inhoudsopgave L
Terug naar de homepage
 

Maak uw keuze uit de hieronder getoonde lijst

 

LA COURTINE

Het legendarische kampement (uit 1901) en het nabijgelegen oefenterrein La Courtine zijn gelegen tussen Clermont Ferrand en Limoges op ± 400 km ten zuiden van Parijs. De entree van de legerplaats ligt drie km noordelijk van het oord La Courtine, ± 800 meter boven de zeespiegel.

Hoewel Nederlandse militairen in die tijd ook oefende op grote oefenterreinen in Bergen-Hohne (185 km²), Mourmelon-le-Grand (96 km²) en Sennelager (130 km²), is La Courtine het best in het collectieve geheugen van Nederlandse (oud-)militairen gegrift.

Dit is mede te danken aan de hit ‘Brief uit La Courtine’ (1963) van Rijk de Gooijer’s, geschreven door Eli Asser en geïnspireerd door het Nederlandse militaire verblijf in La Courtine, met de openingszin: “Beste ouders, lieve Ine, ik schrijf dit uit La Courtine”.

Niet alleen de parate divisies, ook de dienstplichtigen op herhaling van de Koninklijke Landmacht, oefenden van 1959 tot ‘64 met als uitvalsbasis het Camp de la Courtine, al dan niet gezamenlijk met andere NAVO-landen. Alleen tijdens de Berlijn-crisis van 1961 werden de oefeningen tijdelijk opgeschort.

Organiek duurde een oefenperiode in La Courtine zo’n zes weken, met inbegrip van de voorbereidingen over de weg en per trein en de driedaagse vredesverplaatsing.

Die verliep standaard via de doorlaatpost Bergeijk/Lommel, achter Valkenswaard. Via de etappeplaatsen Oirschot, Mourmelon en Bourges bedroeg de enkele reis naar La Courtine ± 1.000 km.

Soms gingen eenheden tot wel negen weken aaneengesloten oefenen; Nederland was op jaarbasis vier maanden achtereen in La Courtine aan het oefenen, zowel gevechtsoefeningen als vrije oefeningen op bataljonsniveau en hoger.

Er waren twee redenen waarom de Nederlandse regering in 1959 met Frankrijk een contract sloot over het gebruik van het oefengebied bij La Courtine: de uitbreiding van het 1 Legerkorps (1 LK) naar twee parate divisies (1ste  en 4de, beiden met zware artillerie), waardoor de KL op zoek moest naar een nieuw, grootschalig oefenterrein, en het vrijkomen van de Franse legerplaats doordat de Franse troepen waren vertrokken naar Algerije. De Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog van 1954 tot ’62 eiste inzet van veel Franse troepen.

Het oefenterrein telt ± 70 km². Lichte vliegtuigen die voor onmiddellijke steun aan de oefenende troepen werden ingezet, konden worden gestationeerd op airstrips bij Les Fagettes en Clairavaux of het nabijgelegen vliegveld Ussel-Thalamy.

Het terrein stelde door de aanwezigheid van moeilijk doordringbare, pantserstoppende naaldbossen beperkingen aan het gemechaniseerde en gemotoriseerde optreden. Vaak lag hierdoor de nadruk op statische gevechtsvormen, zoals verdediging en vertraging, maar ook het naspelen van een totaaloorlog kon wel degelijk tot de oefendoelen behoren. De infanterie begon traditiegetrouw met compagniesmanoeuvres, waaraan ook een tankpeloton deelnam. Daarna volgde een bataljonsoefening, met het ensceneren van een gemotoriseerde opmars, aanval en verdediging.

Naast oefen- was La Courtine ook proefterrein: nieuw materieel en nieuwe organisatievormen werden hier getest. Het meest bekende voorbeeld is de YP-408, dat zijn plaats kreeg in een gemotoriseerd 1 Legerkorps, bestaand uit twee divisies met drie gemechaniseerde en twee gemotoriseerde brigades.

Hoewel er in 1970 en 1987 nog incidenteel oefeningen plaatsvonden in La Courtine, werd de legendarische naam consequent verbonden aan de oefenperiode van 1959 tot 1964.

Het VPRO-radioprogramma ‘OVT’ zond hierover op 18 en 25 februari en 4 maart 2001 een driedelige serie uit onder de naam ‘Spoor terug: La Courtine’.

Tijdens de oefeningen van 1 Divisie “7 December” in La Courtine, stelde de Sectie Voorlichting elke dag voor de oefenende troep het nieuwsbulletin L’Emère samen. De naam hiervan was een afgeleide van het Frans gemaakte EM’er van de afkorting EM (Expeditionaire Macht).

Terug naar Boven

 

LANDINGPOINT

Afkorting: LP. Duits: Landepunkt. Frans: point d’atterrissage. Nederlands: landingsplaats.

1 = Chalkverzamelpunt
2 = Afwachtingspunt
3 = Chalkverspreidingspunt
4 = Pelotonsverzamelpunt
PUP = Pick-Up-Point
DOP = Drop-Off-Point

Inzichtelijk gemaakt: chalkverzamelpunt, afwachtingspunt, PUP, DOP, chalkverspreidingspunt en pelotonsverzamelpunt.

Een landingspunt, zo mogelijk binnen een landing site (LS), waar één helikopter kan landen cq. opstijgen. Het landingspunt hoeft niet op een organieke landingsbaan te liggen. Het LP is dus een locatie waar één helikopter kan landen cq. opstijgen of een externe helikopterlading (Under Slung Load, USL) kan oppikken cq. neerzetten. Voor het vastzetten van een USL wordt gebruik gemaakt van de Helicopter Underslung Load Equipment (HUSLE).

De volgende vier LP’s worden onderscheiden:

Drop Off Point

DOP

voor afzetten personeel

Load Point

voor oppikken USL

Load Release Point

LRP

voor afzetten USL

Pick Up Point

PUP

voor oppikken personeel

Zie ook: chalk, flashcard, hot LZ, marshaller, pathfinder en riggen.

