inhoudsopgave L
Terug naar de homepage
 

Maak uw keuze uit de hieronder getoonde lijst

 

LANCE

Officieel: MGM-52 Lance; 56 cm geleide projectiel.

Geproduceerd door het Amerikaanse Ling-Temco-Vought (LTV). Een tactische surface-to-surface missile (SSM) voor de middellange afstand: 100 à 120 km. De zelfgeleide grond-grondraket zou in voorkomend geval gelanceerd worden vanaf de M752 gepantserde lanceerinrichting Lance (Self Propelled Launcher, SPL), een aanpassing op het onderstel van de M113A1 Armoured Personnel Carrier (APC).

Het transport van twee geassembleerde projectielen vond plaats met het M688 gepantserd transportvoertuig (Loader-Transporter, LT). De draaibare hydraulische kraan van de LT laadde de projectielen van de draagarmen van de LT op de SPL.

In 1974 verving de MGM-52 Lance de verouderde Honest John. De Lance, ontplooid op minimaal 25 km achter de voorste rand van het weerstandsgebied om buiten bereik van de vijandelijke artillerie te blijven, verleende vuursteun aan het toenmalige 1 Legerkorps.

Omdat C-1LK met de Lance overal en op elk moment het gevecht kon beïnvloeden, moest de Lance zodra ergens een grote vijandelijke doorbraak dreigde doelen achter de voorste lijn eigen troepen uitschakelen, zoals commandoposten, logistieke installaties, artillerie- en raketopstellingen en troepen- en voertuigconcentraties.

Voor de vervulling van haar taak vielen detachementen van de Koninklijke Marechaussee, infanteriebeveiligingscompagnie en een straalzendereenheid onder bevel van de afdeling.

Ondanks veel verzet, besloot het kabinet-Van Agt I in 1978 de Lance-raket nucleair te stellen. Daarmee werd de Lance, in tegenstelling tot de Honest John, dual capable: te bewapenen met zowel conventionele als nucleaire ladingen. De nucleairstelling van de Lance was onder meer het gevolg van de modernisering van het nucleaire arsenaal van de Koninklijke Landmacht.

In Nederland verving de Lance in zijn nucleaire rol de Honest John, met een kortere dracht, in de Verenigde Staten kwam de Lance in de plaats van de veel zwaardere Sergeant-raket. Behalve in Nederland en de Verenigde Staten was de Lance in België, Duitsland, Groot-Brittannië, Israël en Italië in de bewapening.

De Amerikanen beschouwden de nucleairgestelde Lance als een Short Range Ballistic Missile (SRBM): een ballistische raket voor de korte afstand. SRBM's waren in de Koude Oorlog het voornaamste wapen van de landstrijdkrachten.

De Lance-raket 129 werd ondergebracht bij 129 Afdeling Veldartillerie (129 Afdva), gelegerd op de Johannes Postkazerne in Havelte. 129 Afdva was gevormd uit het personeel van de opgeheven 109 en 119 Afdva, de eenheden die voorheen waren uitgerust met de Honest John. Op 1 maart 1979 was de afdeling operationeel én dual capable met twee lanceerbatterijen, elk uitgerust met drie mobiele lanceerinrichtingen, en een stafverzorgingsbatterij.

Tot 1992 lagen de kernkoppen voor de Lance - Amerikaans eigendom - op de site Havelterberg opgeslagen. In oorlogstijd zou de Lance-raket door militairen van een Amerikaans Field Artillery Regiment in vuurstelling worden gebracht en de vuuropdracht eveneens door de Amerikanen gegeven worden.

Een Lance gereed voor een daadwerkelijke lancering op de NATO Missile Firing Installation op Kreta.

Vanwege de grote minimumdracht van de Lance, werd voor daadwerkelijke lanceringen - live fire exercises (LFX'en) - uitgeweken naar de NATO Missile Firing Installation (NAMFI) op Kreta. Eenmaal per jaar onderging iedere lanceerbatterij op de NAVO-raketlanceerbases de Annual Service Practice, waarbij elke batterij één Lance-raket lanceerde.

De Defensienota 1991 lichtte het plan toe om de Lance-raket uit de bewapening van de KL te halen. Het einde van de Lance was het gevolg van een kabinetsbesluit om de kortedrachtwapens, tot 500 km, zo snel mogelijk af te schaffen. Dat was een gevolg van internationale afspraken over nucleaire ontwapening naar aanleiding van de omwentelingen in de voormalige Sovjet-Unie

Al op 10 december 1991 nam niet alleen 129 Afdva afscheid van haar zeven mobiele lanceerinrichtingen M752 en bijbehorende M688's; vanwege de ontmanteling van de wapensystemen werd ook de afdeling zelf opgeheven. Hiermee verdwenen, inclusief bewakingspersoneel en enkele ondersteuningsdiensten, ± 600 militairen van de Johannes Postkazerne.

De Lance in het Nederlands Artillerie Museum op de Legerplaats bij Oldebroek in 't Harde.

Specificaties:

bediening

totaal 11; M752 (SPL) 6; M688 (LT) 2

diameter

56 cm

explosieve kracht kernkop

Tot 100 kiloton (kt), vijfmaal zwaarder dan kernbom op Hiroshima

gewicht

1.300 kg (nucleair); 1.550 kg (conventioneel)

ladingkop

conventioneel of nucleair (kernkop W70 *)

lengte

6 meter 15

maximale dracht

120 km

snelheid

Mach 3

snelheid op doel

minder dan 3 minuten

trefzekerheid

± 200 meter (± 0,01 duizendste)

vliegplafond45 km

* De conventionele kop bevatte 822 stuks submunitie van handgranaatgrootte (bomlets). Net boven het maaiveld verlaten de bomlets de kop en worden ze over een groot oppervlak verstrooid. Door impact op de grond (schokwerking) detoneren ze en vallen uiteen in een groot aantal kleine scherven. Hiermee is de conventionele ladingkop met name zeer effectief tegen troepenconcentraties.

Voor het transport van de Lance-componenten had 129 Afdva de beschikking over 18 vrachtauto's DAF YA-5411. De 6-tonners vervoerden de Missile Main Assemblage (MMA).

De MMA is het draaglichaam van de Lance: alle onderdelen met uitzondering van de ladingkop. Voor één niet-geassembleerde Lance bestond de MMA uit twee brandstofcilinders en evenveel -motoren, een geleidingssysteem, ontstekings- en beveiligingsapparatuur en vier vinnen om het projectiel tijdens de vlucht te stabiliseren.

Zie ook: Honest John, Johannes Postkazerne en Koude Oorlog.

Terug naar Boven

 

LA COURTINE

La Courtine is een bijna legendarische Frans kampement dat dateert uit 1901.

Camp de la Courtine en het nabijgelegen oefenterrein liggen tussen Clermont Ferrand en Limoges, in het Massif Central, op ± 400 km ten zuiden van Parijs.

Met een oppervlakte van 62 km² was La Courtine indertijd in grootte het vierde oefenterrein van Frankrijk, na Suippes (135  km²), Mailly (120  km²) en Mourmelon-le-Grand (96  km²), waar Nederlandse militairen oefenden in de jaren 1959-1964.

De ingang van de legerplaats ligt drie km ten noorden van het oord La Courtine.

Nederlandse militairen oefenden indertijd ook op oefenterreinen in het Duitse Bergen-Hohne en Sennelager (beiden op de Lüneburgerheide) en het Franse Mourmelon-le-Grand.

Citaat uit het jubileumboek '200 jaar Koninklijke Landmacht, 1814-2014' (2014, ISBN 9789089531278, uitgeverij Boom).

 

Toch is La Courtine van alle oefenterreinen het best in het collectieve geheugen van de Nederlandse (oud-)militair gegrift.

Dit is mede te danken aan de hit 'Brief uit La Courtine' (1963) van Rijk de Gooijer, geschreven door Eli Asser en geïnspireerd op het Nederlandse militaire verblijf in La Courtine. Hiervan luidt de openingszin:"Beste ouders, lieve Ine, ik schrijf dit uit La Courtine.

Een periode op oefening in La Courtine werd vooral gewaardeerd omdat de tijd er door het oefenen sneller leek te gaan en dit voor veel militairen het eerste verblijf in het buitenland was.

Niet alleen de parate divisies, ook de dienstplichtigen op herhaling van de Koninklijke Landmacht, oefenden met als uitvalsbasis het Camp de la Courtine, al dan niet gezamenlijk met andere NAVO-landen.

Zo bezochten in totaal 16.000 (!) herhalers van de mobilisabele 5e Divisie La Courtine.


Het embleem van de 5e Divisie, vastgesteld op 14 mei 1955, is het vijfbladige kastanjeblad, oranje op Nassaublauw. De mobilisabele 5e Divisie werd op 19 mei 1993 opgeheven als direct gevolg van het einde van de Koude Oorlog.

Alleen tijdens de Berlijn-crisis van 1961, een van de dieptepunten van de Koude Oorlog, werden de oefeningen tijdelijk opgeschort.

Organiek duurde een oefenperiode in La Courtine zo'n zes weken, inbegrepen de voorbereidingen over de weg en per trein en de dagen durende vredesverplaatsing.

Maar soms gingen eenheden tot wel negen weken aaneengesloten oefenen.

Op jaarbasis oefende de Nederlandse krijgsmacht vier maanden achtereen in La Courtine, zowel gevechtsoefeningen als vrije oefeningen op bataljonsniveau en hoger.

Om twee redenen sloot de Nederlandse regering in 1959 met Frankrijk een contract over het gebruik van het oefengebied La Courtine:

► Het 1 Legerkorps (1 LK) was uitgebreid naar twee parate divisies (1e en 4e, beiden met zware artillerie), waardoor de Koninklijke Landmacht op zoek moest naar een nieuw grootschalig oefenterrein.

► De legerplaats La Courtine kwam vrij doordat Franse troepen massaal naar Algerije vertrokken. De Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog van 1954 tot '62 eiste de inzet van veel Franse troepen.

Op 4 juni 1959 vertrok de eerste Nederlandse colonne door tal van dorpen en steden naar het Franse oefengebied. Voor de Aan- en Afvoertroepen waren de grootschalige oefeningen in La Courtine absoluut een hoogtepunt.

De wegverplaatsing naar La Courtine liep standaard via de doorlaatpost Bergeijk-Lommel, achter Valkenswaard. Via de etappeplaatsen Oirschot, Mourmelon en Bourges bedroeg de enkele reis naar La Courtine zo'n 1.000 km.

Het transport van de zware tanks per spoor duurde langer vanwege het buitenprofielvervoer (hors profil: breder dan de spoorwegwagons), waardoor de treinen regelmatig op zijsporen moesten wachten tot er vrij baan was.

Alle militairen die naar La Courtine gingen, kregen vanaf 1959 het boekje 'Tour de France. Uitgave voor alle militairen, die in la Courtine gaan oefenen' mee. Het boekje bevatte onder andere een beknopte woordenlijst.

Lichte vliegtuigen die voor onmiddellijke steun aan de oefenende troepen werden ingezet, konden worden gestationeerd op airstrips bij Les Fagettes en Clairavaux of op het 30 km van het oefenterrein gelegen vliegveld Ussel-Thalamy. De lichte vliegtuigen werden onder andere ingezet ten behoeve van verkenningen en luchtfotografie.

Het terrein stelde door de aanwezigheid van moeilijk doordringbare, pantserstoppende naaldbossen beperkingen aan het gemechaniseerde en gemotoriseerde optreden.

Vaak lag hierdoor de nadruk op statische gevechtsvormen, zoals verdediging en vertraging, maar ook het naspelen van een totaaloorlog kon wel degelijk tot de oefendoelen behoren.

De infanterie begon traditiegetrouw met compagniesmanoeuvres, waaraan ook een tankpeloton deelnam. Daarna volgde een bataljonsoefening, met het ensceneren van een gemotoriseerde opmars, aanval en verdediging.

Naast oefen- was La Courtine ook proefterrein: nieuw materieel en nieuwe organisatievormen werden er getest.

De meest bekende voorbeelden zijn die van de YP-408, die zijn plaats kreeg in 1 Legerkorps, en in 1960 de test van de AMX door 16 Bataljon Limburgse Jagers.Vanaf 1963 leverde Frankrijk de eerste AMX'n aan Nederland.

Hoewel in 1970 en 1987 nog incidenteel oefeningen plaatsvonden in La Courtine, werd de legendarische naam consequent verbonden aan de oefenperiode 1959-'64.

Het VPRO-radioprogramma 'OVT' zond hierover op 18 en 25 februari en 4 maart 2001 een driedelige serie uit onder de naam 'Spoor terug: La Courtine'.

Tijdens de oefeningen van 1 Divisie '7 December' in La Courtine, stelde de Sectie Voorlichting elke dag voor de oefenende troep het nieuwsbulletin L'Emère samen. De naam was afgeleid van het Frans gemaakte EM'er van de afkorting EM (Expeditionaire Macht).

1960 was een goed jaar voor de Nederlands-Franse betrekkingen. De al goede verhouding met de plaatselijke autoriteiten werd in dat jaar nog verbeterd door de hulp die door eenheden van 1 Legerkorps kon worden verleend tijdens de watersnood in de omgeving van La Courtine. De hulp werd zowel door de Franse regering als de bevolking bijzonder gewaardeerd.

Namen op de kaart - Riemer Reinsma (Onze Taal, 2010-5).Namen op de kaart - Riemer Reinsma (Onze Taal, 2010-5).

Zie ook: Beste ouders, lieve Ine, ik schrijf dit uit La Courtine. Het Nederlandse leger in Frankrijk 1959-1971 van Henk Povée (2009).

Externe links: begin 2001 zond het tv-programma OVT van de VPRO de driedelige serie 'Spoor terug: La Courtine' uit:

Spoor terug: La Courtine deel 1

18 februari 2001

Spoor terug: La Courtine deel 2

25 februari 2001

Spoor terug: La Courtine deel 3

4 maart 2001

Terug naar Boven

 

LANDINGPOINT

Landepunkt.
point d'atterrissage.

Afkorting: LP. Nederlands: (helikopter)landingsplaats.

1 = Chalkverzamelpunt
2 = Afwachtingspunt
3 = Chalkverspreidingspunt
4 = Pelotonsverzamelpunt
PUP = Pick-Up-Point
DOP = Drop-Off-Point

Chalkverzamelpunt, afwachtingspunt, PUP, DOP, chalkverspreidingspunt en pelotonsverzamelpunt.

Een landingspunt, zo mogelijk binnen een Landing Site (LS), waar één helikopter kan landen cq. opstijgen.

Het landingspunt hoeft niet op een organieke landingsbaan te liggen. Op het LP kan ook een externe helikopterlading (Under Slung Load, USL) worden opgepikt dan wel neergezet. Voor het vastzetten van een USL wordt gebruik gemaakt van de Helicopter Underslung Load Equipment (HUSLE).

De volgende vier LP's worden onderscheiden:

Drop Off Point

DOP

afzetten personeel

Load Point

oppikken USL

Load Release Point

LRP

afzetten USL

Pick Up Point

PUP

oppikken personeel

Zie ook: chalk, flashcard, hot LZ, marshaller, pathfinder en riggen.

Terug naar Boven

 

LANDING POINT COMMANDER

Afgekort: LPC.

Militair die als neventaak de bevoegdheid heeft om meerdere Rigger/Marshallers (R/M's) te controleren in hun werkzaamheden op een landing/Pick Up Point. LPC en R/M's vormen samen het Landing Point Team (LPT).

De LPC is tevens gerechtigd het landing/Pick Up Point te verkennen en uit te zetten.

Op het landing/Pick Up Point worden in- en externe ladingen ten behoeve van in of onder een transporthelikopter gereedgemaakt en aangehaakt.

De nadruk ligt op het externe vervoer van cargo door middel van een under slung load (USL), waarbij niets mag loszitten of kunnen losraken tijdens de vlucht.

De LPC, die onder de verantwoording van een Heli Handling Instructor (HHI) werkt, krijgt zijn opleiding aan de School Grond-Lucht Samenwerking (SGLS) - de Landing Point Commander Course - en dient jaarlijks een Currency Check af te leggen om zijn gecertificeerdheid te behouden.

Voordat geneeskundig luchtvervoer daadwerkelijk wordt uitgevoerd, is het de taak en de verantwoordelijkheid van de Landing Point Commander van de hulppost dat procedures met betrekking tot de gewonden worden gecontroleerd/uitgevoerd:

► een safety-briefing over de noodprocedures van de desbetreffende helikopter;

► aanwezigheid en plaatsen van gehoorbeschermingsmiddelen;

► zwemvesten aan bij verplaatsingen over water (aanbrengen voordat wordt beladen);

► beide armen op de draagbaar vrij beweegbaar zijn en niet door dekenriemen worden ingebonden;

► dekens van de draagbaar (driedekenmethode) zodanig dichtgeslagen zijn dat de gewonde van twee zijden is te benaderen;

► instructies met betrekking tot opkomende misselijkheid en braken tijdens de vlucht (in de helm of de daarvoor bestemde spuugzakjes);

► instructies voor wat betreft noodprocedures boven land en water.

Zie ook: geneeskundig luchtvervoer (LUTRA), Heli Handling Instructor (HHI), landing/Pick Up Point, Rigger/Marshaller (R/M) en under slung load (USL).

Terug naar Boven

 

LANDING POINT FINDER

Afgekort: LPF.

Daartoe opgeleide en gecertificeerde militair die verantwoordelijk is voor het verkennen, uitzetten en inrichten van een veilig landing point ten behoeve van personeel en interne belading van een chalk; zodra er Under Slung Load (USL) aan de helikopter wordt gekoppeld, is de LPC verantwoordelijk.

1 = Chalkverzamelpunt
2 = Afwachtingspunt
3 = Chalkverspreidingspunt
4 = Pelotonsverzamelpunt
PUP = Pick-Up-Point
DOP = Drop-Off-Point

De LPF mag bij dag een landing point verkennen voor gebruik bij dag en bij nacht.

Daarnaast behoren tot zijn taken:

■ Begeleiden van de chalk

■ Controleren van de interne lading

■ Controleren van het landing point op Foreign Object Damage (FOD)

■ Controleren van het paxmanifest

■ Coördineren met het squadron van de helikopter(s) in het kader van Air Loading Table (ALT) en aircrewbrief

■ Geven van de opleidingen BHO en Basis Helikopter Training (BHT)

■ Handhaven van de regelgeving DAC (Dangerous Air Cargo)

■ Markeren van obstakels in de onmiddellijke nabijheid van het landing point (gully, tjot)

■ Markeren van het Touch Down Point (TDP) en afwachtingspunt van de chalk

■ Uitvoeren van de Air Final Guidance (AFG): grond/lucht-communicatie met de helikopter

■ Vanwege de veiligheid van de helikopter, bemanning en chalk landing point onder tactische omstandigheden zoveel mogelijk vrijwaren van vlakbaanvuur en tegen bijvoorbeeld een bosrand loceren (concealed approach and departure, CAD).

Hiertoe heeft hij onder andere een clinometer, kaarthoekmeter en kompas ter beschikking - beide laatsten in graden in plaats van mils (omdat de luchtmacht met graden werkt).

Terug naar Boven

 

LANDMACHTADJUDANT

Ook genaamd: CLAS-adjudant. De hoogst gegradueerde onderofficier, tevens stafadjudant, van het Commando Landstrijdkrachten (CLAS)/de Koninklijke Landmacht (KL), die alle militairen beneden de rang van tweede luitenant vertegenwoordigt.

Vóór 5 september 2005 was de Landmachtadjudant geplaatst in de staf van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten (BLS), na 5 september 2005 in de staf van de Commandant Landstrijdkrachten (CLAS).

De onmisbare informatiebronnen van de Landmachtadjudant zijn alle (staf)adjudanten, overige onderofficieren en, al dan niet via hen, ook alle korporaals en soldaten.

De functie van Landmachtadjudant is in 1998 ingevoerd onder de toenmalige Bevelhebber der Landstrijdkrachten, luitenant-generaal Maarten Schouten: op 8 mei 1998 werd adjudant Willem Tanis op de Van Hornekazerne in Weert geïnstalleerd als de eerste Landmachtadjudant - een mijlpaal in de geschiedenis van het onderofficierskorps.

De Landmachtadjudant heeft een uitgebreid takenpakket, waartoe als belangrijkste behoren:

► Gevraagd en ongevraagd adviseren van de Commandant Landstrijdkrachten en zijn staf, met - sinds adjudant André Odenkirchen - als formele adviesorgaan het Landmacht Adjudant Overleg (LAO);

► Afleggen van werkbezoeken om een brug te vormen tussen de top van het Commando Landstrijdkrachten (VLAS) en de werkvloer, knelpunten op de werkvloer te kunnen signaleren en de benodigde acties op te starten;

► Informeren van de top van het Commando Landstrijdkrachten;

► Leidinggeven aan tientallen stafadjudanten die in het opleidings- en trainingsveld werkzaam zijn;

► Leveren van bijdragen aan de kwaliteitsborging van het domein van de onderofficier en manschappen;

► Overleggen met adjudanten van de andere krijgsmachtdelen.

  

LANDMACHTADJUDANT

VAN - TOT

Willem Tanis

8 mei 1998 - september 2001

Arend Brinkman

september 2001 - 31 augustus 2005

Theo Witlox31 augustus 2005 - juli 2010
André Odenkirchenjuli 2010 - 18 seeptember 2014

Peer Donkers

18 september 2014 - heden

Op 18 september 2014 vond de functieoverdracht van de Landmachtadjudant plaats: adjudant Donkers volgde adjudant André Odenkirchen op.

De zichtbare onderscheiding om de linkerschouder en op de linkerborst van de Landmachtadjudant is een goud-Nassaus blauwe nestel met zilverkleurige nestelpennen. (De nestel is een aan de schouder gedragen snoer dat dient als versiering van de jas.)

Zie ook: Commandant Landstrijdkrachten, onderofficier en stafadjudant.

Terug naar Boven

 

LANDMACHTMEDAILLE

Medaille voor langdurige operationele dienst bij de Koninklijke Landmacht. Met de medaille wordt - evenzeer als met de Marinemedaille (1985), Marechausseemedaille (2003) en Luchtmachtmedaille (2005) - officieel erkentelijkheid betuigd voor het gedurende een relatief langere periode verrichten van dienst op operationele functies.

De Landmachtmedaille is een onderscheiding die volgens het Besluit Draagvolgorde Onderscheidingen, zowel in groot als klein model (baton), op het uniform mag worden gedragen. Bij de medaille behoort een op naam gestelde oorkonde.

Gekscherend wordt de Landmachtmedaille door sommigen ook wel "Bosrandmedaille" genoemd.

Brigadegeneraal H. Th. Komen, tot 2004 commandant van 43 Gemechaniseerde Brigade in Havelte, gaf de medaille deze bijnaam. De middelste, breedste baan van het lint is groen gekleurd, wat de generaal Komen kan hebben geïnspireerd tot zijn verspreking.

De ronde, bronzen medaille – ingesteld op 1 september 2002 – heeft een diameter van 35 mm en wordt aan een lint op de linkerborst gedragen. De voorzijde van de medaille toont het westelijk halfrond met in het midden het gekroonde embleem van de Koninklijke Landmacht oprijzend uit de Atlantische Oceaan. Op de keerzijde staat het Rijkswapen.

De kleuren van het lint - met een breedte van 27 mm - symboliseren respectievelijk trouw aan de Koning(in) en het Huis Oranje-Nassau (nassausblauw), vrede (wit) en hoop (groen).

  
Volgens het Instellingsbesluit Landmachtmedaille, op 12 september 2002 getekend door toenmalig Minister van Defensie mr. Benk Korthals en op 26 oktober van dat jaar gepubliceerd in de Staatscourant, zijn de toekenningscriteria:
 

► Ten minste 48 maanden, opgebouwd uit perioden van minimaal 30 aaneengesloten dagen, operationele (parate) dienst heeft verricht in het buitenland bij 1 GNC, bij 1 Divisie '7 December' of bij het voormalig 1 Legerkorps;

 

► Ten minste 36 maanden, opgebouwd uit perioden van minimaal 30 aaneengesloten dagen, operationele (parate) dienst heeft verricht bij 1 GNC, 1 Divisie '7 December' of bij het voormalig 1 Legerkorps, en bovendien:

1

Ten minste 24 maanden, opgebouwd uit perioden van minimaal 30 aaneengesloten dagen, operationele (parate) dienst heeft verricht in het buitenland bij 1 GNC, 1 Divisie '7 December', het voormalig 1 Legerkorps, dan wel dienst heeft verricht bij het Netherlands Armed Forces Support Agency Germany (NASAG), bij het voormalig Commando Nederlandse Troepen Seedorf/Hohne/Langemanshof (CoNLtrS/H/L) of bij een in het buitenland gestationeerde internationale operationele eenheid of staf, of:

 

2

Ten minste 6 maanden, opgebouwd uit perioden van 30 aaneengesloten dagen, dienst heeft verricht in de Nederlandse Antillen, het voormalig Nederlands Nieuw-Guinea of het voormalig Koninkrijksdeel Suriname dan wel dienst heeft verricht bij een onderdeel van de Koninklijke Marine of van de Koninklijke Luchtmacht of van de Koninklijke Marechaussee dat in een van de hiervoor genoemde gebieden was ingezet;

 

3

Ten minste 84 maanden, opgebouwd uit perioden van minimaal 30 aaneengesloten dagen, operationele (parate) dienst heeft verricht bij 1 GNC, 1 Divisie '7 December' of bij het voormalig 1 Legerkorps.

Terug naar Boven

 

LANDMIJN

Munitie die is ontworpen om op, onder of boven het maaiveld te plaatsen en tot ontploffing te komen bij de aanwezig- of nabijheid van of bij contact met personen en/of voertuigen. In de nieuwe generatie landmijnen zitten mechanismen ingebouwd die reageren op licht, warmte, verplaatsing of magnetisme.

