verstrekt woodland t-shirt te dragen en rangonderscheidingstekens rechts op de broekriem. Het dragen van het shirt rolkraag (Noorse trui) als buitenste laag is niet toegestaan op de kazerne m.u.v. bij PT.
8. Besef dat als je buiten de dienst iets doet, zowel positief als negatief, dat dit een positief of negatief gevolg kan hebben voor onze brigade.

Terug naar Boven

 

GEESTELIJKE GEZONDHEIDSZORG, MILITAIRE

In 2006 uit een reorganisatie ontstane paarse, tweedelijns organisatie binnen Defensie, bestaande uit de Afdeling Militaire Psychiatrie in het Centraal Militair Hospitaal en de ambulante onderdelen binnen de krijgsmachtdelen.

Militaire geestelijke gezondheidszorg levert geestelijke gezondheidszorg aan (oud-) militairen en veteranen. Multidisciplinaire teams:

  • adviseren over de inzetbaarheid van militairen
  • behandelen op farmaco- en psychotherapeutische basis
  • stellen psychi(atri)sche diagnoses
  • voeren behandelplannen uit
  • worden ingezet bij calamiteiten in missiegebieden

Tot 2000 was de militaire psychiatrie alléén beschikbaar voor Defensiepersoneel; sindsdien kunnen ook oud-militairen en veteranen individueel worden behandeld op de polikliniek óf in groepsverband in deeltijdbehandeling.

Veteranen melden zich in de regel pas na verloop van jaren; gemiddeld na 9 jaar. Deze ‘delay’ (vertraging) vindt plaats doordat artsen en de reguliere GGZ de klachten van een veteraan vaak niet onmiddellijk koppelen aan zijn uitzendverleden, terwijl anderzijds sommige veteranen in een sociaal isolement raken en trachten psychi(atri)sche klachten te dempen met alchol en/of drugs.

Behandelingen worden aangeboden in bejegeningsprotocollen (omgang), nazorg, post-traumatische stress-syndroom en overige psychotraumata. Hiertoe worden psycho-, socio- en vaktherapieën aangeboden. Psychotherapeutisch wordt de ‘exposure’ (blootstelling) gegeven: 2 behandelaars (psychologen en/of psychiaters) vragen de patiënt uit en te na door over waar zijn klachten daadwerkelijk vandaan komen.

(Bron: ‘Psy’, tijdschrift over geestelijke gezondheidszorg, jaargang 10, nummer 9, 8 september 2006, artikel ‘Militaire psychiatrie. Achtervolgd door nachtmerries’ door Bram Peeters, pagina 26 t/m 32)

Verdere naslagwerken:

  • De ontdekking van de principes van de militaire psychiatrie - Tessa op den Buijs & René Moelker (Mets & Schilt, 2002)
  • Om de geest van Jan Soldaat. Beknopte geschiedenis van de militaire geschiedenis - Hans Binnenveld (Erasmus Publishing, 1995)
  • Shell shock to PTSD: military psychiatry from 1900 to the Gulf War - Edgar Jones & Simon Wessely (Psychology Press, 2005)
  • Zacht en eervol. Lijden en sterven in een Grote Oorlog – Leo van Bergen (Sdu Uitgevers, 1999)

Terug naar Boven

 

GEESTELIJKE VERZORGING

Afgekort: GV. Het dienstvak van de Geestelijke Verzorging verzorgt kerkdiensten, lessen (gewijd zijn aan actuele zaken, praten/discussiëren over normen en waarden en vergelijkbare zaken) en conferenties die door iedereen kunnen worden bijgewoond.

Ook levert de Geestelijke Verzorging geestelijke bijstand, begeleiding en (na)zorg bij levensbeschouwelijke of ethische vragen (morele dilemma's) en geestelijke nood aan militairen, en zonodig ook aan hun gezinsleden. De relatie tot de GV'er is vertrouwelijk. Tijdens oefeningen en ernstinzet kan er een hulpvraag worden gedaan aan het adres van de meegezonden GV'er.

Voor oud-militairen en veteranen is er een netwerk van GV'ers van verschillende gezindten.

Binnen de GV kan een beroep worden gedaan op rooms-katholieke, protestantse, humanistische en joodse Geestelijk Verzorgers, maar ook op de pandit (hindoes) en de imam (moslims).

De Geestelijke Verzorgers bij de Koninklijke Landmacht bekleden de rang kapitein tot en met kolonel. De GV'er is beschermd in het internationaal humanitair recht en geniet als non-combattant dezelfde bescherming als het medisch personeel.

Op vredeslocaties maken de GV'ers binnen het onderdeel onder andere deel uit van het Sociaal-Medisch Team (SMT), samen met onder meer commandant, arts, Hoofd Sie 1, BMW en P-dienst

Onderstaand de vertegenwoordigers van de zes stromingen van de Geestelijke Vorming binnen de Koninklijke Landmacht:

Aalmoezenier (rooms-katholiek)

Dominee (protestants)

Imam (moslim)

Pandit (hindoes)

Raadsman (humanistisch)

Rabbijn (joods)

Terug naar Boven

 

GELEGENHEIDSAANVAL

Duits: Angriff nach kurzer Vorbereitung; Sofortangriff. Engels: hasty attack. Frans: attaque dans la foulée; attaque à partir du contact. Aanval waarbij snelheid essentieel is om een gunstige gelegenheid, die in de regel tijdelijk van aard is, uit te buiten.

Kenmerken van de gelegenheidsaanval:

►Alleen troepen die onmiddellijk beschikbaar zijn worden ingezet, ondersteund door alle beschikbare wapens om gelegenheidsvuur te kunnen uitbrengen.

►Als meer voorbereidingstijd nodig is, dan wel het momentum verloren gaat of dreigt te gaan, kan een aanval na voorbereiding noodzakelijk worden.

►De commandant geeft korte bevelen, bevindt zich in het zwaartepunt van de aanval en reageert snel op het verloop van de actie.

►Minimale tijd aan voorbereiding en geen tijd aan de commandovoeringprocedure besteden (anders dan coördinatie) om het momentum te handhaven dan wel het initiatief te hernemen.

►Snelle uitvoering benut het voordeel van een kwalitatief mindere vijandelijke verdediging voordat de vijand gelegenheid krijgt zijn verdediging te verbeteren.

►Uitvoeren vanuit een onverwachte richting om verrassing en dus frictie te creëren.

Terug naar Boven

 

GELE RIJDERS

Voluit: 11 Afdeling Rijdende Artillerie (11 Afdra). Subeenheid van 13 Gemechaniseerde Brigade van de Koninklijke Landmacht. Sinds 1999 gelegerd op de Luitenant-kolonel Tonnetkazerne in ’t Harde, daarvóór op de Saksen-Weimarkazerne in Arnhem.

Op 21 februari 1793 richtte stadhouder Prins Willem V (1748-1806), naar Pruisisch voorbeeld, bij het Staatse leger het Korps Rijdende Artillerie (KRA) op met twee brigades. Willem V wilde beschikken over bereden artilleristen met snel verplaatsbaar licht geschut, zowel voor het verlenen van steun aan de cavalerie als voor de verdediging van de lange kustlijn van Nederland.

De rijdende artillerie had lichtere vuurmonden (van lichter kaliber) en kon door zijn grote mobiliteit snel nieuwe posities innemen om het aanvallende gevecht van de cavalerie van nabij met vuur te ondersteunen. Ook kreeg het KRA eigen paarden voor het trekken van de stukken en manschappen, wat tot dan toe altijd het werk van aannemers was geweest. Elk van de twee brigades bestond uit twee compagnieën met in totaal 32 vuurmonden.

Fotocompilatie van de Gele Rijders, Korps Rijdende Artillerie (KRA), één van de drie korpsen van de artillerie

Van 1794 tot 1815 vocht het KRA op veel plaatsen in Europa. Na zijn inauguratie tot koning (1840), schonk Willem II de rijdende artillerie bij Koninklijk Besluit van 8 april 1842 een met gele koorden, lissen en tressen afgezet donkerblauw huzarenuniform (dolman) en een hoofddeksel van berenvacht (kolbak). Dat was hetzelfde uniform dat door de Prins van Oranje was gedragen in het Regiment Huzaren No. 6 tijdens de veldslagen bij Quatre Bras en Waterloo én de Tiendaagse Veldtocht in 1831.

Onderdeel van het gevechtstenue van de Gele Rijders is tegenwoordig de kwartiermuts in plaats van de baret. Aan de voorkant van de muts is een gele, wollen kwast bevestigd voor manschappen en onderofficieren. Voor adjudanten en officieren is de kwast goudkleurig. Luitenanten hebben een dunne kwast (torsades), kapiteins en hoger een gekrulde, dikke kwast (bouillons).

Tegenwoordig kennen de veldartillerie en rijdende artillerie elk nog één afdeling, respectievelijk 14 Afdeling Veldartillerie en 11 Afdeling Rijdende Artillerie. Beiden zijn gelegerd in ’t Harde en de vuurmondpelotons van de afdelingen hebben de Panzerhaubitze 2000 (PZH 2000) in de bewapening; voorheen waren dit achtereenvolgens de gemechaniseerde houwitsers M-114 en M-109. De artilleristen zorgen voor de benodigde vuurkracht van de brigade over grote afstand.

Tijdens de meidagen van 1940 was het KRA ingedeeld bij de Lichte Brigade van het Veldleger, waarin de eenheid werd gemotoriseerd en uitgebreid. Na de Tweede Wereldoorlog werd het korps opgeheven, wat tot veel protest leidde. Uiteindelijk werd in 1963 bepaald dat 11 Afdeling Veldartillerie de traditie zou voortzetten van het KRA onder de naam 11 Afdeling Rijdende Artillerie.

In 1999 was het KRA, onder commando van luitenant-kolonel Ton van Loon, de eerste Nederlandse eenheid die Kosovo binnentrok in het kader van KFOR. De eenheid beveiligde de regio rond de stad Orahovac, verleende assistentie bij de opvang van de vluchtelingen uit Kosovo en controleerde mede de terugkeer van de Servische troepen en de ontwapening van UCK-strijders. KFOR duurde van april tot en met december 1999.

Op 4 september 2002 kreeg het KRA haar standaard (vaandel). De opschriften op het vaandel zijn: Quatre-Bras 1815; Waterloo 1815; Hasselt 1831; Kermpt 1831 en Leuven 1831.

De Gele Rijders leveren saluutbatterijen en zorgen voor ere-escortes te voet en te paard tijdens Prinsjesdag, staatsbezoeken én huwelijken en begrafenissen van leden van het Koninklijk Huis.

De prachtige uniformen en de historie van de Gele Rijders hebben altijd tot de verbeelding gesproken. Kunstenaars als George Hendrik Breitner, Jan Hoynck van Papendrecht, Jan Willem Pieneman en Willem Constantijn Staring hebben het KRA vereeuwigd.

(Bronnen: onder andere Landmacht (september 2008), http://www.11afdra.nl, http://www.gelerijders.net en http://www.museum-kra.nl)

Terug naar Boven

 

GEMECHANISEERD

Van rupsvoertuigen voorzien. Voorbeeld: een gemechaniseerde eenheid.

Terug naar Boven

 

GEMECHANISEERD BATALJON

In het kader van de achtereenvolgens in Bosnië-Hercegovina ontplooide Implementation Force (IFOR) en de Stabilisation Force (SFOR), van eind 1995 tot eind 2005, heeft Nederland met een gemechaniseerd bataljon deelgenomen.

De hoofdtaak van het Nederlandse gemechaniseerd bataljon binnen IFOR en SFOR was het afschrikken van de voormalig strijdende partijen om vijandelijkheden te hervatten, met name door het uitvoeren van presentiepatrouilles.

De kern van het gemechaniseerde bataljon bestond uit:

 

2 x

compagnie

pantserinfanterie

1 x

eskadron

tank

1 x

sectie

antitank

1 x

sectie

genie

Uit de kern werden drie gemengde teams samengesteld, Alfa- (A-), Bravo- (B-) en Charlie- (C-) Team, in een uitgebalanceerde mix van infanterie en tanks. In het begin (IFOR) had het gemechaniseerd bataljon een sterkte van ruim 850 militairen; in de tweede helft van 1997 steeg dat naar ruim 1.000 om in de periode 2001- 2004 in te krimpen naar ruim 550. Tot het materieel behoorden Leopard 2A6-main battle tanks en YPR-765 pantserrupsvoertuigen (met 25 mm Oerlikon-snelvuurkanon, mitrailleur .50 inch Browning of TOW). Ter ondersteuning bestond het gemechaniseerd bataljon uit:

staf, staf- en verzorgingscompagnie (SSV-compagnie)

mortierpeloton 120 mm

peloton Korps Commandotroepen (KCT)

Schema van de totstandkoming van een gemechaniseerd bataljon. Elke gemechaniseerde brigade was / is in staat om 2 identieke parate bataljons samen te stellen voor bijvoorbeeld uitzendingen (bron: 'Feiten & Getallen', Operationele Staf BLS, januari 2000)

Naast het gemechaniseerd bataljon namen aan IFOR en SFOR in Bosnië-Hercegovina ook detachementen explosieven opruiming en helikopters, een logistiek bataljon en een mortiercompagnie deel.

Zie ook: team.

Terug naar Boven

 

GEMECHANISEERDE EENHEID

Eenheid die een geïntegreerd, al dan niet gepantserd verplaatsingsvermogen heeft, gewoonlijk bestaande uit voertuigen die geschikt zijn voor alle mogelijke terreingesteldheden: gepantserde rupsvoertuigen.

Zo heeft de gemechaniseerde pantserinfanterie tegenwoordig gepantserde wiel- en/of rupsvoertuigen ter beschikking om het gevecht te kunnen aangaan. Tot de ‘lichte pantser’ (light armour) wordt de pantserinfanterie gerekend, terwijl de tankeenheden van de cavalerie traditioneel de ‘zware pantser’ (heavy armour) worden genoemd.

De organisatie van de Koninklijke Landmacht (KL) stond in de jaren ’50 en ’60 van de 20 ste eeuw, met de dreiging van het Warschau Pact ten tijde van de Koude Oorlog, in het teken van een massale mechanisering (bepantsering): aan het einde van de jaren ’80 telde de KL enkele duizenden pantserrupsvoertuigen, ruim 900 main battle tanks en meer dan 400 stuks gemechaniseerde artillerie. Voorbeelden hiervan zijn:

Gemechaniseerde artillerie

M-109 houwitser 155 mm

Pantserhouwitsers

Panzerhaubitze 2000

Pantserrupsvoertuigen

YPR-765

Pantserwielvoertuigen

Patria XA-188 GVV

Tanks

Leopard 2A6 main battle tank

De gemechaniseerde brigades binnen de Koninklijke Landmacht zijn:

43 Gemechaniseerde Brigade

 

13 Gemechaniseerde Brigade

Staf

 

43 Staf- en Stafcompagnie

 

13 Staf- en Stafcompagnie

Gevechtseenheden

 

44 Pantserinfanteriebataljon

45 Pantserinfanteriebataljon

42 Tankbataljon

43 Brigadeverkenningseskadron

 

17 Pantserinfanteriebataljon

42 Pantserinfanteriebataljon

11 Tankbataljon

42 Brigadeverkenningseskadron

Gevechtssteuneenheden

 

14 Afdeling Veldartillerie

11 Pantsergeniebataljon

 

11 Afdeling Rijdende Artillerie

41 Pantsergeniebataljon

Gevechtsverzorgingssteuneenheden

 

43 Geneeskundige Compagnie

43 Herstelcompagnie

13 Geneeskundige Compagnie

13 Herstelcompagnie

Terug naar Boven

 

GEMOTORISEERD

Van wielvoertuigen voorzien. Voorbeeld: een gemotoriseerde eenheid.

Terug naar Boven

 

GEMOTORISEERDE EENHEID

Eenheid die geheel met gemotoriseerde, van een motor voorziene, wielvoertuigen is uitgerust, die ervoor zorgdragen dat alle personeel, wapens en materieel gelijktijdig kunnen worden verplaatst zonder hulp van anderen.

Niet gemotoriseerd betekent hetzelfde als ‘te voet’. Zo is 11 Air Manoeuvre Brigade slechts deels een gemotoriseerde eenheid.

Terug naar Boven

 

GENEESKUNDIGE COMPAGNIE GEMECHANISEERDE BRIGADE

Afgekort: Gnkcie Mechbrig.

Een geneeskundige compagnie van een gemechaniseerde brigades behoort, evenals de bevoorradings- (Bevocie) en herstelcompagnie (Hrstcie), tot de gevechtsverzorgingssteuneenheden van een gemechaniseerde brigade. Een gevechtsverzorgingssteuneenheid levert logistieke en facilitaire ondersteuning aan de gevechts(steun)eenheden binnen eenzelfde brigade, maar incidenteel ook daarbuiten.

In 2005 waren er drie geneeskundige compagnieen van evenzoveel gemechaniseerde brigades:

13 Gnkcie Mechbrig

Generaal-majoor De Ruyter Van Steveninckkazerne

Oirschot

41 Gnkcie Mechbrig

Legerplaats Seedorf

Seedorf (Bondsrepubliek Duitsland)

43 Gnkcie Mechbrig

Johannes Postkazerne

Havelte

Een, wat taakuitvoering en samenstelling, aparte geneeskundige compagnie is 11 Geneeskundige Compagnie Air Manoeuvre Brigade Air Assault te Assen. Met het opheffen van de legerplaats Seedorf, onder andere in het kader van de Reorganisatie Parate KL 2007, is 41 Geneeskundige Compagnie opgeheven.

De geneeskundige compagnie verzorgt voor een belangrijk deel de militaire gezondheidszorg voor alle eenheden van de brigade; zij is verantwoordelijk voor de behandeling én het transport van zieken en gewonden tijdens oefeningen te velde, maar ook tijdens daadwerkelijke inzet bij gevechtsacties, crisisbeheersings- en vredesoperaties, rampenbestrijding en nationale taken.

De geneeskundige compagnie is, behalve met de sec medische dan wel specifiek verpleegkundige zorg, ook belast met:

  • tandheelkundige verzorging
  • hygiëne en preventieve gezondheidszorg (HPG)
  • onderhoud aan geneeskundig materieel

De geneeskundige compagnie bestaat, op oorlogssterkte, uit bijna 300 mannen en vrouwen, van wie in vredestijd op de kazerne ongeveer de helft aanwezig is, met name geneeskundig hulppersoneel en Algemeen Militair Verpleegkundigen (AMV'ers). Teneinde de geneeskundige compagnie te kunnen optoppen op maximale sterkte beschikt zij over direct activeerbare artsen met een zgn. ‘contract bereidheidsverklaring’ (CBV). Om het vervoer van en naar, de opvang en de behandeling van zieken en gewonden op een correcte manier tot zijn recht te laten komen, beschikt de compagnie over moderne medische apparatuur en terreinvaardige gewondentransportmiddelen.