Terug naar Boven

 

LANDING POINT COMMANDER

Militair die als neventaak de bevoegdheid heeft om meerdere Rigger/Marshallers (R/M’s) te controleren in hun werkzaamheden op een landing / pick up point. LPC en R/M’s vormen tezamen het Landing Point Team (LPT). De LPC is tevens gerechtigd het landing / pick up point te verkennen en uit te zetten.

Op het het landing / pick up point worden in- en externe ladingen ten behoeve van in of onder een transporthelikopter gereedgemaakt en aangehaakt.

De nadruk ligt op het externe vervoer van cargo door middel van een under slung load (USL), waarbij niets mag loszitten of kunnen losraken tijdens de vlucht.

De LPC, die onder de verantwoording van een Heli Handling Instructor (HHI) werkt, krijgt zijn opleiding aan de School Grond Lucht Samenwerking (SGLS) – de Landing Point Commander Course - en dient jaarlijks een Currency Check af te leggen om zijn gecertificeerdheid te behouden.

Voordat geneeskundig luchtvervoer daadwerkelijk wordt uitgevoerd, is het de taak en de verantwoordelijkheid van de landing point commander van de hulppostgroep dat de volgende procedures met betrekking tot de gewonden worden uitgevoerd en/of gecontroleerd:

  • een safety-briefing over de noodprocedures van de desbetreffende helikopter;
  • aanwezigheid en plaatsen van gehoorbeschermingsmiddelen;
  • zwemvesten aan bij verplaatsingen over water (aanbrengen voordat wordt beladen);
  • beide armen op de draagbaar vrij beweegbaar zijn en niet door dekenriemen worden ingebonden;
  • dekens van de draagbaar (driedekenmethode) zodanig dichtgeslagen zijn dat de gewonde van twee zijden is te benaderen;
  • instructies met betrekking tot opkomende misselijkheid en braakneigingen tijdens de vlucht (in de helm of de daarvoor bestemde spuugzakjes);
  • instructies voor wat betreft noodprocedures boven land en water.

Terug naar Boven

 

LANDING POINT FINDER

Afgekort: LPF. Daartoe opgeleid en gecertificeerd militair die verantwoordelijk is voor het verkennen, uitzetten en inrichten van een veilig landing point ten behoeve van personeel en interne belading van een chalk; zodra er under slung load (USL) aan de helikopter wordt gekoppeld, wordt de LPC verantwoordelijk.

1 = Chalkverzamelpunt
2 = Afwachtingspunt
3 = Chalkverspreidingspunt
4 = Pelotonsverzamelpunt
PUP = Pick-Up-Point
DOP = Drop-Off-Point

De LPF mag bij dag een landing point verkennen voor gebruik bij dag en bij nacht.

Daarnaast behoren tot zijn taken:

begeleiden van de chalk

controleren van de interne lading

controleren van het landing point op foreign object damage (FOD)

controleren van het paxmanifest

coördineren met het squadron van de helikopter(s) in het kader van air loading table (ALT) en aircrewbrief

geven van de opleidingen BHO en BHT (geldt alleen voor LPF opgeleide kaderleden)

handhaven van de regelgeving DAC (dangerous air cargo)

markeren van obstakels in de onmiddellijke nabijheid van het landing point (gully, tjot)

markeren van touch down point (TDP) en afwachtingspunt van de chalk

uitvoeren van de air final guidance (AFG): grond/lucht-communicatie met de helikopter

vanwege de veiligheid van de helikopter, bemanning en chalk landing point onder tactische omstandigheden zoveel mogelijk vrijwaren van vlakbaanvuur en tegen bijvoorbeeld een bosrand loceren (concealed approach and departure, CAD).

Hiertoe heeft hij onder andere een clinometer, kaarthoekmeter en kompas ter beschikking – beide laatsten in graden in plaats van mils (de luchtmacht werkt met graden).

Terug naar Boven

 

LANDMACHTADJUDANT

Hoogst gegradueerde onderofficier, tevens stafadjudant, van de Koninklijke Landmacht (KL), die alle militairen beneden de rang van tweede luitenant vertegenwoordigt. Ook genaamd: CLAS-adjudant.

Vóór 5 september 2005 was de landmachtadjudant geplaatst in de staf van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten (BLS), na 5 september 2005 geplaatst in de staf van de Commandant Landstrijdkrachten (CLAS).

Rangonderscheidingsteken van de Landmachtadjudant

De Landmachtadjudant legt werkbezoeken af, informeert de top van de KL-organisatie en adviseert de BLS/CLAS. Daarnaast levert hij een bijdrage aan de kwaliteitsborging van het domein van de onderofficier.

Zijn onmisbare informatiebronnen zijn alle staf- en ressortadjudanten (bijvoorbeeld Operationeel Commando '7 December', OPCO, en Opleidings- en Trainingscommando, OTCO) op de werkvloer, maar te allen tijde ook alle overige onderofficieren.

De Landmachtadjudant is ingevoerd in 1998 onder de toenmalige Bevelhebber der Landstrijdkrachten, luitenant-generaal Maarten Schouten: op 8 mei 1998 werd adjudant Willem Tanis op de Van Hornekazerne in Weert geïnstalleerd als eerste Landmachtadjudant - een mijlpaal in de geschiedenis van het onderofficierskorps.

LANDMACHTADJUDANT

VAN - TOT

Willem Tanis

mei 1998 - september 2001

Arend Brinkman

september 2001 - augustus 2005

Theo Witlox augustus 2005 - juli 2010

André Odenkirchen

juli 2010 - heden

Zie ook: stafadjudant.

Terug naar Boven

 

LANDMIJN

Munitie die is ontworpen om op, onder of boven het maaiveld te plaatsen en tot ontploffing te komen bij de aanwezig- of nabijheid van of bij contact met personen en/of voertuigen. In de nieuwe generatie landmijnen zitten mechanismen ingebouwd die reageren op licht, warmte, verplaatsing of magnetisme. Landmijnen zijn traditioneel gemaakt van hout, metaal, plastic of een combinatie hiervan.