Landmijnen zijn traditioneel gemaakt van hout, metaal, plastic of een combinatie hiervan.

Landmijnen zijn zgn. 'blinde wapens', die na plaatsing geen onderscheid maken tussen vriend of vijand (friend or foe), militair of burger.

Vanwege de oncontroleerbaarheid van een eenmaal gelegde mijn en het gegeven dat onwillekeurig slachtoffers worden gemaakt, wordt het militaire nut betwist.

Het belang van landmijnen wordt onderstreept door de volgende feiten:

► 40% van de in WO II vernietigde tanks is door landmijnen buiten gevecht gesteld.

► Bij El Alamein werden ruim 250.000 landmijnen gelegd, waardoor 132 tanks buiten gevecht zijn gesteld.

Slideshow over landmijnen.Slideshow over landmijnen.

Het explosief dat het meest in landmijnen wordt gebruikt is Tri-Nitro-Tolueen (TNT). Momenteel zijn er wereldwijd tussen 340 à 400 soorten landmijnen.

Ondanks de desastreuze uitwerking van landmijnen, kunnen ze bij oorlogvoering en Peace Support Operations niet worden gemist, vanwege:

► beschermen van de eigen troepen (werken onafgebroken, bij slechte weersomstandigheden en bij slecht zicht)

► belemmeren van het onschadelijk maken of ruimen van andere landmijnen

► voorwaarde scheppen voor de doeltreffende inzet van personeel en middelen

► zelf kunnen bepalen door de operationele commandant van duur, plaats en inzet

Er wordt onderscheid gemaakt tussen antipersoneelsmijnen (AP-mijnen, APM) en antivoertuigmijnen (AV-mijnen, AVM) – welke voorheen antitankmijnen (AT-mijnen, ATM) werden genoemd.

Jaarlijks vallen wereldwijd 20 à 30.000 slachtoffers als gevolg van mijnen die achterblijven na een gewapend conflict. De verwondingen variëren van blindheid en brandwonden tot amputatie- en scherfwonden. Met name de AP-mijnen zijn in oorlogvoering geduchte wapens: betaalbaar voor de allerarmste facties, milities en guerrillabewegingen, eenvoudig in gebruik en daardoor erg populair.

Grote hoeveelheden eenmaal gelegde landmijnen en niet-geëxplodeerde munitie bemoeilijken de hulpverlening aan de (arme) ontwikkelingslanden en zorgen ervoor dat complete landbouwgebieden onbenut moeten blijven.

Als een AP-mijn een militair verwondt of doodt, zullen zijn collega's er voor zorgdragen dat het slachtoffer geneeskundige verzorging krijgt; een dode kan eventueel worden achtergelaten, een (zwaar)gewonde niet.

Ook wordt het moreel danig aangetast.

Kortom, landmijnen vertragen de voortgang van het militaire optreden.

Hoewel het Verdrag van Ottowa (1997) gebruik, opslag, productie en handel van AP-mijnen verbiedt, weigeren enkele landen om opportunistische redenen het gebruik ervan te staken, zoals:

China

spanning met Taiwan

Egypte

grensbeveiliging

India

grensconflict Kashmir met Pakistan

Israël

grensbeveiliging

Pakistan

grensconflict Kashmir met India

Rusland

oorlog in Tsjetsjenië

Verenigde Staten

grensbeveiliging Noord- en Zuid-Korea

De landen die het Verdrag van Ottawa niet hebben geratificeerd, hebben gezamenlijk nog zo'n 200 miljoen AP-mijnen in gebruik en opslag. In naar schatting 70 landen liggen nog ± 140 miljoen ongeëxplodeerde landmijnen. Landen met de grootste aanwezigheid van landmijnen zijn:

Na de Eerste Wereldoorlog kwam het gebruik van landmijnen in zwang. In de Tweede Wereldoorlog en Vietnam deed de Bouncing Betty zijn intrede, in Vietnam vervolgens de claymore. Tijdens en na de Koude Oorlog bleken landmijnen met name in regionale, inter- en intrastatelijke conflicten ideale wapens. Zo telden de Falkland-eilanden 20 jaar na de Falkland-oorlog 101 mijnenvelden met 16.600 in kaart gebrachte mijnen op een oppervlakte van slechts 20 km². Tegenwoordig worden landmijnen, om het ruimen ervan in mijnenvelden gemakkelijker te maken, voorzien van:

Zelfneutraliserings- of
deactiveringsmechanisme

Na een bepaalde ingestelde periode, maximaal 120 dagen, detoneert de landmijn of schakelt ze zich automatisch uit, bijvoorbeeld omdat de batterij leeg is.

 

Detecteerbaarheidsmechanisme

Glazen, houten of plastic mijnen bevatten voortaan minimaal 8 gram metaal, zodat ze altijd traceerbaar en detecteerbaar zijn met behulp van een gangbare metaaldetector.

 

Antihandlings- of
antihanteerbaarheidsmechanisme

Als wordt geprobeerd de landmijn onschadelijk te maken of te ruimen, detoneert de landmijn automatisch.

  

Ook moeten mijnenvelden in bewoonde gebieden worden aangegeven door waarschuwingstekens.

Nederland produceert geen landmijnen meer, maar heeft dat in het verleden wel gedaan (Eurometaal). Beschikte de Koninklijke Landmacht lang over ruim een half miljoen landmijnen, nu liggen er alleen nog 80.000 AT-mijnen van het type DM31 in opslag voor gebruik tijdens de Algemene Verdedigingstaak (AVT).

Ook kende de KL de AT-trotylmijn 26C1, AP-inktpotmijn 22C1 en de AP-23. Het Ministerie van Defensie heeft in 1994 op humanitaire gronden de volgende hoeveelheden landmijnen opgeruimd:

De inktpotmijn 22C1 uit de jaren '60 is slechts 6 cm groot.

► 100.000 AT-mijnen, waaronder 60.000 hypermoderne

► 30.000 stuks AP-23 uit de jaren '50

► 420.000 overtollige AP-landmijnen, waaronder de verouderde inktpotmijn 22C1 uit de jaren '60

Nederland beschikt wel over zgn. horizontaal-effect-wapens (HEW's), explosieven die vanaf een afstand tot ontploffing gebracht kunnen worden en uitermate geschikt zijn voor rondomverdediging.

Op veel plaatsen in voormalig Joegoslavië wemelt het van de landmijnen. Waarschuwingsbordjes voorkomen deels dat mijnenvelden toegankelijk zijn.

De tekst luidt: "Mine! Zabranjen prolaz!" ("Mijnen! Verboden toegang!").

Een Dual Sensor Detector die in gebruik is bij de genie in Turkije.

De detector speurt niet alleen metaal op, maar lokaliseert allerlei soorten ondergrondse infrastructuur. Deze vorm van detectie wordt Ground Penetrating Radar (grondpenetrerende radar, GPR) genoemd.

De ontwikkeling van GPR vindt ook in Nederland plaats, in het kader van het project Humanitair Ontmijnen (HOM) 2000, dat door het Ministerie van Defensie is opgezet in 1997.

Bron: 'Promotor. Contactorgaan van de Vereniging van Genie Onderofficieren', 33e jaargang, juni 2010.

Zie ook: ammunition awareness, AP-23, B.M.W., Bouncing Betty, claymore, Explosieven Opruimingscommando KL en genie.

Terug naar Boven

 

LANDOLT, HEINRICH MATHIAS FRIEDRICH

Heinrich Mathias Friedrich Landolt (1828-1871) is een bekend schrijver op militair gebied.

Landolt werd het bekendst vanwege zijn onvolprezen militair woordenboek dat in 1861 en '62 in twee delen, respectievelijk 354 en 409 pagina's, verscheen bij de Leidse uitgeverij A.W. Sijthoff.

Landolt's vader, Zwitser van geboorte, had de veldtochten van het eerste Franse keizerrijk meegemaakt en was in 1816 in Nederlandse dienst getreden, als eerste luitenant-adjudant bij het Regiment Zwitsers van Zürich onder kolonel J.C. Ziegler: hij overleed in 1868 als gepensioneerd kolonel.

Het woordenboek van Landolt, eerste luitenant bij het Regiment Grenadiers en Jagers, is een vertaling van het 'Militärisches Hand-Wörterbuch nach dem Standpunkte der neuesten Literatur und mit Unterstützung von Fachmännern bearbeitet und redigiert' (1859) van de Pruisisch-Zwitserse militair-historicus Wilhelm Rüstow (1821-1878).

Het is een nuttige leidraad voor militairen, die professioneel door Landolt is vertaald en naar de behoeften van de Nederlandse krijgsmacht is bijgewerkt en toegelicht.

In samenwerking met het Legermuseum biedt de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (externe link) integraal een gedigitaliseerde versie van Landolt's boekwerk aan.

Landolt, geboren in Breda in 1828, begint in 1844 als cadet aan de Koninklijke Militaire Academie. Vier jaar later start hij als tweede luitenant bij het 2e Regiment Infanterie, waar hij in 1854 promoveert tot eerste luitenant. In 1861 volgt zijn bevordering tot kapitein bij het 7e Regiment Infanterie.

In 1854 schrijft hij 'Geschiedkundige herdenking van het 25-jarig bestaan der bataljons grenadiers en jagers', waarvoor hij dat jaar wordt onderscheiden met het Ridderkruis in de orde van de Eikenkroon. Dit wordt hem op 7 juli 1854, tijdens een feestmaal van alle officieren en oud-officieren van het regiment op Huis ten Bosch, namens de Koning overhandigd door de Prins van Oranje.

Omslag van het 'Militair Woordenboek' van H.M.F. Landolt.

Behalve zijn 'Militair woordenboek' en 'Geschiedkundige herdenking van het 25-jarig bestaan der bataljons grenadiers en jagers' schreef Landolt onder meer:

► 'Beschouwingen over de tactiek der infanterie in Europa' en tien jaar later de 'Wapenleer ten dienste der adspirant-officieren der infanterie en cavalerie' (vertaling van een boek van de Belgische generaal Bruno J.B.J. Renard, 1859).
► 'Dictionnaire polyglotte de termes techniques militaires et de marine' (viertalig - Nederlands, Frans, Duits en Engels - militair woordenboek in vijf delen, 1865-1870).
► 'Wapenleer ten dienste der adspirant-officieren der infanterie en cavalerie' (1869).

Van 1861-'63 is de eerste luitenant Landolt hoofdredacteur van het tijdschrift Militaire Spectator, dan uitgegeven door Broese en Cie in Breda. Uit zijn pen komen onder andere opstellen onder de titel 'Tirailleurs-Jagers-Scherpschutters' (november 1858 en februari 1859). Door ziekte moet hij het hoofdredacteurschap opgeven.

Voor zijn viertalig militair woordenboek wordt Landolt onderscheiden in de Pruisische Ridderorde van de Rode Adelaar en de Belgische Ridderorde van Leopold.

Landolt overlijdt in 1871 in het kuuroord Bad Wildungen in de Duitse deelstaat Hessen.

Na zijn overlijden schrijft P.M. Netscher in een inmemoriam: "[...] de militaire literatuur verliest in hem, zoo al geen ster van de eerste grootte, dan toch een schrijver, die met ijver, helder oordeel en scherpzinnigheid begaafd, menigen nuttigen arbeid het licht heeft doen zien [...]."

Zie ook: detachement, insubordinatie, militaire geschiedenis, Militaire Spectator, ontplooiing, pistool en I.L. Uijterschout (‘Beknopt overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen uit de Nederlandsche krijgsgeschiedenis van 1568 tot heden', 1935).

Terug naar Boven

 

LANDROVER

Afgekort: LaRo.

Organieke benaming: vrachtauto, algemene dienst, ½ ton of ¾ ton, 4x4, 24V. Sinds 30 april 1948 in Solihull (Groot-Brittannië) vervaardigd 4x4 terreinvaardig voertuig, met vele militaire varianten. De Nederlandse krijgsmacht wilde begin jaren '70 in de 20e eeuw de jeeps Nekaf en Willys uit de jaren vijftig vervangen.

Hoewel de Toyota Landcruiser de beste optie voor militair gebruik leek, werd gekozen voor de LandRover, onder andere omdat de Nederlandse DAF YA-66 niet geschikt werd bevonden. Andere geteste en ongeschikt kandidaten waren een AMC-jeep en een Renault.

Op 7 juli 1975 tekende de toenmalige Staatssecretaris van Defensie Cees van Lent en de voorzitter van de Raad van Bestuur van British Leyland een order voor de leverantie van 2.625 LandRovers uit de serie 3. Op basis van de wensen van de British Army, RAF en Royal Marines was deze serie ontworpen in nauwe samenwerking met het British Military Vehicles and Engineering Establishment (MVEE). In de daarop volgende jaren volgden nabestellingen van de types ½ ton en ¾ ton tot ± 5.000 stuks:

Korte LaRo

LandRover serie 3 model 88”

½ ton

wielbasis 2 meter 23

Lange LaRo

LandRover serie 3 model 109”

¾ ton

wielbasis 2 meter 77

Bij de KL zijn in gebruik geweest de 88" Algemene Dienst (AD) en de 109" AD, gewondentransport (GWT) en Commando & Verkenning (C&V).

Op de gekste plaatsen worden LandRovers aangetroffen. Dit afgebladderde exemplaar is te vinden in Avonturenpark Hellendoorn.

De laatste voertuigen uit de serie 3 werden in 1983 uitgeleverd. Het 88” (lightweight) model werd in het bijzonder gebruikt door het Korps Mariniers. Anno 2010 zijn er geen 88” of 109” LandRovers meer binnen Defensie, hoewel het Korps Mariniers het LandRover-concept niet heeft verlaten.

De mariniers maken nu nog gebruik van de Land Rover Defender 110XD softtop General Support (GS): een ongepantserd voertuig, uitgevoerd met een standkachel ten behoeve van het optreden in arctische gebiden, dat plaats biedt aan zes mariniers en vaak is toegerust met een ringaffuit voor een MAG-mitrailleur.

De Land Rover Defender is dooor de mariniers ingezet tijdens de missies in Eritrea/Ethiopië (2000/’01), Irak (2003/’04), Afghanistan (2005) en Tsjaad (2008/’09).

De KL heeft onder andere gebruikgemaakt van de ziekenauto LandRover 7,5 kN (109”) met de carrosserieopbouw van Marshall en, zoals alle LaRo’s, 2¼-liter 4-cilinder dieselmotoren (2.286 cc) en een maximumsnelheid van 105 km per uur. De ziekenauto LandRover 7,5 kN, die zowel de DKW Munga type 4 en de jeep M38A1 Nekaf gewondentransport verving, bood naast de chauffeur en de gewondenverzorger plaats aan twee liggende en drie ambulante patiënten.

Specificaties:

brandstoftanks

2 x 45 liter (li en re onder voorstoelen)

breedte

1 meter 98

gewicht

2.195 kg

hoogte

2 meter 18

laadvermogen

565 kg

lengte4 meter 90

 

 

In de periode dat de krijgsmacht gebruik maakte van de LaRo, zijn deze radicaal gemodificeerd. Het resultaat was een geschiedenis van technische problemen, die feitelijk begon met de vervanging van de organieke 7.50 x 16-banden door die uit de reservevoorraad van de Nekaf. Hierdoor ontstonden problemen aan (steek)assen, tussenbak en versnellingsbak.

Alles bij elkaar werden tientallen modificaties doorgevoerd, wat de hoogstaande kwaliteit van de terreinvoertuigen eerder verslechterde dan verbeterde. Tot overmaat van ramp verviel door het modificatieprogramma de fabrieksgarantie van de LandRovers.

Een uitgebreid naslagwerk over de LandRover, voorzien van tientallen zwart/wit-illustraties, is: 'De Land Rover in Nederlandse militaire dienst, 1974-1990. Over oorzaak en gevolg gesproken' van R. de Roos (1992, Delta Press, ISBN 9789020126693) ►

Terug naar Boven

 

LAND TRAINING CENTRE

Terug naar Boven

 

LANDVERRAAD

Landverraad is een niet op de Nederlandse wet gebaseerde noch in het Wetboek van Strafrecht opgenomen verzamelnaam voor misdaden waarbij de verrader in kwestie – genoemd: landverrader – al dan niet in oorlogstijd niet loyaal en trouw is aan zijn eigen land met als doel de staatsveiligheid van zijn land in gevaar te brengen.

Voorbeelden van landverraad zijn:

► doorsluizen van staatsgeheimen aan een vreemde mogendheid
► meewerken aan een vijand in oorlogstijd (collaboratie)
► overlopen naar een vijand in oorlogstijd
► staatshoofd dat op de vlucht slaat voor een en zijn land en onderdanen aan de vijand toevertrouwt

Een voorbeeld van iemand die door velen wordt gezien als een landverrader is Jan 'Poncke' Princen.

Terug naar Boven

 

LAND WARFARE CENTRE

Terug naar Boven

 

LAPLANDVERSPERRING

Verplaatsbare draadversperring die gelijk is aan een Friese ruiter, maar dan driehoekig in plaats van rechthoekig.

De laplandversperring dient voor het sluiten van openingen in vaste versperringen, zoals onderbrekingen in een vaste hindernis(gordel). De versperring is met name bedoeld tegen personeel en voertuigen ter bescherming van eigen objecten en wordt vervaardigd van standaard versperringsmateriaal.

Zie ook: Friese ruiter.

Terug naar Boven

 

LAST POST

Van origine was de Last Post het op Britse kazernes geblazen signaal om het einde van de dag te markeren bij de (inspectie van de) wisseling van de laatste schildwacht. Het signaal duidde het moment aan waarop de militairen zich te rusten moesten begeven, omstreeks 22.00 uur, en was daarmee het tegenovergestelde van de reveille. Het gebruik rond bedtijd - gebaseerd op het signaal taptoe - dateert van de 17e eeuw, toen Britse troepen in de Nederlanden waren gestationeerd.

Sinds het einde van de 19e eeuw, in het bijzonder in de landen van het Britse Commonwealth of Nations, is het signaal verworden tot de traditioneel laatste groet aan een of meer gevallen militairen.

Last Post.Last Post.

Het spelen van de Last Post symboliseert het afscheid ter nagedachtenis aan de overleden militair die de uiterste consequentie van zijn militaire plicht is nagekomen: om het leven gekomen. In de regel wordt hierna één minuut stilte gehouden.

Meestal wordt de groet op een militaire begrafenis, ceremonie of herdenking geblazen op een bugel, signaalhoorn of trompet. Door import van de Britten en onder de Britten opgeleide Nederlandse militairen (Prinses Irene Brigade, No. 2 Dutch Troop) is de Last Post ook in Nederland ingemilitaird geraakt.

Het militair ceremonieel maakt een onderscheid tussen begrafenissen en herdenkingen met een buitenlands karakter en die welke typisch Nederlands zijn. Bij de laatste, zoals de Nationale Dodenherdenking op de Dam te Amsterdam (4 mei) klinkt het signaal taptoe (infanterie en bereden wapens) vóór de twee minuten stilte. Bij de eerste, in het bijzonder bij ceremonieel dat een NAVO- of anderszins geallieerd karakter heeft, wordt de Last Post ten gehore gebracht.

Vlak voor de gang naar de grafkelder van Z.K.H. Prins Bernhard op 9 december 2004 in de Nieuwe Kerk te Delft is voor het eerst in de geschiedenis van een begrafenis van een lid van het Koninklijk Huis de Last Post gespeeld. De eer viel te beurt aan sergeant-majoor der mariniers Peter van Dinther van de Marinierskapel van de Koninklijke Marine, die de Last Post op trompet blies.

In het West-Vlaamse Ieper wordt sinds 24 juli 1929, met uitzondering van de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog, elke dag om 20.00 uur de Last Post gespeeld bij de Menenpoort, als eerbetoon aan de gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog. Op 31 oktober 2001 werd hier, in aanwezigheid van de Britse prins Philip en de Belgische kroonprins Filip, voor de 25.000ste keer de Last Post geblazen.

De van origine Britse Last Post mag niet worden verward met de organiek Amerikaanse Taps.

Terug naar Boven

 

LATRINE

Van oorsprong: wc of veldtoilet in de vorm van een gat of goot in de grond dan wel een andersoortig eenvoudig of provisorisch buitentoilet. De latrine dateert uit de 16e eeuw en werd, ook in het begin al, vooral toegepast in legerkampen.

Vandaag de dag wordt de latrine nog zelden onder operationele omstandigheden gegraven.

De ondiepe latrine, zoals getekend in het voorschrift 3325 ('Gezondheidszorg in het leger') uit 1954.

De latrine - ook genaamd hurk- of greppellatrine - werd 60 cm diep gegraven in tijdelijke kampementen (maximaal een week). Met beide voeten aan weerszijden van de greppel deed de militair gehurkt zijn "grote boodschap". Na gebruik werd de ontlasting met een laag aarde bedekt.

Na 24 uur werden de gebruikte greppellatrines dichtgegooid.

De latrine bevindt zich op een gedisloceerde plaats binnen dan wel net buiten het bivak, in elk geval minimaal 100 meter verwijderd van keukengroepen, voedselopslagplaatsen en wasgelegenheden.

De oorspronkelijke latrine bestaat uit acht palen, acht touwen (om de palen rechtop te houden) en een latrinezeil van ± 30 meter lang en 2 meter hoog. Het gewicht bedraagt zo'n 60 kg. Het latrinezeil wordt in een U-vorm om de palen gespannen, waarbij één zijde als entree wordt opengehouden. Zo worden twee gescheiden ruimten gecreëerd met een totale oppervlakte van 10 x 10 meter. In elke ruimte wordt een sleuf gegraven. Naast de sleuf staat een pio-schop, zodat naderhand de ontlasting met zand kan worden bedekt om de verspreiding van geuren tegen te gaan. De latrine moet uit oogpunt van hygiëne eenmaal per etmaal worden verplaatst.

Voorbeeld van een latrine in een inzetgebied.

Dit is onder meer van belang voor het voorkomen van besmettelijke infecties. Vandaar dat ook het wassen van de handen na afloop van het latrinebezoek eerste prioriteit is. Is de latrine vol, dan wordt er op respectabele afstand een nieuwe gegraven.

Als de tactische situatie het toelaat, zal de latrine 's avonds en 's nachts verlicht moeten worden met een rode lantaarn, zo niet dan dient een geleidedraad te worden gemaakt met lint of touw.

Een latrine is primitief, onder andere vanwege het (vermeende) gebrek aan privacy, maar met een correcte uitvoering van de hygiëne bij afwezigheid van een dixi hoogst noodzakelijk.

Zie ook: balkan, dixi en Hygiëne en Preventieve Gezondheidszorg (HPG).

Terug naar Boven

 

LAW (M72)

leichte Panzerabwehrwaffe.
arme légère anti-char.

Voluit: Light Anti-tank Weapon. Nederlands: Licht Antitank Wapen.

De LAW M72 was binnen de Koninklijke Landmacht in de jaren 70 van de 20e eeuw de opvolger van de Bazooka (gebruikt in de Koreaanse oorlog) en de voorloper van de AT-4.

Het wapen dateert uit 1963, is geïntroduceerd in de Vietnamoorlog en wordt geproduceerd door Nammo Talley (Mesa, Arizona, VS). In Europa wordt de LAW onder licentie geproduceerd door Raufoss Ammunisjonsfabrikker in Noorwegen.

Het Light Anti-tank Weapon M72 is een draagbaar en terugstootloos éénschotswapen ('one shot').

De raket heeft een holle lading. De cilindrische vorm van de explosieve lading zorgt ervoor dat de explosie zich in het centrum van het doel concentreert, wat voor een groter pantserdoorborend vermogen zorgt dan bij een in grootte vergelijkbare, niet-holle lading.

Vanaf de schouder kan één persoon met de M72 op (zeer) korte afstand gepantserde doelen onder vuur nemen, zoals bunkers, kazematten, laag vliegende helikopters, pantservoertuigen, tanks en versterkte (gevechts)opstellingen.


Het verschil met de AT-4 is dat bij de LAW voor het gebruik twee ineengeschoven lanceerkokers uit elkaar moeten worden geschoven: de achterste wordt uit de voorste getrokken. Daarbij klappen automatisch de beide op de LAW aangebrachte richtkruizen uit.

Bij het afvuren van het wapen ontstaat achterwaarts een steekvlam, waardoor de LAW in kleine ruimten beperkt bruikbaar is.

Na het afvuren kan de lanceerkoker worden weggegooid. Zo'n tien meter na het afvuren ontplooien de stabilisatievinnen zich, welke de raket op koers houden.

Het systeem bestaat uit twee delen: een kop met holle lading (High Explosive Anti-Tank, HEAT) met doelzoeker en ontstekingsmechanisme én een raketmotor met vaste brandstof.

Specificaties:

gewicht

2,1 kg

kaliber

66 mm

lanceerkokersfiberglas
lengte, ingeklapt64 cm

lengte, uitgeklapt

88 cm

maximaal effectieve dracht bewegende doelen

150 à 165 meter

maximaal effectieve dracht statische doelen

200 à 220 meter

maximale dracht1.000 meter

pantserdoorborend vermogen

35 cm pantserstaal

snelheid

145 meter per seconde

Lid van de Britse Special Forces met de LAW..

Hoewel het pantserdoorborend vermogen onvoldoende is om moderne tanks uit te schakelen én intussen de Panzerfaust is ingevoerd, is de M72(A3), juist vanwege het lage gewicht en de minimale omvang, in de bewapening van het Korps Commandotroepen gebleven.

Zie ook: AT-4, Bazooka, holle lading en Panzerfaust.

Terug naar Boven

 

LAWS OF ARMED CONFLICT

Afgekort: LOAC. Wetten van het gewapend conflict. Oorlogvoering is gebaseerd op principes, welke in de LOAC zijn aangegeven:

Chivalry

Ridderlijkheid

Onnodig lijden en schade voorkomen door oorlog te voeren volgens de formaliteiten en beleefdheden van het (on)geschreven oorlogsrecht.