Formeel bestaat de Gnkcie Mechbrig in 2005 nog steeds uit vier pelotons, maar onder invloed van de 'Reorganisatie Parate KL' (2007) - en bij 43 Gnkcie Mechbrig onder invloed van de standby-periode voor de NATO Response Force in de eerste helft van 2005 - zullen de geneeskundige compagnieen eind 2005 herschikt en gereorganiseerd zijn. Daarbij zullen zowel personeel als materieel aan verandering onderhevig zijn.

Ziekenautopeloton (Zaupel):

Het Zaupel bestaat uit drie ziekenautogroepen. Elke groep heeft acht gewondentransportmiddelen van het type Mercedes-Benz 290 GD GWT. Het totaal aan gewondentransportmiddelen is dus 24. Hiermee kunnen de gewonden van de eenheden naar de hulppost of de verbandplaats vervoerd worden.

Hulppostpeloton (Hppel):

Het Hppel biedt niet-specialistische geneeskundige zorg die in de eerste plaats is gericht op levens-, ledemaat- of gezichtsvermogenreddende handelingen. Daarna volgt het verlenen van geneeskundige verzorging ten behoeve van zieken en gewonden die moeten terugkeren naar de eigen eenheid dan wel moeten worden afgevoerd naar een hoger echelon.

Per manoeuvrebataljon wordt, ± 5 km achter het front, een hulppostgroep ingedeeld. Zo’n groep bestaat uit een AMA, een AMV’er, een AMVIG’er, vier BGV’ers en een gewondenvervoerploeg.

De hulppost is een role 1 geneeskundige inrichting. Het Hppel doet de triage P1 tot en met P3, ATLS-behandeling en maakt en houdt zieken en gewonden afvoergereed.

De inzet van het Hppel vloeit voort uit het besluitvormingsproces van de brigadecommandant, waarbij de niet ingezette groepen van het Hppel een reserve-capaciteit vormen.

Verbandplaatspeloton (Vbplpel):

Zowel het Hppel als het Vbplpel worden, afhankelijk van de positie van de Voorste Lijn Eigen Troepen (VLET), verplaatst. Vanaf de verbandplaats worden de zieken en gewonden vervoerd naar het hospitaal.

De verbandplaats is een role 2 geneeskundige inrichting. Het Vbplpel runt de verbandplaats als een opvang- en behandelpunt voor zieken en gewonden die een uitgebreidere behandeling nodig hebben. Bij het Vbplpel worden onder meer kleine chirurgische ingrepen uitgevoerd – overigens zonder dat de verbandplaats over een operatiekamer beschikt – en tandheelkundige zorg verleend. Bovendien beschikt het Vbplpel over een verpleegafdeling waar voor kortere tijd patiënten kunnen worden verpleegd.

Om het zgn. ‘springen’ (verplaatsen van de geneeskundige inrichting) mogelijk te kunnen maken, beschikt het Vbplpel over twee aankomst-, shockbehandel- en verpleeggroepen.

Logistiek peloton (Logpel):

Het Logpel heeft alle middelen in huis om de eigen eenheid te verzorgen, d.w.z. de interne logistiek, én beschikt over de verdeelplaats voor geneeskundige verbruiks- en gebruiksartikelen (klasse VIII) die de geneeskundige brigade-eenheden voorziet van de noodzakelijke genees- en verbandmiddelen.

Daarnaast herbergt het Logpel een bevoorradings-, keuken- en onderhoudsgroep.

Sinds de Reorganisatie Parate KL 2007, ziet het organigram van de Geneeskundige Compagnieën van 13 en 43 Gemechaniseerde Brigade er als volgt uit.

Terug naar Boven

 

GENEESKUNDIGE DIENST

Subdienstvak met een algemene en een specialistische taak. Onder de algemene taken vallen transport, opvang, behandeling en afvoer van zieken en gewonden, het inrichten van geneeskundige inrichtingen tijdens oefeningen en missies, de zorg voor medische apparatuur en de bevoorrading van geneeskundige gebruiks- en verbruiksartikelen. De specialistische taken worden uitgevoerd door artsen, chirurgen, tandartsen, apothekers, verpleegkundigen e.d.

Op 18 oktober 1814 werd de Leidse professor S.J. Brugmans benoemd tot de eerste Inspecteur Militair Geneeskundige Dienst in Nederland. De ingangsdatum van Brugmans' inspecteurschap geldt als de officiële start van de militair-geneeskundige dienst in Nederland.

Op 7 april 1869 is door Koning Willem III de basis van het Regiment Geneeskundige Troepen gelegd, door de oprichting van twee compagnieën hospitaalsoldaten; omstreeks 1900 worden zij verdubbeld en in 1936 wordt de naam hospitaalsoldaten - waarvan afgeleid de term "hospikken" - vervangen door geneeskundige troepen.

Op 10 april 1979, ter gelegenheid van het 110-jarig bestaan van het Regiment Geneeskundige Troepen , werd door Hare Majesteit Koningin Juliana (1909-2004) een vaandel aangeboden. Het vaandel is het symbool voor alle Nederlanders die bij het Regiment dienen, gediend hebben of zullen dienen. Daarom worden aan het vaandel de buitengewone eerbewijzen gebracht (onder andere de eregroet) en wordt het vaandel door een vaandelwacht omgeven.

Op dezelfde dag vond de officiële naamgeving van de Korporaal Van Oudheusdenkazerne, voorheen Marine Opleidingskamp (MOK), plaats met de onthulling van het buste van de korporaal Johannes Martinus Petrus van Oudheusden bij de ingang van de kazerne.

De dienstplichtig korporaal-ziekenverzorger werd op voordracht van Minister van Oorlog Alexander Fiévez volgens Koninklijk Besluit nummer 6 op 19 juli 1946 postuum benoemd tot Ridder der 4de Klasse van de Militaire Willems-Orde:

“Heeft zich in den strijd door het bedrijven van uitstekende daden van moed, beleid en trouw onderscheiden door op 10 mei 1940 nabij het vliegveld Ypenburg als ziekenverzorger bij de 13e Batterij Luchtdoelartillerie met zeer veel opoffering gewonden te verzorgen onder hevig vijandelijk vuur; hij is daarmede doorgegaan ondanks de hem ondergane ernstige mishandeling door een Duitscher. Voorts heeft hij zich in het vijandelijke vuur begeven om te trachten den vijand te bewegen niet op een keet te schieten, waar hij gewonden een ligplaats had verschaft.”)

Het vaandel, gedragen door Regimentsadjudant Ger Stevens.

2004 is derhalve een jubileumjaar: de militair-geneeskundige dienst bestaat 190 jaar, het Regiment Geneeskundige Troepen telt 135 jaar en vijfentwintig jaar geleden ontving het Regiment zijn vaandel.

Door ontwikkelingen op het gebied van de logistiek binnen de Koninklijke Landmacht en door integratie van de dienstvakken van de Technische Dienst, Militaire Administratie, Intendance, Aan- en Afvoertroepen en Geneeskundige Dienst, is met ingang van 1 oktober 2001 al het personeel van de Geneeskundige Dienst registratief ingedeeld bij het Dienstvak der Logistiek. De belangrijkste uiterlijke verandering is dat zowel het baretembleem als de kraagspiegels behorend bij de Geneeskundige Dienst sindsdien worden gedragen op een okergele 'logistieke' ondergrond.

Het baretembleem van de Geneeskundige Dienst is, sinds 1949, een combinatie van schild, zwaard en aesculaap, gedekt door een koninklijke kroon, met terzijde een lauwer- en een eikentak. Het op het baretembleem aangegeven Latijns devies van de Geneeskundige Dienst luidt "Eripiendo victoriae prosum" ("Al helpende dien ik de overwinning" ).

In september 2009 heeft Commandant Landstrijdkrachten besloten dat de logistiek haar voormalige regimentskleuren weer mag dragen. Per 1 oktober 2010 is het personeel van de logistieke regimenten Bevoorradings- en Transporttroepen, Geneeskundige Troepen en Technische Troepen en het logistieke korps Militaire Administratie daadwerkelijk opnieuw gerechtigd de voormalige regimentskleuren (kraagspiegels en baretondergrond) te dragen:

Bevoorradings- en Transporttroepen

karmozijn rood vóór en nassaublauw achter

Geneeskundige Troepen

groen

Militaire Administratie

karmozijn rood

Technische Troepen

zwart

Meer informatie over het mooiste werkgebied binnen de Koninklijke Landmacht is te vinden op de website van het Regiment Geneeskundige Troepen .

Terug naar Boven

 

GENEESKUNDIG LUCHTTRANSPORT

Zie verder: luchtgewondentransport.

Terug naar Boven

 

GENERAAL-MAJOOR DE RUYTER VAN STEVENINCKKAZERNE

Deze kazerne, gelegen aan de Eindhovensedijk in Oirschot, is de thuisbasis van 13 Gemechaniseerde Brigade en het rijopleidingscentrum Strijpse Kampen.

De kazerne is vernoemd naar A(lbert) C(ornelis) de Ruyter van Steveninck (1895-1949), als luitenant-kolonel commandant van de roemruchte Prinses Irenebrigade (PIB), de voorloper van 17 Pantserinfanteriebataljon Garderegiment Fuseliers Prinses Irene (GFPI).

Links luitenant-kolonel A.C. De Ruyter van Steveninck, rechts de hoofdpoort van de Generaal-majoor De Ruyter van Steveninckkazerne in Oirschot

In mei 1941 kreeg de PIB bij Wolverhampton een eigen trainingskamp en in juli 1943 werd de brigade ingedeeld bij de Britse 21ste Army Group om deel te nemen aan de invasie op de kust van Normandië. In augustus 1944 werd de PIB ingescheept met als bestemming Frankrijk, waar zij tussen 6 en 8 augustus bij Courseulles-sur-Mer aankwam. Van hieruit begon de veldtocht door Frankrijk en België naar Nederland onder leiding van luitenant-kolonel De Ruyter van Steveninck. De eerste gevechten van de Brigade op 12 augustus bij Saint Côme. Via de Seine overschreed de luitenant-kolonel op 21 september 1944 met zijn brigade ten zuiden van Valkenswaard de Nederlandse grens.

De luitenant-kolonel opperde later het plan om als blijvende herinnering aan de invasie en aan de veldtocht door Frankrijk, België en Nederland alle militairen van de PIB met een oranje-blauw fluitkoord om de linkerschouder uit te rusten.

Kort voor zijn overlijden volgde De Ruyter van Steveninck's bevordering tot generaal-majoor.

Zie ook: Prinses Irene Brigade en Strijpse Kampen.

Terug naar Boven

 

GENERAAL SPOORKAZERNE

Deze kazerne, gelegen aan de Leuvenumseweg in Ermelo, is de thuisbasis van het Schoolbataljon Centraal en 400 Geneeskundig Bataljon. De kazerne is vernoemd naar S(imon) H(endrik) Spoor (1902-1949), oud-stafofficier van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger ( KNIL), die vanaf januari 1946 in de rang van luitenant-generaal legercommandant in Indië was. Generaal Spoor werd gerespecteerd om zijn kennis van militaire operaties, politieke zaken en tactisch inzicht, en hij was zéér populair bij de troepen.

Foto-compilatie generaal Spoor (© website 3-5 RI - 3 de Bataljon van het 5 de Regiment Infanterie – van de ‘7 December' Divisie voor, tijdens en na de Politionele Acties op Oost-Java van 1946-1949)

Spoor kreeg als opdracht orde en rust te herstellen in Indië. Al vanaf de proclamatie van de onafhankelijkheid werd Indië geteisterd door geweld. Groepen pemuda's (jonge revolutionairen) en overigen vochten tegen de terugkeer van de Nederlanders. In 1947 besloot Nederland tot militaire actie tegen de Republiek Indonesië. De Eerste Politionele Actie van 21 juli tot 5 augustus 1947 onder de naam ‘Operatie Product', had als doel het herwinnen van economisch belangrijke gebieden op Java en Sumatra, maar de Republikeinse hoofdstad Djokjakarta mocht door de legerleiding niet worden bezet.

Omdat de bestandsschendingen in 1948 bleven voortduren, drong de legerleiding aan op hernieuwde militaire actie om Djokjakarta te neutraliseren. De Tweede Politionele Actie, onder de naam ‘Operatie Kraai', werd gevoerd van 18 december 1948 tot 5 januari 1949, waarbij Djokjakarta werd bezet door luchtlandingseenheden en de Republikeinse leiders Ahmed Soekarno en Mohammad Hatta gevangen werden genomen.

Omdat Java begin 1949 geheel bezet was, vereiste het onder controle houden van de veroverde gebieden onafgebroken activiteit van de Nederlandse troepen. De ontruiming van Djokjakarta in mei 1949 was echter géén militaire noodzaak, maar werd Nederland opgedrongen door het Van Roijen-Roem-akkoord.

Het akkoord – dat ook een wapenstilstand en de vrijlating van Soekarno en Hatta afdwong - zou uiteindelijk onder grote internationale druk en met weerzin van Nederlandse kant leiden tot de soevereiniteitsoverdracht van voormalig Nederlands-Indië aan Indonesië op 27 december 1949.

Op 23 mei 1949 werd Spoor tot generaal bevorderd. Nog dezelfde dag werd hij plots ernstig ziek; twee dagen later overleed hij in Batavia aan een hartaanval. Postuum werd hij benoemd tot Commandeur in de Militaire Willems-Orde.

De generaal werd op 28 mei 1949 begraven op het ereveld Menteng Pulu (Batavia), te midden van zijn manschappen.

Locatie van de Generaal Spoorkazerne in Ermelo zoals die is aangegeven op de stafkaart 26 Oost Harderwijk.

Terug naar Boven

 

GENERAAL STURGES CUP

Traditie van het Korps Commandotroepen. Tijdens de feestelijke baretuitreiking na het voltooien van de Elementaire Commando Opleiding (ECO), drinkt de ‘best man’ van de opleiding uit de Generaal Sturges Cup.

Geheel in traditie neemt eerst de commandant van het KCT een slok van het ‘geheime’ drankje uit de beker met twee oren, daarna is de ‘best man’ van de voorlaatste opleidingslichting aan de beurt en tot slot de nieuwe ‘best man’. Deze heeft de eer de beker ad fundum te mogen leegdrinken.

De naam van de ‘best man’ wordt bijgeschreven op de erelijst onder de Tranenpoort, de zij-ingang van de Engelbrecht van Nassaukazerne in Roosendaal. Tevens krijgt de ‘best man’ een replica van de Generaal Sturges Cup met inscriptie “Best Man Liplg......".

Naamgever is de toenmalige Britse generaal-majoor Sir Robert Grice Sturges (1891-1970), die de cup in de Tweede Wereldoorlog aan het KCT overhandigde. Sturges - door Louis Mountbatten benoemd - was van 1943 tot '45 commandant van de Special Service Group.

De Special Service Group (SSG) voerde vanaf het laatste kwartaal van 1943 het bevel over álle Britse commando-eenheden, zowel Army Commandos als Royal Marine Commandos. Generaal-majoor Sturges had eind 1943 vier Special Service Brigades (SS Bde), genummerd 1 tot en met 4, geformeerd die dienst zouden verrichten in achtereenvolgens Europa, het Middellandse Zeegebied, het Verre Oosten en weer Europa. Elke SS Bde was samengesteld uit eenheden Army Commandos en eenheden Royal Marine Commandos, met een gecombineerd hoofdkwartier.

Terug naar Boven

 

GENERAAL WINKELMANKAZERNE

De Generaal Winkelmankazerne, annex Legerplaats Harskamp, is gelegen in aan de Otterloseweg in Harskamp, gemeente Ede.

Tot 2007 was Generaal Winkelmankazerne de naam van een legerplaats aan de Elspeterweg in Nunspeet, ingesloten tussen de Westeindsche Heide en de Elspeetsche Heide. Tot 1973 heette die Legerplaats Nunspeet. In 1996 werd deze kazerne gesloten, vanaf 2004 gesloopt en op 15 mei 2007 overgedragen aan Staatsbosbeheer. Hiermee werd in totaaal 1.180 hectare - kazerne en omliggende oefenterreinen - teruggegeven aan de natuur.

De kazerne is vernoemd naar generaal Henri Gerard Winkelman (1876-1952).

Terug naar Boven

 

GENIE

Spandoek dat oproept voor een baan bij de genie, zoals dat in 2005 lange tijd te zien is geweest bij de ingang van de Johannes Postkazerne in Havelte

Gevechtsondersteunend wapen dat zich met name bezighoudt met het zorgdragen voor (contra-)mobiliteit, zoals:

beschermen tegen NBC-strijdmiddelen

civiel-technische vraagstukken

> aanleg en onderhoud van wegen
> aanleg van bruggen
> overige militaire werken

opwerpen van tankgrachten

werken met / onschadelijk maken van springmiddelen

De taken van de genie laten zich het best omschrijven als het optimaal conditioneren van het terrein, met inbegrip van de infrastructuur, ten gunste van de bewegingsmogelijkheden en de continuïteit van de eigen troepen en ten nadele van de vijand. In de laatste categorie vallen het opwerpen van hindernissen en het ontzeggen van terrein(delen). Ten gunste van de eigen strijdkrachten gelden het overwinnen van hindernissen, het aanpassen/instandhouden van gebouwen, werken en het wegennet en het misleiden van de vijand.

De genie kent haar oorsprong in 1748. Op 15 mei 1748 werd het Regiment Mineurs en Sappeurs opgericht door kolonel Nicolaas François de Torcy, baron van Breda. De taken van het regiment waren oorspronkelijk dan ook mineren en sapperen:

Mineren

Ondergraven en met springmiddelen (buskruit e.d.) in de lucht laten vliegen van een brug, loopgraaf of vestingwerk van de tegenstander. Ontleend aan het Frans “miner”.

Sapperen

Aanleggen van, al dan niet met schanskorven en fascines gedekte, loopgraven en veldversterkingen. Via zo’n loopgraaf of tranchée (van het Frans “sape”, oud-Nederlands “sappe”) of, al dan niet ondergrondse, tunnel kon een directe aanval worden gedaan op de fundamenten of muren van een vestingwerk.

Het kwam voort uit het Corps Ingenieurs en het Corps Mineurs en Sappeurs; jaarlijks wordt op 15 mei de verjaardag van het regiment gevierd.

Op 9 januari 1814 werd het regiment uitgebreid met de pontonniers tot het Bataljon Pontonniers, Mineurs en Sappeurs. Acht jaar later, onder Napoleon, werden de pontonniers registratief onderverdeeld bij het wapen der artillerie. In 1827 werd het Korps Pontonniers en Torpedisten - belast met het slaan van bruggen en het aanbrengen van versperringen in de grote rivieren - dan weer ondergebracht bij het wapen der genie.

De toenmalige commandant Veldleger, luitenant-generaal Muller-Massis reikte op 30 april 1927 in Utrecht namens Hare Majesteit Koningin Wilhelmina het eerste vaandel uit aan Regimentscommandant kolonel Bueno de Mesquita. Op 14 mei 1940 is het vaandel op last van de Depotcommandant, luitenant-kolonel Van de Berg in Schoonhoven, verbrand om te voorkomen dat het in handen van de Duitsers zou vallen.