Landmijnen zijn zgn. ‘blinde wapens', die na plaatsing geen onderscheid maken tussen vriend of vijand (friend or foe), militair of burger.

Vanwege de oncontroleerbaarheid van een eenmaal gelegde mijn én het feit dat onwillekeurig slachtoffers worden gemaakt, wordt het militaire nut zwaar betwist.

De belangrijkheid van landmijnen wordt onderstreept door de volgende feiten:

1. Van iedere vijf vernietigde tanks in de Tweede Wereldoorlog werden er twee door landmijnen buiten gevecht gesteld.

2. Bij El Alamein werden 256.000 landmijnen gelegd; hierdoor werden 132 tanks buiten gevecht gesteld.

Download hier de slideshow over landmijnen (1,07 MB)

Het explosief dat het meest in landmijnen wordt gebruikt is TNT (Tri-Nitro-Tolueen). Momenteel zijn er wereldwijd tussen 340 en 400 soorten landmijnen. Niettegenstaande de desastreuze uitwerking van landmijnen, kunnen zij bij oorlogvoering en Peace Support Operations niet worden gemist, vanwege:

beschermen van de eigen troepen (werken onafgebroken, bij slechte weersomstandigheden en bij slecht zicht)

voorwaarde scheppen voor de doeltreffende inzet van personeel en middelen

belemmeren van het onschadelijk maken of ruimen van andere landmijnen

zelf kunnen bepalen door de operationele commandant van duur, plaats en inzet

Er wordt onderscheid gemaakt tussen antipersoneelsmijnen (AP-mijnen, APM) en antivoertuigmijnen (AV-mijnen, AVM) – welke voorheen antitankmijnen (AT-mijnen, ATM) werden genoemd.

Jaarlijks vallen wereldwijd 20 à 30.000 slachtoffers als gevolg van mijnen die achterblijven na een gewapend conflict. De verwondingen variëren van blindheid en brandwonden tot amputatie- en scherfwonden. Met name de AP-mijnen zijn in oorlogvoering geduchte wapens: betaalbaar voor de allerarmste facties, milities en guerrillabewegingen, eenvoudig in gebruik en daardoor erg populair. Grote hoeveelheden eenmaal gelegde landmijnen en niet-geëxplodeerde munitie bemoeilijken de hulpverlening aan de (arme) ontwikkelingslanden en zorgen ervoor dat complete landbouwgebieden onbenut moeten blijven.

Als een AP-mijn een militair verwondt of doodt, zullen zijn collega's er voor zorgdragen dat het slachtoffer geneeskundige verzorging krijgt; een dode kan eventueel worden achtergelaten, een (zwaar)gewonde niet. Ook wordt het moreel danig aangetast. Kortom, landmijnen vertragen de voortgang van het militaire optreden.

Hoewel het Verdrag van Ottowa (1997) gebruik, opslag, productie en handel van AP-mijnen verbiedt, weigeren enkele landen om opportunistische redenen het gebruik ervan te staken, zoals:

  

China

spanning met Taiwan

Egypte

grensbeveiliging

India

grensconflict Kashmir met Pakistan

Israël

grensbeveiliging

Pakistan

grensconflict Kashmir met India

Rusland

oorlog in Tsjetsjenië

Verenigde Staten

grensbeveiliging Noord- en Zuid-Korea

De landen die het Verdrag van Ottawa niet hebben geratificeerd, hebben gezamenlijk nog ± 200 miljoen AP-mijnen in gebruik en opslag. In naar schatting 70 landen liggen nog ± 140 miljoen ongeëxplodeerde landmijnen. Landen met de grootste aanwezigheid van landmijnen zijn:

Na de Eerste Wereldoorlog kwam het gebruik van landmijnen in zwang. In de Tweede Wereldoorlog en Vietnam deed de Bouncing Betty zijn intrede, in Vietnam vervolgens de claymore. Tijdens en na de Koude Oorlog bleken landmijnen met name in regionale, inter- en intrastatelijke conflicten ideale wapens. Zo telden de Falkland-eilanden 20 jaar na de Falkland-oorlog 101 mijnenvelden met 16.600 in kaart gebrachte mijnen op een oppervlakte van slechts 20 km². Tegenwoordig worden landmijnen, om het ruimen ervan in mijnenvelden gemakkelijker te maken, voorzien van:

zelfneutralisering of –deactiveringsmechanisme

na een bepaalde ingestelde periode, maximaal 120 dagen, ontploft de landmijn of schakelt de landmijn zich automatisch uit, b.v. omdat de batterij leeg is

 

detecteerbaarheidsmechanisme

glazen, houten of plastic mijnen bevatten voortaan minimaal 8 gram metaal, opdat zij te allen tijde traceerbaar en detecteerbaar zijn met behulp van een gangbare metaaldetector

 

antihandlings- of antihanteerbaarheidsmechanisme

als wordt geprobeerd de landmijn onschadelijk te maken of te ruimen, komt de landmijn automatisch tot ontploffing

  

Ook moeten mijnenvelden in bewoonde gebieden worden aangegeven door waarschuwingstekens.

Nederland produceert géén landmijnen meer, maar heeft dat in het verleden wél gedaan (Eurometaal). Beschikte de Koninklijke Landmacht lang over ruim een half miljoen landmijnen, nu liggen er alleen nog 80.000 AT-mijnen van het type DM31 in opslag voor gebruik tijdens de Algemene Verdedigingstaak (AVT).

Ook kende de KL de AT-trotylmijn 26C1, AP-inktpotmijn 22C1 en de AP-23. Het Ministerie van Defensie heeft in 1994 op humanitaire gronden de volgende hoeveelheden landmijnen opgeruimd:

De verouderde inktpotmijn 22C1 uit de jaren '60 is slechts 6 cm groot.

100.000 AT-mijnen, waaronder 60.000 hypermoderne

30.000 AP-23 uit de jaren '50

420.000 overtollige, grotendeels AP-landmijnen, waaronder de verouderde inktpotmijn 22C1 uit de jaren '60

Nederland beschikt wél over zgn. horizontaal-effect-wapens (HEW's), explosieven die vanaf een afstand tot ontploffing gebracht kunnen worden en uitermate geschikt zijn voor rondomverdediging.