 

Distinction

Onderscheid

Onderscheid tussen combatantte en non-combattante doelen, zoals burgers, burgerbezit, krijgsgevangenen, gewonden en zieken.

 

Military necessity

Militaire noodzaak

Alleen dan uitoefenen van gevechtskracht wanneer het noodzakelijk is om een wettige militaire doelstelling te verwezenlijken.

 

Proportionality

Evenredigheid

In redelijkheid zorgdragen dat de geschatte aantallen burgerslachtoffers en onbedoelde, nevenschade (collateral damage) niet bovenmatig zijn in verhouding tot het verwachte militaire voordeel.

Terug naar Boven

 

LDP (LANDMACHT DOCTRINE PUBLICATIE)

Binnen de Koninklijke Landmacht is haar militaire doctrine beschreven in de Landmacht Doctrine Publicaties (LDP), uitgegeven door de Doctrinecommissie van de Afdeling Doctrine Opleidings- en Trainingsbeleid van de Directie Beleid & Planning van de Landmachtstaf. Van de LDP's zijn Leidraden (LD's) en Handboeken (HB's) afgeleid.

De doctrinepublicaties zijn in eerste instantie geschreven voor leidinggevenden (commandanten en staffunctionarissen op formatie- en eenheidsniveau).

De LDP's vormen de basis voor de opleiding, training en operationele inzet van de eenheden van de Koninklijke Landmacht, dragen bij aan de ontwikkeling van haar doctrine op het gebied van joint en combined optreden, maar zijn géén draaiboeken voor concrete acties.

Er zijn zes delen LDP verschenen:

Militaire Doctrine (I)

Gevechtsoperaties.
Grondslagen (II A)

Gevechtsoperaties.
Reguliere gevechtsoperaties (II B)

Gevechtsoperaties.
Irreguliere gevechtsoperaties (II C)

Vredesoperaties (III)

Op 6 februari 2014 stelde de Commandant der Strijdkrachten de Doctrine Publicatie (DP) 3.2 Landoperaties vast.

De DP 3.2, ook wel afgekort als DPLO, is een uitgave van het Land Warfare Centre.

De DPLO vervangt de verouderde LDP I (Landoptreden), LDP II (Gevechtsoperaties), LDP III (Vredesoperaties) en - grotendeels ook - LDP IV (Nationale Operaties).

Zie ook: doctrine en nationale operaties (NatOps).

Terug naar Boven

 

LEAD BY EXAMPLE

Afgekort: LBE. Leiden door voorbeeldgedrag. Lead by example is een karaktereigenschap die binnen Defensie van leidinggevenden wordt verwacht. Een goede leidinggevende geeft én vraagt het goede voorbeeld door de gewenste gedragingen zelf te laten zien: voorbeeldgedrag (“Follow me, and do as I do”).

Lead by example is én wordt aangemoedigd door correct voorbeeldgedrag: handelingen, omgangsvormen, taalgebruik en uiterlijk voorkomen. In de praktijk kan dit onder andere worden getoond door onder alle omstandigheden, ook bij slecht weer en na weinig slaap:

afspraken na te komen

duidelijk te zijn

gemaakte fouten toe te geven

loyaal te zijn

normen en waarden van de krijgsmacht uit te dragen

onberispelijk gekleed te zijn

op tijd te komen

 

LBE is een effectief instrument om leiding te geven. Vaak is voorbeeldgedrag volstrekt normaal gedrag, dat echter wél consequent dient te worden getoond. Met voorbeeldgedrag, dat van leidinggevenden innerlijke discipline en intrinsieke motivatie vergt, wordt bij superieuren, rangsgelijken en onderhebbenden respect afgedwongen.

Lead by example past in de reeks “Lead from the front” (voorgaan in de strijd) en “Practice what you preach” (zeg wat je doet, doe wat je zegt).

De oorsprong van LBE wordt toegeschreven aan Frederik de Grote (1712-1786), alias Frederik II of ‘Der Alte Fritz’, die tussen 1740 en zijn overlijden Pruisen veranderde in een Europese grootmacht en het Pruisische leger bijna onoverwinnelijk. Frederik de Grote – de man achter de uitspraak “Een verraste vijand is een verslagen vijand” – was een invloedrijk militaire strateeg, die onder meer werd bewonderd door Adolf Hitler, Antoine Henri Jomini en Napoleon Bonaparte.

Frederik de Grote (1712-1786)

Zie ook: kerngedragingen instructeur en leidinggeven.

Terug naar Boven

 

LEAD nation

Afgekort: LN. Letterlijk: leidende natie. Procedure waarbij een natie (lidstaat) voor een afgesproken periode in een bepaald gebied de eindverantwoordelijkheid voor een multinationale strijdmacht (coalitie) draagt. De lead nation coördineert de besluiten en de activiteiten van vertegenwoordigers van de multinationale strijdmacht in die periode in dat gebied. De lead nation is de natie met de geschiktheid, de invloed, het vermogen én de wil om de benodigde elementen van diplomatiek/politiek overleg en militaire leiding te leveren om planning, voorbereiding en uitvoering van een multinationale strijdmacht te kunnen coördineren op strategisch, operationeel en/of tactisch niveau.

In 2003 was Nederland bijvoorbeeld, samen met Duitsland, lead nation van de International Security Assistance Force in Afghanistan.

De positie van de natie die het voortouw neemt garandeert enige invloed op zowel de besluitvorming als het verloop van een operatie. Behalve dat de leidende natie een functie vervult in het gemeenschappelijk buitenland- en veiligheidsbeleid en zodoende soms méér gewicht in de schaal kan leggen, ‘verplicht’ zij zich om bijvoorbeeld extra troepen en/of materieel in te zetten. Ook is zij, zeker wanneer zij als eerste in een operatiegebied leidend is, richtinggevend wat betreft de rules of engagement (ROE), hoewel de ROE in beginsel worden vastgesteld in overleg met de aan de missie deelnemende landen. Met de lead nation zal, voornamelijk bij onduidelijkheden, een memorandum of understanding (MOU) worden gesloten.

Zie ook: memorandum of understanding, rules of engagement, transfer of authority (TOA) en troop contributing nation.

Terug naar Boven

 

LEAN AND MEAN

Letterlijk: “lean” (vaardig, lastig te verslaan) en “mean” (kil, meedogenloos).

Een organisatie die “lean and mean” wordt genoemd, bespaart op onnodige uitgaven. Niet-waardetoevoegende activiteiten (waar de afnemers van de producten en diensten niet voor betalen) en onnodige organisatie-elementen - die niet tot de core business behoren - worden geëlimineerd. Kostenbesparing wordt dus gerealiseerd door het voorkomen van de verspilling van (financiële) middelen.

Op deze manier kan een organisatie waarop is bezuinigd – die bijvoorbeeld een reorganisatie heeft overleefd – gezond worden genoemd. Zowel de route (efficiëntie) als het resultaat (effectiviteit) van de bedrijfsprocessen is goed te noemen en de organisatie concurreert met succes.

Terug naar Boven

 

LEESWIJZER

Militair-Historische Leeswijzer Koninklijke Landmacht

Lijst met boektitels via welke het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH), voortgekomen uit het Instituut voor Militaire Geschiedenis (IMG), in Den Haag het Defensiepersoneel wil stimuleren meer te lezen over zijn vakgebied.

De 'Militair-Historische Leeswijzer Koninklijke Landmacht' bevat ruim 50 titels van militaire boeken, ingedeeld naar niveau van militair optreden.

Het idee van de leeswijzer is afkomstig van de U.S. Army.

De lijst is samengesteld in samenwerking met het Instituut Defensieleergangen, de Koninklijke Militaire Academie, de Koninklijke Militaire School en de Landmachtstaf.

Helaas ontbreekt bijvoorbeeld het boek 'Beknopt overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen uit de Nederlandsche krijgsgeschiedenis van 1568 tot heden' van de eerste luitenant der infanterie I.L. Uijterschout in deze 'Militair-Historische Leeswijzer Koninklijke Landmacht'.

Een ander monumentaal militair boekwerk dat ontbreekt is het in 1983 verschenen The Red and Green Life Machine. A Diary of the Falklands Field Hospital van Rick Jolly, over zijn ervaringen in de Brits-Argentijnse Falkland-oorlog.

Boeken die in een heruitgave in aanmerking kunnen komen voor opname in een van de Militair-Historische Leeswijzers van de Koninklijke Landmacht, zijn te vinden in de leeswijzer.

Zie ook: leeswijzer en The Red and Green Life Machine. A Diary of the Falklands Field Hospital (Rick Jolly, 1983).

Terug naar Boven

 

LEGUAAN BRUGLEGGER OP MAN ONDERSTEL

Sinds september 2012 beschikt de Koninklijke Landmacht over vier systemen Leguaanbrug op wielvoertuig MAN Military Load Class 70.

De ongepantserd en verminderd terreinvaardige wielvoertuigen hebben eenzelfde aantal Leopard 1 bruglegger 'Biber' vervangen.

De voertuigen zijn voor het symbolische bedrag van € 1,- per stuk overgenomen van Noorwegen en hebben daarna een modificatieprogramma doorlopen bij de firma Krauss Maffei Wegmann, zodat de systemen nog 15 jaar kunnen worden gebruikt.

De brugleggers dienen als interim-oplossing totdat de huidige, verouderde Leopard 1 brugleggers 'Biber' definitief zijn vervangen.

De Leguaan bruglegger op MAN onderstel is geschikt om brugslag te plegen op locaties die over de weg goed bereikbaar zijn.

Onder goede omstandigheden legt de Leguaan zijn brug binnen 8 à 10 minuten. De brug heeft een maximale overspanning van 25 meter, welke met twee overlappende bruggen kan worden vergroot tot 38,5 meter.

De Leguaan-brugleggers op wiel zijn ingestroomd bij 11 Pantsergeniebataljon (Wezep, twee stuks) en 41 Pantsergeniebataljon (Oirschot, 2 stuks).

Brugleggers worden ingezet om de mobiliteit voor eigen troepen te garanderen: het creëren van overgangen tussen twee landhoofden.

Terug naar Boven

 

LEICA VECTOR KIJKEN/AFSTANDSMETER

De Zwitserse Leica Vector 1000 7x42 DA is een waterdichte veldkijker (binoculair) in rubberen behuizing met geïntegreerde laserafstandsmeter (laser rangefinder) en een digitaal-magnetisch kompas. De Leica Vector is optronica bedoeld voor het detecteren en identificeren van doelen.

De veldkijker wordt onder andere gebruikt door schutters-lange-afstand en sluipschutters.

Met de kijker kunnen, vanaf een bekend punt of de huidige GPS-positie, afstanden en kompashoeken tot de exacte positie van het doel worden gemeten. Na berekeningen kunnen ook afstanden tussen objecten onderling en hellingshoeken worden gemeten. Met deze waarden kunnen de richtmiddelen van wapens worden ingesteld. Zo is de kijker een goed hulpmiddel bij het bepalen van doelposities voor de underbarrel granaatwerper en bij close air support (CAS).

De werking van de laserafstandsmeter berust op het uitzenden van een veilige laserstraal die door het object wordt teruggekaatst. De tijdsduur tussen het moment van uitstralen en het opvangen van de teruggekaatste laserstraal bepaalt, onder andere, de afstand.

Te velde wordt de Leica Vector bewaard en vervoerd in een draagtas; voor transport per voertuig en voor opslag op vredeslocatie is een kunststof koffer beschikbaar.

Specificaties:

bereik

minimaal 4 tot maximaal 2.500 meter

gewicht

1,7 kg

meetbereik digitaal-magnetisch kompas360 graden (6.400 mils)

nauwkeurigheid

± 2 meter

objectief (lens)

42 mm

vergroting

7 x (beeldhoek: 120 mils, d.w.z. 120 meter op 1.000 meter)

voeding

lithium-batterij 6 Volt (type 2CR5), goed voor ± 2.000 metingen

Terug naar Boven

 

LEIDERSCHAPSTRAINING EN -VORMING

Op 8 januari 1960 opende Prins Bernhard het Studiecentrum voor Militair Leiderschap (SCML) in Huize Sonne-Heerdt in Hilversum.

Bij de opening van het SCML benadrukte de prins dat de militaire leider aan zijn onderhebbenden duidelijk moet weten te maken dat ze de westerse waarden verdedigen.

Het SCML zou het leiderschap van hogere onderofficieren gaan bijscholen; onmiddellijk na de opening werd de gehele staf van de Onderofficiersschool (OOS), die in 1961 van naam zou veranderen in KMS, naar het SCML gestuurd.

In de eerste vijf jaar van zijn bestaan - het vormingscentrum zou tot 1974 bestaan - bezochten bijna 500 hogere onderofficieren de conferenties; daarnaast nog eens 2.000 anderen, met name officieren.

In 1960 opende Prins Bernhard het Studiecentrum voor Militair Leiderschap (SCML) in Hilversum.

Het logo van de School voor Leidinggeven en Opleidingskunde (SLO), gevestigd op Nassau-Dietzkazerne in Budel.

Het SCML moest in een programma van enkele weken leiderschapskwaliteiten ontwikkelen, de onderlinge verhoudingen verbeteren en het vertrouwen bevorderen. In 1974 werd het Opleidingscentrum Didactiek en Militair Leiderschap (OCDML), eerst in Grave, later in Breda, de opvolger van het SCML.

Het OCDML werd vervolgens omgedoopt tot het Instituut voor Leiderschap en Maganement Opleiding (ILMO). In 2001 werd het ILMO opgeheven en ondergebracht bij de Delta-Compagnie op de KMS.

Tenslotte op 7 december 2007 is de School voor Leidinggeven en Opleidingskunde (SLO) geopend, op de Nassau-Dietzkazerne in Budel. De SLO bestond uit de secties Leidinggeven, Opleidingskunde en een Experticecentrum voor Educatieve Multimedia en E-learning.

De essentie van alle bovengenoemde centra is het aanbieden van opleidingen op het gebied van teambuilding, opleidingskunde, onderwijsbegeleiding, militaire ethiek, Ethisch Bewustwordingsmodel (EBM), leidinggeven, leiderschapstraining, instructiebekwaamheid, fundamentele voorlichting, e-learning, didactiek en competenties.

Het einde van het rijtje SCML (Hilversum), OCDML (Grave en Breda), ILMO (Breda), Delta Cie KMS (Weert) en SLO (Budel) lijkt niet in zicht. In de nabije toekomst worden, in het kader van de verpaarsing van de krijgsmacht, relevante opleidingen van de Koninklijke Luchtmacht - 132 DMLO Squadron in Woensdrecht (Didactiek, Militair Leiderschap en Opleidingen) - en de Koninklijke Marine - School voor Maritieme Vorming, Bedrijfsvoering en Onderwijskunde (SMVBO) in Den Helder - samengevoegd met de SLO. Een samenvoeging die kan bijdragen aan de samenhang in de krijgsmacht.

Leiderschapstraining en -vorming (LTV) gaat uit van vijf leiderschapsgedragingen:

■ voorbereidingsvaardigheden
■ uitvoeringsvaardigheden
■ evaluatieve vaardigheden
■ communicatieve vaardigheden
■ sociale vaardigheden

De Instructiekaart 2-1250 behandelt Leiderschapstraining en Vorming.

Voorbereidingsvaardigheden

Systematisch de uitvoering van de opdracht voorbereiden:

1 Bepaal doelstellingen/opdrachten
2 Bepaal beleid
3 Maak gedetailleerde plannen
4 Organiseer

Uitvoeringsvaardigheden

Volgens een gemaakt plan de opdracht (laten) uitvoeren:

5 Bewerkstellig taakgedrag van groep en individu
6 Bewerkstellig samenwerking
7 Bewaak de inzet van personeel, materieel e.d.
8 Bewaak de afstemming doel/opdracht en behoeften/capaciteiten van het personeel
9 Improviseer

Evaluatieve vaardigheden

Beschrijven en beoordelen wat wel of niet met de opdracht bereikt is en waaraan dat te danken of te wijten is:

10 Stel feiten vast
11 Beoordeel en meet resultaten
12 Trek conclusies
13 Stuur bij

Communicatieve vaardigheden

Gedachten, gevoelens en wensen aan elkaar overbrengen:

14 Luister
15 Lees
16 Observeer/Neem waar
17 Spreek en schrijf
18 Voer een gesprek
19 Bewaak de communicatie
20 Bewaak de informatievoorziening

Sociale vaardigheden

Rekening houden met behoeften en gevoelens van mensen:

21 Hanteer verschillende stijlen van leidinggeven
22 Ontwikkel individu en groep tot een team
23 Begeleid individu en groep
24 Ga om met kritiek, ideeën, gedrag, gedachten, meningen, gevoelens, behoeften en veranderingen van mensen.
25 Hanteer stress
26 Hanteer conflicten
27 Ga om met weerstanden
28 Stimuleer en motiveer
29 Beloon en straf

Het totaal van vaardigheden behoort te resulteren in:

30

Geven van het goede voorbeeld (Lead By Example)

Voorbereiding, uitvoering en evaluatie dienen op communicatief- en sociaalvaardige wijze te worden toegepast. Voor het juist toepassen van de communicatieve en sociale vaardigheden geldt bovendien een eigen voorbereiding en evaluatie.

De vijf basisvaardigheden vormen de bouwstenen van weloverwogen en doeltreffend leiderschap. Daarnaast zijn lichamelijke fitheid (fysieke vaardigheid) en vakbeheersing (vakkennis) uiteraard noodzakelijke vereisten.

Zie ook: competentie, Expertise Centrum Opleidingskunde Defensie (ECOD), Ethisch Bewustwordingsmodel (EBM), instructiebekwaamheid, Lead By Example, leidinggeven, militaire ethiek en Prins Bernhard.

Terug naar Boven

 

LEIDINGGEVEN

Binnen de Koninklijke Landmacht wordt als definitie van leidinggeven gehanteerd (onder andere in de Beleidsvisie Leidinggeven en het 'Handboek Leidinggeven in de KL'):

"Leidinggeven is het bewust richting geven aan het gedrag en het inspireren van anderen om gezamenlijk het gestelde doel te bereiken"

De belangrijkste factor voor de leidinggevende is zijn gedrag: hij dient zich te allen tijde te gedragen als voorbeeld, motivator en vakman.

Het voorbeeldgedrag van de leidinggevende vergt innerlijke discipline van de leidinggevende.

Download hier de Beleidsvisie Leidinggeven, zoals verwoord door de Bevelhebber der Landstrijdkrachten. Deze verscheen in oktober 1998 als uitneembare special in het vakblad De Onderofficier (664 KB)

Het leiderschap binnen de Koninklijke Landmacht is gebaseerd op drie peilers:

Wederzijds vertrouwen

► van levensbelang
► relatie tussen wederzijds vertrouwen en zelfstandig handelen
► vertrouwen als leidinggevende moet verdiend worden door individuele belangen te wegen, consequent te belonen en te straffen, de juiste beslissingen te nemen, en het zelfvertrouwen van de mensen te laten toenemen

Wederzijds respect

► basis voor respect is een vakbekwaam commandant te zijn
► elkaar kennen en uw mensen kennen
► zich bewust zijn van het feit dat uw mensen leiding ontvangen

Zelfstandig handelen

► binnen de gestelde randvoorwaarden
► resultaatgerichte opdrachten (Z.A.C.V.M.)

De aard van leidinggeven: het niveau van optreden afgezet tegen de mate van direct leidinggeven. Van High Command, op beleidsniveau, tot Battle Command, te velde in de uitvoering van operaties op tactisch niveau.

Beleidsvisie Leidinggeven, zoals verwoord door de Bevelhebber der Landstrijdkrachten (vakblad De Onderofficier, oktober 1998).Beleidsvisie Leidinggeven, zoals verwoord door de Bevelhebber der Landstrijdkrachten (vakblad De Onderofficier, oktober 1998).
Instructiekaart Leidinggeven.

Voortleven in de hoofden en harten van mensen (Defensie-Platform, 24 januari 2016).

Instructiekaart Leidinggeven.Instructiekaart Leidinggeven.

Op 6, 7 en 8 november 2013 vond voor het bedrijfsleven voor de eerste keer het driedaagse programma 'Leiderschap in overwachte en onvoorspelbare situaties' plaats.

Onder het motto: "Leadership is the lifeblood of an organisation" werd de deelnemers een programma aangeboden waarin de gebundelde expertise van het Opleidings- en Trainingscommando van de Koninklijke Landmacht, de Hogeschool Windesheim in Zwolle en de AOG School of Management van de Rijksuniversiteit Groningen tot uiting kwam.

Het zogenoemde Project Romeo belichtte hoe de deelnemers kunnen anticiperen op willekeurige onverwachte gebeurtenissen die zich niet laten voorspellen en waarvan de effecten mogelijk ingrijpend zijn.



Leidinggeven in de krijgsmacht.

Op 26 mei 2015 gaf de Commandant der Strijdkrachten, generaal Tom Middendorp, inzicht in de werkwijze van Defensie tijdens de masterclass Militair Leidinggeven aan de Nyenrode Business Universiteit.

Generaal Middendorp formuleerde bovenstaande vijf speerpunten in leidinggeven.

Bron: website Ministerie van Defensie (externe link).

Zie ook: Defensie-Platform (externe link), Hard tegen hart. Een terugblik op militair leiderschap (2016, kolonel b.d. Joop Lodders), kerngedragingen instructeur en Lead By Example.

Terug naar Boven

 

LEOPARD 1

Een Leopard 1 van 43 Tankbataljon in actie tijdens oefening 'Klaver Gogo' in 1980.

43 Tankbataljon Regiment Huzaren van Sytzama, onder het commando van de luitenant-kolonel der cavalerie F.A. Limpens, viel in die tijd onder 41 Pantserbrigade, gestationeerd op de Legerplaats Seedorf.

Het tankbataljon was gelegerd op de kazerne Langemannshof, aan de Bundesstraße 3. Lokaal valt deze provinciale weg samen met de tankbaan (Panzerringstraße) rond de NATO Truppenübungsplätze Bergen en Münster-Süd.

In 2008 verscheen 'De Leopard-1. Gepantserde vuist van de Koninklijke Landmacht' (ISBN 9789085064275), geschreven door Willem Smit. De auteur is verbonden aan het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NMIH).

Terug naar Boven

 

LEOPARD 2A6 (NL) MAIN BATTLE TANK

Op 2 maart 1979 maakte de Nederlandse regering bekend tot aanschaf over te gaan van de Leopard 2 als vervanger van de Centurion en AMX-13.

Volgens velen is de Leopard 2A6, geproduceerd door Krauss-Maffei Wegmann GmbH (KMW), 's wereld beste tank, met als enige minpunt dat deze zich nooit heeft bewezen in het gevecht. Tot dan geldt de Amerikaanse M-1 Abrams als 's werelds beste gevechtstank.

De Leopard 2A6 is een verbeterde Leopard 2A5, die weer de opvolger is van de Leopard 1. Het grootste verschil met zijn voorganger is dat de Leopard 2A6 een langere schietbuis heeft. Daardoor kan de Leopard 2A6 in combinatie met de gebruikte nieuwe munitie dikker pantserstaal doorboren.

De Leopard 2 is in productie genomen in 1979 en sindsdien in dienst in onder andere Denemarken, Duitsland, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Spanje en Zweden. Alleen Duitsland en Nederland hebben de sterk verbeterde Leopard 2A6 in de bewapening. Begin 2003 kwam de eerste van 180 2A6-upgrades de Koninklijke Landmacht binnen.

De Leopard 2A6 verschiet de volgende soorten granaten:

LKE II (DM53)

Kinetische energie-granaten

M(ehr)Z(weck) DM12

Multifunctionele brisantgranaten

LKE II

Pantserdoorborende granaten


Elk paraat tankeskadron heeft de beschikking over 14 stuks van de Leopard 2A6; elk tankbataljon telt er dus 42 (A-, B- en C-eskadron).

Specificaties:

bemensing

4: commandant, chauffeur, lader en schutter

bewapening

■ 120 mm L-55 gladde schietbuis (smoothbore)

■ 2 x coaxiale mitrailleur MAG 7.62 mm anti-aircraft (één bij het ladersluik, één naast het hoofdgeschut)

■ 12 x rookbuslanceerinrichting (6 aan elke kant), 66 mm CALIX

bodemvrijheid

48 cm

breedte

3 meter 76

breedte track

64 cm

brugclassificatie

70 ton

doorwadingsmogelijkheid

2 meter 25

gevechtsgereed gewicht

59,9 ton

hoogte

3 meter 03

lengte

10 meter 97 (inclusief schietbuis)

maximaal klimvermogen

60%

maximaal rijbereik

340 km op verharde weg; 220 km in terrein

maximumsnelheid

70 km per uur (verharde weg), reverse 30 km per uur

motor

48 liter, 12 cilinder watergekoelde dieselmotor

motorvermogen1.100 kW (1.500 pk) bij 2.600 toeren per minuut

munitievoorraad t.b.v. schietbuis

42 granaten

vuursnelheid

8 schoten per minuut

De krachtbroneenheid van de Leopard 2A6, motor en transmissie, weegt in totaal 6 ton. Het duurt een half uur voordat de unit is uitgebouwd en op de bokken staat.

De 48 liter, 12 cilinder watergekoelde dieselmotor met vier kleppen per cilinder levert een vermogen van 1.100 kiloWatt (1.500 pk) bij 2.600 toeren per minuut.

De motor is gevuld met 110 liter motorolie en 180 liter koelvloeistof; in de transmissie zit 110 liter olie.

De Leopard 2A6 beschikt over een warmtebeeldsysteem voor zowel commandant als schutter, een volledig elektronisch vuurleidingssysteem en een gemodificeerde laserafstandsmeter. Daarnaast is er een tv-camera gemonteerd op de achterkant van de tank met een monitor ten behoeve van de chauffeur en beschikt de tank over een landnavigatiesysteem met geïntegreerd Global Positioning System.