Op 1 oktober 1938 was de indeling alweer veranderd:

1ste Regiment Genietroepen, Pionniers en Spoorwegtroepen

2de Regiment Genietroepen Verbindingstroepen

3de Regiment Genietroepen Verlichtingstroepen

Korps Pontonniers en Torpedisten

Op 15 juli 1940 zijn alle hierboven genoemde eenheden ontbonden, om na de Tweede Wereldoorlog stukje bij beetje in onderdelen te worden heropgericht:

20 september 1944

1ste Regiment Verbindingstroepen; op 1 mei 1949 definitief overgaand in het Wapen der Verbindingsdienst

15 januari 1945

1ste Regiment Pionniers

15 januari 1948Regiment Pontonniers

 

 

Veldtocht van 1815

Krijgsverrichtingen in 1830 en 1831

Citadel van Antwerpen 1832

Rotterdam 1940

Java en Sumatra 1946-1949 (op een cravatte)

Op 20 mei 1948 werd door Z.K.H. Prins Bernhard een vervangend vaandel aan de genie uitgereikt, met daarop de volgende opschriften:

Op 15 mei 1973 is dit (tweede) vaandel vanwege slijtage door een nieuw exemplaar vervangen, waarmee het vaandel uit 1948 in het Geniemuseum is ondergebracht.

Vanaf 1950 hadden de vele eenheden van de genie elk een eigen regiment, dat op 1 januari 1972 tot één Regiment Genietroepen werd samengevoegd.

De locaties van de genie zijn:

Bron: HB 5-3 (Handboek geniesoldaat), druk 1.

In 2000 werd 101 Geniebataljon (101 Gnbat) opgericht. Een jaar later was het bataljon operationeel. In 2003 is 101 Gnbat uitgebreid met 101 CBRN-verdedigingscompagnie, in 2005 met 105 Brugcompagnie.

Bij de eenheid werken de “aannemers” van Defensie, die ervoor zorgen dat alle eenheden van de krijgsmacht bij operationele inzet gebruik kunnen maken van een complete infrastructuur met nutsvoorzieningen (elektriciteit, gas en water): bruggen, compounds, gebouwen, logistieke installaties en wegen.

Het embleem van 101 Geniebataljon bestaat uit vier elementen van de genie: een hindernisgordel, een brug, water en een weg. Samen vormen deze elementen een kasteeltoren – de internationale afbeelding van de constructiegenie. Haar devies is “Aut bene aut non” (“Of goed, of niet”).

Stamboom van de genie (bron: De Onderofficier).

Al in 1927 ontving de genie, namens Koningin Wilhelmina, een vaandel uit handen van luitenant-generaal Th. F. J. Muller-Massis, de Commandant van het Veldleger. Dat vaandel werd in 1940, op last van de toenmalige depotcommandant, in Schoonhoven verbrand opdat het niet in handen van de Duitse bezetter zou komen.

Bij het 200-jarig bestaan van het Regiment Genietroepen reikte Prins Bernhard op 20 mei 1948 een nieuw vaandel uit, dat is ondergebracht in het Geniemuseum.

Het huidige vaandel verving op 15 mei 1973 het vaandel uit 1948 en werd opnieuw uitgereikt door Prins Bernhard. Dit vaandel heeft de volgende opschriften: Veldtocht van 1815, Krijgsverrichtingen in 1830 en 1831, Citadel van Antwerpen 1832, Rotterdam 1940 en Java en Sumatra 1946-1949.

Zie ook: Baileybrug, Bozena-4 M.M.C.S., medium girder bridge, mineur, pionier, pontonnier, Prinses Margrietkazerne, sappeur, Scanjack 3500 en vouwbrug.

Terug naar Boven

 

GENOCIDE

Term bestaat uit de Griekse woorden “genos” (ras, natie of volk) en het achtervoegsel “cide” (moorden). Stelselmatige en opzettelijke uitroeiing van een etnische bevolkingsgroep, natie, ras of volk. Synoniem: volkerenmoord.

Sinds de Tweede Wereldoorlog wordt de term toegepast op bijvoorbeeld de georganiseerde moord op 6 miljoen joden, Roma, Sinti, zigeuners, homoseksuelen en gehandicapten (holocaust).

Al in 1951 werd door de Verenigde Naties een conventie aangenomen die genocide verbiedt, de zgn. Convention on the Prevention and Punishment of the Crime of Genocide. Genocide wordt heden ten dage vaak in één adem genoemd met ‘etnische zuiveringen’ en/of ‘misdaden tegen de menselijkheid’, termen waarvan de vlag niet altijd dezelfde lading dekt als die van genocide.

In de hedendaagse geschiedenis geldt de door Bosnisch-Servische militairen gepleegde moord op 7.000 moslimmannen uit de enclave Srebrenica – waar Dutchbat was gestationeerd – als een dieptepunt in de historie van genocide.

Cartoon van Zak (Jacques Moeraert), de Volkskrant, 5 februari 2005

Genocide wordt door super- en supranationale organen als NAVO, OVSE, VN en WEU al dan niet aangegrepen als redengeving voor militair optreden. Zo niet, dan is het al dan niet plaatshebben van genocide op zijn minst een discussiepunt voor media en politiek.

Terug naar Boven

 

GESCHIEDENIS, MILITAIRE

Duits: Kriegsgeschichte; Militärgeschichte. Engels: military history. Frans: histoire militaire. Synoniemen: krijgsgeschiedenis, krijgshistorie, krijgswetenschap.

In Nederland is het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) hét gespecialiseerde kennis- en onderzoekscentrum op het gebied van de militaire geschiedenis met betrekking tot de Nederlandse krijgsmacht in binnen- en buitenland, te land, ter zee en in de lucht, in de periode van de Tachtigjarige Oorlog tot heden.

In het algemeen documenteert en onderzoekt militaire geschiedenis de oorzaak en de gevolgen, al dan niet in causaal verband, van gewapende conflicten en de daaraan gerelateerde militaire inrichting van staten, tijdperken en dergelijke (krijgswezen).

Dit is niet alleen nuttig in het kader van feitenonderzoek, maar ook in het belang van het analyseren van de mogelijke denkfouten die politici en generaals in tijden van oorlog en andersoortige gewapende conflicten hebben gemaakt.

Militaire geschiedenis strekt zich uit over alle niveaus van de Defensieorganisatie (krijgsbedrijf), gaat in op de (geo-)politieke, sociale en technologische invloeden op de krijgsmacht en op het inzicht in de psychologie en sociologie van militairen.

In 2006 verscheen de handleiding ‘Hoe verzorg ik militair-historisch onderwijs te velde’ van het NIMH – uitsluitend bestemd voor onderwijsdoeleinden bij Defensie (formaat A6, 30 pagina’s).

Krijgswetenschap houdt zich nadrukkelijk ook bezig met operationele analyse, niet zelden gebaseerd op de lessons identified en lessons learned uit de recente (krijgs)geschiedenis. Ook de meningsvorming en uitwisseling van standpunten, tijdens en achteraf, zijn hierbij van belang.

Naslagwerken waarin dieper wordt ingegaan op de diverse aspecten van militaire geschiedenis zijn het ‘Militair woordenboek’ (1861) van Heinrich M.F. Landolt en het proefschrift ‘Tactische systemen. Een vergelijking van het militair optreden van land-, zee- en luchtstrijdkrachten’ (2006) van Guy R.L. Schokking.

Terug naar Boven

 

GEVAARLIJKE STOFFEN

Explosief (Ontplofbaar) Stoffen die door schok, wrijving, vuur of andere ontstekingsoorzaken kunnen exploderen
Oxiderend Stoffen die na contact met brandbaar materiaal brand dan wel een explosie kunnen veroorzaken
Ontvlambaar Vloeistoffen die een vlampunt kleiner dan 0°C hebben en/of een kookpunt groter dan 35°C; vaste stoffen die zelf kunnen ontbranden of ontvlambaar zijn na een kortdurend contact met een ontstekingsbron; gassen die met lucht ontvlambaar zijn; stoffen die met water brandbare gassen ontwikkelen.
Giftig
Schadelijk (Irriterend)Stoffen die huidontstekingen of oogbeschadigingen kunnen veroorzaken
Corrosief (Bijtend)Stoffen die de huid over de volledige dikte kunnen aantasten
Milieugevaarlijk Stoffen die onmiddellijk of na verloop van tijd gevaar voor één of meerdere milieucompartimenten (kunnen) opleveren

Terug naar Boven

 

GEVECHTSBAAN

Duits: Nahkampfbahn. Engels: combat range; assault course. Frans: gamme de combat.

De gevechtsbaan in gebruik

De gevechtsbaan – een onderdeel van het Infanterie Schietkamp (ISK) in Harskamp, gemeente Ede – is een 100 meter lange baan, die moet worden genomen in tijgersluipgang. De baan is in 1953 in gebruik genomen. Militairen worden op de baan geoefend in het nemen van een hindernisbaan onder vijandelijk vuur ten behoeve van het nabijgevecht.

Burgermedewerker bezig met één van de drie MAG-mitrailleurs. Het is belangrijk dat de schiethoogte van de mitrailleurs die over de oefenende eenheid vuren, correct is ingesteld.

Het mitrailleurvuur vindt over de militairen heen plaats vanuit 3 vaste breedte-opstellingen met MAG-mitrailleurs (kaliber 7,62 mm of .30) die op 1 meter 50 boven het maaiveld vuur uitbrengen. De detonaties vinden plaats in de zgn. trotyl- of TNT-putten.

Elke oefening op de gevechtsbaan wordt vanuit 2 controletorens nauwlettend in de gaten gehouden.

De baan bestaat uit prikkeldraad- en schrikdraadafzettingen, links en rechts detonerende trotylputten, een bunker waarin al dan niet water staat, en boomstammen die over een tankgracht liggen. Geluidseffecten van detonerende explosieven en laag overvliegende gevechtsvliegtuigen completeren het realistische geheel.

De oefening wordt aangevangen in gevechtsoverall én met een genummerde helm, opdat vanuit de controletorens per individuele militair kan worden bijgestuurd (“Nummer 13, laag blijven!”). De persoonlijke en groepswapens zijn (half)geladen. Zowel begin- als eindpunt zijn een loopgraaf. Tussen beide loopgraven moet in tijgersluipgang – met buik, handen en voeten zo laag mogelijk bij het maaiveld – worden verplaatst.

Aan het eindpunt moet vanuit de loopgraaf vuur worden uitgebracht op doelen in het voorterrein, nadat de wapens provisorisch zijn onderhouden. De schietoefening levert punten op, waardoor eenheden in competitieverband met elkaar kunnen wedijveren. Na de schietoefening keren de militairen in looppas terug naar het beginpunt van de oefening.

Zie ook: Infanterie Schietkamp (ISK).

Terug naar Boven

 

GEVECHTSHANDLEIDING

Voorschrift (VS) 2-1386. Na 1950 is binnen de Koninklijke Landmacht met grote voortvarendheid gewerkt aan doctrinevorming, maar tot bijna het einde van de 20ste eeuw, met inbegrip van de periode van de Koude Oorlog, is de Gevechtshandleiding doorgegaan als vigerend dienstvoorschrift.

De Gevechtshandleiding bevatte specifiek de regels voor het voeren van het gevecht ten behoeve van de officieren van de KL. De laatste versie dateert van 1957.

De Gevechtsahandleiding is in 1998 vervangen door de delen A (Grondslagen) en B (Reguliere gevechtsoperaties) van de Landmacht Dotrine Publikatie II (Gevechtsoperaties).

Terug naar Boven

 

GEVECHTSINSIGNE

Officieel: Insigne voor optreden onder gevechtsomstandigheden. Geïntroduceerd door het Ministerie van Defensie op 22 oktober 2008. Het bronskleurige insigne is een liggend-ovale lauwerkrans met daaroverheen een blank wapen.

Door de Commandant der Strijdkrachten individueel toe te kennen insigne voor militairen die hebben deelgenomen aan een operatie “waarbij sprake is van vijandelijk optreden met direct vuur of hiermee vergelijkbare gevechtsomstandigheden”. In voorkomend geval kan het gevechtsinsigne postuum worden toegekend.

De decorandus moet overeenkomstig de geldende Rules of Engagement (ROE) aan het gevechtscontact (TIC) hebben deelgenomen. Hieronder valt iedere vorm van actief en adequaat handelen, anders dan acties uitsluitend in het kader van de persoonlijke veiligheid, binnen het begrip deelname aan het gevechtscontact.

Het in 2008 ingestelde insigne voor optreden onder gevechtsomstandigheden

De onderscheiding is met terugwerkende kracht ingevoerd vanaf 1 juni 2001, toen het huidige, in 1994 herziene Decoratiestelsel is ingegaan. Het insigne is bedoeld als een blijvende waardering naast de onderscheidingen in het Decoratiestelsel en de verschillende Dapperheidsonderscheidingen, in volgorde van belangrijkheid: Militaire Willems-Orde, Bronzen Leeuw, Bronzen Kruis, Kruis van Verdienste en Vliegerkruis.

Eerste gevechtsinsignes uitgereikt in Uruzgan

Het gevechtsinsigne in brons wordt gedragen op het Dagelijks Tenue (DT), de stoffen variant boven de rechterborstzak van het gevechtstenue.

Op 9 juli 2009 heeft de Commandant der Strijdkrachten, generaal Peter van Uhm, op 9 juli jl. op Kamp Holland in Tarin Kowt voor het eerst het Insigne voor Optreden onder Gevechtsomstandigheden toegekend aan militairen die onlangs een troops in contact (TIC) of aanslag met een improvised explosive device (IED) hebben meegemaakt.

Terug naar Boven

 

GEVECHTSKRACHT

Duits: Kampfkraft. Engels: combat power; fighting power; combat capability. Frans: capacité opérationnelle. Synoniem ≈ crisisbeheersingsvermogen.

Totaal aan vernietigingskracht (destructive force) en/of ontwrichtend vermogen (disruptive force) dat door een militaire eenheid of formatie op een bepaalde moment tegen een vijand kan worden ingezet - in de vorm van een gevecht(sactie).

Gevechtskracht is de fysieke component van het militair vermogen, waartoe ook de elementen geoefendheid (collective performance), gereedheid (readiness) en voortzettingsvermogen (sustainability) behoren. Een ongeoefende, niet tijdig beschikbare en op de specifieke missie voorbereide krijgsmacht zonder voortzettingsvermogen levert géén gevechtskracht. Het militair vermogen bestaat verder uit de conceptuele (intellectuele) en mentale componenten. De samenhang van de drie componenten is bepalend voor de kwaliteit van het militair vermogen.

Het leveren van gevechtskracht is zowel het bestaansrecht als de kerntaak (core task), van een krijgsmacht. Volgens het Mission Statement Koninklijke Landmacht, punt 2, beschikt ze “over effectieve gevechtskracht, efficiënte logistiek, modern en hoogwaardig materieel”. De gevechtskracht moet dus “effectief” zijn: van betekenis, doeltreffend. Zuivere gevechtskracht is niet het enige waarover een krijgs- of strijdmacht dient te beschikken. De teeth-to-tail-ratio plaatst de gevechts- en gevechtsteuneenheden in verhouding tot de logistiek (gevechtsverzorgingssteuneenheden), die “efficiënt” moeten zijn: doelmatig, zoveel mogelijk output leveren met zo min mogelijk input.

De beschikbaarheid van gevechtskracht komt tot uitdrukking in de operationele capaciteit: de kwantiteit en de kwaliteit van de inzetbare militairen in werkelijke dienst, de mate van georganiseerd- en gestructureerdheid van eenheden, het materieel waar ze over beschikken en de opleiding en training die ze hebben genoten.

Het beschikken over militaire gevechtskracht is een voorwaarde voor succes bij het geautoriseerd gebruik van geweld door militairen of het dreigen daarmee (militair optreden). De functies van militair optreden – bescherming, commandovoering, inlichtingen, logistiek,  manoeuvre en vuursteun – bepalen gezamenlijk en in samenhang de gevechtskracht.

Gevechtskracht is één van de zes slagordefactoren, naast samenstelling, eigenaardigheden, dispositie, beperkingen en activiteiten.

In tegenstelling tot in de tijd van de symmetrische conflicten met lineaire gevechtsvelden, wordt gevechtskracht anno 21ste eeuw steeds meer gegenereerd in een combined, interagency, joint en publieke context. Als gevolg van technologische ontwikkelingen berust de gevechtskracht tegenwoordig steeds minder op grote aantallen wapens(ystemen) en militairen. Reducties van krijgsmachten na het einde van de Koude Oorlog worden in ruime mate gecompenseerd door de invoering van nieuwe technologie.

Terug naar Boven

 

GEVECHTSKRACHTVERHOUDING

De verhouding van de het aantal eigen troepen tot het aantal vijandelijke troepen. Is de gevechtskrachtverhouding negatief, dan is de vijand numeriek sterker dan de eigen troepen. Indien de eigen troepen numeriek sterker zijn dan de vijand, is sprake van een positieve gevechtskrachtverhouding.

In het algemeen wordt gesteld dat bij een aanvallend gevecht de gevechtskrachtverhouding minimaal 3 : 1 moet zijn, d.w.z. 3 eigen militairen ten opzichte van 1 vijandelijke. Bij een aanvallend gevecht bij het optreden in verstedelijkte gebieden (OVG) kan de gevechtskrachtverhouding oplopen tot 6 : 1 of zelfs 8 : 1.

Verrassing en beweeglijkheid hebben een positieve invloed op de gevechtskrachtverhouding; hierdoor wordt een doeltreffender gebruik van de eigen middelen bevorderd, onder andere door gebruik te maken van minder voor de hand liggende wijzen van optreden zoals:

  • benutten van een minder voor de hand liggende naderingsmogelijkheid
  • in ongunstig terrein optreden

Bij een negatieve gevechtskrachtverhouding – tijdens het verdedigend gevecht of het vertragend gevecht – lopen eenheden groot risico om gebonden te raken. Vaak zullen zij het nabijgevecht moeten voeren (tot maximaal 500 meter afstand). Een negatieve gevechtskrachtverhouding zal planmatig leiden tot een grotere verliesverwachting.

Zie ook: verliesverwachting.

Terug naar Boven

 

GEVECHTSLAARS

Synoniemen: kistjes; soldatenkistjes.

Ietwat logge schoenen zoals die in de regel door militairen worden gedragen. Sinds 1990 zijn binnen de KL de gevechtslaarzen M90 in gebruik, zwarte laarzen die behoren tot het gevechtstenue (GVT) van de persoonsgebonden uitrusting (PGU).