Zie ook: ammunition awareness, AP-23, B.M.W., Bouncing Betty, claymore en Explosieven Opruimingscommando KL

Terug naar Boven

 

LANDOLT, HEINRICH MATHIAS FRIEDRICH

Boekomslag van het 'Militair Woordenboek' (1861) van Heinrich Mathias Friedrich Landolt, eerste luitenant bij het Regiment Grenadiers en Jagers.

Heinrich Mathias Friedrich Landolt (1828-1871) is de auteur van het ‘Militair woordenboek’ dat in 1861 en ’62 in twee delen verscheen bij de Leidse uitgeverij A.W. Sijthoff.

Het woordenboek van Landolt, eerste luitenant bij het Regiment Grenadiers en Jagers, is een bewerking van het ‘Militärisches Handwörterbuch’ (1859) van de Pruisische militair-historicus Wilhelm Friedrich Rüstow (1821-1878).

Het is een zeer nuttige leidraad voor militairen, goed door Landolt vertaald en naar de behoeften van de Nederlandse krijgsmacht bijgewerkt en toegelicht.

De Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) biedt in samenwerking met het Legermuseum een geheel gedigitaliseerde versie van het klassieke naslagwerk van Landolt aan.

Landolt, geboren te Breda in 1828, werd in 1844 cadet aan de KMA, in 1848 tweede luitenant bij het 2de Regiment Infanterie, in 1854 eerste luitenant en in 1861 kapitein het 7de Regiment Infanterie. Hij overleed in 1871 te Bad Wildungen.

Al in 1854 schreef hij de ‘Geschiedkundige herdenking van het 25-jarig bestaan der bataljons grenadiers en jagers’, waarvoor hij werd onderscheiden met het Ridderschap in de Orde der Eikenkroon.

In 1859 vertaalde hij een boek van de Belgische generaal Bruno J.B.J. Renard (1804-1879): ‘Beschouwingen over de tactiek der infanterie in Europa’.

Van 1861 tot 1 januari 1964 was hij hoofdredacteur van het tijdschrift Militaire Spectator. Van 1865 tot ’70 publiceerde hij tot slot een viertalig (Nederlands, Frans, Duits en Engels) polyglottisch militair woordenboek in vijf delen onder de titel ‘Dictionnaire polyglotte de termes techniques militaires et de marine’.

Wa oorspronkelijkheid betreft vergelijkbaar met ‘Beknopt overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen uit de Nederlandsche krijgsgeschiedenis van 1568 tot heden' (1935) van de eerste luitenant I.L. Uijterschout.

Zie ook: detachement, insubordinatie, militaire geschiedenis, ontplooiing en pistool.

Terug naar Boven

 

LANDROVER

Afgekort: LaRo. Organieke benaming: vrachtauto, algemene dienst, ½ ton of ¾ ton, 4x4, 24V. Sinds 30 april 1948 in Solihull (Groot-Brittannië) vervaardigd 4x4 terreinvaardig voertuig, met vele militaire varianten. De Nederlandse krijgsmacht wilde begin jaren ’70 de jeeps Nekaf en Willys uit de jaren vijftig vervangen. Hoewel de Toyota Landcruiser de beste optie voor militair gebruik leek, werd gekozen voor de LandRover, onder andere omdat de Nederlandse DAF YA-66 niet geschikt werd bevonden. Andere geteste en ongeschikt kandidaten waren een AMC-jeep en een Renault.

Op 7 juli 1975 tekende de toenmalige Staatssecretaris van Defensie Cees van Lent en de voorzitter van de Raad van Bestuur van British Leyland een order voor de leverantie van 2.625 LandRovers uit de serie 3. Op basis van de wensen van de British Army, RAF en Royal Marines was deze serie ontworpen in nauwe samenwerking met het British Military Vehicles and Engineering Establishment (MVEE). In de daarop volgende jaren volgden nabestellingen van de types ½ ton en ¾ ton tot ± 5.000 stuks:

‘korte’ LaRo

LandRover serie 3 model 88”

½ ton

wielbasis 2 meter 23

‘lange’ LaRo

LandRover serie 3 model 109”

¾ ton

wielbasis 2 meter 77

Bij de KL zijn in gebruik geweest de 88" Algemene Dienst (AD) en de 109" AD, gewondentransport (GWT) en Commando & Verkenning (C&V).

Op de gekste plaatsen worden LandRovers aangetroffen. Dit afgebladderde exemplaar is te vinden in Avonturenpark Hellendoorn.

De laatste voertuigen uit de serie 3 werden in 1983 uitgeleverd. Het 88” (lightweight) model werd in het bijzonder gebruikt door het Korps Mariniers. Anno 2010 zijn er geen 88” of 109” LandRovers meer binnen Defensie, hoewel het Korps Mariniers het LandRover-concept niet heeft verlaten.

De mariniers maken nu nog gebruik van de Land Rover Defender 110XD softtop General Support (GS): een ongepantserd voertuig, uitgevoerd met een standkachel ten behoeve van het optreden in arctische gebiden, dat plaats biedt aan zes mariniers en vaak is toegerust met een ringaffuit voor een MAG-mitrailleur.

De Land Rover Defender is dooor de mariniers ingezet tijdens de missies in Eritrea/Ethiopië (2000/’01), Irak (2003/’04), Afghanistan (2005) en Tsjaad (2008/’09).

De KL heeft onder andere gebruikgemaakt van de ziekenauto LandRover 7,5 kN (109”) met de carrosserieopbouw van Marshall en, zoals alle LaRo’s, 2¼-liter 4-cilinder dieselmotoren (2.286 cc) en een maximumsnelheid van 105 km per uur. De ziekenauto LandRover 7,5 kN, die zowel de DKW Munga type 4 en de jeep M38A1 Nekaf gewondentransport verving, bood naast de chauffeur en de gewondenverzorger plaats aan twee liggende en drie ambulante patiënten.