Links de Leopard 2A4, rechts dezelfde gevechtstank na de Kampfwertsteigerung (KWS).

Na deze gevechtswaardeverbetering, uitgevoerd in de jaren '90 van de 20e eeuw, mocht de Leopard zich 2A5 noemen. Door de KWS werd vooral de bescherming van de toren verbeterd.

Tanks in ontplooide formatie.
Tanks die op deze wijze het open terrein doorkruisen om het gevecht aan te gaan, doen dit in de regel op maximale snelheid en ondersteund door een vuurbasis (artillerie).

Een Leopard 2A6 op het strand? In mei en juni 2006 vond op de Nederlandse Antillen de internationale oefening Joint Caribbean Lion plaats. De Leopards 2A6 van 42 Tankbataljon Regiment Huzaren Prins van Oranje van 43 Gemechaniseerde Brigade behoorden tot de ± 700 Nederlandse militairen die aan de oefening deelnamen.

In Vriezenveen, onder de rook van Almelo (Overijssel), werd in 1984 een NAVO-depot geopend ter grootte van 36 hectare. In de eerste Koude Oorlog-jaren had de Amerikaanse 19th Combat Equipment Company hier een Combat Equipment Base (CEB). In klimaatgecontroleerde opslagplaatsen (140.000 m²) werd hier het vooruitgeschoven materieel van een Amerikaanse pantserbrigade bewaard en cyclisch onderhouden, van Abrams tanks en Bradley gevechtsvoertuigen tot Humvees. Alleen voor oefeningen of ernstinzet verliet het rollend materieel incidenteel de POMS-site.

Alle werkzaamheden, zoals conservering, preservering (gereedmaken voor langdurige opslag) onderhoud en complete revisie, van de rups- en wielvoertuigen, communicatiemiddelen, elektronische apparatuur en geniemateriaal vonden op de site plaats.

Na die tijd bleef het complex Amerikaans, maar veranderde van naam: Prepositioned Organizational Material Storage (POMS)-site.

Nadat de Amerikanen medio 2004 de site verlieten, kreeg het mobilisatiecomplex (mobcplx) de benaming Uitvoering Organisatie Vriezenveen (UOV), als onderdeel van de Defensie Materieel Organisatie (DMO). Hier wordt al het afgestoten materiaal verzameld en gereedgemaakt voor de verkoop aan andere landen.

Op 8 april 2011 maakte de toenmalige Minister van Defensie Hans Hillen omvangrijke bezuinigingsreorganisatie bekend in 'Defensie na de kredietcrisis: een kleinere krijgsmacht in een onrustige wereld'. Al in mei werden alle tanks stilgezet.

Nog geen anderhalf jaar later, op 16 september 2012, werd met groot militair ceremonieel de regimenten Huzaren van Sytzama en Huzaren Prins van Oranje ontbonden. De standaarden werden opgelegd en aangeboden aan de Commandant Landstrijdkrachten.

Hiermee verdwenen de twee laatste tankbataljons uit de slagkracht van de Koninklijke Landmacht: 11 en 42 Tankbataljon. En dus verdwenen hiermee alle tanks, in totaal 119 stuks, naar het mobcplx Vriezenveen.

Zie ook: Leopard 2A7 overhandigd aan Bundeswehr (10 december 2014), main battle tank, Pionierpanzer 3 Kodiak (genie- en doorbraaktank) en tank.

Terug naar Boven

 

LEOPARD 2 'BUFFEL' BERGINGSTANK

De Leopard 2 bergingstank, bijgenaamd 'Buffel' (Bergepanzer) is sinds 1993 in gebruik bij de tank- en verkenningsbataljons, artillerie-afdelingen en hersteleenheden van de Koninklijke Landmacht.

Leopard 2 'Buffel' bergingstank 600 kN.

De bergingstank, met een brugclassificatie van 60 ton, is in in staat om tanks tot hetzelfde gewicht bij pech onderweg te bergen. Het voertuig beschikt over een kraan-, las-, lier- en snij-installatie. Om het voertuig te verankeren en stabiel te houden is het uitgerust met een dozer- en steunblad.

De effectieve kabellengte van de 33 mm dikke spil-winde-lier is 180 meter. De liercapaciteit heeft een constant vermogen van 35 ton. In plaats van een geschutskoepel op het dek beschikt de ‘Buffel’ over een kraan met een maximaal hijsvermogen van 30 ton.

De kraan, rechtsvoor op de bergingstank geplaatst, kan 270 graden draaien. De 'Buffel' is hiermee onder andere in staat om het motorblok van een andere Leopard-tank in 35 minuten in- en uit te bouwen. Het onderstel van de 'Buffel' is voorzien van een loopwerkblokkering, die voorkomt dat de tank inveert bij de uitvoering van takelwerkzaamheden.

Tevens is het mogelijk om een reserve-krachtbron van een Leopard 2 op het achterdek mee te voeren.

bemanning3 (commandant, chauffeur, monteur)

bewapening

mitrailleur MAG 7.62 mm

brandstofcapaciteit

1.630 liter

breedte

3 meter 54

gevechtsgewicht

54 ton

hoogte

2 meter 92 (inclusief zwaailicht)

lengte

9 meter 07

maximaal terreinbereik

325 km

maximaal wegbereik

650 km

maximumsnelheid

68 km per uur

motor

12 cilinder dieselmotor 47,6 liter

motorvermogen

1.500 pk (1.100 kW)

Op 8 mei 2001 vond tijdens de missie SFOR in Bosnië-Hercegovina een dodelijk ongeval plaats met een bergingstank bij de compound Bugojno, waarbij de de 21-jarige kanonnier der eerste klasse Bas Alsemgeest om het leven kwam.

Op 26 september 2009 hebben twee Leopard bergingstanks geassisteerd bij het bergen van de twee goederentreinen die op 24 september bij Barendrecht op elkaar waren gebotst. Ondanks eerdere pogingen, onder andere met hoogwerkers en kranen, lukte het niet om de wrakstukken van de treinen onder het viaduct van de snelweg A15 uit elkaar te trekken. Daarop deden de burgemeesters van Barendrecht en Rotterdam een beroep op militaire bijstand.

De twee bergingstanks van 11 Tankbataljon Regiment Huzaren van Sytzama, dat deel uitmaakt van 13 Gemechaniseerde Brigade uit Oirschot, zijn met diepladers naar Barendrecht gebracht. De bergingstank beschikt over zeer krachtige liercapaciteit, waarmee de locomotieven uit elkaar kunnen worden getrokken.

Terug naar Boven

 

LESSONS LEARNED

Het verwerven, verwerken en verstrekken van operationele ervaringsgegevens ten aanzien van de voorbereiding, uitvoering en afhandeling van operaties. De praktijk laat zien hoe iets anders of beter gedaan kan worden cq. hoe iets voortaan beter nagelaten kan worden. De operationele ervaringsgegevens, (laten) leren van elkaars ervaringen op grond van praktische feiten.

Behalve de inzet (operationele taakuitvoering) zelf, gaat het hierbij ook om de instandhoudingsprocessen rondom de inzet. Tot de instandhoudingsprocessen behoren:

afwikkeling van inzet

evaluatie

oefening

opleiding

training

voorbereiding op inzet

In 1993 heeft de Koninklijke Landmacht een Bureau Lessons Learned opgericht. Tot dan toe bleven de verzamelde lessons learned dikwijls steken op bataljons- of brigadeniveau. Andere eenheden trokken hierdoor geen of nauwelijks profijt van opgedane ervaringen.

Het nieuw opgerichte bureau moest ook voorkomen dat bij iedere Peace Support Operation opnieuw het wiel werd uitgevonden. Met name bleek het lastig om in de voorbereiding op deelname aan de missie UNPROFOR in voormalig Joegoslavië om gebruik te maken van de lessons learned van 44 Pantserinfanteriebataljon tijdens de missie UNIFIL in Libanon.

Logo van de Sectie Lessons Learned.

Uiteindelijk kunnen lessons learned resulteren in aanpassingen van gedrag, oefen- en opleidingsprogramma's, procedures, voorschriften of zelfs doctrine.

Lessons learned zijn dan ook bruikbaar voor planning, voorbereiding en uitvoering van nieuwe missies.

Sinds 1997 maakt een Sectie Lessons Learned formeel deel uit van de Operationele Staf van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten - nu Commandant Landstrijdkrachten (CLAS). Sinds eind 2000 is de digitale database met lessons learned voor de gehele krijgsmacht toegankelijk via intranet.

De Sectie Lessons Learned valt tegenwoordig onder het Opleidings en TrainingsCommando (OTCO) en verspreidt in een oplage van 2.500 exemplaren zgn. Lessons Learned-publicaties:

NR

NAAM

UITGAVE

1

Lessons Learned & Commandovoering in voormalig Joegoslavië

2000

2

Humanitair ontmijnen

1998

3

Intel

1998

4

De onderofficier

1998

5

Crowd and Riot Control-optreden in voormalig Joegoslavië

1999

6

De sociale patrouille

1999

7

CIMIC

2001

8

Helikopteroperaties tijdens uitzendingen

1999

9

Winteroptreden (deel 1)

2000

10

Samenwerken met Britse militairen

2000

11

Winteroptreden (deel 2)

2000

12

Het monitoren van mijnenruimactiviteiten & Het proven en clearen van routes

2000

13

Konvooien bij vredesoperaties

2001

14

Warmweeroptreden

2001

15

Samenwerken met Duitse militairen

2003

16

Islam

2003

17

Van ervaringen tot lessons learned

2003

De Lessons Learned-publicaties 1 t/m 13 zijn vervallen; de inhoud is verwerkt in vigerende regelgeving en voorschriften.

De Sectie Lessons Learned is gevestigd op de Kromhoutkazerne in Utrecht.

Voorganger van de Nederlandse Sectie Lessons Learned is het Amerikaanse Center for Army Lessons Learned (CALL), gevestigd in Fort Leavenworth, Kansas, van de Amerikaanse landmacht.

CALL hanteert ten aanzien van de gegevens voor lessons learned als doelstellingen:

Dissemination

Verspreiding

Collection

Verzameling

Improved application

Verbeterde toepassing

Omslag van Lessons Learned-publicatie 17: 'Van ervaringen tot lessons learned'.

Het proces om te komen tot Lessons Learned:

► Verzamelen van informatie;

► Analyseren en identificeren van lessen uit informatie;

► Overzicht van Lessons Noted: geconstateerde vermoedelijke lessen in relatie tot DCTOMP-factoren;

► Aanbieden Lessons Noted aan (vak)autoriteit;

► Autoriteit verwerkt Lessons Noted in integrale O&T-traject; Lessons Learned worden bekendgesteld in doctrinepublicaties, handboeken en voorschriften;

► Lessons Learned worden ingetrokken.

Zie ook: CALL, DCTOMP-factoren en war diarist.

Externe link: Center for Army Lessons Learned (CALL).

Terug naar Boven

 

LEUNSTOELSTRATEEG

Hobbystratege.
armchair general; armchair quarterback.
général de fauteuil.

Criticaster die, liefst vanuit de luie stoel, Defensie als hobbyist becommentarieert. Tegenwoordig ook een uitgesproken oorlogshitser en/of zelfbenoemde strateeg, die zonder militaire ervaring, zijn mening opdringt via blogs, forums en social media.

Leunstoelstrategie heeft dan ook niets met strategie en alles met gemakzucht en luiheid te maken.

Leunstoelstrategen zijn met name burgers die liefst 24/7 zappen tussen Al Jazeerah, BBC World Service en CNN, elkaar gemakshalve napraten en zich weigeren echt te verdiepen in de achtergrondenvan het krijgsbedrijf. Gespeend van enige kennis geven ze zelden positieve feedback op de krijgsmacht en haar verrichtingen. Stemmingmakerij is voor het leeuwendeel van de leunstoelstrategen het ultieme stokpaardje. De meeste leunstoelstrategen zijn dan ook IWAB's.

Externe link: Armchair General (tweemaandelijkse Amerikaanse tijdschrift over krijgsgeschiedenis).

Terug naar Boven

 

LEVEL-INDELING CBRN

Level 1

CBRN-ploegcommandant
Neventaker (Observer en First Responder)

Bevindt zich op compagniesniveau en lager. Wordt, via zijn pelotonscommandant, aangestuurd door de CBRN-kern van zijn compagnie. Elke onderofficier beneden de rang van sergeant-majoor of opperwachtmeester is CBRN-ploegcommandant.

Werkzaamheden zijn gericht op praktische beschermende, verkennings- en ontsmettingshandelingen, onder andere door voorbereidende maatregelen te (laten) nemen en CBRN-uitrusting te controleren en gebruiksgereed te maken. Rapporteert aan de CBRN-kern detectie- en meetgegevens in de vorm van CBRN 1 en CBRN 4.

 

Level 2

Lid van de CBRN-kern
Neventaker/Non-specialist

De CBRN-kern bestaat uit speciaal daartoe opgeleid personeel en bevindt zich op compagniesniveau en bestaat in de regel uit de plaatsvervangend compagniescommandant, de compagnies-sergeant-majoor/adjudant en een onderofficier die eveneens uit de compagniesstaf afkomstig is - bijvoorbeeld de sergeant-majoor belast met opleiding en training.

Werkzaamheden zijn gericht op het bijstaan van de compagniescommandant in zijn taak met betrekking tot de CBRN-verdediging, onderdeelsmaatregelen en het adviseren van lagere commandanten en adviseren/rapporteren aan hogere commandanten en de CBRN-staffunctionaris (level 3).

 

Level 3

CBRN-staffunctionaris.
Hoofdtaker/Specialist (Subject Matter Expert)

Bevindt zich op bataljonsniveau en hoger, in de regel in de rang van sergeant-majoor of adjudant. De CBRN-staffunctionaris maakt deel uit van de Sectie 2.

Werkzaamheden zijn gericht op de (dreigings)analyse en beoordeling van CBRN-risico's en hierover adviseren en rapporteren aan de (hogere) commandant. De relatieve betekenis van dreiging vindt plaats op basis van de analyse van actoren, agentia, CBRN-strijdmiddelen en (potentiële) inzet.

Bij de uitvoering van activiteiten onder CBRN-omstandigheden zijn er niveaus van operationeel optreden gedefinieerd (survive, maintain en operate): overleven op het gevechtsveld en handhaving van de operationele inzetbaarheid gedurende minimaal 24 uur.

Bij nucleaire explosies en biologische en chemische aanvallen voorspelt de CBRN-staffunctionaris de hieraan gerelateerde risico's en (hazards) en risicogebieden (hazard areas) en waarschuwt de ondereenheden.

Door hazard management – voorzorgsmaatregelen (beperken van de consequenties bij gebruik) en risicobeperkende maatregelen (minimaliseren van de kans op blootstelling, besmettingsbeheersing en ontsmetting) – kan de invloed van CBRN-incidenten op militaire operaties worden verkleind of beheerst.

Zo bepaalt de CBRN-staffunctionaris op basis van detectiegegevens van onder andere de CBRN-ploegcommandant het juiste beschermingsniveau (CBRN threat level).

Terug naar Boven

 

LEVEL MAINTENANCE, ORGANIC / INTERMEDIATE / DEPOT

Binnen de krijgsmacht worden de instandhoudingstaken georganiseerd in de onderhoudsniveaus Organic, Intermediate en Depot Level Maintenance.

De onderhoudsniveaus verschillen in de vereiste kennis, middelen en faciliteiten:

OLM

Organic
Level
Maintenance

Noodzakelijke preventieve en reparatie-onderhoudstaken die bij de gebruikende eenheid worden uitgevoerd door de bedienaar / chauffeur / gebruiker.

Ook wel preventief onderhoud genoemd.

ILM

Intermediate
Level
Maintenance

Tussentijds, groter onderhoud in een periode waarin het voertuig/wapensysteem operationeel gereed is.

Wordt uitgevoerd door het onderhoudspersoneel van hersteleenheden, wier primaire taak de instandhouding van het materieel van klanten is en de bedienaar / chauffeur / gebruiker ondersteunt.

DLM

Depot
Level
Maintenance

Onderhoudstaken die worden uitgevoerd in een vooraf geplande grote onderhoudsperiode waarbij het uitrustingsstuk / voertuig / wapensysteem niet voor operationele inzet beschikbaar is.

Wordt uitgevoerd door onderhoudspersoneel van speciale (statische) werkplaatsen van Defensie, wiens primaire taak instandhouding van materieel van klanten is.

Zie ook: onderhoud.

Terug naar Boven

 

LEWE, OPERATIE

Van 6 t/m 13 juli 2009 voert een team van de eerste rotatie van Task Force 55 (TF-55) een uitzonderlijke parachute-inzet in het zuiden van Afghanistan uit: operatie LEWE.

Het team bestaat uit negen militairen van het Korps Commandotroepen en een Afghaanse tolk.

Het doel van de operatie is om de Taliban in het district Kajaki in de provincie Helmand onder druk te zetten. Daar hebben de insurgents een grote vrijheid van handelen. Ze vormen daarmee een bedreiging voor, met name, Deh Rawod in Uruzgan, waar zich ook een Nederlandse compound bevindt.

Omdat het onmogelijk is ongezien per voertuig of te voet in het gebied te komen, wordt besloten de parachutisten in te zetten.

De voorlaatste operationele parachutesprong van Nederlandse militairen vindt plaats op 10 maart 1949 boven de airstrip van Gading, vlakbij Djokjakarta op Midden-Java in toenmalig Nederlands-Indië.

Dit is operatie MODDER IV tijdens de Tweede Politionele Actie.

De actiesprong wordt uitgevoerd door de paracommando's van de 1e en 2e Paracompagnie van de Paragevechtsgroep (rode en groene baretten).

Op 15 december 2009 ontvangen de commando's van operatie LEWE de operationele vrije val wing uit handen van oud-paracommando en kapitein b.d. Siem Boons.

Als lid van de 1e Paracompagnie neemt Boons in 1949 onder andere deel aan de voorlaatste actiesprong in Gading.

's Nachts wordt het team Full Combat Loaded door een Canadese Hercules C-130 van de International Security Assistance Force (ISAF) boven het operatiegebied gedropt met een HALO-sprong (High Altitude, Low Opening).

Bepakt met rugzakken van 50 à 60 kg, gevuld met hoofdzakelijk munitie en voedsel, landen de para's ongezien diep in het gebied ten zuidwesten van Deh Rawod. Het gebied is onder invloed van de Taliban.

Na de landing verstoppen ze de parachutes en infiltreren ze te voet over een afstand van ± 7 km, waarbij ze een hoogteverschil van 2 km moeten overbruggen. De temperatuur is dan al 28 graden Celsius en loopt overdag op tot 57 graden Celsius.

Heimelijk richten ze op een berghelling observatieposten in. Van hieruit informeren ze de hoofdmacht over de verplaatsingen, intenties en sterkte van de insurgents.

Onder de insurgents, die al snel hun versterkte opstellingen verlaten, vallen meerdere slachtoffers.

Het team wordt na vijf dagen door een Chinook van de berg gehaald. Operatie LEWE eindigt op 13 juli 2009 in Tarin Kowt.

Zie ook: artikel In opperste concentratie naar beneden (download: Leo van Westerhoven, Landmacht, nummer 2, maart 2011), artikel Vallende Nederlandse sterren boven Afghanistan (externe link: Leo van Westerhoven, Dutch Defence Press, 30 januari 2011), Korps Commandotroepen, Task Force 55 (TF-55) en wing.

Terug naar Boven

 

LEWISIET

Lewisiet lewisite lewisite.

Bijnaam: "Dew of Death". Chemische formule: C2H2AsCl3. Generieke naam: 2-chloorvinyl-dichloor-arsine. Code: L.

Chemisch strijdmiddel dat behoort tot de blaartrekkende gassen (vesicantia); 'gas' is echter misleidend in het geval van lewisiet, omdat dit middel voorkomt in damp- (aerosol) of vloeibare vorm.

Lewisiet heeft dezelfde uitwerking als (zwavel)mosterdgas, echter met een hogere werkingssnelheid. De vergiftigingsverschijnselen openbaren zich hierdoor sneller en heftiger. Daarnaast is lewisiet verraderlijk: lewisietdamp is zwaarder dan lucht, waardoor het neerslaat in laaggelegen gebieden.

Lewisiet lost op in de waterdamp in de lucht, waardoor het niet sterk genoeg kan worden ingeademd om onmiddellijk dodelijk te zijn; juist onder neerslagrijke omstandigheden is hierdoor de uitwerking zeer gering. Omdat de aerosoldruppels goed gedijen onder extreem koude en warme temperaturen, kan lewisiet echter lang in de omgeving blijven hangen.

In 1918 is dit strijdmiddel, op basis van organische arseenverbinding, ontwikkeld door de Amerikaanse chemicus Winford L. Lewis (1878-1943); de eerste scheepslading van deze verbeterde versie van mosterdgas - met als specifieke eigenschap: penetratie van het rubber van CBRN-maskers - bereikte Europa pas na het tekenen van de wapenstilstand van de Eerste Wereldoorlog. Hoewel de Verenigde Staten tot in de jaren '50 van de 20e eeuw zo'n 20.000 ton lewisiet hebben geproduceerd, is het strijdmiddel nooit gebruikt.

Lewisiet is bij uitstek 'buitengevechtstellend': na 10 à 20 seconden ontstaan stekende pijn en erythemen op de huid, na 30 minuten roodheid en binnen 12 uur blaren. Verdere verschijnselen zijn branderige en gezwollen ogen, irritatie tot en met verstikking van de luchtwegen, sepsis en multiple organ failure. Bij blootstelling aan grote hoeveelheden lewisiet volgt arseenvergiftiging.

In tegenstelling tot bij (zwavel)mosterdgas bestaan er tegengiffen voor huidbesmetting met lewisiet: BAL (British Anti-Lewisite) en DMPS (2,3-dimercapto-1-propanesulfonisch zuur). Hoewel effectief kennen ze veel bijwerkingen en richten ze weinig uit tegen de lange-termijngevolgen van arseenvergiftiging.

Specificaties:

bescherming

CBRN-masker en beschermende kleding

geur

geraniums

kookpunt

190° C

ontleding

boven 100° C

ontsmetting

chloorkalkwatermengsel (DS-2) of natronloog; bij vloeibare besmetting op de huid RSDL

oplosbaarheid in water

zeer slecht

smeltpunt

18° C

tegengif

BAL of DMPS

voorkomen

stroperig; kleurloos tot lichtbruin

Zie ook: CBRN-middelen, DS-2 en FM-12 (CBRN-masker).

Terug naar Boven

 

LIAISON

Afgekort: L(S)O.

Militair op stafniveau die optreedt als coördinator tussen eenheden, groepen, krijgsmachtdelen e.d. De liaison is hiertussen de verbindende schakel. Liaison vindt plaats om doelgerichtheid, eenheid van inspanning, samenwerking en wederzijds begrip te garanderen.

De liaison beheert relaties, behartigt belangen, coördineert gezamenlijk optreden, onderhoudt een netwerk op zowel tactisch als strategisch niveau en wisselt contacten uit. Dit kan plaatsvinden op zowel joint als combined niveau.

Liaisons zijn vaak officieren of senior onderofficieren.

Een land kan zich, met de plaatsing van een liaison in een ander land, een genuanceerder beeld van de situatie ter plaatse creëren; later kan de verkregen informatie worden aangewend bij een missie ter plaatse.

Zo werkt Nederland binnen de European Union Force (EUFOR) in Bosnië-Herzegovina met LOT's (Liaison & Observation Teams): vanuit huizen verspreid over het gehele operatiegebied hebben de LOT's een bemiddelingsfunctie tussen burgers, lokale autoriteiten en de internationale troepenmacht EUFOR.

Zie ook: Exchange Officer (XO).

Terug naar Boven

 

LICHT

De aan- dan wel afwezigheid van licht is essentieel voor het (tactisch) optreden van militairen. Licht is vaak onmisbaar: 80% van de zintuiglijke informatievoorziening vindt plaats met behulp van de ogen. Normaal gesproken wordt licht geproduceerd door de zon, de maan en de sterren.

De periode waarin de militair in meer of mindere mate gebruik kan maken van daglicht is gelegen tussen BNMS, zonsopkomst en zonsondergang / ENAS. Daarna is er sprake van de afwezigheid van natuurlijk licht: duisternis. Heeft daglicht nog een lichtopbrengst van ± 15.000 lux, bij schemering is dit nog maar 10 lux, bij volle maan 0,1 lux en bij een bewolkte nacht zonder maan éénduizendste lux.

Rood licht.

Het gezichtsvermogen wordt gehinderd door de duisternis.

Zonder hulpmiddelen, zoals het schijnsel van (zak)lampen, helderheids- of infraroodversterkers en warmtebeeldkijkers, kan de duisternis het tactisch optreden bemoeilijken.

Omdat de opponent de duisternis kan uitbuiten, geniet het de voorkeur 's avonds en 's nachts geen licht te gebruiken: het wijd verbreide gebruik van nachtzichtkijkers maakt onderkenning zeer eenvoudig.

Licht trekt de aandacht: niet alleen de lichtbron zelf, ook de weerkaatsing hiervan op gladde, glanzende of witte oppervlakken, zoals brillenglazen, horloges, messtins, plastic mappen, plastic vuilniszakken, ruiten, spiegels, veiligheidsbrillen, wapens en gesteven uniformen.

Soms moet de militair echter vanuit een met kunstlicht verlichte ruimte de duisternis betreden. Een aantal seconden wordt dan niets gezien; pas na zo'n 20 minuten kunnen nagenoeg alle voorwerpen in de duisternis weer worden onderscheiden. De gewenning aan duisternis gaat veel langzamer dan de gewenning aan licht.