De gevechtslaarzen zijn verkrijgbaar in 60 verschillende maten volgens de maatvoering mondopoint R1 (220 t/m 315, oplopend per 5 mm), d.w.z. 20 lengtematen en 3 wijdtematen (small, medium en large). De M90 heeft een lederen binnenzool en voering, een rubberen loopzool en een gekartonneerd-verharde neus. Het volnerf leder is 2,6 mm dik.

Gevechtslaars M90

De M90 is verkrijgbaar in het klassieke model (met sleuf in de hak) en het moderne model (zonder sleuf in de hak). Het moderne model is de lichtgewicht variant. De schoenen worden afgeleverd met groene inlegzool, veters en onderhoudsset. In eerste instantie werd de schoen gefabriceerd door Bata (Best), later door Gerba (Dongen).

De M90 is de vervanging van de hoge bruine gevechtslaarzen die in diverse varianten vanaf 1957 dienst hebben gedaan.

In de meest vreemde functionaliteit duiken de oude bruine gevechtslaarzen op: hier als bloembakken voor hedra.

Terug naar Boven

 

GEVECHTSPAUZE

Ook genaamd: operationele pauze; vuurpauze. Duits: Feuerpauze. Engels: combat pause. Relatief rustige periode tussen twee gevechten dan wel gevechtsacties, die wordt benut om:

  • (om tactische redenen) om tijdwinst te boeken; in dit geval is sprake van een verboden strijdwijze, als de gevechtspauze is overeengekomen met de vijand
  • de eenheid te reorganiseren (wijzigen van de gevechtsorganisatie)
  • doden op te zoeken en te verzamelen

Een gevecht(sactie) kan zonder gevechtspauze geen doorgang vinden, omdat militaire operaties nu eenmaal niet onafgebroken kunnen worden uitgevoerd.

Gedurende de gevechtspauze moet op welk wijze dan ook het initiatief worden behouden.

Terug naar Boven

 

GEVECHTSRANTSOEN

Duits: Einmannpackung; Tagesration; Verpflegungsration. Engels: combat ration. Frans: ration de combat.

De inhoud van een doosje 'gevechtsrantsoen ontbijt/lunch voor 24 uur' maakt deel uit van één complete WOL-cyclus (warme maaltijd, ontbijt en lunch). De warme maaltijd bestaat uit twee blikken Struik.

Idealiter komt de sergeant distributie aan het einde van de middag met voeding die reeds is bereid (b.v. opvoer in gamellen) of niet is bereid (b.v. koken in natura of twee blikken warme maaltijd).

Na de uitgifte van een warme maaltijd neemt de individuele militair een doosje gevechtsrantsoen ontbijt / lunch voor 24 uur mee; deze WOL-cyclus kan zich dagelijks herhalen. De inhoud van een doosje gevechtsrantsoen ontbijt/lunch voor 24 uur bestaat uit:

Zie ook: noodrantsoen.

Terug naar Boven

 

GEVECHTSTREIN

Afgekort: gevtn. Duits: vorgeschobene Versorgungsdienste. Engels: combat battle train. Frans: trains de combat.

Vóór de invoering van het concept fysieke distributie: het geheel van personeel en materieel dat ten behoeve van de gevechtslogistiek nodig is voor de directe logistieke steun aan een eenheid ter grootte van een compagnie, bataljon- of team bij gevechtsacties. Hiertoe behoren in de regel tenminste staf, administratie, bergingscapaciteit, distributie (klasse I, III en V), geneeskundige afvoer en onderhoudsdiagnose, zodat elke gebruikende eenheid altijd kan terugvallen op haar eigen, beperkte capaciteit.

De organiek aanwezige, dan wel bijeengebrachte, gevechtslogistieke elementen worden bij een gevechtsactie vooruitgeschoven. Bij de meeste gevechtsacties zal de prioriteit liggen bij de afvoer van gewonden en de brandstof- en munitiebevoorrading. Bij gevechtsacties die korter duren dan 48 uur zal de gevechtstrein in de regel niet worden uitgebracht, maar zullen zowel de logistieke zelfstandigheid van de ingezette eenheid worden verhoogd als onderbevelstellingen plaatsvinden van logistieke middelen van het naasthogere echelon. Een voorbeeld hiervan is het uitbrengen van een hulppost.

Het hoofd van de Sectie 4 kan middelen aan de gevechtstrein toevoegen. De gevechtstrein wordt geleid door de bataljons- (BA) of compagniesadjudant (CA).

Zie ook: goederentrein.

Terug naar Boven

 

GEVECHTSVELDNOODFREQUENTIE

Engels: combat scene of action frequency (CSAF). Frans: fréquence pour la zone opérationnelle de combat.

In de regel analoge radiofrequentie in de korte golf (HF) die door eenheden moet worden gehanteerd wanneer gebruikmaking van een vooraf bekendgesteld verbindingsplan niet (meer) mogelijk is. Op de gevechtsveldnoodfrequentie kunnen eenheden (radiostations) die in nood verkeren en via de gebruikelijke frequenties geen contact (meer) kunnen krijgen met het hogere niveau, zich melden.

Bekendste voorbeeld hiervan zijn geëxfiltreerde eenheden die geen radiocontact (meer) hebben met het hogere niveau maar naar eigen troepen willen terugkeren. Het netcontrolestation (NCS), dan wel een door het NCS aangewezen radiostation, luistert permanent in op de gevechtsveldnoodfrequentie.

Terug naar Boven

 

GEVECHTSVELDVERLICHTING

Duits: Gefechtsfeldbeleuchtung; Schlachtfeldbeleuchtung. Engels: battlefield illumination. Frans: éclairement du champ de bataille.

Door artillerie, mortieren of luchtgebonden middelen afroepen van verlichting van het gevechtsveld ten behoeve van de waarneming  in gebieden waar de inzet van nachtzichtapparatuur niet mogelijk is. Hiertoe wordt lichtmunitie gebruikt, die kunstmatig de zichtconditie kan verbeteren.

Een of meerdere lichtgranaatschoten, al dan niet in combinatie met fosfor en/of rook, zijn voldoende effectief bij het markeren van vijandelijke bewegingen (silhouetwerking) en opstellingen, het ondersteunen van nachtelijke patrouilles, ten behoeve van close air support (CAS) of worden aangewend bij ontdekking door de vijand of na het inzetten van een aanval.

Met het uitzetten van struikeldraden met lichtsein (trip flares) en door het gebruik van zoeklichten op vlieg- en voertuigen kan eveneens gevechtsveldverlichting worden gecreëerd.

Inzet van gevechtsveldverlichting:

bestoken van vijandelijke posities

doelen aanduiden voor onder andere close air support (CAS)

justeren bij nacht mogelijk te maken

opsporen van verdachte vijandelijke activiteiten

richting aangeven aan bevriende troepen voor aanval of patrouille

storen of neutraliseren van vijandelijke nachtzichtapparatuur

Voor- en nadelen:

beïnvloedt de waarneming met nachtzichtapparatuur (optronica)
vereist nauwkeurige coördinatie en gedetailleerde planning
vermindert het verrassingseffect

Zie ook: lichtmunitie.

Terug naar Boven

 

GEVECHTSVERLIES

Het gevechtsverlies wordt gevormd door:

 

ENGELS

NEDERLANDS

% AVT

KIA

Killed In Action

gesneuvelde militairen

20%

MIA

Missing In Action

vermiste of gevangengenomen militairen

10%

WIA

Wounded In Action

gewonde militairen

70%

Zie ook: D.N.B.I., EPINATO en verliesverwachting.

Terug naar Boven

 

 

GEVECHTSVOERTUIG

Voertuig dat wordt gebruikt om het gevecht te voeren teneinde de tegenstander te kunnen uitschakelen. Nadeel is dat de tegenstander dezelfde voertuigen gebruikt om te proberen u uit te schakelen. Kenmerken van een gevechtsvoertuig:

bewapend
gepantserd
terreinvaardig

Terug naar Boven

 

GEVECHTSVORMEN

Zie ook aanvallend gevecht, verdedigend gevecht en vertragend gevecht.

Terug naar Boven

 

GEVOELIG MATERIEEL

Materieel dat uit de aard van zijn gebruiksmogelijkheden en/of samenstelling een veiligheidsrisico kan zijn voor een verdragsorganisatie, land, krijgsmacht of militaire operatie. In het algemeen wordt de gevoeligheid bepaald door zowel het strategisch belang als de eventuele technologische gecompliceerdheid.

Voorbeelden van gevoelig materieel worden uiteraard niet met naam en toenaam genoemd. Doorgaans wordt gevoelig materieel door de lucht vervoerd; minder kwetsbare goederen kunnen per schip worden getransporteerd. Te land wordt gevoelig materieel vanuit de lucht beschermd.

Terug naar Boven

 

GEWEERGRANAAT

Duits: Gewehrgranate. Engels: rifle grenade. Frans: grenade à fusil.

Granaat bedoeld om vanuit de loop van een geweer of karabijn te worden afgevuurd, met inbegrip van pistoolgranaten, waardoor de effectieve dracht groter is dan wanneer de granaat met de hand zou (kunnen) worden gegooid. Geweergranaten zijn zwaarder en doeltreffender dan handgranaten.

Tijdens de belegering van Port Arthur (nu Lushunkou in China) in de Russisch-Japanse oorlog (1904-’05) experimenteerde de Japanse kolonel Amazawa als eerste met geweergranaten. Vanwege het effect van de toen nieuwe mitrailleurs op het slagveld, zag Amazama de tactische noodzaak voor de infanterist om op korte afstand granaatvuur te kunnen uitbrengen bij gebrek aan artillerie of mortieren. Amazawa’s geweergranaat, die dankzij een tijdklok halverwege de vlucht explodeerde, had een maximaal bereik van 175 meter.

Hoewel Frederick Marten Hale (1864-1931) in 1907 in Engeland op het idee kwam de door hem ontworpen schokhandgranaat – die pas tot ontploffing kwam bij het raken van een voorwerp of de grond – met een geweer te verschieten en de Amerikaanse kolonel Edwin Burr Babbitt (1862-1939) in 1911 de Babbitt-geweergranaat ontwierp die kon worden verschoten met het Springfield M1903 geweer, zou het nog tot de Eerste Wereldoorlog duren voordat het afschieten van geweergranaten gemeengoed werd.

In eerste instantie verschenen de Fransen ermee op het slagveld. De Franse kapitein Tromblon Viven-Bessières had in 1916 een nieuw principe ontwikkeld, waarbij een scherpe patroon werd gebruikt voor het verschieten van een geweergranaat vanuit een schietbeker (pot, schietkoker) op het Fusil d'Infanterie Modèle 1886 (Lebel).

Zodra na de Slag aan de Aisne de loopgravenoorlog in volle hevigheid losbarstte, introduceerden ook de Amerikanen, Britten en Duitsers de geweergranaat. De VS maakten gebruik van Engelse en Franse geweergranaten.

In het interbellum waren er bijvoorbeeld geweergranaten die werden afgevuurd vanuit de loop van de Duitse Mauser Karabiner 98k (vanaf 1935) of de Amerikaanse M1 Garand (vanaf 1936). In Nederland, waar tijdens de mobilisatie van 1914-‘18 geen geweergranaten in de bewapening waren, was de M95 weinig geschikt voor gebruik met geweergranaten.

Tegenwoordig zijn er geweergranaten in alle soorten: anti-tank, antitankbrisant, brand, brisant (High Exposive), fragmentatie, oefen, propaganda, rook, sein, springrook en verlichting (flare).

Twee voorbeelden van geweergranaten, beiden van Joegoslavische makelij.

Rechts de 610 gram zware M60 High Explosive Anti-Tank (HEAT) met een diameter van 60 mm en een explosieve lading van 240 gram. De M60 HEAT heeft een vertragingsontsteking en detoneert pas bij impact met het maaiveld.

Links de 520 gram zware M60 FRAG. Deze heeft een diameter van 30 mm en een explosieve lading van 60 gram. Deze fragmentatiegeweergranaat versplintert bij impact en heeft een bereik van maximaal 400 meter.

Na de Tweede Wereldoorlog heeft Nederland vanaf de jaren ’50 de geweergranaten ATB (antitankbrisant) nr. 4, ATB nr. 5 en de oefengeweergranaat (inert dummy) nr. 18 in de bewapening gehad.

De gangbare benaming was ‘granaat Energa’, wat kan worden afgeleid uit de voorschriften ‘De geweergranaten. De granaat Energa’ uit 1954 (Nr. O-786) en ‘De granaat Energa. (Verbeterde uitgave)’ uit 1956 (Nr. O-787). De oefengeweergranaat had een verwisselbare kop die was gevuld met gekleurd krijtpoeder.

Kenmerken van de geweergranaat ATB nr. 4 (HEAT):

afvuurmechanisme

schiettap (speciale adapter, geleverd in foedraal)

effectief bereik

100 meter

explosief

330 gram RDX en TNT

gewicht

645 gram

jaar van oorsprong

1948

kleur

olijfgroen

markeringen

geel

maximaal bereik

300 meter

maximaal penetratievermogen

25 cm staal of 50 cm beton.

ontsteker

schokontsteking PD nr. 31

staartvinnen

zes (6)

De afvuurpatronen– nr. 12 voor de FAL (7.62mm) en nr. 3 voor de Garand  .30-06 inch – zijn gevuld met het rookloze ballistiet. In het geval van de geweergranaat ATB nr. 4 is de afvuurpatroon een scherpe patroon die de lading van de geweergranaat aandrijft. Er waren ook afvuurpatronen voor de Lee-Enfield (.303 inch en de Mauser-repeteerkarabijn.

De geweergranaten werden geproduceerd door de Société Anonyme Belge de Mécanique et d'Armament (MECAR) in Nijvel (België), maar waren ontworpen door de Anstalt für die ENtwicklung von ERfindungen und Gewerblichen Anwendungen (ENERGA) in Vaduz (Liechtenstein). Tot in de jaren '90 zijn de geweergranaten bij de Koninklijke Landmacht in gebruik geweest en geleidelijk vervangen door antitankwapens.

Daarnaast is in de jaren ’90 de geweergranaat HEAT nr. 60 in gebruik geweest, ook van fabrikant MECAR. Hier hoorde de oefengeweergranaat nr. 61 bij. De geweergranaat nr. 60 is een bullettrap-granaat: de kogel van de scherpe patroon loopt vast in de bodem van de geplaatste granaat en geeft alle energie door.

Terug naar Boven

 

GEWELD

Wederrechtelijke handeling tegen personen of goederen, in de regel met gebruikmaking van fysieke middelen, om een ander zijn wil op te leggen.

Bij een daad van geweld wordt het recht van anderen opzettelijk en met dwangmiddelen geschonden, waarbij in de praktijk geldt dat de dader gebruik maakt van ”het recht van de sterkste.” De ultieme vorm van geweld is oorlog.

Zie ook: oorlog.

Terug naar Boven

 

GEWELDSINSTRUCTIE

Een geweldsinstructie geeft richtlijnen voor het gebruik van geweld door militairen die deelnemen aan een operatie in internationaal verband dan wel aan taken in het kader van de ‘Rijkswet geweldgebruik krijgsmacht in de uitoefening van de bewakings- en beveiligingstaak’. In dit laatste geval gaat het om taakstellingen in het kader van beveiligen en bewaken in de vredesbedrijfsvoering en/of tijdens oefeningen volgens Instructiekaart (IK) 2-27 of een zgn. Exercise Geweldsinstructie.

De alom bekende geweldsinstructie die wordt gehanteerd op vredeslokaties luidt:

"Halt, wie daar?" 
"Halt, of geweld zal worden gebruikt"  
"Halt, of ik schiet"1) wapen als slag- of stootwapen gebruiken
 2) waarschuwingsschot lossen
 3) gericht schot lossen ter verwonding

Uitgangspunt van een geweldsinstructie is dat geweld altijd proportioneel moet worden gebruikt. In een ‘split second’ moet de individuele militair immers kunnen besluiten om al dan niet geweld aan te wenden. De hamvraag bij een geweldsinstructie is wanneer er wel/niet (welke vorm van) geweld mag worden toegestaan en of er in voorkomend geval wel/niet gebruik mag worden gemaakt van het persoonlijk wapen.

Een geweldsinstructie is feitelijk niet meer dan een toetsingskader, dat de individuele militair duidelijk moet maken waar de grenzen van zijn handelen liggen. Een geweldsinstructie is bedoeld om het gebruik van geweld te doseren en het vallen van doden te voorkomen. Alomvattend is een geweldsinstructie nooit, omdat van te voren niet alle mogelijke situaties denkbaar zijn. De instructies moeten de indivuele militair een beeld geven van zijn grenzen, zodat hij daarbinnen zelf kan besluiten hoe te handelen.

Cartoon van Fokke & Sukke over de over de Nederlandse SFIR-militairen in Irak, die zich aan de geweldsinstructie moesten houden (© website Fokke & Sukke)

Een geweldsinstructie staat niet slechts bij (levens)gevaar voor Nederlandse militairen geweld toe, maar voorziet ook in de bescherming van niet-militairen en/of bepaalde categorieën goederen of het lossen van waarschuwingsschoten. Daarbij zijn de waarneming, ervaringen en analyse van de individuele militair, plaatselijk en tijdelijk, het uitgangspunt.

Bij een Peace Support Operation wordt niet zelden uitsluitend juridische dekking geboden binnen de marges van de geweldsinstructie, maar als de individuele militair zich houdt aan de afgegeven geweldsinstructie hij niet beducht hoeft te zijn voor strafrechtelijke consequenties.

Vooral ook omdat zowel de Rules of Engagement (ROE), Aide-Mémoire als geweldsinstructie dienstvoorschriften zijn in de zin van artikel 135 van het Wetboek van Militair Strafrecht, dat wil zeggen “een bij of krachtens algemene maatregel van Rijksbestuur of van bestuur dan wel een bij of krachtens landsverordening onderscheidenlijk landsbesluit gegeven schriftelijk besluit van algemene strekking dat enig militair dienstbelang betreft en een tot de militair gericht ge- of verbod bevat”.

Terug naar Boven

 

GEWELDSSPECTRUM

Ook genaamd: conflictspectrum. Duits: Konfliktspektrum; Einsatzspektrum. Engels: spectrum of conflict; operational spectrum. Glijdende schaal waarop de geweldsintensiteit van conflicten varieert in uitersten tussen geen geweld (absolute vrede) en uiterst gewelddadig (totale oorlog, “full-scale war”).

Een voorbeeld van een indeling van het geweldsspectrum met daaraan gekoppeld de internationale organisaties (NAVO, OVSE, VN en Europese Unie) die zich daarin begeven

De middelen, zowel in het lagere als hogere deel van het geweldsspectrum, zijn in de regel dezelfde omdat bij operaties in het lagere deel rekening moet worden gehouden met het voorzien in voldoende escalatiedominantie, d.w.z. een overcapaciteit wat betreft zwaarte aan middelen. Omstandigheden in conflictgebieden kunnen snel wisselen, in fasering, intensiteit, omvang en tijd.