Specificaties:

brandstoftanks

2 x 45 liter (li en re onder voorstoelen)

breedte

1 meter 98

gewicht

2.195 kg

hoogte

2 meter 18

laadvermogen

565 kg

lengte4 meter 90

 

 

In de periode dat de krijgsmacht gebruik maakte van de LaRo, zijn deze radicaal gemodificeerd. Het resultaat was een geschiedenis van technische problemen, die feitelijk begon met de vervanging van de organieke 7.50 x 16-banden door die uit de reservevoorraad van de Nekaf. Hierdoor ontstonden problemen aan (steek)assen, tussenbak en versnellingsbak.

Alles bij elkaar werden tientallen modificaties doorgevoerd, wat de hoogstaande kwaliteit van de terreinvoertuigen eerder verslechterde dan verbeterde. Tot overmaat van ramp verviel door het modificatieprogramma de fabrieksgarantie van de LandRovers.

Het bekendste naslagwerk over de LandRover, voorzien van tientallen zwart/wit-illustraties, is ‘De Land Rover in Nederlandse militaire dienst, 1974-1990. Over oorzaak en gevolg gesproken’ van R. de Roos (eerste druk 1992, 96 pagina’s, Delta Press, ISBN 9789020126693).

Terug naar Boven

 

LANDVERRAAD

Landverraad is een niet op de Nederlandse wet gebaseerde noch in het Wetboek van Strafrecht opgenomen verzamelnaam voor misdaden waarbij de verrader in kwestie – genoemd: landverrader – al dan niet in oorlogstijd niet loyaal en trouw is aan zijn eigen land met als doel de staatsveiligheid van zijn land in gevaar te brengen.

Voorbeelden van landverraad zijn:

  • doorsluizen van staatsgeheimen aan een vreemde mogendheid
  • meewerken aan een vijand in oorlogstijd (collaboratie)
  • overlopen naar een vijand in oorlogstijd
  • staatshoofd dat op de vlucht slaat voor een en zijn land en onderdanen aan de vijand toevertrouwt

Een voorbeeld van iemand die door velen wordt gezien als een landverrader is Jan ‘Poncke’ Princen.

Terug naar Boven

 

LAPLANDVERSPERRING

Verplaatsbare draadversperring die gelijk is aan een Friese ruiter, maar dan driehoekig in plaats van rechthoekig.

De laplandversperring dient voor het sluiten van openingen in vaste versperringen, zoals onderbrekingen in een vaste hindernis(gordel). De versperring is met name bedoeld tegen personeel en voertuigen ter bescherming van eigen objecten en wordt vervaardigd van standaard versperringsmateriaal.

Zie ook: Friese ruiter.

Terug naar Boven

 

LAST POST

Van origine was de Last Post het op Britse kazernes geblazen signaal om het einde van de dag te markeren bij de (inspectie van de) wisseling van de laatste schildwacht. Het signaal duidde het moment aan waarop de militairen zich te rusten moesten begeven, omstreeks 22.00 uur, en was daarmee het tegenovergestelde van de reveille. Het gebruik rond bedtijd – gebaseerd op het signaal taptoe – dateert van de 17de eeuw, toen Britse troepen in de Nederlanden waren gestationeerd.

Download hier de Last Post (1,37 MB)
Sinds het einde van de 19de eeuw, in het bijzonder in de landen van het Britse Commonwealth of Nations, is het signaal verworden tot de traditioneel laatste groet aan één of meer gevallen militairen.

Het spelen van de Last Post symboliseert het afscheid ter nagedachtenis aan de overleden militair die de uiterste consequentie van zijn militaire plicht is nagekomen: om het leven gekomen. In de regel wordt hierna één minuut stilte gehouden.

Meestal wordt de groet op een militaire begrafenis, ceremonie of herdenking geblazen op een bugel, signaalhoorn of trompet. Door import van de Britten en onder de Britten opgeleide Nederlandse militairen (Prinses Irene Brigade, No. 2 Dutch Troop) is de Last Post ook in Nederland ingemilitaird geraakt.

Het militair ceremonieel maakt een onderscheid tussen begrafenissen en herdenkingen met een buitenlands karakter en die welke typisch Nederlands zijn. Bij de laatste, zoals de Nationale Dodenherdenking op de Dam te Amsterdam (4 mei) klinkt het signaal taptoe (infanterie en bereden wapens) vóór de twee minuten stilte. Bij de eerste, in het bijzonder bij ceremonieel dat een NAVO- of anderszins geallieerd karakter heeft, wordt de Last Post ten gehore gebracht.

Vlak voor de gang naar de grafkelder van Z.K.H. Prins Bernhard op 9 december 2004 in de Nieuwe Kerk te Delft is voor het eerst in de geschiedenis van een begrafenis van een lid van het Koninklijk Huis de Last Post gespeeld. De eer viel te beurt aan sergeant-majoor der mariniers Peter van Dinther van de Marinierskapel van de Koninklijke Marine, die de Last Post op trompet blies.

In het West-Vlaamse Ieper wordt sinds 24 juli 1929, met uitzondering van de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog, elke dag om 20.00 uur de Last Post gespeeld bij de Menenpoort, als eerbetoon aan de gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog. Op 31 oktober 2001 werd hier, in aanwezigheid van de Britse prins Philip en de Belgische kroonprins Filip, voor de 25.000ste keer de Last Post geblazen.

De van origine Britse Last Post mag niet worden verward met de organiek Amerikaanse Taps.

Terug naar Boven

 

LATRINE

Van oorsprong: W.C. of veldtoilet in de vorm van een gat of goot in de grond dan wel een andersoortig eenvoudig of provisorisch buitentoilet. De latrine dateert uit de 16de eeuw en werd, ook in het begin al, vooral toegepast in legerkampen.

Vandaag de dag wordt de latrine nog zelden onder operationele omstandigheden gegraven.