In het netvlies - de lichtgevoelige wand achter het oog - bevinden zich kegeltjes en staafjes. Kegeltjes zijn belangrijk bij de aanwezigheid van (veel) licht en voor het zien van kleuren; staafjes zijn juist belangrijk bij de aanwezigheid van weinig licht en voor het kunnen onderscheiden van grijswaarden.

Kegeltjes hebben pigmenten voor rood, groen of blauw. Kegeltjes met het rode pigment hebben een gemiddelde golflente van 655 nanometer (nn), het groene pigment van gemiddeld 535 nn en het blauwe pigment van gemiddeld 445 nn.

Als regel geldt: hoe lager de golflengte van een kleur, des te donkerder die kleur en hoe moeilijker die kleur kan worden waargenomen.

Een zaklamp met een blauw filter zal in de praktijk dan ook het minst goed waarneembaar zijn. Het plaatsen van een kleurfilter op een zaklamp in volgorde van hoge naar lage golflengte: wit, geel, rood, groen, blauw.

Blauw licht.

In de duisternis worden grijswaarden onderscheiden in plaats van kleuren. Zodra het donker is, wordt in de staafjes de lichtgevoelige stof gezichtspurper aangemaakt. Zodra het weer licht wordt, breekt dit gezichtspurper af en neemt de lichtgevoeligheid in het donker af. Daarnaast worden de pupillen groter bij minder licht, waardoor de ogen meer licht kunnen opvangen, en neemt de diepte voor scherp zicht af.

De staafjes bevatten ook rhodopsine (vitamine A). Dit is een lichtgevoelige zintuigcel. Wanneer het donker is en het licht daardoor het netvlies minder prikkelt, verandert rhodopsine in de staafjes van vorm; daarna zetten de zenuwcellen het opgevangen restlicht in de hersenen om naar beelden.

LICHTVERVUILING

De verhoogde helderheid van de nachtelijke omgeving en daarmee de verminderde donkere omstandigheden zoals die worden veroorzaakt door (overmatig) omhoog stralend licht, in de regel kunstlicht.

Het ongemak dat de (militaire) mens hiervan ondervindt wordt lichthinder genoemd.

De lichtuitstraling wordt bijvoorbeeld veroorzaakt door geïndustrialiseerde en/of verstedelijkte gebieden en verlichting in de glastuinbouw en langs snelwegen. In de verre omtrek rond deze gebieden is de hemel allesbehalve donker.

Lichtvervuiling in Europa.

Door de sterke reflectie naar de atmosfeer bemoeilijkt lichtvervuiling zowel lucht- als hemelwaarneming, zoals het zicht op de sterrenbeelden Cassiopeia, Grote Beer (steelpannetje), Kleine Beer (steelpan) en Poolster om richting te bepalen.

Wanneer de hemelhelderheid laag is, wordt het gebruik van nachtzichtapparatuur gehinderd; indien mogelijk is de afscherming van te veel licht noodzakelijk. In gebieden waar geen lichtvervuiling is, is tijdens inzet bij duisternis juist het verplaatsen met nachtzichtapparatuur noodzakelijk.

Al na één minuut is door de veranderde vorm van de staafjes de lichtgevoeligheid al tien maal groter; na 20 minuten is de lichtgevoeligheid op z'n best. Zodra het oog wordt blootgesteld aan (kunst)licht, wordt rhodopsine afgebroken.

Om in het donker licht te maken, wordt militairen aangeleerd om rood licht te gebruiken. Rood ligt wat betreft golflengte in het midden van het kleurenspectrum; de staafjes zijn het minst gevoelig voor rood. Behalve dat rood licht matter, minder scherp en daardoor veel minder goed waarneembaar is, zorgt het gebruik van rood hiermee voor de beste instandhouding van het nachtzicht.

Rood licht heeft ook nadelen:

► alleen op (zeer) korte afstand te gebruiken;

► extreem gevoelig voor waarneming door nachtzichtapparatuur (zaklampen met een rood filter of de brandende tip van een sigaret kunnen nog op 4 km afstand waargenomen worden);

► ongeschikt voor eerstehulpverlening (bloed is minder goed zichtbaar);

► ongeschikt voor kaartlezen (bruine hoogtelijnen zijn niet meer zichtbaar).

Het Amerikaanse Field Manual 3-20 ('Camouflage, concealment and decoys') schrijft: "To reduce the chances of detection, replace red filters with blue-green filters and practice strict light-discipline".

De beste optie is onder een lichtdichte poncho zo weinig mogelijk licht te maken, liefst een zaklamp die op een minuscuul streepje na is afgetapet.

Zie ook: breaklight, camouflage (lichtdiscipline), nachtzichtapparatuur, nautische avondschemering (BNMS en ENAS) en zaklamp MX-991/U.

Terug naar Boven

 

LICHTMUNITIE

Leuchtmunition.
illuminating ammunition.
munitions éclairantes.

Lichtmunitie heeft een verspreidings-, uitstoot- of voortdrijvende lading.

Het is pyrotechnische munitie die is ontworpen om één enkele bron van intens licht voort te brengen voor de oplichting van een doelgebied. Onder de verzamelnaam ‘lichtmunitie’ vallen lichtpatronen, -granaten en -projectielen, maar ook verlichtings- en doelmarkeringsbommen.

Vaak wordt fosfor als lichtbron gebruikt. Zodra de lading het hoogste punt heeft bereikt, wordt een parachutesysteem gebruikt om de valsnelheid van de lichtbron te vertragen én de verlichting van het doelgebied te stabiliseren.

Zowel defensief als offensief kan lichtmunitie worden gebruikt. Defensief bijvoorbeeld door nachtelijke patrouilles te ondersteunen met de inzet van lichtmunitie, offensief door vijandelijke artillerie-, mortier- en raketaanvallen te beantwoorden met lichtmunitie uit de eigen mortieren om vijandelijke troepen in het licht te zetten. Met name (hoge) gebouwen verminderen de effectiviteit van de verlichting door schaduwen te creëren, die overigens zeker ook ten eigen voordele kunnen worden uitgebuit.

Zie ook: gevechtsveldverlichting.

Terug naar Boven

 

LICHTspoorMUNITIE

Ook genaamd: lichtkogel. Afgekort: ltsp mun. Duits: Leuchtspurmunition; Munition mit Leuchtspur; Spurmunition. Engels: tracer ammunition. Frans: munition traçante; munition traceuse.

Patroon waarvan het kogelgedeelte aan de achterkant is voorzien van brandsas met een chemische stof, bijvoorbeeld antimoon, fosfor of magnesium. Bij het afvuren laat de kruitlading het zeer brandbare sas ontbranden, wat gedurende de kogelvlucht een felle lichtbron laat ontstaan.

Binnen de NAVO is deze lichtbron, analoog aan de roodgelakte patroonpunt, roodgekleurd (door toevoeging van strontiumnitraat), bij het voormalige Warschaupact en China groenkleurig (bariumnitraat). Witte lichtspoor, op basis van magnesium, is bedoeld voor gebruik overdag.

Omdat lichtspoormunitie een duidelijk zichtbare vuurstreep in de lucht achterlaat, is de kogelbaan ook bij daglicht voor het blote oog waarneembaar. Doordat de kogelbaan kan worden gevolgd, is lichtspoormunitie ideaal voor correcties tijdens het vuren. Omdat het richten gemakkelijk kan worden aangepast, kan de schutter met één schot of vuurstoot het doel voor anderen aanduiden (markeren). In geschakelde munitie (band, magazijn) ten behoeve van mitrailleurs is vaak elke 5de patroon lichtspoor.

Omdat brandstichting een neveneffect is van lichtspoormunitie, wordt zij niet tot de brandwapens gerekend.

Nadelen van lichtspoormunitie:

  • Bevat géén explosieve lading (enkelschots nauwelijks vijandvertragend effect; treffer op brandstoftank of munitievoorraad sorteert resultaat)
  • Kogelgewicht neemt, door het opbranden van brandsas, gedurende de kogelvlucht af, waardoor een afwijkende aerodynamica van de kogel en dus een ongewone kogelbaan ontstaat
  • Verraadt de eigen positie verraadt (maakt kwetsbaar voor direct vuur)

Terug naar Boven

 

LIDDELL HART, SIR BASIL (HENRY)

Geboren: Parijs, 31 oktober 1895, als kind van joodse ouders. Overleden: Marlow (Buckinghamshire, Engeland), 29 januari 1970, op 74-jarige leeftijd.

Brits militair historicus, militair, oorlogscorrespondent en strateeg. Vooral bekend geworden door zijn pleidooi voor gemechaniseerde oorlogsvoering (tanks) en de coördinatie van grondtroepen en de luchtmacht (air power) - een voorloper van de manoeuvreoorlogvoering.

Hij brak bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zijn studie geschiedenis aan Cambridge University af en diende als officier in het Britse leger (King's Own Yorkshire Light Infantry) aan het Westfront. Tijdens het Britse offensief aan de Somme in 1916 raakte hij bij een Duitse gasaanval ernstig gewond.

In 1920 schreef hij het handboek 'Infantry Training' waarin zijn sinds 1917 ontwikkelde 'battle drill' was beschreven, alsook de zgn. ‘expanding torrent’ (letterlijk: “uitbreidende stortvloed”).

Deze aanvalsmethode kwam voort uit een infiltratietactiek uit 1917-’18. De ‘expanding torrent’ beschrijft een troepenconcentratie die zich richt op zwakke vijandelijke posities. Beslissend voor het succes zijn snelheid (momentum), het uitbuiten van verstoringen (frictie) en het zelfstandig optreden van grondeenheden. Doel van de ‘expanding torrent’ zijn verwarring, verstoring en demoralisatie teweegbrengen. In de praktijk moest een beweeglijke eenheid het front doorbreken om het achterland van de vijand te ontwrichten en vijandige troepen aan het front te isoleren (binden). Liddell Hart definieerde strategie als “the art of distributing military means to fulfil the ends of policy”.

In 1923 raakte hij deels gehandicapt – waarschijnlijk als gevolg van de langetermijn-effecten van de gasaanval had hij in 1921 en ’22 lichte hartaanvallen gehad – Gedecoreerd vanwege dapperheid in WO I, verliet hij als kapitein in 1927 het leger.

Vervolgens werkte hij als oorlogscorrespondent bij de Daily Telegraph (1925-’35), als militair adviseur bij The Times (1935-’39) en in de beginjaren van WO II opnieuw voor de Daily Telegraph. In 1937-’38 was hij persoonlijk adviseur van de Britse Minister van Defensie Leslie Hore-Belisha, een periode waarin vele van de door hem bepleitte voorstellen werden uitgevoerd en waarin hij stelde dat Groot-Brittannië oorlog op het Europese vasteland moest voorkomen omdat het land daar militair niet klaar voor was.

Liddell Hart sprak zich uit voor diepe strategische binnendringing door tanks, geëscorteerd door gemotoriseerde infanterie en in nauwe samenwerking met vliegtuigen. Maar zijn poging om het leger met, bijvoorbeeld, tanks en luchtafweergeschut te mechaniseren werd door de meeste officieren gedwarsboomd. Uit deze tijd dateert waarschijnlijk één van zijn beroemdste citaten: “The only thing harder than getting a new idea into the military mind, is to get an old one out”.

Bij de openbaarmaking van geheime MI5-archieven in 2006 kwam aan het licht dat Liddell Hart al drie maanden vóór D-Day achter de gedetailleerde plannen voor de geallieerde landingen was gekomen. Hij liet zich hierover tegenover politieke en militaire leiders kritisch uit en schreef in de Daily Mail ‘Some Reflections on the Problems of Invading the Continent’. Daarna werd hij door de Britse geheime dienst in de gaten gehouden en werden zijn telefoongesprekken afgeluisterd.

In 1966 werd hij bij gelegenheid van New Year’s Honours door Queen Elizabeth II geridderd tot Knight Bachelor, waardoor hij de titel ‘Sir’ verkreeg.

Opvallend is dat Liddell Hart en zijn vele boeken invloedrijker waren in Duitsland dan in Frankrijk en Groot-Brittannië. Zijn theorie van ‘expanding torrent’ werd, samen met de doctrines van generaal J.F.C. Fuller over de ontplooiing van tanks, overgenomen door de Duitse pionier op het gebied van tankoorlogvoering, Heinz Guderian. Dat werd de basis voor de Blitzkrieg, waarmee de Duitse Wehrmacht in 1939-’41 het Europese continent overrompelde. Liddell Hart beïnvloedde in het Interbellum ook de Duitse generaals Werner von Blomberg en Walter von Reichenau.

Liddell Hart bestudeerde en bewonderde Flavius Belisarius, Napoleon, Sun Tzu en T.E. Lawrence, noemde de Amerikaanse generaal William Tecumseh Sherman (1820-‘91) “the first modern general”, duidde de Slag bij Cambrai in 1917 als “one of the landmarks in the history of warfare, the dawn of a new epoch"(“een van de mijlpalen in de geschiedenis van oorlogvoering, het begin van een nieuw tijdperk”) en zag weinig in Clausewitz (“Clausewitz contributed no new or striking progressive ideas to tactics or strategy. He was a codifying thinker, rather than a creative or dynamic one”). Ook verweet hij Clausewitz “the Mahdi of Mass” te zijn geweest. Wellicht komt zijn afkeer van Clausewitz voort uit het feit dat Liddell-Hart géén Duits las en moest putten uit slechte Engelse vertalingen van ‘Vom Kriege’.

Liddell Hart was de auteur van vele militaire biografieën en boeken over militaire strategie, WO I (‘History of the first World War’, 1973) en WO II (‘History of the second World War’, 1970), onder meer over Scipio Africanus Major, W.T. Sherman en T.E. Lawrence. Na WO II interviewde hij Duitse generaals voor ‘The Other Side of the Hill’ (1948).

In ‘53 zagen zijn pseudomemoires van Erwin Rommel het licht in ‘The Rommel Papers’. Hij correspondeerde met veel publieke figuren uit zijn tijd, zoals Lord Beaverbrook, Robert Graves en T.E. Shaw.

Zijn meest bekende boek is ‘Strategy: the Indirect Approach’, dat in 1929 voor het eerst werd gepubliceerd onder de titel ‘The Decisive Wars of History’. De ‘indirect approach’ (“indirecte benadering”) putte hij uit zijn ervaringen tijdens WO I en benadrukte de elementen ‘mobiliteit’ en ‘verrassing’. De ‘indirect approach’ baseerde zich op zijn stelling dat directe aanvallen op een stevig gepositioneerde vijand niet werken – een flankaanval daarentegen wel – en daarom nooit mogen worden geprobeerd én dat, om de vijand te verslaan, die vóór de hoofdaanval uit balans moet worden gebracht.

Later haalde hij Rommel’s campagnes in Noord-Afrika aan als een klassiek voorbeeld van de ‘indirect approach’.

Terug naar Boven

 

LIEBHERR MOBIELE KRAAN FKM

Mobiele kraan die in gebruik is bij eenheden van de genie.

De Liebherr mobiele kraan FKM is in eerste instantie bedoeld voor bergingswerkzaamheden, maar biedt daarnaast in een veelheid aan taken ondersteuning op velerlei gebied. De mobiele kraan valt in dezelfde categorie als aggregaten, betonmixers, compressoren, generatoren, graafmachines, graders, hijskranen, kippers, pompen, sneeuwruimers, trilwalsen en wiellaadschoppen.

Het Military Load Classification-70-wegenmatsysteem wordt door deze kraan op het bijbehorende voertuig geplaatst. De mobiele kraan heeft een drie-assig onderstel met besturing op alle zes wielen. Ook is de kraan voorzien van een bergingslier. Tijdens het hijsen bevindt kraanplatform zich op 5 meter afstand van de last.

Bij de mobiele kraan behoort een twee-assige 25kN aanhangwagen met hulpmiddelen als hijsbanden, hijshaken, kettingen en stempelplaten, opdat een veelheid aan werkzaamheden (overslaan van goederen, slepen en takelen) kunnen worden uitgevoerd.

De bemanning van de Liebherr mobiele kraan FKM bestaat uit een chauffeur, tevens machinist, en een bijrijder, eveneens tevens machinist.

Specificaties:

breedte

2 meter 75

brugclassificatie

28 ton

doorwaden
1 meter 20
hoogte
3 meter 25

lengte

10 meter 99

lengte telescopische hijsarm

22 meter

maximaal hefvermogen

20 ton

maximaal hijshaakhoogte

23 meter

maximale hellingshoek
60 graden

maximumsnelheid

75 km per uur

motor

KHD 10-cilinder-dieselmotor

motorvermogen
235 kW (320 pk)

toelaatbare totale massa

27.300 kg

De Liebherr mobiele kraan FKM wordt geproduceerd door Liebherr Werk Ehingen/Donau GmbH in Duitsland.

Zie ook: genie, wegenmattenlegger MLC-70 en Werklust wiellaadschop UNIBOMA.

Terug naar Boven

 

LIGSLEUF

shell-scrape; hasty fighting position.

Voorbeeld van een alarmopstelling in het kader van grondnabijbeveiliging. Wanneer bijvoorbeeld een verzamelgebied is betrokken, dient iedere individuele militair tenminste een ligsleuf te maken.

De ligsleuf is een gevechtsdekking die zichtdekking¹ biedt tegen vijandelijke waarneming en vuurdekking² tegen vlakbaanvuur.

¹ Zichtdekking houdt in dat de ligsleuf correct is afgecamoufleerd, de schutter zijn individuele camouflage correct heeft toegepast en zich laag houdt ten opzichte van de opgeworpen dekking.

² Vuurdekking houdt in dat het lichaam van de schutter zich onder het maaiveld en achter de dekking bevindt, waarbij de dekking aan de voorzijde van de ligsleuf is aangestampt.

De ligsleuf is tevens een vuurpositie.

De minimale eisen van een ligsleuf zijn:

► goede waarnemingsmogelijkheden
► goed schootsveld in de opgedragen sector

Liggend op het maaiveld (liggende schiethouding ondersteund) en kijkend door de richtmiddelen van zijn persoonlijk wapen controleert de schutter zijn waarnemingsmogelijkheid en schootsveld in de opgedragen sector (aan de hand van markante punten in het voorterrein).

De ligsleuf wordt gegraven onder een hoek van 30 à 45 graden op de schootsrichting van de verwachte aanvalsrichting van de opponent. De minimale diepte is 15 à 25 cm. Beiden zijn afhankelijk van de mogelijkheden die het terrein biedt en de gevechtssituatie.

De schutter in de ligsleuf bevindt zich dan ook deels onder en deels boven het maaiveld. De frontzijde van de ligsleuf is een vuurdekking (borstwering) in de vorm van een halve maan en correct gecamoufleerd.

Militair in positie in ligsleuf.

Bij acute vijanddreiging wordt, liggend op de zij, met de pioschop een ligsleuf gegraven, waarna zo snel mogelijk kan worden geprofiteerd van een aanvaardbare vuur- en zichtdekking.

Van de uitgegraven grond wordt aan de frontzijde van de ligsleuf een borstwering als vuurdekking gemaakt. De borstwering bestaat tenminste uit één meter aangestampte aarde. Om vuur te kunnen uitbrengen in de opgedragen sector bevindt zich in de vuurdekking een schietsleuf.

De schietsleuf wordt gemaakt met behulp van een glijbalk, bijvoorbeeld een stevige tak. De glijbalk ondersteunt het persoonlijk wapen en zorgt ervoor dat het wapen heen en weer van positie kan veranderen. Het patroonmagazijn rust hierbij niet op het maaiveld.

Aan weerszijden van de glijbalk bevinden zich piketpalen, die de glijbalk op zijn plaats houden en de opgedragen sector begrenzen.

Aan de achterzijde, op de plaats van de voeten van de schutter, is de ligsleuf extra verdiept. Binnen de ruimte van de ligsleuf moet de militair extra munitie, CBRN-masker, pio(nier)schop en veldfles binnen handbereik hebben om niet steeds boven het maaiveld te hoeven uitkomen.

De ligsleuf moet niet alleen aan de frontzijde (vijandzijde) goed gecamoufleerd zijn: ook de ligplaats zelf moet afgecamoufleerd zijn met bladeren, mos e.d.

Het pad van het onderkomen naar de ligsleuf dient kraakvrij te zijn; de ligsleuf kan worden gemarkeerd met cat-eyes om de locatie bij duisternis gemakkelijker te kunnen vinden.

Zie ook: camouflage, CBRN-masker (FM-12), maaiveld, pio(nier)schop, schuttersput, veldfles, verzamelgebied, vlakbaanvuur, vuur- en zichtdekking, vuurpositie en waarnemen.

Terug naar Boven

 

LINEAIR GEVECHTSVELD

Het lineaire (op linie-) en niet-lineaire gevecht kunnen niet één op één worden gelijkgeschakeld met de omstandigheden vroeger en nu.

Het niet-lineaire gevechtsveld is vaker te vinden in het kader van de asymmetrische oorlogvoering, terwijl het lineaire gevechtsveld meer karaktertrekken geniet van de symmetrische oorlogvoering.

Grofweg zijn de verschillen tussen het lineaire en niet-lineaire gevechtsveld de volgende:

 

Lineair
gevechtsveld

Niet-lineair
gevechtsveld

Afstanden

► klein

► groot

Eenheden

► groot
► met name in brigadeverband
en hoger

► klein
► met name in teamverband

Gevechtsveld

► verdicht

► uitgedund

Informatiesystemen

► uitgedund

► verdicht

Inzetbaarheid personeel

► smal

► breed

Mogelijkheden voor herbevoorrading

► achterin het gevecht
► gemakkelijk
► veel

► voorin het gevecht
► moeilijk
► weinig

Spreiding eenheden

► geconcentreerd

► verspreid

Terrein

► (relatief) open
overzichtelijk

► onoverzichtelijk
► verstedelijkt gebied

Tijd- en ruimtefactoren

► minder grote rol
► met name tijdens statische oorlogsvoering

► grote rol
► met name tijdens evacuatie, gevecht, logistiek en ontplooiing

zelfbeschermingsmiddelen

► weinig

► veel

Zie verder: asymmetrische oorlogvoering en symmetrische oorlogvoering.

Terug naar Boven

 

LINE OF SIGHT

Visierlinie.
à portée optique; en visibilité directe.

Nederlands: gezichtslijn; vrije zichtlijn; waarnemingslijn; zichtcontactlijn. Afgekort: LOS. Synoniem: intervisibility.

Line of sight is de rechte lijn tussen twee punten: enerzijds de waarnemer/wapensysteem/sensor/antenne, aan de andere kant het object van waarneming (doel) of aanstraling (UAV). Over deze rechte lijn is ongehinderd (zicht)contact mogelijk, met het blote of voor (waarnemings)sensoren.

Wat achter boscomplexen, gebouwen en hoogteverschillen in het terrein (door begroeiing, bebouwing en heuvels) ligt is niet zichtbaar. Met betrekking tot vuursteun worden de onzichtbare terreindelen schaduwgebieden genoemd. Omdat in schaduwgebieden geen LOS tussen het wapen of de (wapen)sensor van de vuureenheid en het doel is, kan de vuureenheid de doelen niet vinden en bestrijden.

Het begrip line of sight wordt met name gebruikt in drie militaire disciplines: verbindingen (incl. radar), vuursteun en UAV's (radionavigatie):

Verbindingen (incl. radar)

Line of sight is gegarandeerd wanneer de straalafstand tussen de zendende en ontvangende antenne zonder tussenliggende obstakels tot stand kan worden gebracht.

Verbindingen die tot stand worden gebracht door straalzenders werken met het principe van line of sight. Grond- of directe golf ontstaat bij een frequentie van 30 MHz tot 300 GHz (VHF-EHF). Radiogolven volgen een rechte lijn en kunnen, mits gericht, dwars door de ionosfeer. De zendende en ontvangende antenne moeten elkaar dan wel als het ware kunnen zien. Als de atmosferische omstandigheden hiervoor ideaal zijn - bij afwezigheid van laaghangende bewolking, ijzel, regen e.d. - kan een grondgolf zelfs door het aardoppervlak worden gereflecteerd.

Afhankelijk van het vermogen van de radio en een onttuide, hoog opgestelde richtantenne (directional antenna) kan Very High Frequency (VHF, 30 tot 300 MHz) een afstand tot 30 km overbruggen. Daarom zijn VHF-verbindingen in bebost, bergachtig en verstedelijkt gebied niet goed mogelijk en derhalve slecht.

Voor de (lange-afstands)verbindingen in operatiegebieden (dispersed en expeditionair optreden) en tussen Nederland en het operatiegebied is echter Beyond Line of Sight (BLOS)-communicatie cruciaal. De beste vorm van BLOS-communicatie is satellietcommunicatie (SATCOM), het beste alternatief lange-afstandsradiosystemen volgens High Frequency (HF). Bij SATCOM dient wel rekening te worden gehouden met de opstraalhoek naar de satelliet.

Vuursteun

Line of sight is gegarandeerd als de afstand tussen de positie van het afvuursysteem en het doel een rechte lijn is waarbij de schutter zicht heeft op en dus kan richten op het doel. Er kan dan direct vuur worden uitgebracht. De lijn tussen de afvuurpositie en het doel wordt doellijn genoemd.
 
Bij geleide wapens, zoals antitankwapens, is sprake van 1e en 2e generatie geleiding: de eerste is draadgeleiding (Manual Command to Line of Sight, MCLOS), de laatste semi-automatische stuurcorrectie (Semi-Automatic Command to Line of Sight, SACLOS):

MCLOS

De operator volgt de raket en het doel en geleidt de raket tijdens de vlucht met een joystick naar het doel. De raket wordt gevolgd met een periscopisch telescoopvizier (richtkruis), bijsturing vindt plaats via draadgeleiding.

SACLOS

De operator wijst tijdens de vlucht het doel met behulp van een vizier aan, dat automatisch vluchtcorrecties aan de raket doorgeeft. SACLOS werkt zonder draadgeleiding. Een voorbeeld is de TOW.