Hoewel het onderscheid tussen operaties in het hogere en het lagere deel van het geweldsspectrum blijkbaar vervaagt, kan bijvoorbeeld lichte, uitgestegen infanterie nog altijd in elk deel van het geweldsspectrum zijn werk doen.

De Koninklijke Landmacht is overigens all-round inzetbaar in het gehele geweldsspectrum, modulair inpasbaar in multinationale verbanden en heeft een expeditionaire oriëntatie (snel inzetbaar over grote afstanden). Alle brigades kunnen militaire operaties uitvoeren in het gehele geweldsspectrum.

LAGERE GEWELDSSPECTRUM

HOGERE GEWELDSSPECTRUM

Presentie en actie zonder directe bedreiging

Voeren van het gevecht

  • Mobiliteit belangrijk
  • Laag risico op gevechtsverliezen
  • Weinig gebruik luchtruim
  • Vanuit compounds
  • Mobiliteit essentieel
  • Hoog risico op gevechtsverliezen
  • Veel gebruik luchtruim
  • Vanuit compounds en vooruitgeschoven posten

 

Het ambitieniveau in het hogere deel van het geweldsspectrum is sinds 2003 (Prinsjesdagbrief 2003, pagina’s 24 en 25) als volgt: “Nederland moet in staat zijn om met een brigade of het equivalent daarvan deel te nemen aan operaties in hogere delen van het geweldsspectrum. Het betreft de volgende bijdrage van de krijgsmachtdelen dan wel een combinatie hiervan. De landstrijdkrachten moeten voortaan in staat worden geacht een brigade (taakgroep) samen te stellen voor het optreden in internationaal verband in hogere delen van het geweldsspectrum. De maximale bijdrage van de luchtstrijdkrachten aan een operatie in hoge delen van het geweldsspectrum kan worden verlaagd van drie naar twee squadrons met elk achttien jachtvliegtuigen en die van de zeestrijdkrachten van een taakgroep met zes tot acht fregatten naar maximaal vijf fregatten. Voor deze bijdragen geldt dat zij in de praktijk al naar gelang de missie worden samengesteld.”

In de beleidsbrief ‘Wereldwijd dienstbaar’ (18 september 2007) staat het als volgt:
 “De krijgsmacht staat garant voor […]een actieve bijdrage aan het geïntegreerde buitenlandse beleid van ons land. Het gaat hierbij om kwalitatief en technologisch hoogwaardige militaire bijdragen aan internationale operaties in alle delen van het geweldsspectrum, ook in de beginfase van een operatie.”

Gespecificeerd naar het hogere en lagere deel van het geweldsspectrum vervolgt de beleidsbrief: “Deelneming gedurende maximaal een jaar aan een operatie in het hogere deel van het geweldsspectrum met een brigade van landstrijdkrachten, twee squadrons jachtvliegtuigen of een maritieme taakgroep; gelijktijdige deelneming gedurende langere tijd aan maximaal drie operaties in het lagere deel van het geweldsspectrum met taakgroepen van bataljonsgrootte of, bij luchtoperaties en maritieme operaties, equivalenten hiervan.”

Terug naar Boven

 

GEWICHT PERSONEEL (ZONDER / MET BEPAKKING)

Nederlands

Engels

 

Personeel zonder bepakking en zonder wapen

Admin pax

80 kg

Personeel met D-pack en persoonlijk wapen

Light patrol order with personal weapons

110 kg

Personeel met grabbag en persoonlijk wapen

Light patrol order with personal weapons

120 kg

Personeel met rugzak en groepswapens

Full battle order with bergens

130 kg

Personeel met rugzak en persoonlijke, groeps- en antitankwapens

Full battle order with bergens and section support weapons

140 kg

Personeel uitgerust voor koudweer- en/of pathfinder-optreden

Equipped for arctic warfare or pathfinder tasks

150 kg

Terug naar Boven

 

GEWONDENNEST

Duits: Verwundetennest. Engels: casualty collecting point. Frans: location de rassemblement des patients. Een gewondennest is een groeps-, pelotons- en compagniesaangelegenheid.

Het is een plaats die bescherming biedt aan alle gewonden tijdens gevechtsomstandigheden in afwachting van geneeskundige afvoer naar een geneeskundige inrichting.

Praktijkvoorbeeld van een gewondennest.

Als de gewonde zonder hulpverlener wordt achtergelaten, moet de gewonde in de stabiele zijligging worden gelegd. Het is niet ongewoon dat het gewondennest zodanig voorwaarts geloceerd is, dat zij al vanaf ± 100 meter achter de voorste lijn eigen troepen (VLET) ligt. Het is dus denkbaar dat de eerste gewondenstroom die een gewondennest bereikt, vooral bestaat uit niet-gestabiliseerde gewonden. Gemakshalve kan het gewondennest geloceerd zijn bij een observatiepost of roadblock .

Afhankelijk van de gevechtssituatie worden – na de Zelf Hulp en Kameraden Hulp (ZHKH) én de eerste behandeling door de Combat Life Saver (CLS’er of gewondenhelper) of geneeskundig verzorger van het peloton (PTLS) – op de plaats van gewond raken gewonden uit de gevarenzone gehaald en verzameld in het gewondennest. Bij een hoog ‘loodgehalte’ zal de gewonde eerst naar het gewondennest worden gebracht om pas dáár eerstehulpverlening te krijgen. De groepscommandant is de eerstverantwoordelijke om een gewonde in het kader van de hit-and-run tactiek direct naar het gewondennest af te voeren en daarvoor opdracht te geven.

Vanaf het gewondennest wordt de gewonde door zorg van een Algemeen Militair Verpleegkundige (AMV) met een bij de geneeskundige afvoerploeg van de compagnie ingedeeld pantserrups- of pantserwielvoertuig afgevoerd naar een (bataljons)hulppost. Dit is de eerste geneeskundige inrichting. Een andere mogelijkheid is afvoer naar een Medical Pick-Up Point (MEDPUP).

Eisen van het gewondennest zijn:

  • bij iedereen bekend
  • evt. concentratie van materiele en personele middelen voor aanvullende eerstehulpverlening
  • gemarkeerd (herkenbaar) met één infrarood zichtbare breaklight op ± 2 meter boven het maaiveld
  • genummerd
  • nabij een voor gewondentransportmiddelen bereikbare (on)verharde weg
  • route van en naar gewondennest verkend én vindbaar
  • voorzien van bovendekking (NBC, fall-out)

In het gewondennest wordt het wapen van de gewonde ontladen. Zowel wapen als helm, NBC-beschermende kleding, persoonlijke bezittingen en overige niet van de gewonde te scheiden PGU blijven bij de gewonde. Groepswapens blijven binnen de eenheid en worden herverdeeld. Overige uitrustingsstukken, zoals de rugzak, worden in het gewondennest achtergelaten. In afwachting van afvoer wordt tijdens cq. na de behandeling de gewondenkaart ingevuld.

Waneer het gewondenaanbod groot is dan wel als de afstand tot het gewondennest groot is, kan de afvoer naar het gewondennest worden uitgevoerd met ter plaatse geformeerde hulp- en draagbaarploegen die worden s amengesteld uit niet-geneeskundig personeel.

In het gewondennest worden de gewonden gesorteerd in urgentieklassen voor geneeskundige behandeling (T-classificatie) én in prioriteiten voor afvoer naar de geneeskundige inrichting (triage of P-classificatie). Handelingen die ook in het gewondennest kunnen plaatsvinden, om zowel het stabiliseren als het transportgereed maken te bevorderen, zijn het aanleggen van body-splinting, Donway-tractiespalk, drukverbanden en tourniquets.

De behandelaar van de gewonden moet ervoor zorgen dat hij door de hoeveelheid gewonden niet gebonden raakt. Als hij gebonden dreigt te raken, moet a.s.a.p. een prioriteitsmelding worden doorgegeven. Daarop zal het gewondennest, indien mogelijk, met spoed worden leeggereden. Bij een piekbelasting in het gewondenaanbod, bevindt de AMV’er zich óók in het gewondennest. Om het gebonden raken te voorkomen moet de eenheid proberen de geneeskundige afvoerploeg(en) zo dicht mogelijk bij gewondennesten te situeren.

Bij meerdere gewondennesten moet de geneeskundige verzorging zich verdelen naar gelang het zwaartepunt.

Om tijdens gevechtsacties gestructureerd te kunnen werken worden de gewonden in het gewondennest naar categorie gescheiden:

  • levensbedreigende verwondingen
  • ledemaatbedreigende verwondingen
  • alle andere verwondingen

In het gezondheidszorgsysteem in het afwachtingsgebied of verzamelgebied wordt géén gebruik gemaakt van gewondennesten. Iedere eenheid beschikt daar over een geneeskundig afvoermiddel, waarmee de zorgverlener zich naar de plaats van ongeval begeeft, de gewonde ter plaatse stabiliseert en vervolgens naar een geneeskundige inrichting afvoert.

De (operationele) commandant kan bepalen dat de gewonde (al dan niet met een hulpverlener) wordt achtergelaten.

Zie ook: Algemeen Militair Verpleegkundige, Combat Life Saver, hulppost en marsgewondenverzamelpunt.

Terug naar Boven

 

GEWONDENstreep

Vastgesteld bij Ministeriële Beschikking van 9 juni 1944, nummer 24.

Naar Engels voorbeeld stelde Nederland in 1944 de gewondenstreep in voor toekenning aan gewond geraakte militairen. De goudkleurige gewondenstreep – 40 mm lang en 4 mm breed – werd in een rechte stand op de linkerondermouw van de uniformjas gedragen.

De gewondenstreep kon worden verleend voor verwondingen veroorzaakt door:

  • eigen projectielen
  • gas, verbranding of luchtdruk
  • lopen van een voertuig op een mijn
  • vijandelijk vuur, bombardement of andere wapens
  • werkzaamheden verricht in gebombardeerde gebouwen of stellingen
  • ander wapengeweld

De verticale balk in het midden van het huidige Draaginsigne Gewonden is een herinnering aan de gewondenstreep.

Informatie met name ontleend aan ‘Uniformen en emblemen van de Koninklijke Landmacht vanaf 1912’, Martien Talens, bladzijde 209 en 210.

Zie ook: draaginsigne gewonden.

Terug naar Boven

 

GEZONDHEIDSCENTRUM

Afkortingen: gzhc en gzhcen. Voor al dan niet spoedeisende verrichtingen in het kader van de eerstehulpverlening kan de militair binnen de diensturen op het gezondheidscentrum terecht, ook voor ernstige pijnklachten aan het gebit. Buiten de diensturen wordt de militair verwezen naar de dienstdoende civiele huis- of tandarts.

Het gezondheidscentrum kent de volgende functies:

Apotheker

Apothekersassistent(e)

Onderdeelsarts (Algemeen Militair Arts en/of huisarts)

Doktersassistent(e)

Fysiotherapeut

Tandarts

Tandartsassistent(e)

De militair maakt een afspraak via de dokters- of tandartsassistent(e).

Behalve dat de doktersassistent(e) fungeert als ‘filter’ voor de arts, verzorgt deze op de poli wonden, verricht kleine medische ingrepen, geeft praktische informatie, geeft medicijnen uit en geeft advies inzake zelfzorggeneesmiddelen en drogisterij-artikelen.

De tandarts controleert en behandelt de gebitstoestand van de militair in het kader van dental fitness; het gebit van de militair moet gesaneerd zijn.

De fysiotherapeut behandelt lichamelijke klachten, vooral aan het bewegingsapparaat.

De apotheker en apothekersassistent(e) geven (herhalings)recepten van huis- en tandarts uit.

Ook beschikt het gezondheidscentrum over een eigen laboratorium en regionale ziekenzaal-functie, waardoor patienten gedurende een langere periode kunnen worden opgenomen.

Terug naar Boven

 

GHILLIE SUIT

Van het Schotse “ghillie” (“man”).

De ghillie suit, door Schotse herders gebruikt om illegale jagers te betrappen, werd als noviteit ingevoerd door Schotse militairen.

In januari 1990 richtte Simon Joseph 16th Lord of Lovat de Lovat Scouts op. Deze eenheid werd als Lord Lovat’s Corps Mounted Infantry tijdens de Tweede Boerenoorlog (1899-1902) in Zuid-Afrika ingezet als onderdeel van de Highland Division.

Het regiment werd in 1916 de eerste Britse sluipschutterseenheid van de Britse krijgsmacht, met als nieuwigheid het team-concept van twee personen: schutter en waarnemer (dit in tegenstelling tot de Duitse snipers).

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden de Lovat Scouts ingezet op Gallipolli en in Egypte.

Sindsdien is de ghillie suit het handelsmerk van de sluipschutter – en van de schutter-lange-afstand (SLA): onzichtbaar opererend om als een kameleon volledig in het terrein op te gaan. Op deze manier kan, al stalkend (kruipend), een insertie of verkenning worden uitgevoerd om op grote afstand een doel te kunnen uitschakelen.

De ghillie suit bestaat ideaal gesproken uit de hoofdbestanddelen jas en broek, waarbij ook hoofd, gevechtslaarzen en handen zijn gecamoufleerd. Een complete ghillie suit bestaat uit aaneengenaaide stroken camouflagemateriaal met een mengsel van hennep, jute, netten en vergelijkbaar organisch materiaal op een ondergrond van bijvoorbeeld een overall. Uit de omgeving waarin wordt geopereerd kan lokale vegetatie (bladeren, takjes en twijgjes) worden toegevoegd.

Zie ook: schutter-lange-afstand (SLA) en sluipschutter.

Terug naar Boven

 

GIBERNE

Zwarte patroontas met bandelier, die nu nog door officieren en adjudanten-onderofficier van het Wapen der Cavalerie en het Wapen der Artillerie wordt gedragen als ceremonieel versiersel over de modeldecoraties aan het ceremonieel tenue (CT).

Vroeger werd de giberne bij de bereden wapens – toen deze nog bewapend waren met voorladers – gebruikt voor het meenemen van munitie, cartouches, slaghoedjes en afvuurpijpjes. Ook zijn vaak ruimnaalden bevestigd om het zundgat (laadgat van een geweer of kanon) te ontdoen van verbrand kruit (“ruimen”). De draagwijze van de giberne is kruislings voor de borst, lopend over de linkerschouder en afhangend aan de rechterzij.

Giberne voor officieren van het Korps Veldartillerie, getekend in 1853. De tekening is van officier / tekenaar Willem Constantijn Staring (1847-1916), van wie in 2001 in het Legermuseum op de expositie ‘Was getekend’ zijn tekeningen, aquarellen en schetsen waren te zien.

De giberne behoort tot de organieke militaire uitrustingsstukken uit het verleden, evenals attila, fouragère, kepi, kolbak, sabel, sjabrak en sjerp.

De zwartlederen giberne wordt binnen de Koninklijke Landmacht alleen gedragen aan het CT van de cavalerie, Korps Luchtdoelartillerie, Korps Rijdende Artillerie (‘Gele Rijders’) en Korps Veldartillerie. Commandanten van bijzondere ceremoniële diensten, erewachten, Cavalerie Ere-escorte e.d. van beide wapens dragen – naast de giberne – sabel en sabeltas. Waar de Officier van Kazerne Piket (OKP) normaliter een ringkraag draagt, dragen de (onder)officieren die behoren tot het Wapen der Cavalerie en het Wapen der Artillerie de giberne.

Ook de vroegere officieren van gezondheid en paardenartsen droegen een zgn. giberne-trousse – een lederen tas voor het bergen van allerhande heelkundig instrumentarium.

Terug naar Boven

 

GIDSEN BIJ ACHTERUIT RIJDEN

Het achteruitrijden met militaire voertuigen kan worden begeleid door gidsen. Hierbij wordt met handsignalen (tekens met armen en handen) de bestuurder van het voertuig begeleid bij het op de juiste positie parkeren van het voertuig.

Het achteruitrijden met Defensievoertuigen is opgenomen in de Regeling Achteruitrijden.

Deze regeling is van toepassing op alle militaire motorrijtuigen en omschrijft of, en – zo ja – de manier waarop, de bestuurder van een militair motorrijtuig zich moet laten gidsen.

Daarnaast schrijft de regeling voor dat iedereen in dienst van of werkzaam bij het Ministerie van Defensie, in voorkomend geval, als gids optreedt.

Het inroepen van een gids – niet noodzakelijk de bijrijder – als hulp bij het achteruit rijden is NIET verplicht:

►als de weg achter het motorrijtuig voor de bestuurder duidelijk en volledig te overzien is
►als er niemand aanwezig is om hulp te verlenen
►als op het militaire motorrijtuig een achteruitrijdbeveiliging is aangebracht en in werking is

Gidsen vindt plaats met de handsignalen zoals die zijn vastgelegd in de STANAG 2454 / AMovP-1 (Road Movements and Movements Control / Allied Movement Publication 1), hoofdstuk 2, annex F.

Het achteruit rijden met een militair voertuig zonder zich te laten gidsen kan een overtreding van de Verkeersregeling Defensie opleveren en aldus een strafbaar feit vormen.

ATTENTIE!

Strek de arm zijwaarts naar boven uit, met de handpalm naar voren. Beweeg de arm herhaalde malen voor het hoofd langs. Het gidsteken kan worden vervangen door twee korte fluitsignalen.

KOM VOORWAARTS

Wenk met beide handen, met de handpalmen naar u toe gericht, de bestuurder van het voertuig naar voren.

GA ACHTERWAARTS

Beweeg uw handen voor- en achterwaarts, alsof u het voertuig van u af duwt. De handpalmen zijn hierbij van u af gericht.

LINKS / RECHTS

Beweeg de arm horizontaal met een gebalde vuist. De snelheid van het draaien aan het stuurwiel of het aantrekken van de sticks wordt aangegeven door de vuist heen en weer te bewegen. Wanneer geen stuurcorrectie meer noodzakelijk is, wordt de arm langs het lichaam gebracht.

HALT!

Strek de arm vertikaal omhoog, met de handpalm naar voren gericht.

Terug naar Boven

 

GIFGASSEN

In januari en februari 1934 verscheen in de Leeuwarder Courant een reeks van vijf artikelen van de hand van de arts Wibo Feikema met als titel ‘Gifgassen als oorlogswapens’.

De artikelen waren een bewerking naar een voordracht die door Feikema was gehouden voor het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen in Middelburg. In deze artikelenreeks wordt “uitsluitend van medisch standpunt” gekeken naar de verschillende aspecten van gifgassen.

Wibo Feikema (1898-1975) was huisarts in Middelburg, waar hij zich na zijn artsexamen in 1924 vestigde.

Zie ook: C.B.R.N.-middelen.

Terug naar Boven

 

GILL M.R.A.T.

Officiële naam: Spike-MR (Medium Range). Engels: Medium Range Anti-Tank Weapon (MRAT). Geleid antitankwapen voor de middellange afstand met een effectief bereik van maximaal 2.500 meter. Eind 2000 is de Gill, geproduceerd door het Israëlische Rafael, voor het eerst operationeel ingezet door het Israëlische leger.

