KONINKLIJKE LANDMACHT 200 JAAR (1814-2014)
Terug naar de homepage
 

In 2014 bestaat de Koninlijke Landmacht 200 jaar.

Op 9 januari 2014, exact 200 jaar na de oprichting van de Staande Armee, zal hiervoor het startsein worden gegegeven. Het gehele jaar 2014 zal in het teken staan van jubileumactiviteiten, met aandacht voor het verleden, het heden... en detoekomst. Op tal van plaatsen zal hieraan aandacht worden gegeven.

Terug naar Boven

 

Van Napoleon naar Corps d'Armée

Na de nederlaag van Napoleon in de grootste militaire confrontatie in Europa vóór de Eerste Wereldoorlog – de Slag bij Leipzig, die plaatshad in oktober 1813 – waren het een maand later in hoofdzaak de Engelsen, Pruisen (Duitsers) en Russen die Nederland van de Fransen bevrijdden. Daarmee kwam ook hier een einde aan de overheersing van Napoleon.

Op 31 maart 1814 bezetten de geallieerden Parijs en op 11 april nam Willem I het commando van het Nederlandse leger en verhuisde zijn hoofdkwartier naar Roosendaal. Zijn Kwartiermeester-generaal en chef-staf was kolonel Jean Victor baron de Constant Rebecque, zijn 1e Divisie werd geleid door zijn jongere broer Prins Frederik.

Met de Vrede van Parijs, getekend op 30 mei 1814, kwam ook officieel een einde aan de oorlogen tegen Napoleons keizerrijk. Het vredesverdrag betekende de eerste stap in de herverdeling van Europa. Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden was een feit en een maand later, in juni 1914, mobiliseerde Koning Willem I met de hoogste spoed een voorlopig militair apparaat: het Corps D'armée tot bezetting Van België.

Deze onmiddellijk ontplooide "legerafdeling" werd samengetrokken tussen Breda en Maastricht en bezette hiermee effectief de zuidelijke delen van het Koninkrijk.

De eenheid telde drie brigades infanterie te velde: de 1e brigade onder generaal-majoor François Daniel Vincent de Cornabé, de 2e onder leiding van generaal-majoor Baron Hendrik George Graaf de Perponcher-Sedlnitzky en de 3e geleid door generaal-majoor Jan Andries Stedman.

Het hoofdkwartier van De Cornabé stond in 's-Hertogenbosch, dat van De Perponcher in Bergen op Zoom en Stedman zetelde in Maastricht.

Terug naar Boven

 

Koning Willem I

Op 1 december 1913 riep Erfprins Willem zich uit tot Koning van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden: "Nederland is vrij, en Willem de Eerste Souvereine Vorst van dat vrije Nederland."

Een van de eerste zorgen voor de nieuwe Koning was de legervorming.

Bij Koninklijk Besluit van 20 december 1813 werd het "Reglement van Algemeene Volkswapening" vastgesteld, op 30 december 1813 volgde het Reglement van Krijgstucht en bij besluit "van den Soevereinen Vorst" van 9 januari 1814 werd de voorloper van de Koninklijke Landmacht officieel opgericht.

De naamgeving, Staande Armee, verraadde de afkomst van het Frankrijk van Napoleon. Er was niet zozeer sprake van een geheel nieuw op te richten leger alswel van een complete reorganisatie van de strijdkrachten te velde.

Tegelijkertijd betekende de naam Staande Armee dat Koning Willem I niet anders kon dan de dienstplicht - een uitvinding van de gehate Fransen, die zij in 1811 in Nederland hadden ingevoerd - over te nemen. Er meldden zich immers te weinig vrijwilligers om de Staande Armee te vullen. De dienstplicht werd ook wel "volkswapening" of "conscriptie" genoemd, dienstplichtigen "miliciens".

In 1815, vier jaar na de invoering van de dienstplicht in Nederland en één jaar na de oprichting van de Staande Armee onder Koning Willem I, zou het remplaçantenstelsel worden ingevoerd.

Terug naar Boven

 

Staande Armee, Landmilitie & Schutterijen

De hervorming van de Staande Armee onder Koning Willem I was op tal van fronten ingrijpend. Bestond het leger onder Napoleon uit reservisten en soldaten die van bevriende naties waren geleend dan wel geworven (huurlingen), het nieuwbakken permanente leger bestond uit vrijwillig en voltijds dienende Nederlandse beroepsmilitairen.

Deze beroepsmilitairen waren "bestemd voor de dienst, zowel in het binnen- als in het buitenland". De Staande Armee was hét instrument voor de buitenlandpolitiek van de Koning.

De miliciens werden, zoals dat ook onder Napoleon het geval was, geselecteerd door loting. Daarna kwamen ze kwamen terecht in de Land- of Nationale Militie, die uitsluitend was bestemd voor de territoriale verdediging. Grootste nadeel van de Landmilitie was dat ze in vredestijd slechts éénmaal per jaar onder de wapenen kwam en dus slecht geoefend was.

Tot slot bestond de strijdmacht van het nieuw gevormde Verenigd Koninkrijk der Nederlanden uit leden van de Schutterijen, die bestemd waren "voor het handhaven der orde en als legerreserve".

Terug naar Boven

 

Sterkte en wervingsproblematiek

De totale sterkte van de Staande Armee was in het begin ± 27.000 man. Bij Koninklijk Besluit van 9 januari 1814 werd een legerorganisatie bepaald die was berekend op de volgende sterkte:

22 bataljons infanterie

4 regimenten cavalerie

4 bataljons artillerie te voet

korps rijdende artillerie

bataljon pontonniers, sappeurs en mineurs

bataljon treinsoldaten

Deze sterkte werd niet onmiddellijk bereikt; de periode van 1795 tot 1813 - de heerschappij van Napoleon over Nederland - had zijn stempel gedrukt. De dienstplicht als model van legervorming was de standaard geworden, maar de gevolgen van het invoeren hiervan én de hervormingsplannen van Koning Willem I lieten zich meteen duidelijk gelden.