UAV's (radionavigatie)

Hoewel technisch reeds haalbaar wordt in de regel niet Beyond Visual Line of Sight (BVLOS) gevlogen met Unmanned Aerial Vehicles (UAV's, ook genaamd: Remotely Piloted Aircraft, RPAS).

Line of sight met een UAV is noodzakelijk, omdat anders het toestel niet zichtbaar is voor de bestuurder van het grondcontrolestation. In principe kan een UAV niet worden gevlogen als de propagatie (voortplanting van radiosignalen) tussen de zender van de bestuurder en de ontvanger van de UAV niet mogelijk is.

Een General Atomics MQ-1 Predator kan op een hoogte van 40.000 voet (ruim 12 km) opereren en LOS-communicaties met de aarde realiseren in een straal van 22 km.

Afkortingen

BLOS

Beyond Line of Sight (synoniem: over-the-horizon)

BVLOS

Beyond Visual Line of Sight

ELOS

Electronic Line of Sight; Extended Line of Sight

MCLOS

Manual Command to Line of Sight

NLOS

Non Line of Sight

SACLOS

Semi-Automatic Command to Line of Sight

Zie ook: dispersed, expeditionair, Unmanned Aerial Vehicle (UAV) en vuur (direct vuur).

Terug naar Boven

 

LINES OF COMMUNICATION

Afgekort: LOC; L of C. Aanvoer-, toevoer- of bevoorradingslijnen. Een fysieke route te land, ter zee, in de lucht, in de ruimte of anderszins van een operationele strijdmacht, met een daaraan gekoppelde logistieke basis.

Over de route beweegt zich de aanvoer van goederen én versterkingen vanuit het eigen land, vanaf vredeslocatie op Nederlands grondgebied, naar het operatiegebied (externe of strategische LOC). Interne of tactische LOC bevinden zich in het operatiegebied.

In beiden LOC dient te worden voorzien door één of meer krijgsmachten die in het operatiegebied werkzaam zijn. Overigens dienen de LOC evengoed voor de afvoer van ge- en verbruikte alsook defecte goederen naar achtergebied of gastland.

Schematisch:

Strategische
of externe LOC

Tactische
of interne LOC

 

Operationele
LOC

Vanuit eigen land, vanaf vredeslocatie op Nederlands grondgebied, naar het operatiegebied

In het operatiegebied

In het operatiegebied, direct verband houdend met Normal Framework Operations

De beveiliging cq. het veiligstellen van een betrouwbare en open LOC beïnvloedt het militair opereren in het operatiegebied positief, omdat een strijdmacht te velde hoe dan ook dient te worden herbevoorraad om effectief en efficiënt functioneren mogelijk te maken.

Het doel hiervan is om optimaal gebruik te kunnen maken van bestaande of speciaal gecreëerde infrastructuur te land, ter zee, in de lucht en in de ruimte: binnenwateren, pijpleidingen, (spoor)wegen, vliegvelden en (zee)havens. Door de genie aangelegde delen van de "geitenpaden" uit de beginperiode van UNPROFOR (Bosnië) kunnen in dit verband worden gezien als gecreëerde infrastructuur.

Mogelijkheden, beperkingen en kwetsbaarheid van primaire LOC, zoals Main Supply Routes, heeft permanent de aandacht, in het bijzonder aanleg, derouteringen (omleidingen), knelpunten en onderhoud.

Grafische weergave van de Lines of Communication, met van links naar rechts weergegeven de strategische mobiliteit, de operationele mobiliteit en de tactische mobiliteit.

Binnen het operatietoneel bevinden zich het Point of Debarkation en het operatiegebied.

Het verbreken of verbieden (interdictie) van de aanvoer van essentiële goederen voor een strijdmacht, met name klasse I t/m V, blokkeert het optreden van een strijdmacht.

Een voorbeeld van LOC is onderstaand stuk uit Landmacht Doctrine Publicatie 4 (Nationale operaties):

"Omdat de operatie van november 1990 niet Duitsland in, maar uit ging, vond zij plaats onder de naam Deforger, de samentrekking van Departure of Forces out of Germany. [....]

Deforger zou lopen over de volgende Lines of Communication: over de weg van Venlo naar Rotterdam en van Heerlen naar Rotterdam en Antwerpen, over het spoor van Venlo en Maastricht naar Rotterdam, van Maastricht naar de Eemshaven en van Arnhem naar Rotterdam en tot slot over de binnenwateren van Lobith naar Rotterdam en Antwerpen. Later kwamen daar nog de verbindingen naar Amsterdam bij."

Zie ook: 1 Legerkorps, Deforger, Nationale Operaties (NatOps), Normal Framework Operation, operatiegebied en planningsfactor.

Terug naar Boven

 

LINK-UP

Nederlands: aansluiting.

Voorwaardenscheppende activiteit (enabling action).

Activiteit, met name in de aanval of bij een insertie, waarbij in een gebied waarover de controle niet (geheel) in eigen handen is, op een bepaalde plaats of route, de aansluiting wordt gezocht met andere (zwaardere) eigen troepen om die te versterken dan wel af te lossen (relief of troops).

Ook herkenningstekens en tijdstip voor de link-up worden gecoördineerd.

Met een link-up kan reeds behaald succes worden uitgebuit (exploit).

Het kan nodig zijn voordat de link-up plaatsvindt de opponent, die zich tussen de twee aan te sluiten eenheden bevindt, te neutraliseren.

Een voorbeeld is de link-up tussen grondtroepen en een (lichte) air manoeuvre-eenheid, waarbij de eerste de laatste aflost of versterkt, de eerste het gebied overneemt en de laatste middels een extractie door de lucht het gebied verlaat.

Terug naar Boven

 

LION

Acroniem voor: Lightweight Infrared Observation Nightsight (LION).

Nederlandse binoculaire warmtebeeldkijker met de afmetingen 20 x 22 x 10 cm. De LION vergoot driemaal en heeft een gezichtsveld (field-of-view) van 10 graden (kokervisus). Met de LION is detectie mogelijk vanaf 2.300 meter, voertuigherkenning vanaf 800 meter en identificatie vanaf 400 meter.

Het optisch hulpmiddel weegt 1.900 gram en wordt gebruikt voor het vanuit de hand waarnemen bij bewakings- en verkenningstaken bij slecht of verminderd zicht of complete duisternis.

De warmtebeeldkijker is breder inzetbaar dan een restlichtversterker, omdat ze reageert op temperatuurverschillen: 0,1 graad temperatuursverschil volstaat om een persoon (beweging) of voertuig (starten) zichtbaar te maken. Ook functioneert de warmtebeeldkijker wél bij mist, regen, rook en stof. Gecamoufleerde objecten blijven niet gemakkelijk verborgen. Nadelig voor de LION zijn slagregens, sneeuw en een hoge luchtvochtigheid.

vanaf 1999 zijn er ± 800 LION's, gefabriceerd door een consortium van Delft Instruments en Signaal USFA, in gebruik genomen bij de Koninklijke Landmacht.

Bij deze nieuwe generatie warmtebeeldkijker ontbreekt een stroomverslindend koelelement; bij vorige generatie kijkers was die aanwezig om de ruis die de beeldweergave belemmerde te onderdrukken.

De ergonomische kijker (regelknoppen beeldcontrast en scherpstellen aan onderzijde; regelknoppen zwart/wit-warmtebeeld, crosshairs en zoom aan bovenzijde) werkt op zes C-batterijen (lithium, oplaadbaar NiCad of alkaline) of op een adapter voor 24 Volt-aansluiting in voertuigen. De batterijvoeding geeft een werktijd van 8 à 10 uur.

De scherpstelling van het beeld blijft, ongeacht de hoogte van de omgevingstemepratuur, gegarandeerd dankzij temperatuurcompensatie.

Ondanks de gebruikmaking van speciale composietmaterialen, kan het niet-metalen omhulsel van de LION, dat slechts één mm dik is, zware schokken en trillingen aan.

Terug naar Boven

 

LOADMASTER

Afgekort: LM. Bijnaam: loadie. Bemanningslid in de laadruimte van een transporthelikopter dat ervoor zorgt dat het vervoer van passagiers (pax) en vracht (cargo) – zowel interne als externe lading (underslung load) – op een correcte en veilige manier plaatsvindt.

Hierbij ziet hij toe op de stabiliteit van het toestel én comfort/veiligheid van evt. passagiers, zowel tijdens in- en uitstappen als de vlucht.

De loadmaster inspecteert of de aangeboden cargo kan worden meegenomen en, zo ja, dat de cargo op een veilige manier in of onder de helikopter wordt verdeeld en vastgesjord. Zijn werkzaamheden voert hij zowel overdag als bij duisternis uit, gebruikmakend van nachtzichtapparatuur (night vision goggles).

Verder draagt de loadmaster zorg voor:

  
  • afhandelen van cargo-, crew- en pax-documenten

  • als gids opdrachten geven aan de vliegers (voice marshalling) tijdens:
  • bepalen van confined areas (opstelplaats van een rotary wing
  • hovering manoeuvres (stilhangen in de lucht laag boven de grond)
  • taxiën
  • bedienen van
  • boordwapens (als doorgunner)
  • deur of ramp tijdens paradrops
  • hoist (lier)
  • uitvoeren van inspecties voor, tijdens en na de vlucht als boordwerktuigkundige (flight engineer)

 

Zie ook: doorgunner en flight nurse.

Terug naar Boven

 

LOGISCH

'Logisch' was van 2000 tot 2009 het personeelsblad van 1 Logistieke Brigade (1 Logbrig) en 101 Gevechtssteunbrigade (101 GSB) en hun voorganger: het Divisie Logistiek Commando (DLC).

Het blad werd uitgegeven door de Sectie Communicatie van 1 Logbrig (Frank van Bijnenkazerne in Apeldoorn), onder verantwoordelijkheid van C-1 Logbrig.

Het blad verscheen in totaal in negen complete jaargangen; van de 10e en tevens laatste jaargang verscheen alleen het laatste nummer van 'Logisch'.

'Logisch' verscheen tienmaal per jaar in een oplage van 3.100 exemplaren.

Met de oprichting van het Operationeel Ondersteuningscommando Land (OOCL) ging 'Logisch' verder onder de andere naam ' Phoenix'.

Terug naar Boven

 

LOGISTIEK

Logistik.
logistics.
logistique.

Oud-Nederlands: leer van de troepenbeweging.

Nederlandse definitie:

"Logistiek is het geheel van activiteiten gericht op het beschikbaar stellen, het beheer van, de zorg voor, het op peil brengen dan wel houden, en het afvoeren van het personeel en materiële middelen van formaties en eenheden, teneinde deze in staat te stellen hun taak uit te voeren."

De definitie van logistiek volgens de NATO Glossary of Terms and Definitions (AAP-06) is:

"The science of planning and carrying out the movement and maintenance of forces."

Logistiek is te verdelen in vredes- en operationele (of gevechts-) logistiek. Gevechtslogistiek is gericht op de instandhouding van eenheden voorafgaande aan, tijdens en na een operatie in een inzetgebied.

Vanaf bataljonsniveau omvat gevechtslogistiek:

Operationele materieellogistiek:

► bevoorrading van alle assortimenten goederen (klasse I t/m V, inclusief reservedelen en componenten)

► infrastructurele ondersteuning

► logistieke diensten (o.a. bad- en wasfaciliteiten, gravendienst, kassier, sanitaire voorzieningen, veldpost, voedselbereiding en water- en energievoorziening)

► logistieke reserve (parkgoederen)

onderhoud (materiële instandhouding)

► verplaatsingen (verkeer, vervoer en verplaatsingsondersteuning)

Operationele personeelslogistiek:

► personeelsbeheer (o.a. personeelsaanvulling, toepassen tuchtrecht, waarderingssysteem)

► personeelszorg (o.a. voorlichting, geestelijke verzorging)

► militaire gezondheidszorg (o.a. afvoer, behandeling en verpleging van zieken en gewonden, incl. medische evacuatie; bevoorrading en onderhoud van - temperatuur-geconditioneerde - geneeskundige dienstgoederen; onderhoud en herstel aan geneeskundig materieel; retourstroom van afval, afvalwater en disposables)

Volgens de Joint Doctrine Publication (JDP) 4.0 zijn de vijf principes van logistiek: Foresight, Efficiency, Co-operation, Simplicity en Agility. Deze principes zijn afgeleid van de beginselen van oorlogvoering.

Agility

Tempo

Vermogen sneller dan de vijand te handelen. Dit is een voorwaarde om het initiatief over te nemen en te behouden.

Co-operation

Samenwerking

Waarborgen van een gecoördineerde aanpak tussen de strijdkrachten, coalitie- en andere partijen in de logistieke planning en uitvoering.

Efficiency

Rendement

Behalen van het hoogst mogelijke niveau van logistieke ondersteuning met de minste logistieke inspanning en het best mogelijke gebruik van schaarse middelen.

Foresight

Vooruitzien

Anticiperen op kritische logistieke beperkingen die de vrijheid van handelen van de commandant onmogelijk maken.

Simplicity

Eenvoud

Idee dat logistieke regels eenvoudig moeten zijn, zowel in concepten als in de uitvoering.

  

*

Zie ook: 'The Oxford Handbook of War' - Julian Lindley-French & Yves Boyer (2012), hoofdstuk 27, 'The Role of Logistics in War'.

 

 

De ommekeer in militaire logistiek is vooral veroorzaakt door de lessons learned uit de 1e Golfoorlog (1990-'91), de operaties DESERT SHIELD en DESERT STORM.
 
De 1e Golfoorlog was de grootste militair-logistieke operatie uit de geschiedenis:

■ 9.500.000.000 liter brandstof

■ 122.000.000 maaltijden

■ 540.000 militairen

■ 117.000 wielvoertuigen

■ 41.000 containers

■ 12.575 vliegtuigen

■ 12.000 tanks en rupsvoertuigen

■ 1.700 helikopters

In de 1e Golfoorlog stelde General Norman H. Schwarzkopf Lieutenant General William 'Gus' Pagonis aan voor alle logistiek "from bullets to beans".

Tot dan toe was het logistieke concept van de Verenigde Staten gebaseerd op grootschalige inzet in Europa, waar veel (lucht)havens en wegen beschikbaar zijn. In de verlaten woestijn was dit geenszins het geval, wat zoveel van de logistiek vergde dat de Amerikanen moesten samenwerken met civiele contractors.
 
Militair-logistieke verbeteringen van Pagonis waren de locaties van voorraadpunten (LogBases) en de opzet van Main Supply Routes (MSR's):

LogBases

Logistieke bases werden vóór de troepen geplaatst. Eeuwenlang vestigden strijdmachten hun logistieke bases achter de eigen troepen.

MSR's

Het opzetten van logistieke routes was niet nieuw maar werd wel voor het eerst, uit noodzaak, grootschalig toegepast.

In de staf van het Central Command (CentCom) vervulde Pagonis - commandant van 22nd (US) Support Command - vanuit de Saoedische stad Dhahran van augustus 1990 tot januari '92 de functie van Chief of Logistics.

'Moving Moutains' (1992) van Pagonis verscheen bij Harvard Business School Press.

In de opbouwfase van de coalitietroepen in de 1e Golfoorlog vielen de meeste slachtoffers onder het logistiek personeel: tijdens DESERT SHIELD en DESERT STORM kwam tenminste 50% van de 390 slachtoffers van de Amerikaanse krijgsmacht tijdens logistieke processen om het leven.

Pagonis heeft zijn ervaringen opgetekend in 'Moving Moutains. Lessons in Leadership and Logistics from the Gulf War' (1992).

Uit dit boek kunnen talrijke lessen worden getrokken. Pagonis bevestigde eens te meer dat goede logistiek op het gevechtsveld de eigen troepen bevoordeeld ten opzichte van de opponent.

In 'Operational Logistics and the Gulf War' (oktober 1992) stelden Pagonis en zijn hoofd logistieke plannen, Colonel Michael D. Krause al: "Key to Operations DESERT SHIELD and DESERT STORM was the close coordination between the logistical and operational commands and the commanders' understanding that logistics must dovetail with the mission and concept of operations of the projected force."

De vernieuwingen die Pagonis in het logistieke proces op het gevechtsveld doorvoerde, dienden mede als voorbeeld voor het in Nederland doorgevoerde concept van de (klantgerichte) Fysieke Distributie binnen de Koninklijke Landmacht.

Amerikaanse tanks haasten zich voorwaarts op de Autobahn, terwijl in tegenovergestelde richting krijgsgevangen gemaakte Duitsers voortsjokken.

Al ver voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog liet Hitler beginnen met de aanleg van vele duizenden kilometers Autobahn in Duitsland. Het project leverde veel werkgelegenheid op en had propagandistische waarde.

Het is de vraag of de bouw van de Autobahnen plaatsvond in het kader van oorlogsvoorbereiding, zodat de Wehrmacht snel zou kunnen verplaatsen.

 

In de besluitvorming wordt onderzocht of, welke en wanneer voor logistieke diensten capaciteit nodig is om het gewenste voorzieningenniveau in een inzetgebied te bereiken en te handhaven.

De uitkomst van het besluitvormingsproces wordt bepaald door de antwoorden op:

■ Specifieke behoeftes gedurende de verplaatsing.

■ Periode en lengte van de inzet.

■ Mogelijkheden om lokaal logistieke diensten te verwerven.

■ Klimatologische omstandigheden.

■ Grootte van de te ondersteunen eenheid.

■ Externe steunmogelijkheden van andere krijgsmachtdelen (joint) en/of andere landen (combined).

■ Beschikbare reactietijd.

■ Aard van de inzet.

Een boek over de geschiedenis van de militaire logistiek is 'Supplying War. Logistics from Wallenstein to Patton' van Martin van Creveld. Het verscheen in 1977 bij Cambridge University Press.

De logistiek binnen de Koninklijke Landmacht is de afgelopen decennia sterk veranderd.

Uit het Legerkorps Logistiek Commando (LLC) ontstond in 1994 het Divisie Logistiek Commando (DLC).

Het DLC werd in 2005 omgevormd naar 1 Logistieke Brigade (1 Logbrig) en in 2009 naar het Operationeel Ondersteunings Commando Land (OOCL).

Op 28 april 2000 heeft de toenmalige Bevelhebber der Landstrijdkrachten, luitenant-generaal Maarten Schouten, ingestemd met de oprichting van het Dienstvak der Logistiek in oktober 2000.

Logistiek is de levensader van de krijgsmacht.

Hoewel het uitvoeren van een militaire operatie zonder logistieke ondersteuning nagenoeg onmogelijk is, is die ondersteuning in het inzetgebied sterk afhankelijk van:

■ dreiging
■ mogelijkheid terug te vallen op anderen (combined, joint en third party logistics)
■ opdracht
■ samenstelling van de te ondersteunen eenheid
tijd- en ruimtefactoren

Al vóór het ontplooien van een eenheid in een inzetgebied start de logistieke opbouwoperatie.

In het inzetgebied fungeert, logistiek gezien, het Point of Debarkation (POD) voor de aan-, door- en afvoer van personeel en materieel (klasse I t/m X) naar de (voorwaarts gelegen) logistieke basis (LogBase) én voor de retourstroom van afgeschreven en defecte goederen naar het eigen land.

De LogBase wordt ingericht door het National Support Element (NSE).

Vanuit de NSE worden de ontplooide troepen ondersteund bij het beheren, distribueren, opslaan en vervoeren van goederen.

In het inzetgebied zorgen logistieke eenheden en elementen ervoor dat goederen op de plaats van bestemming terechtkomen. Vaak zijn logistieke eenheden organiek ingedeeld bij de ontplooide troepen.

Ook bevinden zich in het inzetgebied logistieke installaties, zoals Medical Treatment Facilities (MTF's), onderhoudswerkplaatsen, opslaglocaties e.d.

In het Dienstvak der Logistiek zijn alle bestaande dienstvakken ("bloedgroepen") opgenomen:

Omslag van Van marketentster tot logistiek netwerk van prof. dr. Hugo B. Roos.

Bevoorrading en Transport (Aan- en Afvoertroepen en Intendance)

Geneeskundige Dienst

Militaire Administratie

Technische Dienst

Alle leden van het Dienstvak der Logistiek hebben een okergeel patje (ondergrondje van het baretembleem) en kraagspiegels gekregen; die maatregel is op 1 oktober 2010 teruggedraaid.

Het standaardwerk op militair-logistiek gebied in Nederland is Van marketentster tot logistiek netwerk. De militaire logistiek door de eeuwen heen (2002), geredigeerd door prof. dr. Hugo B. Roos.

Het is niet alleen een historische beschrijving van de logistiek van het krijgsbedrijf, maar ook van de internationale opvattingen en de ontwikkelingen daarin. Vanaf de oudheid tot nu brengt een aantal vooraanstaande auteurs systeem aan in de ontwikkelingsgang van de militaire logistiek.

Logistiek: niet sexy, wel onontbeerlijk - Leo de Rooij (Landmacht 03, 2015) Logistiek: niet sexy, wel onontbeerlijk - Leo de Rooij (Landmacht 03, 2015).
'Militaire logistiek: hoe het begon' - Hans Damen & Niels Krijger (uit: '40 jaar logistiek, 40 jaar VLM', jubileumuitgave 2013)Militaire logistiek: hoe het begon - Hans Damen & Niels Krijger (40 jaar logistiek, 40 jaar VLM).

LOGISTIEKE FOOTPRINT

Dát deel van de logistiek dat is ingericht om operationele eenheden te steunen in wat ze nodig hebben: de optelsom van hun behoefte aan infrastructuur, locaties, middelen, organisatie en voorraden.

Hoe kleiner de logistieke footprint, hoe gemakkelijker de eenheden het zelfstandig kunnen uithouden. Dit is in het voordeel bij expeditionair optreden.

"Een beperking van de logistieke behoefte (logistieke footprint) maakt dat eenheden minder afhankelijk zijn van vaak kwetsbare aanvoerlijnen." (Nota 'In het belang van Nederland', minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert, 17 september 2013).

Hoe langer en frequenter de logistieke lijnen, des te kwetsbaarder. Het gaat er dus om die lijnen zo dun en zo incidenteel mogelijk te krijgen.

Of het nu gaat om brandstof, reservedelen, voeding, water en, niet in de laatste plaats, de militair die de logistiek mogelijk maakt.

Logistieke kwetsbaarheid kan verder worden verminderd door onder andere:

■ civiel uitbesteden (outsourcing)
■ multinationale logistieke samenwerking
■ standaardisatie van uitrustingen en materieel
■ uitzenden van kleinere eenheden (reachback, besturing op afstand)
■ minder verbruik van bulkgoederen
■ exploitatie van lokale bronnen

Zie ook: aanvulcentrum (AC), footprint, fysieke distributie (FD), personeelslogistiek, Point of Disembarkation (POD), Point of Embarkation (POE), pull, push en third party logistics.

Terug naar Boven

 

LONG RANGE RECONNAISSANCE PATROL

Fernspähtrupp.
détachement de reconnaissance en profondeur.

Afgekort: LRRP. Uitsproken als "Lurp".

Nederlands: lange-afstandsverkenningspatrouille.

Kleine sabotage- en verkenningseenheid van in de regel vier Special Forces-militairen die voor langere tijd, diep (≥100 km, d.w.z. in cross-flot-operaties) achter de vijandelijke linies, ver buiten het bereik van eigen troepen en logistiek, opereert.

Een LRRP stelt de commandant van een hogere eenheid in staat actuele, zeer betrouwbare informatie te verzamelen die met conventioneel-tactische verkenningsmiddelen niet kan worden verworven.

Hieronder valt bijvoorbeeld het maken van gedetailleerde kaartstudies ter plaatse, scouten van locaties en sterkte van vijandelijke troepen of inrichten van dumppunten (cache supplies) voor gebruik in de nabije toekomst. Na de infiltratie en eyes on target wordt verwacht dat een LRRP, zonder herbevoorrading én zonder vijandcontact te maken, in staat is te exfilteren - direct naar eigen troepen, of naar een pick-up point (PUP).

Het concept van de LRRP is door de U.S. Army in de jaren '50 gestart voor gebruik in de toenmalige DDR en doorontwikkeld op basis van soortgelijke Britse tactieken zoals die gebruikt werden in Zuidoost-Azië. LRRP's werden vervolgens voor het eerst grootschalig ingezet in de Vietnamoorlog, vaak Army Rangers.

Internationale eenheden die LRRP's of vergelijkbare verkenningen in de diepte kunnen uitvoeren zijn onder andere:

► 13 Régiment de Dragons Parachutistes (FRA)
► Army Rangers van 82 Airborne Division en 101 Air Assault Division (USA)
► Detachement LRRP van 3 Regiment Lanciers-Parachutisten (BEL)
► Heeresaufklärungstruppe (DEU)
Korps Commandotroepen (NLD)
► Mountain Leaders van het Korps Mariniers (NLD)
Pathfinders van 11 Luchtmobiele Brigade (NLD)
Special Air Service (GBR)

Gedenksteen op de Generaloberst-Von Fritsch-Kaserne in Pfullendorf voor de Britse aanwezigheid van 1979 tot 2000

Na de start in 1979 op de Ludwig-Erhard-Kaserne in Neuhausen ob Eck en, een jaar later, de verplaatsing naar de Welfen-Kaserne in Weingarten, verhuisde de International Long Range Reconnaissance Patrol School (ILRRPS, Internationale Fernspähschule) in 1997 naar de Generaloberst Von Fritsch Kaserne in Pfullendorf.

In december 2000, na het vertrek van de Britse kazerneleiding, werd de naam onder Amerikaans commando veranderd in International Special Training Centre (ISTC).

Tegelijkertijd vestigden de Duitsers op dezelfde locatie het Ausbildungzentrum Spezielle Operationnen.