De Gill is lichtgewicht, heeft een Fire & Forget-systeem en is man-portable:

man-portable

het systeem kan compleet door één of meerdere personen over een korte afstand worden verplaatst

Fire & Forget

na het afvuren zoekt de raket geheel autonoom zijn weg naar zijn doel

In 2004 is de Gill in de Koninklijke Landmacht ingestroomd ten faveure van de Amerikaanse concurrent Javelin en ter vervanging van Dragon en TOW.

Gill-antitankwapen.

Het Gill-systeem bestaat uit een lanceereenheid (13 kg) en een lanceerkoker (13,2 kg) met een totaal gewicht van 26,2 kg. Voor beide items is een draagstel aangekocht.

De lanceereenheid wordt door één persoon gedragen en een tweede persoon draagt één of twee lanceerkokers met raketten. Daarnaast heeft de Gill zowel een optische dagkijker als een warmtebeeldkijker, die beiden 10 keer vergroten: detectie en herkenning zijn dag en nacht mogelijk over ruim 3 km.

De Gill kan het doel raken via direct-attack, waarbij de raket in een rechte lijn beweegt, of top-attack: een bewegend doel dat uit het gezichtsveld van de schutter verdwijnt wordt indirect bevuurd. De tank of het gepantserd voertuig wordt op de zwakste positie, de bovenkant, geraakt.

Omdat de Gill over een warmtezoekende raketkop beschikt, kan de raket zijn doel missen als het vijandelijk pantservoertuig flares of rookgranaten afvuurt.

Het pantserdoordringend vermogen van de Gill is 1½ meter gewapend beton; het projectiel penetreert in reactief pantser. Doelen op een afstand tot 200 meter kunnen niet worden beschoten omwille van de minimale wapeningsafstand van de Gill. Het systeem is in een 30 seconden gebruiksklaar te maken en kan na het afvuren binnen tientallen seconden opnieuw schietgereed worden gemaakt.

Verdere gegevens:

gebruikersCLAS en KMARNS

gewicht

27 kg, incl. projectiel

lengte

1 meter 20

samenstelling

driepoot, raketkoker, Command Launch Unit (CLU) en Thermal Sight (TS)

snelheid raket350 meter per seconde
vliegbereik raket

2.500 meter effectief

Terug naar Boven

 

GLADIO

Latijn voor "zwaard".

Op 3 augustus 1990 verscheen de naam Gladio voor het eerst in het nieuws: de Italiaanse premier Giulio Andreotti getuigde voor een onderzoekscommissie van het parlement naar terrorisme in Italië. Volgens Andreotti bestond er sinds de jaren ’50 (van de 20ste eeuw) een geheim NAVO-commando, dat in tijden van een Sowjet-invasie tijdens de Koude Oorlog sabotage moest plegen. Ook onthulde hij het bestaan van dergelijke geheime stay behind-netwerken in andere landen, onder andere Nederland.

In Nederland was de naam van het stay behind-netwerk O&I (Operaties en Inlichtingen). In april 1992 werd aan het (voort)bestaan van O&I formeel een einde gemaakt door premier Ruud Lubbers en Minister van Defensie Relus ter Beek.

Gladio en O&I verschilden op een belangrijk punt: terwijl Gladio in geval van een bezetting als een soort guerrillabeweging zou optreden, zou O&I in geval van oorlog en bezetting uitsluitend vallen onder de Nederlandse regering in vrijheid.

O&I beschikte in Nederland over tal van safe-houses en wapendepots om militair georganiseerd het verzet te kunnen aangaan: geheime adressen waar trainingen werden gegeven en depots waar materiaal, inbegrepen wapens en munitie, lag opgeslagen. In 1980 werden in het Limburgse Heijthuizen in een bos 26 kisten materieel gevonden, in 1983 in een bos in het Gelderse Rozendaal 19 kisten en tot slot is in 1984 aangifte gedaan van de diefstal van 18 metalen kisten met pistolen, revolvers, mitrailleurs, handgranaten en explosieven, waaronder semtex, uit een depot in de Scheveningse Bosjes in de duinen van Den Haag.

Zie ook: Stay Behind Forces.

Terug naar Boven

 

GLOBAL POSITIONING SYSTEM

Afgekort: GPS. Satellietnavigatie en -plaatsbepalingssysteem dat is ontwikkeld door én (aanvankelijk alleen0 voor de Amerikaanse krijgsmacht.

De bekendste GPS-ontvanger - het gebruikerssegment van het complete systeem - die bij de KL in gebruik is, is de Precision Lightweight GPS Receiver +96 (PLGR+96) van producent Rockwell Collins. De KL-benaming is radio-installatie GPS KL/PRC-7001. Deze GPS-ontvanger is ruim 10 cm breed, bijna 21 cm hoog en 6½ cm dik.

Hoofdgebruik zijn plaatsbepaling en tijdsynchronisatie met andere (radio)apparatuur. De nauwkeurigheid is hoog: 96% van de metingen vallen binnen de 16 meter. De nauwkeurigheid wordt tijdens uitzendingen gegarandeerd door gebruik te maken van crypto.

Het wereldomspannende systeem bestaat uit 24 satellieten die in vaste banen rond de aarde draaien en elk een eigen signaal uitzenden; de eerste satelliet is in 1978 in een baan om de aarde gebracht. Alle satellieten zijn eigendom van het Amerikaanse Department of Defense (DOD).

Met de ontvangst van minimaal drie (zonder hoogtebepaling) of vier (met hoogtebepaling) satellieten kan een GPS-ontvanger zijn positie op aarde bepalen. Zo vindt GPS wereldwijd toepassing in autonavigatie, beveiliging, krijgsmachten, landbouw en lucht- en scheepvaart.

GPS maakt gebruik van een zeer nauwkeurige, gecodeerde, militaire P-band en een ongecodeerde, civele S/A (Selective Availability)-band. Tot 2000 werden de signalen van de S/A-band opzettelijk enigszins verstoord uitgezonden, waardoor de nauwkeurigheid van plaatsbepaling niet groter was dan 10 tot 100 meter, afhankelijk van de geografische en meteorologische omstandigheden.

In 2000 bepaalde de Amerikaanse president Bill Clinton dat de S/A werd opgeschort, waardoor de nauwkeurigheid wereldwijd op ± 1 meter zou komen, met als voorbehoud dat de S/A-band (zij het alleen in het oorlogsgebied, i.c. de Area Restricted Mode) in werking zou treden indien oorlogsomstandigheden dat vereisten. Sindsdien kan GPS door iedereen worden gebruikt.

Om niet langer van het Amerikaanse GPS afhankelijk te zijn, heeft de Europese Unie enkele jaren geleden besloten een eigen satellietsysteem onder de naam Galileo in het leven te roepen.

Galileo zal niet voor het jaar 2008 in werking treden, vanwege onenigheid tussen de deelnemende Europese regeringen over de verdeling van de kosten.

Zie ook: terreinoriëntatie.

Terug naar Boven

GLOCK 17

Het standaardwapen van onder andere het Nederlandse geneeskundig personeel, dat hij/zij volgens de Conventies van Genève dient te gebruiken “tot de verdediging van zichzelf of van zijn gewonden en zieken”.

De Glock 17 is een licht semi-automatisch wapen met drie automatisch werkende veiligheden, die er voor zorgen dat een geladen wapen automatisch op veilig staat, waardoor het niet mogelijk is dat bij een geladen wapen een schot afgaat. Het wapen kan slechts worden afgevuurd indien de trekkerveiligheid wordt ingedrukt en de trekker geheel wordt overgehaald.

Specificaties:

aantal componenten

34

breedte

30 mm

capaciteit patroonhouder

17 patronen

gewicht gevulde patroonhouder

280 gram

gewicht lege patroonhouder

78 gram

hoogte

138 mm

kaliber

9 mm Parabellum (9 x 19 mm)

leeggewicht

625 gram

lengte loop

114 mm

lengte totaal

186 mm

materiaal frame

kunststof (synthetisch polymeer)

maximale effectieve dracht

40 meter

trekken loop

rechts, hexagonaal

trekkerweerstand

2.500 gram

veiligheid

drievoudig (trekker-, slagpin- en valveiligheid)

De Glock 17T 9 mm FX behoort tot het Simunition®-pakket: hiermee is het mogelijk verfpatronen te verschieten.

Deze patronen, de FX Marking Red of Blue, hebben een rubberen kogel waarin rode of blauwe markeerstof zit. Bij het treffen van het doel komt de markeerstof vrij. Door verschillende kleuren te gebruiken, kan tijdens trainingen worden nagegaan wie door wie is getroffen.

Het wapen, dat herkenbaar is aan zijn blauwe bodemplaat en huis, is in gebruik bij het Korps Commandotroepen. De handelingen aan het wapen zijn identiek aan die van de ‘echte’ Glock 17.

Zie ook: pistool en seinpistool.

Terug naar Boven

 

GOEDERENTREIN

Voorheen: treinenbataljon. De verzamelde verzorgingselementen die NIET nodig zijn voor de directe ondersteuning van de gevechtsactie (d.i. gevechtslogistiek). De samenstelling van de logistiek ondersteunende eenheden geldt tegenwoordig als de logistieke driepoot van een brigade:

bevoorradingscompagnie

geneeskundige compagnie

herstelcompagnie

Met ingang van het einde van 2005 zijn de bevoorradingscompagnieën van de gemechaniseerde brigades verdwenen. Met uitzondering van een klein bevoorradingselement, zal de logistiek worden gerealiseerd aan de hand van het concept van de fysieke distributie (FD).

Ook de geneeskundige compagnieën zijn gereorganiseerd: de role-2-eenheid (verbandplaats) is verdwenen en alle hulppostgroepen (role-1-eenheid) van de gemechaniseerde brigade zullen voortaan deel uitmaken van de geneeskundige compagnie, daarbij aangevuld met ziekenauto’s Mercedes-Benz 290GD.

Zie ook: gevechtstrein.

Terug naar Boven

 

GOLDEN HOUR

Letterlijk: gouden uur. Het eerste uur na een trauma, beginnend vanaf het tijdstip van het ongeval, bij traumapatiënten, waarin acute zorg dient plaats te vinden.

De term ‘golden hour' is ontwikkeld door de Amerikaanse luitenant R. Adams Cowley (1917-1991), die na de Tweede Wereldoorlog in Europa werkzaam was als chirurg in een veldhospitaal van het U.S. Army Medical Corps.

Tijd is een belangrijk element voor de kwaliteit van zorg voor de traumapatiënt. Volgens R. Adams Cowley bepaalt een snel en gecoördineerd stabiliseren van de vitale functies van de traumapatiënt zijn overleven; bovendien leidt het tot minder invaliditeit. De kans op overleven stijgt als de traumapatiënt binnen één uur na het ongeval wordt behandeld. Het menselijk lichaam is, ondanks de aanwezigheid van levensbedreigend letsel aan airway (ademweg), breathing (ademhaling) en/of circulation (bloedsomloop), dankzij het optreden van compensatiemechanismen, in staat bijna een uur lang de vitale functies op gang te houden.

In een gesprek verklaarde R. Adams Cowley ooit : “Er is een gouden uur tussen leven en dood. Als u ernstig gewond raakt, hebt u minder dan 60 minuten om te overleven. U sterft niet meteen; dat kan drie dagen of twee weken later zijn – maar er is iets in uw lichaam gebeurd dat onherstelbaar is.”

Het golden hour bepaalt onder meer de behoefte aan Special Forces Medics, Combat Life Savers (CLS'ers) en ander geneeskundig (hulp)personeel binnen de Koninklijke Landmacht voor het verrichten van een aantal levensreddende handelingen - met name tijdens ‘noodsituaties' die buiten de kaders van de Wet B.I.G. vallen. Traumapatiënten in uitzendgebieden zullen het eerste uur na het ongeval de professionele zorg in het civiele ziekenhuis, dan wel geneeskundige inrichtingen van de krijgsmacht, vaak niet binnen één uur kunnen bereiken en zijn dan afhankelijk van acute (kwaliteit van) zorg op andere locaties.

Zie ook: Advanced Trauma Life Support.

Terug naar Boven

 

GOLFOORLOGSYNDROOM

Engels: Gulf War Illnesses (GWI), Gulf Veterans' Illnesses of Gulf War Syndrome. Complex van chronische lichamelijke en psychische klachten dat sommige, met name Amerikaanse en Britse, militairen hebben overgehouden aan een verblijf in de Golfregio tijdens de Eerste Golfoorlog (operatie Desert Storm, 1991). Het klachtenpatroon spoort niet met dat van Post Traumatische Stress Syndroom .

Veteranen met het Golfoorlogsyndroom kunnen met name last hebben van:

depressies

eczeem (huiduitslag)

ernstige invaliderende vermoeidheid

gestoord gezichtsvermogen

intermitterende koorts

maagdarmklachten

spier- en gewrichtspijnen

stoornissen in het korte geheugen (concentratiestoornissen)

In de medische wereld bestaat géén eensluidende overeenstemming over de oorzaak of oorzaken van het Golfoorlogsyndroom; dientengevolge zijn zowel de (h)erkenning van het ziektebeeld als bijvoorbeeld de pensioenrechten van veteranen met het Golfoorlogsyndroom omstreden. Niettemin kunnen veel Golfoorlogveteranen niet meer deelnemen aan het arbeidsproces.

Veteranen met het Golfoorlogsyndroom kunnen onder meer ziek zijn geworden als gevolg van (een combinatie van):
 

blootstelling aan de zenuwgassen mosterdgas en sarin (afkomstig van gebombardeerde Iraakse opslagplaatsen)

door de zandvlieg verspreide parasiet die leishmaniasis veroorzaakt

insekticiden

pyridostigmine als antistof tegen zenuwgas

radon, waterstofsulfide en zwaveldioxyde (afkomstig van de brandende oliebronnen in Irak en Koeweit, aangestoken door de zich terugtrekkende Irakezen)

stress

vaccinaties tegen de risico's van CBRN-wapens, zoals die tegen anthrax (miltvuur) en botulinum-toxine

verarmd uranium (Depleted Uranium, DU) in geallieerde munitie, met name artilleriegranaten van het type A-10

Zie ook: auto-injector en C.B.R.N.-middelen.

Terug naar Boven

 

G.O.T.W.A.

Van oorsprong Amerikaans ezelsbruggetje voor een calamiteitenplan (contingency plan), bestaande uit vijf punten, dat bijvoorbeeld kan worden gebruikt wanneer een verkenning wordt uitgevoerd:

G

Where I’m GOING

O

OTHERS I’m taking

T

TIME of my return

W

WHAT TO DO if I don’t return

A

ACTIONS to take if I'm hit / ACTIONS to take if you're hit

Terug naar Boven

 

GRAAD VAN GEREEDHEID

Duits: Bereitschaft(sgrad); Bereitschaftszustand. Engels: notice to move (NTM); readiness condition (REDCON); state of readiness. Frans: avis de mouvement; avis de déploiement (en alerte à X minutes; sur préavis de X minutes).

De beschikbare tijd (in uren en/of minuten) die een commandant van een eenheid heeft voordat hij – gerekend vanaf de ontvangst van de initiële opdracht – vanuit zijn locatie verplaatst dan wel voor een vervolgopdracht gereed moet zijn. Het afkondigen van de graad van gereedheid gebeurt door de pelotons- of groepscommandant, die conform de afgekondigde graad van gereedheid zijn personeel en materieel gereed wil hebben.

Graden van gereedheid worden gewoonlijk toegepast bij verblijf in verzamelgebieden en op werklocaties ten behoeve van planning en uitvoering van werk- en rusttijden en logistieke activiteiten.

De tijdsduur van de graad van gereedheid is een maximum: commandanten hebben te allen tijde de verplichting hun eenheid zo snel mogelijk inzetgereed te hebben. Wanneer de eenheid inzetgereed is, moet de commandant dit melden aan zijn naasthogere commandant. Indien de graad van gereedheid 30 minuten of minder bedraagt, moet de eenheid voortdurend gereed zijn voor actie (materieel en personeel gedecamoufleerd en gereed voor aanvang verplaatsing).

Het verhogen van de graad van gereedheid – bijvoorbeeld door een verandering in de toestand van de vijand en/of eigen troepen – resulteert in minder tijd tot het moment waarop men inzetgereed moet zijn; het verlagen van de graad van gereedheid geeft meer tijd tot het moment waarop men inzetgereed moet zijn.

Er zijn drie graden van gereedheid:

verhoogde graad van gereedheid

tussen 5 minuten en 3 uur

normale graad van gereedheid

kleiner of gelijk aan 3 uur

verlaagde graad van gereedheid

groter dan 3 uur

De som van graad van gereedheid, verplaatsingstijd en ontplooiingstijd is de reactietijd. Dit is de snelheid van inzet van een eenheid.

Wordt in een bevel (IK 2-17) aangehaald in de coördinerende bepalingen.

Zie ook: graad van gevechtsvaardigheid, K.V.P.O.R. en reactietijd.

Terug naar Boven

 

GRAAD VAN GEVECHTSVAARDIGHEID

Duits: Einsatzbereitschaft; Gefechtsbereitschaft; Kampfbereitschaft. Engels: combat ready. Frans: disponibilité.

Mate waarin een eenheid – vanuit de eigen werklocatie – in staat is bij alarmering taken uit te voeren dan wel verplaatsingsgereed te zijn. Afhankelijk van de vijanddreiging wordt hiertoe door de commandant een graad van gevechtsvaardigheid afgekondigd. De graad van gevechtsvaardigheid heeft onmiddellijk gevolgen voor de beveiliging.

Er zijn drie graden van gevechtsvaardigheid:

Normaal

Wanneer vijandcontact (nog) niet te verwachten is. Werkzaamheden en rust prevaleren boven beveiliging.

1/3 van het personeel is op post.

2/3 van het personeel is met werkzaamheden bezig dan wel heeft zich te ruste begeven.

Verhoogd

Wanneer vijandcontact redelijkerwijs te verwachten is.

1/3 van het personeel is op post.

2/3 van het personeel is met werkzaamheden bezig.

Algeheel

Bij het betrekken van een statische situatie/opstelling,  wanneer vijandcontact te verwachten is of bij direct vijandcontact.

Alle opstellingen zijn ingenomen.

Het vaststellen van de juiste graad van gevechtsvaardigheid is afhankelijk van opdracht, beschikbare infrastructuur, beschikbare middelen en het welslagen van het oefenalarm (betrekken alarmopstellingen). Zo zal bijvoorbeeld tijdens een verblijf in een overwatch een algehele graad van gevechtsvaardigheid zijn afgekondigd tijdens het invallen van de duisternis (ENAS) en tijdens het dagaanbreken (BNMS).

Wordt in een bevel (IK 2-17) aangehaald in de coördinerende bepalingen.

Zie ook: graad van gereedheid, K.V.P.O.R. en reactietijd.