De latrine bevindt zich op een gedisloceerde plaats binnen cq. juist buiten het bivak, in elk geval minimaal 100 meter verwijderd van keukengroepen, voedselopslagplaatsen en wasgelegenheden.

De oorspronkelijke latrine bestaat uit acht palen, acht touwen (om de palen rechtop te houden) en één latrinezeil van ± 30 meter lang en 2 meter hoog. Het gewicht bedraagt ± 60 kg. Het latrinezeil wordt in een U-vorm om de palen gespannen, waarbij één zijde als entree wordt opengehouden. Zo worden twee gescheiden ruimten gecreëerd met een totale oppervlakte van 10 x 10 meter. In elke ruimte wordt een sleuf gegraven. Naast de sleuf staat een pio-schop, zodat naderhand de ontlasting met zand kan worden bedekt om de verspreiding van geuren tegen te gaan. De latrine moet uit oogpunt van hygiëne eenmaal per etmaal worden verplaatst.

Dit is onder meer van belang voor het vermijden van besmettelijke infecties. Vandaar dat ook het wassen van de handen na afloop van het latrinebezoek eerste prioriteit is. Is de latrine vol, dan wordt er op respectabele afstand een nieuwe gegraven.

Als de tactische situatie het toelaat, zal de latrine ’s avonds en ’s nachts verlicht moeten worden met een rode lantaarn, zo niet dan dient een geleidedraad te worden gemaakt met lint of touw.

Een latrine is primitief, onder andere vanwege het (vermeende) gebrek aan privacy, maar met een correcte uitvoering van de hygiëne bij afwezigheid van een dixi hoogst noodzakelijk.

Zie ook: balkan en dixi.

Voorbeeld van een latrine

Bron: onder andere 'Landmacht', november 2004, pagina 23.

Terug naar Boven

 

L.A.W. M72

Voluit: Light Anti-tank Weapon. In het Duits: leichte Panzerabwehrwaffe. In het Frans: arme légère anti-char.

De LAW M72 was binnen de KL de opvolger van de bazooka (jaren ’70) en de voorloper van de AT-4. Het wapen dateert uit de Vietnamoorlog en wordt geproduceerd door Talley Defense Systems.

Het Light Anti-tank Weapon M72 is een éénschotswapen voor het door één persoon aanvallen van gepantserde doelen op korte afstand (zoals bunkers, tanks en versterkte opstellingen). Het verschil met de AT-4 is dat bij de LAW vóór gebruik twee ineengestoken buizen uiteen moet worden geschoven.

Het systeem bestaat uit 2 delen: een kop met holle lading (High Explosive Anti-Tank, HEAT) met doelzoeker en ontstekingsmechanisme én een raketmotor met vaste brandstof. De stabilisatievinnen ontplooien zich ± 10 meter na het afvuren en houden de raket op koers. De waterdichte lanceerkoker is gemaakt van fiberglas en uitgerust met een eenvoudig vizier dat bij het uiteenschuiven vanzelf uitklapt, evenals de oogdop.

Bij het afvuren ontstaat een steekvlam achter het wapen, na het afvuren kan de lanceerkoker worden weggegooid.

Specificaties:

gewicht

2,1 kg

kaliber

66 mm

lengte uiteengeschoven

88,3 cm

maximaal effectieve dracht bewegende doelen

165 meter

maximaal effectieve dracht statische doelen

220 meter

penetratie

30 cm homogeen staal

snelheid

145 meter per seconde

Terug naar Boven

 

LAWS OF ARMED CONFLICT

Afgekort: LOAC.

Wetten van het Gewapend Conflict. Oorlogvoering is gebaseerd op principes. Deze principes staan in de LOAC:

Chivalry

Ridderlijkheid

Onnodig lijden en schade voorkomen door oorlog te voeren volgens de formaliteiten en beleefdheden van het (on)geschreven oorlogsrecht.

 

Distinction

Onderscheid

Onderscheid tussen combatantte en non-combattanten doelen, zoals burgers, burgerbezit, krijgsgevangenen, gewonden en zieken.

 

Military necessity

Militaire noodzaak

Alleen dan uitoefenen van gevechtskracht wanneer het noodzakelijk is om een wettige militaire doelstelling te verwezenlijken.

 

Proportionality

Evenredigheid

In redelijkheid zorgdragen dat de geschatte aantallen burgerslachtoffers en onbedoelde, bijkomende schade (‘collateral damage’) niet bovenmatig zijn in verhouding tot het verwachte militaire voordeel.

Terug naar Boven

 

LDP (LANDMACHT DOCTRINE PUBLIKATIE)

Binnen de Koninklijke Landmacht is haar militaire doctrine beschreven in de zgn. Landmacht Doctrine Publikaties (LDP), uitgegeven door de Doctrinecommissie van de Afdeling Doctrine Opleidings- en Trainingsbeleid van de Directie Beleid & Planning van de Landmachtstaf. Van de LDP's zijn vervolgens de Leidraden (LD's) en Handboeken (HB's) afgeleid.

De doctrinepublicaties zijn in eerste instantie geschreven voor leidinggevenden (commandanten en staven op formatie- en eenheidsniveau).

De LDP's vormen de basis voor de opleiding, training en operationele inzet van de eenheden van de Koninklijke Landmacht, dragen bij aan de ontwikkeling van haar doctrine op het gebied van joint en combined optreden, maar zijn géén draaiboeken voor concrete acties.

Tot op heden zijn zes delen LDP verschenen:

I

 Militaire doctrine

II A

Gevechtsoperaties, Grondslagen

II B

Gevechtsoperaties, Reguliere gevechtsoperaties

II C

Gevechtsoperaties, Irreguliere gevechtsoperaties

III

Vredesoperaties

IV

  Nationale operaties

Terug naar Boven

 

LEAD BY EXAMPLE

Afgekort: LBE. Leiden door voorbeeldgedrag. Lead by example is een karaktereigenschap die binnen Defensie van leidinggevenden wordt verwacht. Een goede leidinggevende geeft én vraagt het goede voorbeeld door de gewenste gedragingen zelf te laten zien: voorbeeldgedrag (“Follow me, and do as I do”).