Terug naar Boven

 

LONG TERM BUILD-UP FORCES

Afgekort: LTBF.

Delen van de krijgsmachten van NAVO-lidstaten die op lange(re) termijn kunnen bijdragen aan de opbouwen en het vergroten van een strijdmacht in het kader van een worst case-scenario of grootschalige operaties in het kader van artikel 5 van het Handvest van de NAVO.

De strategische gereedheidstermijn voor deze, vaak mobilisabele en/of reserve-eenheden, is langer dan 365 dagen.

De indeling van de gereedheidstermijnen binnen de NAVO is:

Notice To Move

HRF

High Readiness Forces

< 90 dagen

FLR

Forces of Lower Readiness

90 tot 180 dagen

LTBF

Long Term Build-up Forces

> 365 dagen

Zie ook: Forces of Lower Readiness (FLR) en High Readiness Forces (HRF).

Terug naar Boven

 

LOOPBAANBEGELEIDER

Afgekort: LBB.

Functionaris binnen de Koninklijke Landmacht die zich bezighoudt met de wensen en mogelijkheden ten aanzien van het individuele loopbaantraject van een militair.

Binnen het functietoewijzingsproces (aanwijzing voor een volgende functie) draagt de loopbaanbegeleider zorg voor loopbaanbegeleiding, met aandacht voor individuele wensen en mogelijkheden.

De keuze van de militair voor een volgende functie moet passen binnen de mogelijkheden die de Koninklijke Landmacht biedt. De loopbaanbegeleiding dient ook het organisatiebelang.

Het daadwerkelijk aanwijzen voor een volgende functie vindt plaats door de monitor / functietoewijzer / plaatsingsautoriteit.

Terug naar Boven

 

LOOPGRAAF

Schützengraben.
trench.
entranchement.

In de grond gegraven greppel waarin militairen, gedekt tegen vijandelijk vuur, kunnen bewegen en de opponent onder vuur- en zichtdekking kunnen beschieten.

Feitelijk is een loopgraaf het vervolg op de schuttersput. Een loopgraaf kan dienen als daadwerkelijke gevechtsopstelling, verbindingsgang of opslagplaats voor voorraden.

In WO I (1914-'18) deed de loopgravenoorlog haar intrede als een vorm van statische oorlogvoering die ervoor zorgde dat oorlogen langer duurden.

Voorbeelden van de loopgravenoorlog die het grootste deel van WO I kenmerkte.

De bewegings- of manoeuvreoorlog die nog het begin van WO I kenmerkte, liep in september 1914 muurvast: de geallieerden brachten aan de rivier Marne, in het noorden van Frankrijk, de Duitse aanval tot staan. Beide partijen lukte het niet meer door te stoten, waarop een breedtefront ontstond. Dit front zou in de hierop volgende jaren alleen maar verbreden in plaats van verschuiven. Het directe gevolg was een loopgraven- of stellingenoorlog.

Bij aanvallen die de beslissende doorbraak aan het front moesten forceren werden miljoenen militairen gedood, gewond of vermist.

Gevechten bij Ieper, Verdun en aan de rivier Somme volgden, totdat pas in juli 1918, na opnieuw een veldslag aan de rivier Marne, de Duitsers definitief werden verslagen.

Ook in de WO II werd nog op vele plaatsen een traditionele loopgravenoorlog uitgevochten.

Hier een Nederlandse loopgraaf in de frontlijn langs het kanaal Grebbe, dat in 1940 deel uitmaakte van de Vallei-stelling.

Geneeskundige verzorging in een loopgraaf in WO I.

Zie ook: kazemat, ligsleuf en schuttersput.

Terug naar Boven

 

L.O.R.D.

Ezelsbruggetje dat de tips weergeeft om warm te blijven onder koude weersomstandigheden.

Vergelijkbaar met: C.O.L.D. F.E.E.T.

L

Los en in lagen dragen van kleding om de vorming van koudewerende luchtlagen te bevorderen.

O

Oververhitting voorkomen.
Transpiratievocht geleidt en leidt tot warmteverlies.

R

Rein houden van de kleding.
Vuile kleding verliest het isolerend vermogen, met name bij handschoenen, ondergoed, slaapzakken en sokken.

D

Droge kleding is de eerste noodzaak voor het behoud van warmte.

Zie ook: C.O.L.D. F.E.E.T., koudeletsels en meerlagensysteem.

 

Terug naar Boven

 

LO/SPORT

Voluit: Lichamelijke Oefening/Sportorganisatie.

Sportorganisatie van de Koninklijke Landmacht, die is gevestigd in Amersfoort en ressorteert onder het Opleidings- en Trainingscommando (OTCO).

De LO/Sport heeft als primaire doelstelling het militair personeel van de Koninklijke Landmacht door de toepassing van didactische en trainingstechnische principes in fysiek en mentaal opzicht zo optimaal mogelijk geschikt te maken dan wel te houden voor het kunnen verrichten van de algemene militaire en functiegerichte taken, die essentieel is voor het operationeel inzetbaar houden van eenheden en individuen.

Hiertoe behoren kracht- en conditietraining en het creëren van mentale (geestelijke) fit- en hardheid, inclusief houdingsaspecten als doorzettingsvermogen, groepscohesie, stressbestendigheid, zelfdiscipline en zelfvertrouwen.

Logo van de LO/Sport-organisatie.

Ook adviseert en ondersteunt LO/Sport-commandanten bij het plannen en evalueren van fysieke en mentale opleidings- en trainingsdoelen, afgestemd op de operationele taken.

De eenheidscommandant stelt in samenwerking met de commandant van de LO/Sportgroep het LOFT (Lichamelijke Oefening en Fysieke Training)-document op. Hierin staan de gezamenlijke afspraken over taken en verantwoordelijkheden met betrekking tot voorbereiding, uitvoering, evaluatie en bijstelling van de fysieke vorming (LO en FT) van de eenheid.

Omdat een goede fysieke fitheid, naast gezondheid en mentale fitheid, een essentiële voorwaarde is voor het goed uitvoeren van militaire taken, is het fysieke aspect een belangrijk onderdeel van het integrale opleidings- en trainingsprogramma.

Hierin vindt de LO in principe plaats onder leiding van de LO/Sport-organisatie (fitness, hindernisbaan, touwhindernisbaan, veldloop, werken op hoogte, zelfverdediging, zwemmen) en de fysieke training onder leiding van leiding van de eenheidscommandant en gedelegeerd aan kaderleden van de eenheid (kerninstructeurs taakspecifieke fitheid): marsvaardigheid, physical training (PT), velddienst e.d.

Daarnaast wordt tijdens en buiten de diensturen op vrijwillige basis gesport, voornamelijk ter ontspanning en meestal niet onder begeleiding van personeel van de LO/Sport.

Sport in het algemeen draagt bij aan:

■ een goed werk- en leefklimaat door het bieden van voldoende sport- en trainingsfaciliteiten
■ het stimuleren van een optimale functievervulling
■ groepsvorming
■ het bestrijden van leegloop
■ het realiseren van doelen met passende fysieke elementen die een samenhang vertonen met de taak van de eenheid en/of de individuele militair
■ leiderschap
■ motivatie en sportbeoefening, een goede gezondheid, het tegengaan van blessures en ondersteuning bij revalidatie (SMAT)

Zie ook: hindernisbaan, Opleidings- en Trainingscommando (OTCO),.parcours militair en touwhindernisbaan.

Terug naar Boven

 

L.O.T.U.S.

Betekenis: Landelijke Opleiding Tot Uitbeelding van Slachtoffers.

De organisatie is in 1963 opgericht door Het Oranje Kruis. LOTUS is verenigd in de Vereniging LOTUS Nederland (externe website).

Het doel van LOTUS is de opleiding te verzorgen van personen die natuurgetrouw een ongevalslachtoffer kunnen uitbeelden (een zgn. LOTUS-slachtoffer), een ongeval in scène kunnen zetten en een realistisch ontwerp kunnen maken van een ongevalsituatie ten behoeve van, in het geval van Defensie, de opleiding en training van geneeskundig (hulp)personeel en andere militairen.

Ook tijdens de casustrainingen en toetsen op het Defensie Gezondheidszorg Opleiding- en Training Centrum (DGOTC, voorheen IDGO) wordt gebruik gemaakt van het spel van LOTUS-slachtoffers.

Hetzelfde geldt voor de opleiding BATLS Nederland voor militaire artsen, waarin de leerstof praktisch wordt toegepast tijdens simulaties met LOTUS-slachtoffers.

Zijn de civiele LOTUS-kringen volledig ingespeeld op de civiele EHBO-vraag naar ongevalslachtoffers, de vrijwilligers van de LOTUS-afdeling van het DGOTC - de Gort-Trauma-Groep (GTG, externe website) - zijn gespecialiseerd in de militaire vraag naar ongevalslachtoffers die worden behandeld volgens het protocol van de Advanced Trauma Life Support (ATLS).

Ook levert de GTG LOTUS-slachtoffers ten behoeve van bedrijfshulpverlening (BHV) en EHBO.

Hoofddoel van de GTG, opgericht op 3 april 1998, is het leveren van LOTUS-slachtoffers voor Defensie tijdens (inter)nationale oefeningen, om de (geneeskundige) oefenmomenten zo realistisch mogelijk te laten verlopen. Naamgever van de GTG is luitenant-kolonel arts Gertjan Gort.

LOTUS-slachtoffers moeten tenminste 3 maanden van tevoren worden aangevraagd via een Aanvraag tot Behoeftevervulling (ATB) of via het online aanvraagformulier op de website van de GTG.

De LOTUS-slachtoffers van de GTG zijn getraind om (ernstige) gesimuleerde verwondingen en ziektebeelden zo realistisch mogelijk in scène te zetten, al dan niet in een rollenspel. Dit kan een grote impact hebben op de zorgverlener(s).

Voorbeelden hiervan zijn:

ademhalingsstoornissen

► amputaties

► brandwonden

► slagaderlijke bloedingen

Bij de behandeling van een LOTUS-slachtoffer kunnen bepaalde handelingen niet alleen onplezierig maar vooral ook levensgevaarlijk zijn; die mogen omwille van de persoonlijke veiligheid niet worden toegepast.

Voorbeelden hiervan zijn:

■ dichtdrukken van slagaders

Heimlich-manoeuvre

■ inbrengen van catheters, drains en infusen

■ reanimatie

■ reiniging van mond en keel

Onder alle weersomstandigheden kan het LOTUS-slachtoffer optreden als trainingspartner: in autowrakken, oefendorpen en te velde.

Vooral tijdens grote oefeningen wordt de inzet van LOTUS-slachtoffers in (geneeskundige) events aangestuurd en gecoördineerd door Exercise Control (EXCON). EXCON stuurt ook het inbrengen van oefengewonden, oefenvijand (OPFOR) en overige role-play aan.

Evenals oefengewonden kunnen LOTUS-slachtoffers in de geneeskundige keten worden afgevoerd, waarbij de behandeling kan worden gemonitord door OTE’ers. Op aangeven van een OTE'er mag de gevechtskleding van een LOTUS-slachtoffer worden geknipt of gescheurd.

Naast LOTUS-slachtoffers kunnen gewonden ook worden ingebracht dan wel gesimuleerd door:

► fantomen
Mobile Combat Training Center (MCTC) met O/T-gun
► oefengewonden
► patiëntsimulatoren (PatSim), zoals de Human Patient Simulator (HPS)

 

In 2015 verscheen van de hand van de LOTUS-slachtoffers Heleen en Monique van de Gort-Trauma Groep het boek De poep bereikt de ventilator

Zie ook: Human Patient Simulator (HPS), Instituut Defensie Geneeskundige Opleidingen (IDGO), Observer/Trainer (OTE'er), OPFOR (oefenvijand), opleiding & training (O&T) en role-play.

Terug naar Boven

 

LOWE ALPINE RUGZAKKEN

Saracen (model 49)

Grote rugzak voor de gevechtssoldaat, bedoeld voor operationele ernstinzet of oefeningen van langere duur. Sinds zijn introductie in 2000 is de Saracen de ultieme keus van vele speciale eenheden en deze load monster heeft zijn sporen inmiddels overal ter wereld verdiend. Niet alleen indrukwekkend door zijn enorme formaat, maar ook door zijn voorbeeldige gebruiksgemak, draagcomfort en degelijkheid. Volledig soldierproof, vervaardigd uit 1000TXN Cordura® en voorzien van oerdegelijk APS-rugpand met lengteverstelling en uitstekende bilaminaat heupband, waarmee zware lasten langdurig comfortabel kunnen worden gedragen.

De twee standaard zijvakken kunnen van de rugzak worden losgeritst om samen als verkenningsrugzak te dienen. Leverbaar in olijfgroen en DPM.

NSN Saracen: 8465-17-113-6904.

Sting (model 50)

Middenmaat rugzak voor de gevechtssoldaat, bedoeld voor operationele ernstinzet of oefeningen van langere duur. Sinds hun introductie in 2003 zijn de tweeling Sting en Stingray ook veelgevraagd evacuatiemodellen. Voorbeeldig in gebruiksgemak, draagcomfort en degelijkheid. Volledig soldierproof, vervaardigd uit 1000TXN Cordura® en voorzien van oerdegelijk APS-rugpand met lengteverstelling en lichtgewicht bilaminaat heupband.

De twee standaard zijvakken kunnen van de rugzakken worden losgeritst om samen als verkenningsrugzak te dienen. Leverbaar in olijfgroen en DPM.

NSN Sting: 8465-17-115-5334.

Stingray (model 51)

Middenmaat rugzak voor de gevechtssoldaat, bedoeld voor operationele ernstinzet of oefeningen van langere duur. Sinds hun introductie in 2003 zijn de tweeling Sting en Stingray ook veelgevraagd evacuatiemodellen. Voorbeeldig in gebruiksgemak, draagcomfort en degelijkheid. Volledig soldierproof, vervaardigd uit 1000TXN Cordura® en voorzien van oerdegelijk APS-rugpand met lengteverstelling en lichtgewicht bilaminaat heupband.

De twee standaard zijvakken kunnen van de rugzakken worden losgeritst om samen als verkenningsrugzak te dienen. Leverbaar in olijfgroen en DPM.

NSN Stingray: 8465-17-115-9550.

Strike (model 52)

Kleine verkennings- en evacuatierugzak (grabbag) voor de gevechtssoldaat, bedoeld voor operationele ernstinzet of oefeningen van korte duur. Past opgerold in zijn grote broers. Voorbeeldig in gebruiksgemak en degelijkheid. Volledig soldierproof, vervaardigd uit 1000TXN Cordura®.

De twee standaard zijvakken kunnen van de rugzakken worden losgeritst om samen als verkenningsrugzak te dienen. Leverbaar in olijfgroen en DPM.

NSN Strike: 8465-17-114-4596.

Voor meer informatie kijk op de website met militaire rugzakken van Lowe Alpine Benelux; op deze website zijn ook vele tips en Frequently Asked Questions met betrekking tot de rugzaktechnologie van Lowe Alpine te vinden. Lowe Alpine, steeds een stap verder...

Zie ook: grabbag en Soldier Modernisation Programme.

Terug naar Boven

 

LOW OPS

Letterlijk: lage operatiën. Dag(deel) in een missiegebied waarop (sub)eenheden zijn vrijgesteld van werkzaamheden. Per (sub)eenheid wordt personeel bij toerbeurt in de gelegenheid gesteld tot Rest & Recreation (R&R).

Een dergelijke dag, die afhankelijk van het geweldsspectrum (laag, hoog) bijvoorbeeld éénmaal per week, tweewekelijks of maandelijks kan worden genoten, w ordt veelal op de compound doorgebracht, waar met inachtneming van de force protection de bezetting zo minimaal als mogelijk is.

Van linksboven naar linksonder met de klok mee: pannenkoeken bakken op een Peak One-brandertje, volleyballen, darten en de two can rule.

Het personeel dat vrijaf is, neemt het ervan: luieren in de prefab, airco cq. verwarming aan en wachten op de dingen die komen gaan. Een low ops-dag is, kortom, ideaal om lekker met zichzelf bezig te zijn.

Voorbeelden van bezigheden die tijdens een low ops-dag niet-hoeven-maar-mogen worden uitgevoerd zijn darten, evalueren, koffiedrinken, onderhoud aan de eigen spullen, ondernemen van tours & trips, pannenkoeken bakken, post lezen en schrijven, sporten, teambuilding, telefoneren met het thuisfront, televisie kijken en vooral uitrusten. Voor alle betrokkenen is het tempo op een low ops-dag in elk geval laag.

Terug naar Boven

 

L.S.V.

Voluit: Luchtmobiel Speciaal Voertuig. De LSV wordt gemaakt door de Franse producent Lohr. Het voertuig is er in drie versies: algemene dienst (AD), antitank (AT) en gewondentransport (GWT). Het wordt hoofdzakelijk gebruikt door de eenheden van 11 Air Manoeuvre Brigade Air Assault, waar het vanaf 1998 is ingestroomd.

De LSV is een multifunctioneel voertuig met een polyester carrosserie en opbouw. Omdat in de opbouw de bescherming afwezig is, komt die bij dit voertuig uit de combinatie mobiliteit, geringe waarneembaarheid (signatuur- en silhouetonderdrukking) en snelheid. Aangezien de liftcapaciteit en de actieradius van helikopters grenzen kennen, is de totale massa van de LSV bepaald op ± 1.350 kg.

De LSV is voorzien van een automatische versnellingsbak en een permanente vierwielaandrijving. De lichtmetalen wielen zijn toegerust met een zgn. runflat-systeem, waardoor het meevoeren van een reservewiel niet nodig is.

Het LSV-project startte in 1991 na het uitkomen van de Prioriteitennota die de Koninlijke Landmacht een Luchtmobiele Brigade in het vooruitzicht stelde.

Het voertuig is noodzakelijk om de rode baretten de noodzakelijke mobiliteit op de grond te geven.

In 1996 tekende de KL het contract met Special Products Aerospace and Vehicle Systems te Geldrop, het bedrijf dat de LSV's in licentie bouwt.

Specificaties:

actieradius verharde weg

700 km

brandstoftank

80 liter

breedte

1 meter 72

draaicirkel

11 meter

hoogte met neergeklapte voorruit en zonder rolbar

1 meter 30

hoogte met rolbar

1 meter 79

leeggewicht

1.400 kg

lengte3 meter 36

maximaal laadvermogen (incl. chauffeur)

850 kg

maximale hellingshoek

60%

maximumsnelheid70 km per uur
motordiesel
motorvermogen51 kW (71 pk)

waadvermogen

60 cm

Terug naar Boven

 

LUCHTALARM

Fliegeralarm.
air (raid) alert.
alerte aérienne.

Veiligheidsmededeling, die bestaat uit een waarschuwing of waarschuwingssignaal voor de dreiging van een luchtaanval (air attack; air raid).

In 1995 verscheen 'Luchtalarm' van Pieter van Wijngaarden en Prudent Staal, een overzicht van de betekenis van de luchtoorlog in Nederland tijdens WO II ►

In de regel wordt luchtalarm uitgevaardigd wanneer eigen troepen een vijandelijk vliegtuig of vijandelijke helikopter waarnemen of hierdoor worden aangevallen (luchtaanval). Het is de bedoeling dat het personeel hierop reageert en de veiligheidsmededeling doorgeeft.

Bij luchtalarm is het verstandig zich a.s.a.p. naar een schuilkelder te begeven, in een open ruimte plat op de grond te gaan liggen of zich tegen de gevel van een gebouw te drukken.

Het luchtalarm kan op verschillende manieren worden aangekondigd:

► afwisselend laten horen van 3 seconden geluid en 1 seconde stilte (claxon, fluit)

► onafgebroken janktoon van een sirene gedurende 1 minuut

► plaatsen van een vierkant bord of vlag in de kleur rood

► roepen "Dekken - dekken - dekken" om iedereen dekking te laten zoeken

► roepen "Luchtalarm" ("Air attack")

Indien het gevaar van (de dreiging van) een luchtaanval is geweken, wordt "Einde luchtalarm" ("Air attack clear") gegeven; het sirenesignaal voor einde luchtalarm is een langgerekte toon gedurende 1 minuut.

De maatregelen bij luchtalarm worden ook beoefend in het kader van de luchtnabijbeveiliging, te beginnen bij de wijzen van alarmeren.

Terug naar Boven

 

LUCHTBRUG

Luftbrücke.
airbridge; airlift.
pont aérien; transport par voie aérienne.

Luchtoperatie, civiel en/of militair, die met een regelmatige verbinding van beschikbare transportcapaciteit wordt uitgevoerd om in het bijzonder humanitaire hulpverlening, bevoorrading (levens- en geneesmiddelen) en/of evacuatie mogelijk te maken in of vanuit gebieden die zijn afgesloten, belegerd of geblokkeerd.

Een dergelijke verbinding door de lucht, in de regel met transportvliegtuigen, wordt uitgevoerd:

■ om geografische reden (van zee afgesloten: land-locked)

■ om militaire reden (belegering, blokkade, snel een troepenmacht verplaatsen, vijandelijk gebied mijden)

■ om politieke reden

■ vanwege een natuurramp (hulpverlening)

■ vanwege onbruikbare (spoor)wegverbindingen en zeehavens

■ vanwege een combinatie van de genoemde redenen

Als eerste luchtbrug in de geschiedenis geldt die van de troepen van dictator Francisco Franco in de aanloop naar de Spaanse burgeroorlog in 1936.

Tussen juli en oktober werden met steun van vele tientallen transportvliegtuigen uit Duitsland en Italië in totaal zo'n 25.000 Franquistische militairen van Tétouan in het noorden van Spaans-Marokko, over de Straat van Gibraltar, naar Cadiz, Jerez en Sevilla in het zuiden van Spanje overgevlogen.

De bekendste luchtbrug was die ter overbrugging van het door het Warschaupact geblokkeerde West-Berlijn van 23 juni 1948 tot 12 mei 1949 (Berlin Airlift).

Berlijn, gelegen in de geallieerde bezettingszone van de Sovjet-Unie, waren door Stalins troepen alle weg-, spoor- en binnenvaartverbindingen tussen de westelijke bezettingszones (FR, UK en US) van Duitsland en West-Berlijn afgesloten nadat in de westelijke bezettingszones de Deutsche Mark was ingevoerd.

Als reactie hierop bevoorraadden Groot-Brittannië en de Verenigde Staten het westelijk stadsdeel via een luchtbrug op Flughafen Berlin-Tempelhof.

Terug naar Boven

 

LUCHTGEWONDENTRANSPORT

Synoniem: geneeskundig luchttransport.

Tijdens het vliegen, met name boven 8 à 10.000 feet (± 3 km), wordt een patiënt aan geheel andere omstandigheden blootgesteld dan bij transport over de grond het geval is. Hiertoe behoren temperatuurdalingen, luchtdrukverschil (daardoor turbulentie) e.d.

Deze factoren worden de stresses of flight genoemd: fysiologische factoren die verschillen tussen het niveau op de grond en in de lucht.

De stresses of flight hebben een grote impact op het luchtgewondentransport, in voorbereiding en uitvoering om complicaties voor te zijn:

Verminderde luchtdruk

Verschillende verwondingen zijn een risico of contra-indicatie voor Aeromedical Evacuation (*1)

Verminderde partiële zuurstofspanning

■ minder zuurstofmoleculen in hetzelfde volume gedurende langere tijd resulteren in minder zuurstof voor de patiënt (de diameter van een gasbel in vloeistof verdubbelt op 5.000 feet boven zeeniveau, verdubbelt opnieuw op 8.000 feet en verdubbelt weer op 18.000 feet)
■ cabinedruk in de meeste militaire toestellen wordt gehandhaafd op die van 8 à 10.000 feet
■ op zeeniveau heeft een gezond persoon een zuurstofsaturatie (SaO²) van 98–100%; bij een cabinehoogte van 8.000 feet, daalt deze SaO² naar 90%; al met 2 liter zuurstof per minuut wordt de SaO² hersteld naar 98-100%

Lawaai

■ auditief alarm medische apparatuur heeft geen zin
■ ausculteren patiënt is niet mogelijk
■ bemoeilijkte communicatie
■ geen of beperkte mogelijkheden voor behandelen, consulteren, diagnosticeren en overleggen
■ lawaai veroorzaakt vermoeidheid
■ verstrek patiënt gehoorbescherming

Verminderde luchtvochtigheid

■ zeer laag (0 à 5% in plaats van 30 à 70% op zeeniveau)
■ resulteert in dehydratie (uitdroging)
■ houd rekening met vochtbalans en diep veneuze trombose (trombosebeen)

Instabiele temperatuur

■ ± 2 graden Celsius lager per 1.000 feet stijgen
■ onderkoeling mogelijk door cabinetemperatuur, discomfort, immobiliteit van de patiënt, (relatief) lange transporttijd, medicatie (met name die ten behoeve van relaxatie en sedatie) en temperatuur van infuusvloeistoffen

Acceleratie, deceleratie, turbulentie en trillingen

■ bewegingsziekte
■ transporttrauma
■ houd rekening met angst en pijn, cardiovasculaire parameters (met name lage bloeddruk en onregelmatige hartslag), positioneren van de patiënt en eigen veiligheid als eerste prioriteit

Matige verlichting

■ geen of beperkt onderzoek van de patiënt
■ bemoeilijkte controles en handelingen

Angst

■ desoriëntatie
■ medische toestand
■ noodzaak van het toedienen van analgetica (pijnstilling), antipsychotica, anxiolytica (angstremming) en/of sedativa (rustgeving)
■ vliegangst

 
*1 = De patiënt kan een barotrauma (drukletsel) opdoen als gevolg van het verschil tussen de druk in afgesloten lichaamsholten waarin zich lucht bevindt en de druk in de omgevende weefsels. Oor-, borst- en buikletsels zijn de grootste risicofactoren.