Terug naar Boven

 

GRADER CHAMPION 726A-VHP

Deze grader van de Amerikaanse fabrikant Champion Motor Graders is een grote gemotoriseerde grondverzetmachine. Het voertuig wordt door de genie gebruikt voor het egaliseren en nivelleren (vlakken) van oppervlakten, zoals bouwterreinen, onderlagen van wegen of tankbanen.

De Champion 726A-VHP grader heeft drie assen, waarvan twee achter en één voor. Boven de achterste assen bevinden zich de motor en de cabine. VHP staat voor Variable Horse Power: een systeem dat in verschillende versnellingen, verschillende vermogens biedt.

Tussen de voorste en achterste assen is een zwaar dozerblad gemonteerd dat door middel van hydraulische cilinders verticaal kan bewegen: hierdoor kan de werkhoogte van het blad worden aangepast. Aan de achterzijde van de grader zit een vijftands ripper.

De genie heeft in totaal zes Champion 726A-VHP graders in gebruik, allen uit het bouwjaar 1996: drie geelkleurige ten behoeve van het Opleidings- en Trainingscentrum Genie en drie in camouflagekleuren voor operationeel gebruik.

Specificaties:

actieradius

25 uur

bodemvrijheid

52 cm

breedte

2 meter 54

draaicirkel

7 meter 77

draairuimte

8 meter 80

elektrisch systeem

24 Volt

gewicht

16.890kg (incl. dozerblad en ripper)

lengte transportstand

8 meter 46

lengte werkstand

10 meter 74 (incl. dozerblad en ripper)

maximumsnelheid

46,4 km per uur

motor

watergekoelde Cummins dieselmotor

motorvermogen

188 pk (138 kW)

spoorbreedte

2 meter 08

Terug naar Boven

 

GRABBAG

De grabbag van 11 Luchtmobiele Brigade en het Korps Commandotroepen: de Lowe Alpine Strike.

Letterlijk: “graaitas”. In de regel een klein-formaat rugzak die altijd binnen handbereik is.

Hierin worden bij operationeel optreden de meest essentiële en levensreddende uitrustingsstukken meegenomen, zoals klasse I, III (t.b.v. brander) en V, warme kleding, poncho, spinnen en tentharingen.

Uitgangspunt bij het samenstellen van de inhoud van een grabbag is de maximale tijd die in het operatiegebied moet worden doorgebracht, maar een grabbag blijft persoonlijk en gericht op de eigen functie.

Defensie verstrekt aan het personeel van het Korps Commandotroepen en 11 Air Manoeuvre Brigade de Lowe Alpine Strike-grabbag met een eigen inhoud van 40 liter en tweemaal 10-liter-zijtassen (day-packs).

De Lowe Alpine Strike-grabbag (NSN 8465-17-114-4596) weegt inclusief daypacks ± 1,9 kg. De grabbag is zeer geschikt voor evecuaties, parachutespringen, patrouilles en verkenningen.

Het compartiment sluit met één sluitgesp, de day-packs kunnen aaneengeritst worden gedragen (uitwisselbaar met nagenoeg alle overige rugzakken), de klep heeft een binnenvak, de borstriem een snelsluiting en de hoofdnaden zijn driedubbel gestikt.

Voorbeeld van de inhoud van een grabbag (persoonlijk):

  • anti-allergische medicatie (Claritine)
  • batterijen (AA en AAA)
  • brander (Coleman)
  • broekelastieken (Hosengummies)
  • contant geld (dollars)
  • diarreeremmende medicatie (Imodium)
  • genietape (Ducktape, McGyvertape)
  • handdoek
  • hoofdlamp (Petzl)
  • insektenwerend middel (DEET)
  • kijker
  • lippenbalsem
  • naaigarnituur (naald en draad)
  • pijnstillende medicatie (Paracetamol + Tramadol)
  • seinspiegel
  • smokeflares (groen en rood)
  • thermosfles
  • touw
  • zakmes (multitool)

Zie ook: Lowe Alpine rugzakken.

Terug naar Boven

 

GRANAATWERPER HK-AG36

De Koninklijke Landmacht heeft de underbarrel granaatwerper (GW) 40 mm Heckler & Koch-LV - officieel: AG36 (Anbau-Granatwerfer 36) - in de bewapening. Deze kan worden gemonteerd onder de Diemaco, zowel de C7(A1) als de C8A1. Het wapen wordt aan de onderkant van de Diemaco onder de handbeschermers gemonteerd. Het richtmiddel - een reflexvizier - wordt aan de zijkant van de kijker bevestigd en kan worden uitgeklapt.

De HK-AG36 gebruikt dezelfde munitie als de Amerikaanse Colt M-203 en de eveneens Amerikaanse MM-1.

De munitie kan bestaan uit High Explosive Dual Purpose (HEDP)-granaten voor het uitschakelen van licht- of ongepantserde voertuigen, oefengranaten ('Marker'), of licht-, rook- en traangasgranaten.

De terugstoot van een verschoten granaat wordt door de Diemaco in hoge mate gedempt. De HK-AG-36 is een enkelschots (single shot) wapen; na elk schot moet de schutter de patroonhuls verwijderen en zijwaarts aan de linkerkant herladen voor een nieuwe granaat.

De granaatwerper 40 mm Heckler & Koch AG36.

De granaatwerper is bedoeld voor gebruik op afstanden die korter zijn dan de afstand waarop een mortier kan schieten én langer dan de afstand waarmee een handgranaat kan worden geworpen. Idealiter wordt het wapen ingezet om:

1) de vijand in óf achter dekkingen en veldversterkingen te bestrijden op afstanden tussen 30 en 200 meter
2) de vijand bij onverwacht vuurcontact met vuuroverwicht aan te grijpen om vervolgens door middel van de CQB-drill terug te trekken

Fabrikant van de HK-AG36 is Heckler & Koch Militär & Dienstwaffen uit Oberndorf/Neckar, Duitsland. De HK-AG-36 wordt ook gebruikt door Duitsland, onder de Heckler & Koch G36, waarvoor deze granaatwerper in eerste instantie is ontworpen, en bij de Britten – onder de Enfield SA80.

Oefengranaat 40 mm met krijtstof voor underslung Heckler & Koch.

Specificaties:

aanvangsnelheid

± 77 meter per seconde

breedte

9 cm

gewicht

1,7 kg

gewicht granaat

225 gram

hoogte

21 cm

kaliber

40 x 46 mm

lengte

34,8 cm

lengte loop

28 cm

maximale effectieve dracht

200 meter

mondingssnelheid

77 meter per seconde

richtmiddel

reflexvizier

vuursnelheid

afhankelijk van de geoefendheid van de geweerschutter

Zie ook: automatische granaatwerper (AGW) en Diemaco.

Terug naar Boven

 

GRAND STRATEGY

Door Amerikanen en Britten gehanteerde term. Ook genaamd: algemene strategie, politieke strategie, totale strategie of nationale veiligheidsstrategie (national security strategy).

Hoogste niveau van optreden in de uitvoering van militaire operaties, gevolgd door militaire strategie, operationeel niveau, tactisch niveau en technisch niveau. Behelst het totale, geïntegreerde veiligheidsbeleid van een alliantie, (ad hoc-)coalitie, natie of staat dat rekening houdt met alle middelen die worden beheerd en kunnen worden gemobiliseerd en ingezet om een bepaald belang of doel te bereiken.

Daarmee omschrijft de grand strategy de politiek gewenste end-state: de doelstellingen waarmee een regering aangeeft wat moet worden bereikt. De richtinggevendheid van en besluitvorming tot dit zgn. politiek-strategische niveau wordt, zowel in vredestijd als tijdens oorlogvoering, genomen door politici, die worden geadviseerd door de hoogste militairen. In de regel gaat de grand strategy over het behalen van overwicht op een potentiële rivaal of vijand.

Hoewel uit de grand strategy primair het aan haar ondergeschikte instrument van de militaire strategie voortkomt, omvat zij daarnaast evenzeer alle diplomatieke, economische, humanitaire, mentale, politieke, propagandistische, psychologische en sociaal-culturele activiteiten en ontwikkelingen die ten dienste staan van het allesomvattende veiligheidsbeleid. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het aangaan van allianties, economische blokkades, het overreden tot ander gedrag en pogingen om de vijandelijke bevolking te demoraliseren.

In Nederland omvat de grand strategy alle beleidsdocumenten van het Minister van Defensie; binnen het bondgenootschap van de NAVO alle politiek-strategische richtlijnen zoals die worden opgesteld door de Noord-Atlantische Raad (NAR, hoogste orgaan van de NAVO) en het Militair Comité (MC, hoogste militaire forum van de NAVO).

In 2007 pleitten vijf hoge oud-militairen – Amerikaan John Shalikashvili, Brit Peter Inge, Duitser Klaus Naumann, Fransman Jacques Lanxade en Nederlander Henk van den Breemen – in de publicatie ‘Towards a Grand Strategy for an Uncertain World. Renewing Transatlantic Partnership’ voor een radicale koerswijziging voor de NAVO. Een directoraat van Verenigde Staten, Europese Unie en NAVO zal leiding moeten geven aan de uitvoering van het concept, waardoor de zekerheid in de wereld terugkeert. Pikant detail: de publicatie is de weerslag van een bijeenkomst die deze oud-militairen op 11 september 2001 in Nederland hielden.

Comprehensive approach: de samenhang tussen de diverse instrumenten van macht en de bijdrage die zij leveren aan de integraal gewenste eindsituatie, passend binnen de Grand Strategy. Bron: Land Doctrine Publicatie, Militaire Doctrine voor het Landoptreden (LDP-1, 2009, p.35) © Commandant der Strijdkrachten, Ministerie van Defensie.

Zie ook: comprehensive approach.

Terug naar Boven

 

GREEN ON BLUE

Letterlijk: groen op blauw. Vorm van friendly fire. Incident waarbij met voorbedachten rade één of meer leden van de Afgaanse veiligheidstroepen - Afghan National Army (ANA) en Afghan National Police (ANP) – de wapens opnemen tegen één of meer leden van de NAVO-troepmacht International Security Assistance Force (ISAF) in Afghanistan.

Green-on-blue incidenten schaden in ernstige mate het vertrouwen en de samenwerking tussen de twee partijen.

De incidentie van green-on-blue laat sinds mei 2007 – toen de NAVO met het registreren ervan is begonnen – een stijgende lijn zien die nog steeds toeneemt: van 20 buitenlandse militairen die in 2010 bij elf aanslagen om het leven kwamen tot 35 buitenlandse militairen die in 2011 bij 21 aanslagen op eigen troepen werden gedood.

Blijkbaar voelen de Afghanen zich ‘geprovoceerd’ of ‘verraden’ door disrespectvolle bejegening in het algemeen, een geschil met een westerse militair of burger in het bijzonder, ontheiliging van de Koran of wraak naar aanleiding van een reprimande door ISAF. Infiltratie van (sympathisanten van) de Opposing Militant Forces (Taliban e.a.) in ANA en ANP is ook een frequent voorkomende reden.

Zie ook: friendly fire.

Terug naar Boven

 

GRENDELSTELLING

Duits: Auffangstellung; Riegelstellung. Engels: blocking position. Frans: position de verrou.

In het verdedigend gevecht zorgt het innemen van een grendelstelling, in de regel bezet door een infanterie-eenheid van tenminste pelotonsgrootte, tijdelijk en plaatselijk voor het tot staan brengen van de vijand.

Een grendelstelling wordt voorbereid en ingenomen op de locatie waar een vijandelijke doorbraak wordt verwacht. De flanken moeten daarbij bij voorkeur grenzen aan hindernissen of eigen troepen.

Zie ook: blocking position.

Terug naar Boven

 

GRONDBEGINSELEN GENEESKUNDIG SYSTEEM

De grondbeginselen van het geneeskundig systeem van de Koninklijke Landmacht staan beschreven in het verouderde VS 8-1, 'De Geneeskundige Dienst van de Koninklijke Landmacht', dat als het bijbeltje van de Geneeskundige Dienst is beschouwd.

Bereikbaarheid

Vroegtijdig genomen geneeskundige beslissingen – vergelijk ‘Golden Hour’ (ATLS) - voorkomen later extra inspanning. De gewonde moet tijdig in een geneeskundige inrichting verschijnen om snel geneeskundige hulp te kunnen krijgen. De bereikbaarheid moet dus betrouwbaar zijn.

Continuïteit

Een continue voortzetting van de geneeskundige hulpverlening kan worden verkregen door het tijdig verplaatsen van de geneeskundige inrichting, contact met de te steunen eenheden en contact tussen de verschillende geneeskundige inrichtingen. De elementen ‘behandeling’ en ‘afvoer’ moeten op elkaar afgestemd blijven. Discontinuïteit in de behandeling kan worden opgevangen door intensivering van de afvoer – en omgekeerd. Zonodig moet tijdelijk de behandelfunctie worden overgenomen door een hoger echelon.

Samenhang met het operationeel (tactisch) optreden

Bepalend voor de uitvoering van de geneeskundige verzorging zijn de factoren ‘tijd’ en ‘ruimte’: deze worden bepaald door het operationeel optreden van de te verzorgen eenheden. Er wordt gestreefd naar optimale afstemming op het operationeel optreden. Altijd geldt dat de tactische situatie bepalend is voor de (on)mogelijkheden van het geneeskundig optreden en de factoren ‘tijd’ en ‘ruimte’ waarbinnen de taak moet worden uitgevoerd.

Triage

Kort gezegd is triage het beste resultaat bieden voor een zo groot mogelijk aantal gewonden en zieken. Het is altijd een momentopname. Triage resulteert in een urgentiebepaling van de behandeling en een prioriteitsbepaling van de afvoer. Daaruit volgt een indeling in P-classificatie) of T-classificatie, afhankelijk van de omstandigheden: ideaal, primitief of ramp.

Mobiliteit

Traditioneel maakt het beweeglijk gevoerde gevecht het regelmatig verplaatsen van geneeskundige inrichtingen noodzakelijk. In dit verband moet continue worden gezorgd voor de instandhouding van de geneeskundige behandel- en afvoerketen, waarbij de bewegingen van de te steunen eenheden worden gevolgd.

Flexibiliteit

De vaak snel wisselende omstandigheden vereisen een grote flexibiliteit van het geneeskundig systeem. De omstandigheden kunnen het noodzakelijk maken dat de geneeskundige middelen worden hergegroepeerd (splitsen, springen) of versterkt (gecoloceerd). In de planningsfase moeten er dan ook alternatieven worden ontwikkeld, zoals een verzoek aan het naasthogere echelon om ondersteuning.

De mate van toepasbaarheid van de grondbeginselen wordt bepaald door de factoren tijd, plaats en niveau van omstandigheden (ideale omstandigheden, primitieve omstandigheden, ramp). Er zijn dan ook geen vast omschreven regels voor het toepassen van de grondbeginselen.

Terug naar Boven

 

GRONDBEGINSELEN VAN MILITAIR OPTREDEN

Grondbeginselen, doctrines en procedures vormen samen de conceptuele component van militair vermogen. Doctrine is gebaseerd op de grondbeginselen zoals die reeds eeuwenlang gelden voor militaire operaties. Daarnaast zijn ze gegrond in de ideeën van militaire theoretici als Sun Tzu en Von Clausewitz en praktijkervaring zoals die door de militairen en hun eenheden onder zeer uiteenlopende omstandigheden is opgedaan.

Als gevolg hiervan zijn de grondbeginselen tijdloos, universeel en algemeen aanvaard. Ze gelden in meer of mindere mate altijd en overal en zijn door de eeuwen heen nauwelijks veranderd. Het blijken regels van fundamentele aard voor het gebruik van militaire middelen (fysieke component) op strategisch, operationeel en tactisch niveau.

Hoewel de grondbeginselen het fundament vormen voor elke vorm van militair optreden, zijn ze geen direct bruikbaar hulpmiddel voor commandant en staf. Commandanten moeten ze met de nodige flexibiliteit gebruiken, ook al omdat er compromissen moeten worden gesloten. Succes in een militaire operatie komt voort uit een juiste interpretatie en toepassing van de grondbeginselen. Omdat de grondbeginselen meehelpen aan het verantwoord organiseren van de inzet van militaire middelen, dragen ze bij aan de mentale component.

Grondbeginselen moeten altijd in onderlinge samenhang worden beschouwd. Alle militaire operaties voldoen aan alle randvoorwaarden, maar nooit allemaal evenveel. Het ene beginsel kan de toepassing van het andere soms niet of minder goed mogelijk maken.

Het altijd en overal kunnen toepassen van de grondbeginselen vergt intensieve studie, opleiding en training. Het hanteren van de grondbeginselen zal in iedere specifieke situatie moeten worden overdacht. Hierbij houdt de commandant bij het toepassen van de grondbeginselen altijd en overal rekening met het oogmerk van de hogere commandant(en) (1 UP en 2 UP), de commander’s intent (doelstelling van de commandant), de opdracht, tijd- en ruimtefactoren en de wijze van optreden van overige actoren.

De twaalf grondbeginselen van militair optreden zijn:

Nederlands

Engels

behoud van moreel

maintenance of morale

bewegingsvrijheid

freedom of movement

concentratie

concentration of force

doelgerichtheid

selection and maintenance of the aim

eenheid van inspanning

unity of effort

eenvoud

simplicity

flexibiliteit

flexibility

initiatief

initiative

legitimiteit

legitimacy

veiligheid

security

verrassing

surprise

voortzettingsvermogen

sustainability

Terug naar Boven

 

GRONDGEBONDEN VERKENNINGSESKADRON

Logo van 103 Grondgebonden Verkenningseskadron (103 GGVE).

Afgekort: GGVE. 103 GGVE en 104 GGVE, die behoren tot het ISTAR-bataljon.

De grondgebonden verkenningseenheden hebben, in affabetische volgorde, als taken:

bewaken

escorteren van konvooien

inrichten van observatieposten

uitvoeren van patrouilles

verkennen

Bij gevechtscontact zal de grondgebonden verkenningseenheid proberen de tegenstander op zo groot mogelijke afstand aan te grijpen. Het grondgebonden verkennen vindt, buiten het Korps Commandotroepen en 11 Air Manoeuvre Brigade, echter op drie niveaus plaats door gebruikmaking van de Fennek LVB:

  

ISTAR bataljon

grondgebonden verkenningseenheid

gemechaniseerde brigade

brigadeverkenningseskadron (BVE)

pantserinfanteriebataljon en tankbataljon

verkenningspeloton

Zie ook: brigadeverkenningseskadron en ISTAR.

Terug naar Boven

 

GROOTTETEKENS

Tekens die de grootte van een militaire eenheid weergeven:

TEKEN

NAAM

BIJZONDERHEDEN

ø

Ploeg 

Groep

D: Trupp

E: Team, Party

F: Groupe

 

Stuksbemanning bij artillerie en mortieren.

●●

Sectie

D: Gruppe

E: Section, Squad

F: Section

 

●●●

Peloton

D: Zug

E: Platoon, Detachment

F: Peloton

 

Gevechtsbatterij bij luchtafweereenheden.