Lead by example is én wordt aangemoedigd door correct voorbeeldgedrag: handelingen, omgangsvormen, taalgebruik en uiterlijk voorkomen. In de praktijk kan dit onder andere worden getoond door onder alle omstandigheden, ook bij slecht weer en na weinig slaap:

afspraken na te komen

duidelijk te zijn

gemaakte fouten toe te geven

loyaal te zijn

normen en waarden van de krijgsmacht uit te dragen

onberispelijk gekleed te zijn

op tijd te komen

 

LBE is een effectief instrument om leiding te geven. Vaak is voorbeeldgedrag volstrekt normaal gedrag, dat echter wél consequent dient te worden getoond. Met voorbeeldgedrag, dat van leidinggevenden innerlijke discipline en intrinsieke motivatie vergt, wordt bij superieuren, rangsgelijken en onderhebbenden respect afgedwongen.

Lead by example past in de reeks “Lead from the front” (voorgaan in de strijd) en “Practice what you preach” (zeg wat je doet, doe wat je zegt).

De oorsprong van LBE wordt toegeschreven aan Frederik de Grote (1712-1786), alias Frederik II of ‘Der Alte Fritz’, die tussen 1740 en zijn overlijden Pruisen veranderde in een Europese grootmacht en het Pruisische leger bijna onoverwinnelijk. Frederik de Grote – de man achter de uitspraak “Een verraste vijand is een verslagen vijand” – was een invloedrijk militaire strateeg, die onder meer werd bewonderd door Adolf Hitler, Antoine Henri Jomini en Napoleon Bonaparte.

Frederik de Grote (1712-1786)

Zie ook: kerngedragingen instructeur en leidinggeven.

Terug naar Boven

 

LEAD nation

Afgekort: LN. Letterlijk: leidende natie. Procedure waarbij een natie (lidstaat) voor een afgesproken periode in een bepaald gebied de eindverantwoordelijkheid voor een multinationale strijdmacht (coalitie) draagt. De lead nation coördineert de besluiten en de activiteiten van vertegenwoordigers van de multinationale strijdmacht in die periode in dat gebied. De lead nation is de natie met de geschiktheid, de invloed, het vermogen én de wil om de benodigde elementen van diplomatiek/politiek overleg en militaire leiding te leveren om planning, voorbereiding en uitvoering van een multinationale strijdmacht te kunnen coördineren op strategisch, operationeel en/of tactisch niveau.

In 2003 was Nederland bijvoorbeeld, samen met Duitsland, lead nation van de International Security Assistance Force in Afghanistan.

De positie van de natie die het voortouw neemt garandeert enige invloed op zowel de besluitvorming als het verloop van een operatie. Behalve dat de leidende natie een functie vervult in het gemeenschappelijk buitenland- en veiligheidsbeleid en zodoende soms méér gewicht in de schaal kan leggen, ‘verplicht’ zij zich om bijvoorbeeld extra troepen en/of materieel in te zetten. Ook is zij, zeker wanneer zij als eerste in een operatiegebied leidend is, richtinggevend wat betreft de rules of engagement (ROE), hoewel de ROE in beginsel worden vastgesteld in overleg met de aan de missie deelnemende landen. Met de lead nation zal, voornamelijk bij onduidelijkheden, een memorandum of understanding (MOU) worden gesloten.

Zie ook: memorandum of understanding, rules of engagement, transfer of authority (TOA) en troop contributing nation.

Terug naar Boven

LEAN AND MEAN

Letterlijk: “lean” (vaardig, lastig te verslaan) en “mean” (kil, meedogenloos).

Een organisatie die “lean and mean” wordt genoemd, bespaart op onnodige uitgaven. Niet-waardetoevoegende activiteiten (waar de afnemers van de producten en diensten niet voor betalen) en onnodige organisatie-elementen - die niet tot de core business behoren - worden geëlimineerd. Kostenbesparing wordt dus gerealiseerd door het voorkomen van de verspilling van (financiële) middelen.

Op deze manier kan een organisatie waarop is bezuinigd – die bijvoorbeeld een reorganisatie heeft overleefd – gezond worden genoemd. Zowel de route (efficiëntie) als het resultaat (effectiviteit) van de bedrijfsprocessen is goed te noemen en de organisatie concurreert met succes.

Terug naar Boven

 

LEESWIJZER

Militair-Historische Leeswijzer Koninklijke Landmacht

Lijst met boektitels via welke het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) – voortgekomen uit het Instituut voor Militaire Geschiedenis (IMG) – in Den Haag het Defensiepersoneel wil stimuleren meer te lezen over zijn vakgebied.

De ‘Militair-Historische Leeswijzer Koninklijke Landmacht' bevat ruim 50 titels van militaire boeken, ingedeeld naar niveau van militair optreden, en is verspreid bij het periodiek ‘Landmacht' in mei 2005.

Het idee van de leeswijzer is afkomstig van de U.S. Army.

De lijst is samengesteld in samenwerking met Instituut Defensieleergangen, Koninklijke Militaire Academie, Koninklijke Militaire School en Landmachtstaf.

Helaas ontbreekt bijvoorbeeld het boek Beknopt overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen uit de Nederlandsche krijgsgeschiedenis van 1568 tot heden van de eerste luitenant der infanterie I.L. Uijterschout in deze ‘Militair-Historische Leeswijzer Koninklijke Landmacht'.

Een ander monumentaal militair boekwerk dat ontbreekt is het in 1983 verschenen The Red and Green Life Machine. A Diary of the Falklands Field Hospital van Rick Jolly , over zijn ervaringen in de Brits-Argentijnse Falkland-oorlog.

 

Boeken die, in een heruitgave, eveneens in aanmerking zouden kunnen komen voor opname in de Militair-Historische Leeswijzer Koninklijke Landmacht, zijn te vinden in de leeswijzer.