Als ze al terugkeerden - dus niet op een Europees slagveld om het leven waren gekomen of zich ergens in krijgsgevangenschap bevonden - duurde het erg lang voordat de in Franse dienst ingelijfde plichtigen weer op vaderlandse bodem waren. Pas na een eervol ontslag waren ze vrij om te staan en te gaan waar ze wilden. Dan keerden ze van heinde en verre terug, uit onder meer het noorden van Duitsland, Bohemen of Spanje.

Eind 2013 waren van de 22 bataljons infanterie zeven bataljons in dienst getreden en stonden vier op het punt in dienst te komen; van de vier regimenten cavalerie bestonden er twee.

Deze wervingsproblematiek, die in de periode 1813-1819 een hoofdrol opeiste, was er de oorzaak van dat in de jaren twintig van de 19de eeuw het kader-militieleger wel uit de steigers móest komen.

Dit kader-militieleger hield in dat de kaderleden beroepsofficieren waren en de militie - de verzamelde miliciens - uit onderofficieren en ondergeschikten bestond.

Die situatie zou voortduren tot 1996, toen de opkomstplicht werd opgeschort. Het voordeel van een kader-militieleger was, althans in vredestijd, dat het relatief kleinschalig was. Hoewel in oorlogstijd de omvang van de krijgsmacht relatief eenvoudig kon worden gemobiliseerd, waren er ook toen al vragen over de kwaliteit van het gezamelijke personeelsbestand.

Terug naar Boven

 

Quatre-Bras en Waterloo

Intussen was de armoede in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden groot en de staatsschuld torenhoog.

Als klap op de vuurpijl eisten de bevrijders - de grote mogendheden Engeland, Pruisen en Rusland - dat de nieuwe zelfstandige staat een sterk leger moest formeren en nieuwe vestingen diende te bouwen tegen eventuele agressie vanuit Frankrijk. De gedachte vijand moest permanent angst worden ingeboezemd.

Dit in vredestijd onder de wapenen houden van een leger bracht extra kosten met zich mee, waarmee de relatieve kleinschaligheid van de Staande Armee zwaar op de begroting drukte.

Behalve met de eisen van de geallieerden, had de armee een tekort aan beschikbaar en geschikt personeel en onvoldoende kleding, paarden, uitrustingsstukken en wagens. De omvorming van het krijgsbedrijf onder Koning Willem I betekende een proces van pieken en dalen. Dit werd ruim verstoord doordat al in maart 1815 de Nederlandse krijgsmacht opnieuw moest worden gemobiliseerd: Napoleon was terug in Europa en hervatte zijn krijgsverrichtingen.

Toch waren de slagen om Quatre-Bras en Waterloo, tegen diezelfde Napoleon, de eerste piek. De bedreiging van het jonge Koninkrijk bereikte zijn hoogtepunt in juni 1815, in een gewapend treffen tussen de legers van Napoleon enerzijds en die van de Nederlanders (en Engelsen) bij Quatre Bras en de Nederlanders (Engelsen en Pruisen) bij Waterloo aan gene zijde.

Jan Hoynck van Papendrecht (1858-1933) vervaardigde ‘Eerste ontmoeting van Nederlandse en Pruisische troepen in de avond van 18 juni 1815 na de slag bij Waterloo, nabij Maison du Roi’ in opdracht van het Nederlandse leger.

Het gehucht Maison du Roi bevond zich aan de straatweg van Brussel naar Charleroi. Het 19e Bataljon Nationale Militie stond onder leiding van majoor Hendrik Boellaard (1770-1847) en behoorde tot kolonel Hendrik Detmers' 1e Brigade, onderdeel van de 3e Divisie die werd geleid door luitenant-generaal David Hendrik Chassé.

Omdat Boellaard zijn bataljon met zoveel beleid had aangevoerd, werd hij onderscheiden met de Militaire Willems-Orde derde klasse.

Op 7 februari 1901 gaf de Koninklijke Landmacht dit schilderij ter gelegenheid van hun huwelijk aan Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik .

Het Nederlandse leger stond onder leiding van de Engelse generaal Arthur Wellesley, 1st Duke of Wellington. In de zuidelijke Nederlanden ondergingen de Nederlanders eervol de vuurdoop tegen de Napoleontische troepen, die definitief werden verslagen.

Hoewel de net opgerichte Koninklijke Landmacht zich direct onderscheidde door moedig optreden - zo weerden de cavalerieregimenten zich tot het uiterste en betaalden een hoge prijs, welke inzet is beloond met de opschriften “Quatre-Bras" en "Waterloo" op hun standaards - was door de veldtocht naar het zuiden de begroting van Koning Willem I nog krapper geworden.

Terug naar Boven

 

Belgische Opstand en Tiendaagse Veldtocht

Was de Slag bij Waterloo in krijgshistorisch perspectief niet zo belangrijk, de hieropvolgende periode betekende er een van verwaarlozing en verval voor het Nederlandse leger. Dit werd nog verergerd door de strijd tegen de opstandige zuiderlingen: de Belgische Opstand (1830) en de Tiendaagse Veldtocht (1831).

Nu het Koninkrijk der Nederlanden niet langer verenigd was en de Nederlandse troepen jarenlang, tegen hoge kosten gemobiliseerd waren geweest, werden opnieuw bezuinigingen doorgevoerd. Hierdoor liep de personele sterkte van de oervorm van de Koninklijke Landmacht terug naar amper 20.000 militairen in 1850.

Terug naar Boven