●●●●

Afdeling

D: Staffel

E: Element, Unit

F: ???

 

Samengestelde eenheid

I

 

Compagnie

D: Kompanie, Batterie

E: Company, Battery

F: Compagnie

 

Eskadron bij tank- en verkenningseenheden, batterij bij artillerie-eenheden en squadron bij de Koninklijke Luchtmacht.

I I

Bataljon

D: Battaillon

E: Battalion

F: Bataillon

 

Afdeling bij artillerie-eenheden en groep bij de Koninklijke Luchtmacht.

I I I

Regiment

D: Regiment

E: Regiment, Group

F: Régiment

 

Korps Commandotroepen en Nationale Reserve .

X

Brigade

D: Brigade

E: Brigade

F: Brigade

 

X X

Divisie

D: Division

E: Division

F: Division

 

Operationeel Commando “7 December”.

X X X

Legerkorps

D: Korps

E: Corps

F: Corps d’armée

 

1ste Duits-Nederlandse Legerkorps (1 GNC).

X X X X

Leger

D: Armee

E: Army

F: Armée

 

X X X X X

Legergroep

D: Armeegruppe

E: Army group

F: Groupe d’armée

 

X X X X X X

Sector (Regio)

AFCENT, AFSOUTH en AFNORTH

D = Duitse vertaling, E = Engelse vertaling, F= Franse vertaling

In combinatie met eenheidstekens kunnen eenheidsaanduidingen worden gemaakt, zoals:

Dit is de eenheidsaanduiding van 12 Infanteriebataljon Luchtmobiel uit Nederland

Terug naar Boven

 

GROTE BEER

Locatie Grote Beer ten opzichte van Kleine Beer en Poolster

Latijn: Ursa Major.

Sterrenbeeld met de vorm van een steelpan. Bestaat uit zeven sterren: zes grote en één kleine. De grote sterren van de Grote Beer zijn even helder als de Poolster (Stella Polaris) en gemakkelijk met het blote oog waarneembaar. Grote Beer gaat op het noordelijk halfrond nooit op of onder en staat zo dicht boven de hemelpool dat deze altijd boven de horizon zichtbaar blijft.

De bovenste ster van de Grote Beer heet Alcaid; de sterren van de zijwand van de steelpan zijn, van links naar rechts, Merak en Dubhe.

De beeldspraak van de grote en de kleine beer gevisualiseerd

Er zijn twee manieren om met behulp van de Grote Beer het noorden te vinden:

  • verleng de lijn tussen de sterren Merak en Dubhe vijf maal; aan het eindpunt bevindt zich de Poolster
  • trek een lijn door Alcaid en de onderste ster van Casseiopeia; in het midden bevindt zich de Poolster

Zie ook Casseiopeia, Kleine Beer en Poolster.

Terug naar Boven

 

GROUND TRUTH

Ground truth is de realiteit van een tactische situatie, die anders of tegengesteld kan zijn aan wat volgens de rapporten van inlichtingendiensten en missieplannen de werkelijkheid zou moeten zijn.

Het gaat hier om de feiten zoals die zich aandienen en (nog) niet geanalyseerd en/of geverifieerd zijn. Ground truth kan bestaan uit de letterlijke weergave van zelf opgevangen gesprekken van leiders of burgers. Deze letterlijke informatie is niet per definitie waar, maar het gaat er hierbij niet om wat een intermediair (her)interpreteert.

Ground truth is belangrijke informatie. De intermediair treedt lokaal of regionaal zo neutraal mogelijk op, met als doel het opbouwen van een vertrouwensrelatie met de lokale militaire, politieke en informele leiders en de bevolking. Idealiter is de intermediair een lid van de Special Forces, dat zelfstandig opereert, kennis heeft van overlevingstechnieken en tactieken, en nauwkeurig verslag uitbrengt.

Voorbeelden waren in Bosnië-Hercegovina de Joint Commission Observers (JCO’s), die optraden als ogen en oren van de commandant. JCO’s woonden in civiele huizen, communiceerden met lokale autoriteiten, burgemeesters en politieke partijen en fungeerden als de voelsprieten van de commandant. Bij mogelijke conflicten hadden JCO’s snel de bron van de publieke emoties gesignaleerd en gemeld aan de commandant.

JCO’s van de U.S. Army Special Forces en anderen, onder andere van het Korps Commandotroepen, werden tijdens de United Nations Protection Force (UNPROFOR) geïntroduceerd als militaire waarnemers die de commandant de nodige flexibiliteit gaven.

Het begrip ‘ground truth’ is afkomstig van de Amerikaanse National Aeronautics and Space Administration (NASA), die satellietmetingen double-checkt met reeds bekende feiten. Dat doet de NASA met behulp van ‘ground truth’ (“meten is weten”). Personeel valideert op locatie op het maaiveld of daarboven – in een vliegtuig – de satellietmetingen.

Terug naar Boven

 

GUERRILLA

Van het Spaanse verkleinwoord “oorlogje”. De oudste vorm van asymmetrische oorlogvoering en irregulier optreden dankt haar naam aan de zgn. “guerra de guerrillas”.

In 1808 veroverde Napoleon Bonaparte Spanje. De daaropvolgende strijd, met name gevoerd door kleine groepen lichtbewapende en verstrooide Spaanse troepen in het gebergte, duurde tot 1814. Met verdrijven van de Franse bezettingsmacht was de Iberische Oorlog ten einde.

Tegenwoordig wordt met guerrilla de oorlogvoering bedoeld waarbij kleine gewapende groepen op onverwachte momenten toeslaan en een grotere militaire macht voortdurend op zwakke punten proberen te raken. Dat gebeurt door middel van kleine, vaak ongeregelde gevechtsgroepen, die zich in de regel specialiseren in aanslagen, sabotage, terreurdaden en verrassingsaanvallen. De strijd wordt gevoerd door burgers die vrijwillig als militair optreden en zich richten tegen een bezettingsmacht of de eigen regering.

Deelnemers aan een guerrilla worden guerrillero’s, guerrillastrijders of partizanen genoemd. Regionaal hebben guerrillero’s eigennamen: zo heten zij in Koerdistan peshmerga’s en in Afghanistan mujahideen.

Kenmerken van guerrillero’s zijn:

  • Ondernemen hit-and-run acties en raids om hun tegenstander te verzwakken of verjagen
  • Vechten vaak in moeilijk(er) toegankelijk terrein, zoals bergen, bossen, jungle, oorden of woestijnen
  • Vormen géén gesloten frontlijn
  • Zijn in meer of mindere mate sympathiek bij de lokale bevolking
  • Zijn met name lokaal en autochtoon georganiseerd
  • Zijn mobieler dan hun tegenstander

Het onderscheid tussen guerrillero’s, opstandelingen en war lords is in de praktijk moeilijk, zo niet onmogelijk. Voor termen als bevrijdingsoorlog, guerrilla, insurgency, ondergronds verzet, opstand, revolutie, terrorisme en woelingen wordt de verzamelnaam gewapend verzet (unconventional warfare) gebruikt.

(Bron onder andere: ‘Encyclopedia of Guerrilla Warfare’, I.F.W. Beckett, 1999)

Terug naar Boven

 

GUNZEN

Officieel: Gunzen MFTC1H. Hand-held reken- en vuurregelcomputer. Bijnaam: mortierrekenaar. Afmetingen: 20 x 12 x 6 cm. Gewicht ± 600 gram. De Gunzen wordt opgeborgen in een slagvaste, kunststof behuizing.

Coördinaten (van waarnemers) worden omgerekend met als uitkomst de correcte aanvoerlading, gewenste richting, elevatie (kwadranthoeken) en vluchttijden voor het uitbrengen van vuur met artillerie en mortieren; het rekenwerk van de Gunzen krijgt het vuur optimaal op het doel.

De Gunzen leverde, als voorloper van de AFSIS (Advanced Fire Support Information System), snel en accuraat vuurgegevens voor artillerie en mortieren. Hoewel de Gunzen nauwkeurig was, leverde de hand-held in vergelijking met de AFSIS vertraging op in het beantwoorden van een vuuraanvraag, waardoor te langzaam vuur op het doel werd gegeven.

Terug naar Boven

 

GUPPEN

Behalve de meervoudsvorm van een visje (tandkarper), het uitgeschreven woord voor de afkorting 'GUP', wat staat voor 'gevechtsuitputting'.

In de Tweede Wereldoorlog raakte de term gevechtsuitputting populair; er werd zelfs uitgerekend wanneer de militairen aan gevechtsuitputting te gronde zouden kunnen gaan. Wanneer ± ¾ van een peloton gesneuveld was, verloren de overgeblevenen de (gevechts)realiteit uit het oog. Normaliter werden aan gevechtsuitputting lijdende militairen afgevoerd.

Dat militairen onder gevechtsomstandigheden bang waren, bleek immers allang uit de analyses dat het merendeel van de militairen niet meer het vermogen had om zijn wapen te gebruiken als dat nodig was: als de vijand binnen vuur- en zichtafstand was.

In de moderne tijd - onder meer uit Israëlisch onderzoek - blijkt dat gevechtsuitputting vaak leidt tot de langere termijn gevolgen van het Post-Traumatische Stress Syndroom, hoewel het niet zo is dat beide ziektebeelden in elkaar overlopen.

Guppen is, in de militaire volksmond, de toestand die ontstaat als, bijvoorbeeld ten gevolge van slaap- en/of voedseldeprivatie, militairen voor langere tijd fysiek en/of mentaal worden 'geprikkeld'. Dit is onder andere merkbaar als na korte pauzes na het (snel)marsen militairen bijvoorbeeld links afslaan terwijl zij rechtsaf hadden moeten slaan, wanneer militairen zo uitgeput zijn dat zij 'roze olifanten' op het behang van hun legeringskamer zien dansen of wanneer zij een telefooncel middenin het donkere dierenbos aan hun geestesoog voorbij zien trekken...

Niet te verwarren met wuppen.

Zie ook: pantserstorm.

Terug naar Boven

 

GURKHA'S

Mongoloïde volk uit het westen van het Himalaya-gebergte, dat zich in 1768-'69 meester maakte van Nepal.

De Gurkha's vormen sinds 1815 een gerespecteerd eliteonderdeel binnen de Britse krijgsmacht, verenigd in de Brigade of Gurkhas. De belangrijkste subeenheden hierin zijn The Royal Gurkha Rifles (twee bataljons), The Queen's Gurkha Engineers, Queen's Gurkha Signals en The Queen's Own Gurkha Logistic Regiment. Van alle Gurkha’s die in Brits uniform hebben gediend, hebben alleen al tijdens beide wereldoorlogen 45.000 van de 200.000 het leven gelaten en zijn er dertien onderscheiden met het Victoria Cross. Dit is de hoogste militaire onderscheiding die wordt toegekend voor dapperheid “in the face of the enemy”.

Het motto van de Gurkha’s is “Kaphar hunnu bhanda mornu ramro chha” (“Het is beter te sterven dan te leven als een lafaard”).

Tijdens de Brits-Nepalese oorlog in 1814-'16 dachten 30.000 Britse troepen binnen enkele dagen met 12.000 Nepalezen af te kunnen rekenen, maar het werd zo'n bittere strijd dat de Britten duizenden manschappen verloren en op een gegeven moment in een impasse geraakten. In 1815 sloot de Britse Oost-Indische Compagnie een vredesakkoord met Nepal; de koloniale Britse officieren waren zo onder de indruk van het doorzettings- en uithoudingsvermogen, gevechtstechnieken, moed, opofferingsgezindheid en zeer goede training , dat de Gurkha's na de oorlog massaal werden geworven voor het Brits-Indische leger in het British Empire.

Toen na de onafhankelijkheid van Indië de vroegere gekoloniseerden en kolonisators de Gurkha-regimenten onder elkaar verdeelden, zijn het l oon en de pensioenregeling vastgelegd in een contract. Sindsdien en tot de dag van vandaag hebben de Gurkha's een elitepositie in het Britse leger, vergelijkbaar met die van de Molukkers in de Nederlandse krijgsmacht van vroeger.

Anno 2004 telt het Britse leger nog slechts ± 3.3400 Gurkha's, een schijntje vergeleken met de 112.000 in maar liefst 40 Gurkha-bataljons tijdens de Tweede Wereldoorlog; in beiden wereldoorlogen dienden er in totaal 210.000. In 1994 fuseerden de resterende vier Gurkha-regimenten tot The Ryal Gurkha Rifles; heden ten dage bestaan er nog slecht twee bataljons Gurkha's: één in Engeland en één in Brunei.

Het bekendste en beruchtste exportartikel uit Nepal - de geharde Gurkha - heeft al heel wat oorlogen gevochten: de Gurkha's waren onder meer actief in Bosnië, de Eerste en Tweede Wereldoorlog, Eerste en Tweede Golfoorlog, de Falklands, Kosovo en Oost-Timor. Het standaardwapen van de Gurkha is de traditionele 45 cm lange, vlijmscherpe, gekromde khukri: als het mes uit de schede wordt gehaald, dient er traditiegetrouw bloed te vloeien. Als de khukri terug in de schede wordt gestopt, dient de keel van de vijand te zijn doorgesneden of dient een snee te worden gemaakt in de eigen vinger.

Op 29 september 2004 heeft  Tony Blair besloten dat de Gurkha's het recht krijgen om zich in Groot-Brittannië te vestigen en aanspraak te maken op het Britse staatsburgerschap; volgens de Britse premier hebben de Gurkha's Groot-Brittannië "al tweehonderd jaar met veel vaardigheid, waardigheid en moed gediend".

Volgens het internationale recht zijn de Britse Gurkha's géén huursoldaten; zij zijn immers volledig geïntegreerd in de Britse krijgsmacht, opereren in eenheden van de Gurkha Brigade en vallen onder alle krijgs- en strafrechtelijke regels die ook voor 'gewone' Britse militairen gelden.

Op 21 mei 2009 delfde de Britse regering het onderspit in het conflict dat draaide om het recht van voormalige Gurkha's om zich in Groot-Brittannië te mogen vestigen. Home Secretary (Minister van Binnenlandse Zaken) Jacqui Smith liet het Lagerhuis weten dat alle Gurkha-veteranen die vóór 1997 met pensioen zijn gegaan en minimaal vier jaar in de Britse krijgsmacht hebben gediend, in Groot-Brittannië mogen gaan wonen. Het gaat om ± 36.000 Gurkha’s.

De campagne ten gunste van de Gurkha’s is sinds november 2008 in alle hevigheid opgeschroefd met de nu 63-jarige Joanna Lumley als prominent boegbeeld. De in Brits-Indië geboren actrice – wier vader officier was in de 6th Gurkha Rifles (destijds een regiment in de British Indian Army) – is in Groot-Brittannië bekend geworden als de rokende, drinkende en peroxideblonde Patsy Stone uit de sitcom Absolutely Fabulous.

De Labour-politicus Keith Vaz noemde 21 mei 2009 een “historische” dag voor de Britse democratie. Hij zei dat 21 mei voortaan zal worden herinnerd als “Gurkha Rights Day”.

Actrice en boegbeeld Joanna Lumley temidden van enkele Gurkha's.

Actrice en boegbeeld Joanna Lumley temidden van enkele Gurkha's.

Terug naar Boven

 

GVA

Betekenis: grensverleggende activiteit(en).

Veeleisende, niet specifiek militaire opdrachten die door militairen (in opleiding) onder risicovolle en stressverwekkende omstandigheden worden uitgevoerd. In het omgaan met stressvolle situaties (angst, onzekerheid, spanning) zoekt de militair zijn grenzen op, verlegt hierdoor zijn grenzen en vergroot – door bij zichzelf en anderen gedrag te onderkennen en begrijpen - uiteindelijk zijn stresstolerantie (vormingsdoel).

Deelname aan GVA vormt sinds begin jaren ’90 een verplicht onderdeel van de opleiding van alle militairen en is een belangrijk onderdeel van de opleidings- en trainingsprogramma's van de LO/Sport bij de Koninklijke Landmacht. Later is dit ingebed in ‘train as you fight’.

De ervaringen die de deelnemers tijdens het uitvoeren van GVA opdoen, brengen een actief leerproces tot stand. Dat leerproces heeft tot doel bij te dragen aan de vorming van een juiste attitude ten aanzien van de omgang met risico- en stressvolle situaties.

Feitelijk is iedere willekeurige opdracht waar een beroep wordt gedaan op het fysieke en mentale incasseringsvermogen een grensverleggende activiteit. GVA omvat de onderdelen parachutespringen, rotsklimmen/werken op hoogte en sportduiken.

Per definitie is GVA een activiteit in het kader van de mentale vorming (doorzettingsvermogen, gevechtsbereidheid), maar als afgeleide kan GVA juist ook tot doel hebben:

►training van kaderleden in leiderschap ( LTV) onder verzwaarde omstandigheden: het kaderlid een voorbeeld laten zijn in de uitvoering van de diverse opdrachten om vertrouwen en vakmanschap uit te stralen naar onderhebbenden

teamvorming (verbetering van de groepscohesie)

►persoonlijkheidsvorming

►ondervinden van het belang van gedisciplineerd werken volgens vaste procedures om de veiligheid bij risicovolle activiteiten te waarborgen

►leren onderkennen van het belang van teamgeest en van vertrouwen in leidinggevenden, om te bereiken dat opdrachten kunnen worden uitgevoerd ondanks gevoelens van onzekerheid, uitputting, levensgevaar e.a.

In breder perspectief maakt GVA deel uit van een keten aan leerprocessen: instructie over stress en stresshantering, leren omgaan met minder luxe omgevingen en onzekerheden, slaapmanagement (uitvoeren van opdracht na weinig slaap tot en met deprivatie), GVA en groepscohesie.

GVA, maar ook Adventurous Training (AT), beoogt het verleggen van fysieke en mentale grenzen en het vergroten van de tolerantie voor minder goed beheersbare situaties. Door een goede evaluatie en leren van de opgedane ervaringen kan het gebruik van GVA en AT een goede bijdrage leveren aan het leren omgaan met stressvolle situaties.

In opdracht van de Afdeling Gedragswetenschappen van de KL is in 1996 de effectiviteit van GVA onderzocht door TNO Technische Menskunde in Soesterberg (dr. Wientjes, dhr. Wisman, mr. drs. Van Orden en prof. dr. Gaillard). Het onderzoek, ‘De invloed van grensverleggende activiteiten op situationele coping en fysiologische reactiviteit’, ging na in hoeverre de stresstolerantie beïnvloed kan worden door training en welke invloed persoonlijkheidskenmerken op de stresstolerantie hebben.

De conclusie was dat er een beschermende invloed uitgaat van GVA, maar de nadruk moet liggen op de formatie van de cognitieve en gedragsmatige copingtechnieken. Weliswaar leidt GVA tot een beperkte verbetering van het probleemgerichte situationele copingrepertoire, maar niet van de emotiegerichte coping, en evenmin van het groepsfunctioneren.

Terug naar Boven

 

Laatste update:15.05.2013