Andere risicofactoren zijn:

► bloedarmoede
► hartproblemen
► kaakfixatie
► laatste stadium zwangerschap
► luchtwegproblemen (astma, COPD, longontsteking)
► neurochirurgisch letsel
► penetrerend oogletsel met verhoogde oogdruk
► pneumothorax
► psychiatrische patiënten
► te vroeg of zojuist geboren
► verhoogde hersendruk
► vrije lucht in enige lichaamsholte (halfgesloten holten zoals bijholten, longen en middenoor; gesloten holten zoals holten onder tandvullingen, maagdarmkanaal en schedel) of endotracheale tube

Verschillende termen met betrekking tot geneeskundig luchttransport:

Aeromedical

Een patiënt onder medische begeleiding via het luchtruim verplaatsen naar of tussen geneeskundige installaties; onderverdeeld in

  • FORWARD (van plaats gewond raken naar role 1)
  • TACTICAL (van binnen gevechtszone naar buiten gevechtszone)
  • STRATEGIC (t.b.v. hospitalisatie in eigen land of host nation)

Casualty evacuation

Transport van plaats gewond raken naar een plaats waar adequate geneeskundige zorg kan worden verleend.

Dedicated aeromedical evacuation

Helikopter bemand en toegerust voor gewondentransport; het voeren van een Rode Kruis-teken duidt op patiëntentransport.

Medical evacuation

Transport onder medische begeleiding naar of tussen geneeskundige installaties.

Mercy-flight

Voor burgers; ondersteuning, vooral uit goodwill.

Welke overwegingen van geneeskundige aard zijn van belang bij het vaststellen van de noodzaak van geneeskundig luchttransport:

  • Wat is de toestand van de patiënt?
  • Zal er sprake zijn van een blijvende aandoening, hinder of ernstige pijn wanneer niet op korte termijn een hoger geneeskundig echelon kan worden bereikt?
  • Is er sprake van dringend noodzakelijke zorg voor de patiënt die verder reikt dan uw kennis en middelen dat toelaten?
  • Is dit voor deze patiënt de best beschikbare transportmethode?

Welke factoren bepalen de samenstelling van een geneeskundige bemanning ten behoeve van een geneeskundig luchttransport:

  • Aantal patiënten
  • Vluchtduur
  • Te verwachten medische/verpleegkundige zorg tijdens de vlucht

Zie verder: landing point commander (LPC) en Size, Surface, Slope, Shoot en Security.

Terug naar Boven

 

LUCHTHEERSCHAPPIJ

Duits: Luftherrschaft. Engels: air supremacy. Frans: maîtrise de l'air.

Absoluut of volledig luchtoverwicht. Hoogste vorm van luchtoverwicht van de eigen strijdkrachten, waardoor de vijandelijke luchtstrijdkrachten gedurende een langere periode niet in staat zijn afbreuk te doen aan eigen land-, zee- of luchtoperaties.

In beide Golfoorlogen hadden de geallieerden luchtoverwicht.

Aan het begin van de Golfoorlog van 1991 kon de Iraakse luchtmacht nauwelijks een vuist maken omdat het te weinig gevechtsklare toestellen over had. Oorzaak hiervoor was de oorlog met Iran die tot 1988 de Iraakse strijdkrachten had uitgeput. Eind 1991 bleken de weinige overgebleven Iraakse toestellen gevlucht naar Iran.

In de Golfoorlog van 2003 sneden de Amerikaanse troepen dankzij een enorm luchtoverwicht probleemloos door de Iraakse linies en werd Koeweit bevrijd.

Vijandelijke luchtstrijdkrachten zijn niet in staat effectief gebruik te maken van het eigen luchtruim en niet in staat de opponent het gebruik van het eigen luchtruim te ontzeggen.

Zie ook: luchtoverwicht.

Terug naar Boven

 

LUCHTNABIJBEVEILIGING

Fliegerabwehr.
all arms air defence.
défense aérienne toutes armes.

Afgekort: luna(bij)bev.

Alle actieve en passieve maatregelen en middelen die een eenheid met de zich ter beschikking staande organieke middelen - niet: luchtverdedigingsmiddelen - neemt voor de beveiliging tegen vijandelijke luchtverkenningen, aanvallen vanuit de lucht en het beperken/tenietdoen van de effectiviteit van vijandelijke luchtacties. Luchtnabijbeveiliging wordt, gezamenlijk met luchtverdediging, uitgevoerd tegen een dreiging vanuit de lucht, wat tijdens ernstoperaties altijd een zeer reële dreiging is.

Omdat luchtnabijbeveiliging, samen met grondnabijbeveiliging, een van de vormen van nabijbeveiliging is die met eigen middelen dient te worden uitgevoerd, hangen de mate waarin en de wijze waarop een eenheid zijn nabijbeveiliging realiseert nauw samen met de beschikbaarheid van middelen. Zo hanteert een pantserinfanteriebataljon een andersoortige luchtnabijverdediging dan een geneeskundige eenheid.

De schaars beschikbare luchtverdedigingsmiddelen binnen de krijgsmacht zijn niet voldoende voor het garanderen van een allesbedekkende bescherming. Daarom is luchtnabijbeveiliging een noodzakelijke aanvulling op de capaciteiten van de luchtverdedigingsorganisatie en een verantwoordelijkheid van elke commandant.

Luchtnabijbeveiliging wordt onderverdeeld in:

Actief

Ter zelfverdediging zo effectief mogelijk bestrijden van een aanvallend vliegtuig

Bestrijden van een aanvallend vijandelijk vliegtuig met alle daarvoor geschikte wapens

 

Passief

Onzichtbaar maken van de eenheid voor vijandelijke luchtverkenningen en minder kwetsbaar maken voor vijandelijke luchtaanvallen

► bouwen van onderkomens en dekkingen
► maskering en camouflage
► spreiding van middelen
► inzet van (lucht)waarnemingsposten
► misleiding
► sporen-, licht- en geluidsdiscipline
► tactisch verplaatsen (aannemen en aanpassen van bepaalde formaties, in elk geval bij goed zicht)
► wijzigen van locaties

Terug naar Boven

 

LUCHTOVERWICHT

Duits: Luftüberlegenheit. Engels: control of the air. Frans: supériorité aérienne. Mate van militaire dominantie van het luchtruim die de eigen strijdmacht de noodzakelijke vrijheid van handelen geeft voor het uitvoeren van land-, zee- en luchtoperaties in of boven een bepaald gebied zonder hinder van vijandelijke luchtstrijdkrachten (inclusief grondgebonden luchtverdediging).

Zeker bij het optreden in het hogere deel van het geweldsspectrum is het noodzakelijk eerst een luchtoverwicht te bevechten en te behouden.

Vijandelijk luchtoverwicht leidt er in de regel toe dat eigen bewegingen op de grond nagenoeg onmogelijk zijn. Daarom moeten vijandelijke middelen zo nodig vernietigd of geneutraliseerd worden, zodat de vijandelijke luchtstrijdkrachten geen doorslaggevende invloed (meer) kunnen uitoefenen op landoperaties.

Luchtoverwicht creëert vrijheid van handelen, helpt commandanten (in landoperaties) het initiatief te nemen en behouden en draagt bij aan de force protection.

Zowel het bevechten als handhaven van luchtoverwicht vindt plaats in zgn. Counter Air (CA) operaties. Deze zijn gericht op het ontwrichten, reduceren of vernietigen van de capaciteit van de opponent met alle beschikbare wapensystemen. Van defensieve en offensieve Counter Air maatregelen maken grondgebonden luchtverdedigingscapaciteit (Ground Based Air Defence, GBAD) en Suppression of Enemy Air Defence (SEAD, sorties om vijandelijke luchtverdedigingscapaciteit uit te schakelen) deel uit.

Verkrijgen en behouden van luchtoverwicht om daarmee de noodzakelijke vrijheid van handelen voor eigen lucht-, zee- en landstrijdkrachten af te dwingen. Daartoe behoort ook het bijdragen aan luchtembargo's, zoals het afdwingen van een vliegverbod (no-fly zone).

In de moderne oorlogsvoering zijn gevechtsvliegtuigen (jachtvliegtuigen) daarbij onontbeerlijk. Door de mobiliteit en paraatheid van gevechtsvliegtuigen kunnen over grote afstand en met grote precisie doelen worden aangegrepen en kan de vrijheid van handelen van de opponent snel worden beperkt

Zodra luchtoverwicht op het vijandelijke luchtpotentieel is verkregen, kunnen ook luchtoperaties worden uitgevoerd waarbij niet alleen gevechtsvliegtuigen betrokken zijn.

Plaatselijk en/of tijdelijk luchtoverwicht is in ieder geval gewenst:

► bij het aanvallend gevecht

► voor een effectieve verkenning

► voor een forced entry (interventie met geweld)

► voor het uitvoeren van wegverplaatsingen

► voor het verlenen van Close Air Support (CAS, luchtsteun)

► voor inzet van helikopters en andere middelen om grondtroepen te ontlasten

Het verkrijgen van plaatselijk luchtoverwicht was ook de achterliggende gedachte voor de ontwikkeling van vliegdek- en vliegkampschepen.

Vanaf het einde van de Eerste Wereldoorlog was duidelijk dat luchtoverwicht noodzakelijk was voor elk optreden te land en op zee; sinds de Tweede Wereldoorlog is geen enkel gewapend conflict gewonnen zonder dat eerst luchtoverwicht is verkregen. De inzet van het luchtwapen in combinatie met precisiegestuurde lange-afstandsmunitie heeft in moderne oorlogsvoering een prominente rol. Dat hebben de conflicten in voormalig Joegoslavië, Afghanistan en Irak afdoende aangetoond.

DE INVLOED VAN GIULIO DOUHET

Zowel WO II als de beide Golfoorlogen bevestigden het adagium van de Italiaanse generaal Giulio Douhet, zoals hij dat omschreef in zijn essay 'Il Dominio Dell'Aria' (1921): luchtoverwicht is cruciaal.

Douhet was een tijdgenoot van de Amerikaanse en Britse luchtstrategen Billy Mitchell en Hugh Trenchard, grondleggers van achtereenvolgens de U.S. Air Force en Royal Air Force. Mitchell en in meerdere mate Trenchard werden pleitbezorgers van zijn adagium, dat tussen WO I en WO II aan populariteit won.

Douhet zag in het luchtbombardement hét aanvalswapen. Volgens Douhet liepen landoperaties vast, bijvoorbeeld door de ontwikkeling van steeds zwaarder geschut. Het ultieme bewijs was de uitputtingsslag in de loopgraven in WO I.

Het kon niet anders dat in toekomstige oorlogen het luchtwapen beslissend zou zijn: wie het luchtruim controleerde, won de volgende oorlog.

Ieder land kon op de knieën worden gedwongen door hevige bombardementen op bevolkingscentra, industriële doelen en haar vijandelijke luchtstrijdkrachten. De gebombardeerde bevolking zou de eigen regering verantwoordelijk stellen voor het blootstellen aan de bombardementen. Er zou een opstand volgen, de regering van de opponent afgezet worden en de nieuwe regering het geweld stoppen door vrede te sluiten.

NAVO-begrippenkader voor de drie niveaus van luchtoverwicht:

Favourable air situation

Beperkt luchtoverwicht van eigen strijdkrachten. Vijandelijke luchtstrijdkrachten zijn onvoldoende in staat eigen land-, zee- en luchtstrijdkrachten schade of verliezen toe te brengen.

Air superiority

Plaatselijk en/of tijdelijk luchtoverwicht op de tegenstander: boven (een deel van) het gevechtsveld, boven een vlootverband of tijdens het uitvoeren van een aanvalsmissie.

Air supremacy

Zie verder: luchtheerschappij.

Een F­16 Fighting Falcon van de Royal Netherlands Air Force (RNLAF).

Voor gevechtsvliegtuigen is bewapening niet alleen onmisbaar voor zelfverdediging, ook voor het verkrijgen en behouden van luchtoverwicht.

Evenals haar opvolger, de F-35 (Joint Strike Fighter), is dit jachtvliegtuig uitermate geschikt voor het uitvoeren van offensieve en defensieve Counter Air operaties.

TWEEDE WERELDOORLOG

Reeds voorafgaand aan en op D-Day slaagden de geallieerden erin een overweldigend en beslissend luchtoverwicht te verkrijgen, hoewel de Amerikanen en Britten aanvankelijk niet overtuigd waren van de noodzaak van luchtoverwicht: beide geallieerden geloofden tot ver in WO II heilig in grote formaties met zwaar bewapende bommenwerpers. De bommenwerpers, die zich nauwelijks konden verdedigen en dus grote verliezen leden, konden geen luchtoverwicht afdwingen.

In de eerste oorlogsjaren bood de Duitse Luftwaffe fel tegenstand. Ondanks het vrijwel volledige luchtoverwicht van de Luftwaffe in Nederland in de eerste oorlogsdagen, behaalden Nederlandse jachtvliegers en vliegtuigbemanningen verschillende successen met de Fokker D.XXI. Op dat moment telde de Nederlandse Luchtvaart Afdeling 28 gevechtsklare toestellen. Het was eerder de suprieure Duitse strategie dan het Duitse luchtoverwicht dat de doorslag gaf.

Na de uitgebreide bombardementen op Duitse steden stortte medio 1944 de Duitse luchtverdedigingscapaciteit in. Hoewel de geallieerden daarna luchtoverwicht hadden, konden de Britten hiervan in september 1944 niet profiteren in operatie Market Garden. Door de complexiteit van de luchtoorlog boven Arnhem en Nijmegen - het vormen van luchtbruggen om parachutisten ter plaatse te krijgen - zagen de Britten dagen achtereen alleen de Luftwaffe, wat het moraal geen goed deed.

KOUDE OORLOG

In de Koude Oorlog was het Warschau Pact met luchtoverwicht en luchtlandingstroepen in staat hard toe te slaan. Bij het uitbreken van een gewapend conflict met de Sovjet-Unie zouden NAVO-vliegtuigen laag moeten vliegen, omdat met zekerheid niet overal luchtoverwicht zou zijn.

GOLFOORLOGEN

In beide Golfoorlogen (1990-’91 en 2003) verliep de inzet van Air Power volgens een voorspelbaar draaiboek. Eerste prioriteit hierbij was het verkrijgen van luchtoverwicht om vervolgoperaties mogelijk te maken: in Counter Air operaties werd in de eerste golf van luchtaanvallen werden vijandelijke toestellen op de grond (vliegvelden) en in de lucht werden vernietigd en de luchtverdedigingscapaciteit aangetast door het onschadelijk maken van commandocentra en geleide-wapenstellingen. Na het behalen van luchtoverwicht was de weg vrij voor de landstrijdkrachten; ter ondersteuning van het grondoffensief legden de luchtstrijdkrachten zich vervolgens toe op Air Interdiction en Offensive Air Support.

In operatie Desert Storm (1991) had de coalitie binnen vier dagen luchtoverwicht, met name door een combinatie van antiradarraketten, high-tech navigatie- en richtapparatuur en lasergeleide bommen. Door hoog genoeg te vliegen kon de enige overgebleven risicofactor – de luchtdoelartillerie – worden ontweken. Na het vernietigen van de luchtverdediging kon de coalitie ook overdag luchtaanvallen uitvoeren zonder veel hinder van vijandelijk vuur. Tegen doelen die nog wél over luchtverdedigingen beschikten werden strike packages ingezet: eerst vliegtuigen die de radar verstoorden, vervolgens vliegtuigen om de doelen uit te schakelen met antiradarraketten en tot slot bommenwerpers om het karwei af te maken: startbanen van vliegvelden werden gebombardeerd met clusterbommen, vliegtuighangars die waren versterkt met gewapend beton met lasergeleide bommen en brandstofopslagplaatsen met conventionele bommen.

BOSNIË-HERZEGOVINA

De inzet van gevechtsvliegtuigen was vanaf de beginfase van het conflict in voormalig Joegoslavië noodzakelijk om, juist boven Bosnië-Herzegovina, luchtoverwicht te verkrijgen. In eerste instantie ging het daarbij om offensieve Counter-Air operaties, waarbij vijandelijke vliegbases en vliegtuigen in sorties werden aangevallen. In het UNPROFOR-tijdperk, in 1993, ving reeds de eerste NAVO-luchtoperatie aan: Deny Flight.

Deny Flight, die duurde tot 1995, toonde niet alleen de kracht van het luchtwapen. Alleen luchtoverwicht boven het inzetgebied Bosnië-Herzegovina bleek niet voldoende om aan onwillige partijen de bewegingsvrijheid volledig te ontzeggen of de bewegingsvrijheid van de kwetsbare vredesmacht UNPROFOR te garanderen.

Zie ook: Close Air Support (CAS), luchtheerschappij (air supremacy) en no-fly zone.

Terug naar Boven

 

LUISTERPLICHT

Vorm van consignatie, waarbij militairen van een eenheid tijdens verlof dagelijks naar radio moeten luisteren en/of televisie moeten kijken, omdat zij kunnen worden opgeroepen om onmiddellijk terug te keren naar de kazerne om dienst te verrichten.

Tot 1996 kende Defensie de zgn. luisterplichteenheden, wat inhield dat een periodiek aan te wijzen eenheid ± 6 uur na de oproep inzetbaar was op locatie in het kader van militaire bijstand op basis van de Politiewet 1993 of de Rampenwet.

Sinds de opheffing van de luisterplichteenheden kunnen in het kader van nationale operaties op grond van Opplan 10 eenheden tijdelijk luisterplicht krijgen voor een eventuele inzet bij rampen en zware ongevallen.

Zie ook: Opplan 10.

Terug naar Boven

 

LUITENANT-GENERAAL BESTKAZERNE

Afgekort: LBK. Voormalige luchtmachtbasis De Peel.

De hoofdpoort van het militair complex is gelegen aan de Ripseweg in het Limburgse Vredepeel, gemeente Venray. De kazerne ligt zowel op Brabants als op Limburgs grondgebied. Op de Luitenant-generaal Piet Best kazerne heeft het nieuw gevormde Defensie Grondgebonden Luchtverdediging Commando (DGLC) haar thuisbasis.

Het DGLC is een fusie van het Commando Luchtdoelartillerie met de Groep Geleide Wapens (GGW) van de Koninklijke Luchtmacht die vanaf 1 januari 2012 onder het Single Service Management (SSM, operationele verantwoording) van het Commando Landstrijdkrachten (CLAS) geplaatst is. Daarnaast start het DGLC medio 2012 met een opwerkprogramma voor de Air Missile Defence Task Force (AMDTF).

Binnen het DGLC zijn de capaciteiten Advanced Medium-Range Air-to-Air Missile (AMRAAM), Stinger en Patriot ingedeeld. De samengevoegde wapens en sensorsystemen heffen elkaars zwakke punten op en vormen gezamenlijk een ondoordringbare luchtverdediging. Het commando biedt bescherming tegen vliegtuigen, ballistische en kruisvluchtwapens.

De Stinger-capaciteit is afkomstig van het opgeheven 11 Luchtverdedigingscompagnie Luchtmobiel en het Korps Mariniers.

PIET BEST

Luitenant-generaal Piet (Petrus Wilhelmus) Best (1881-1960) was bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog de Commandant Luchtverdediging (1938-14 mei 1940). Voordat hij deze functie vervulde was de artillerist Commandant Luchtvaartafdeling  (1933-1937), de militaire vliegdienst van het leger waaruit later de Koninklijke Luchtmacht voortkwam, en Commandant IVde Divisie, tevens Bevelhebber in de 4de Militaire Afdeling (Amersfoort).

Best hield ernstig rekening met het gevaar van Duitse luchtlandingen op en in de omgeving van de Nederlandse vliegvelden. Hiertegen nam hij extra maatregelen, waartoe hij echter pas toestemming kreeg na de luchtlanding van Duitsers op de vliegvelden van Kopenhagen en Oslo op 9 april en Aalborg op 12 april 1940. Door meer grondtroepen en luchtdoelartillerie te plaatsen bij de vliegvelden werden de Duitse luchtlandingsoperaties in 1940 grondig verstoord. Aan de vijand werden zware verliezen toegebracht: ruim 220 transportvliegtuigen werden uitgeschakeld.

Bests vooruitziende blik droeg in belangrijke mate bij aan de verijdeling van de Duitse poging om in de meidagen van 1940 het zenuwcentrum van de Nederlandse verdediging snel uit te schakelen. Daardoor konden ook de Koninklijke familie en de regering niet door de Duitsers gevangen worden genomen. Koningin en kabinet weken uit naar Londen.

Enkele uren na het uitbreken van de vijandelijkheden werd Best door opperbevelhebber generaal Henri Winkelman, met behoud van het bevel over de gehele luchtverdediging, toegevoegd aan het commando van de Vesting Holland. Aangezien de leiding van dat commando ernstig was onderbezet, hield luitenant-generaal Best zich tijdens de oorlogsdagen voornamelijk bezig met het bevel over de Vesting Holland. Hierbij liet hij de leiding over de luchtverdediging over aan zijn chef-staf, kolonel V.E. Wilmar.

Terug naar Boven

 

LUITENANT-KOLONEL TONNETKAZERNE

Afgekort: LTK.

Kazerne met een oppervlakte van 70 hectare, gelegen aan de Eperweg (provinciale weg N309) in 't Harde, die is gebouwd in de jaren 1951-'53. In 1996 is de bebouwing, met uitzondering van enkele AS-magazijnen, voor het grootste deel gesloopt. Daarna verrezen op de kazerne nieuwe gebouwen.

Ingang van de Luitenant-kolonel Tonnetkazerne.

Op de kazerne zijn het Vuursteuncommando en een deel van het JISTARC gelegerd.

De tweede kazerne in 't Harde is de Legerplaats bij Oldebroek.

Sinds 23 mei 1975 is de kazerne vernoemd naar de Nederlandse luitenant-kolonel der artillerie Chris(tiaan) Tonnet (1902-1946). Op die datum onthulde Prins Bernhard op de kazerne ook een borstbeeld ter nagedachtenis aan Tonnet.

Tonnet werd in 1950 postuum onderscheiden tot ridder 4e klasse der Militaire Willems-Orde, vanwege zijn inzet tijdens WO II bij het verzet tegen de vijand.

In mei 1942 werd Tonnet met andere officieren per trein richting krijgsgevangenkamp vervoerd. Tonnet ontsnapte echter door uit de rijdende trein te springen, dook onder in Nederland en verzamelde tot september 1943 in opdracht van de Britse Secret Intelligence Service militaire gegevens.

Van september 1943 tot zijn arrestatie in januari '44 trad Tonnet, toen nog kapitein, op als leider van de militaire zendgroep Barbara. Tonnet werd ter dood veroordeeld, maar ontsnapte nog een keer uit een rijdende trein. Na zijn terugreis naar Nederland hervatte hij zijn werk voor het verzet (Ordedienst) en later voor de Binnenlandse Strijdkrachten.

In een verwijzing naar onder andere het tot tweemaal toe ontsnappen uit een rijdende trein noemde militair historicus Piet Kamphuis van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (externe link) Tonnet "een soort Nederlandse Houdini".

Ook was Chris Tonnet een groot sportsman.

in 1927 was hij de eerste Nederlands kampioen moderne vijfkamp.

Bovendien nam hij driemaal deel aan de Olympische Spelen: in 1924 (Parijs, moderne vijfkamp, 8e in eindklassering), '28 (Amsterdam, moderne vijfkamp, gedeeld 7e in eindklassering) en '36 (Berlijn, eventing, geen klassering).

In 2006 verscheen 'Chris Tonnet 1902-1946. Sportsman en vrijheidsstrijder' van Hein van Joolen en Joost Ekering. De 160 pagina's tellende biografie verscheen bij uitgeverij Verloren met ISBN 9789065509550.

In 2007 nam de wapenoudste van de artillerie, luitenant-generaal Rob Bertholee, op de Luitenant-kolonel Tonnetkazerne officieel het eerste exemplaar van het boek in ontvangst.

Zie ook: 11 Afdeling Rijdende Artillerie (Gele Rijders), JISTARC, Militaire Willems-Orde, Prins Bernhard en Vuursteuncommando (VustCo).

Terug naar Boven

 

LUNA RSL 170-C CONTAINER HEFTRUCK 165 KN

Ook genaamd: containerhefmiddel (CHM) of reach stacker.

Dieselaangedreven hefmiddel voor het op- en afzetten, verplaatsen, stapelen en wisselen van ISO-containers, flatracks en wissellaadbakken, bij Defensie in de regel 20-voet-containers en flatracks.

De containerheftruck pakt de containers op bij zijn ISO-hoekpunten (mutifunctionele hoekpunten).

Het voertuig is voor werkzaamheden op bijvoorbeeld voorraadcentra ingedeeld bij de Clustercompagnieën van 100 en 200 Bevoorradings- & Transportbataljon, respectievelijk 130 Clustercompagnie (in 2006 voortgekomen uit 150 Gemengde Compagnie) en 230 Clustercompagnie.



Zie ook: 20-voet-container (20'ft container), flatrack en verreiker.

Terug naar Boven

 

L.U.P.

Voluit: Lying-Up Position.

Voorwaartse post, idealiter gelegen vóór de Forward Operating Base (FOB) - waar een verkenningspatrouille zich gecamoufleerd en zo dicht mogelijk tegen het maaiveld - schuilhoudt in de nabijheid van een te verkennen object en wacht op een mogelijk doel.

De LUP ligt liefst, evenals een schuilbivak, in dicht bebost gebied.

Vanuit de LUP worden de routinematige handelingen op het doel 24/7 in de gaten gehouden. 's Avonds en 's nachts - tussen ENAS en BNMS - kunnen operaties worden uitgevoerd en kan de vijand worden aangegrepen.

Zie ook: waarnemen.

Terug naar Boven25.11.2016->->->->->->->->->25.11.2016-> -->->->->->->->e -->->->->->->->->25.11.2016 -->->->->->->->->->25.11.2016-> -->->->->->->->e -->->->->->->->->->