Terug naar Boven

 

LEICA VECTOR KIJKEN/AFSTANDSMETER

De Zwitserse Leica Vector 1000 7x42 DA is een waterdichte veldkijker (binoculair) in rubberen behuizing met geïntegreerde laserafstandsmeter (laser rangefinder) en een digitaal-magnetisch kompas. De Leica Vector is optronica bedoeld voor het detecteren en identificeren van doelen.

De veldkijker wordt onder andere gebruikt door schutters-lange-afstand en sluipschutters.

Met de kijker kunnen, vanaf een bekend punt of de huidige GPS-positie, afstanden en kompashoeken tot de exacte positie van het doel worden gemeten. Na berekeningen kunnen ook afstanden tussen objecten onderling en hellingshoeken worden gemeten. Met deze waarden kunnen de richtmiddelen van wapens worden ingesteld. Zo is de kijker een goed hulpmiddel bij het bepalen van doelposities voor de underbarrel granaatwerper en bij close air support (CAS).

De werking van de laserafstandsmeter berust op het uitzenden van een veilige laserstraal die door het object wordt teruggekaatst. De tijdsduur tussen het moment van uitstralen en het opvangen van de teruggekaatste laserstraal bepaalt, onder andere, de afstand.

Te velde wordt de Leica Vector bewaard en vervoerd in een draagtas; voor transport per voertuig en voor opslag op vredeslocatie is een kunststof koffer beschikbaar.

Specificaties:

bereik

minimaal 4 tot maximaal 2.500 meter

gewicht

1,7 kg

meetbereik digitaal-magnetisch kompas360 graden (6.400 mils)

nauwkeurigheid

± 2 meter

objectief (lens)

42 mm

vergroting

7 x (beeldhoek: 120 mils, d.w.z. 120 meter op 1.000 meter)

voeding

lithium-batterij 6 Volt (type 2CR5), goed voor ± 2.000 metingen

Terug naar Boven

 

LEIDERSCHAPSTRAINING EN -VORMING

Op 8 januari 1960 opende Z.K.H. Prins Bernhard het Studiecentrum voor Militair Leiderschap (SCML) in Huize Sonne-Heerdt in Hilversum. Bij de opening van het SCML – een monumentaal gebouw uit 1910 van de architect Everwijn Verschuyl – benadrukte de prins dat de militaire leider aan zijn onderhebbenden duidelijk moet weten te maken dat zij de westerse waarden verdedigen.

Het SCML zou het leiderschap van hogere onderofficieren gaan bijscholen; onmiddellijk na de opening werd de gehele staf van de Onderofficiersschool (OOS), die in 1961 van naam zou veranderen in KMS, naar het SCML gestuurd. In de eerste vijf jaar van zijn bestaan – het vormingscentrum zou tot 1974 bestaan – zouden bijna 500 hogere onderofficieren de conferenties bezoeken; daarnaast nog eens 2.000 anderen, met name officieren.

Op 8 januari 1960 opende Z.K.H. Prins Bernhard het Studiecentrum voor Militair Leiderschap (SCML) in Huize Sonne-Heerdt in Hilversum.

Het logo van de School voor Leidinggeven en Opleidingskunde (SLO), gevestigd op Nassau-Dietz Kazerne in Budel.

Het SCML moest in een programma van enkele weken leiderschapskwaliteiten ontwikkelen, de onderlinge verhoudingen verbeteren en het vertrouwen bevorderen. In 1974 werd het Opleidingscentrum Didactiek en Militair Leiderschap (OCDML) – eerst in Grave, later in Breda – de opvolger van het SCML. Het OCDML werd vervolgens omgedoopt tot het Instituut voor Leiderschap en Maganement Opleiding (ILMO). In 2001 werd het ILMO opgeheven en ondergebracht bij de Delta-Compagnie op de KMS. Op 7 december 2007 is tenslotte de School voor Leidinggeven en Opleidingskunde (SLO) geopend, nu op de Nassau-Dietz Kazerne in Budel. De SLO bestaat uit de secties Leidinggeven, Opleidingskunde en een Experticecentrum voor Educatieve Multimedia en E-learning.

De essentie van alle bovengenoemde centra is het aanbieden van opleidingen op het gebied van teambuilding, opleidingskunde, onderwijsbegeleiding, militaire ethiek (ethisch bewustwordingsmodel), leidinggeven, leiderschapstraining, instructiebekwaamheid, fundamentele voorlichting, e-learning, didactiek en competenties.

Het einde van het rijtje SCML (Hilversum), OCDML (Grave en Breda), ILMO (Breda), D-Cie KMS (Weert) en SLO (Budel) lijkt niet in zicht. In de nabije toekomst worden, in het kader van de verpaarsing van de krijgsmacht, wellicht relevante opleidingen van de Koninklijke Luchtmacht - 132 DMLO Squadron in Woensdrecht (Didactiek, Militair Leiderschap en Opleidingen) – en de Koninklijke Marine – School voor Maritieme Vorming, Bedrijfsvoering en Onderwijskunde (SMVBO) in Den Helder – samengevoegd met de SLO. Een samenvoeging die kan bijdragen aan de samenhang in de krijgsmacht.

Leiderschapstraining en -vorming (LTV) gaat uit van vijf leiderschapsgedragingen:

  • voorbereidingsvaardigheden
  • uitvoeringsvaardigheden
  • evaluatieve vaardigheden
  • communicatieve vaardigheden
  • sociale vaardigheden

VOORBEREIDINGSVAARDIGHEDEN

Systematisch de uitvoering van de opdracht voorbereiden:

1 Bepaal doelstellingen/opdrachten
2 Bepaal beleid
3 Maak gedetailleerde plannen
4 Organiseer

UITVOERINGSVAARDIGHEDEN

Volgens een gemaakt plan de opdracht (laten) uitvoeren:

5 Bewerkstellig taakgedrag van groep en individu
6 Bewerkstellig samenwerking
7 Bewaak de inzet van personeel, materieel e.d.
8 Bewaak de afstemming doel/opdracht en behoeften/capaciteiten van het personeel
9 Improviseer

EVALUATIEVE VAARDIGHEDEN

Beschrijven en beoordelen wat wel of niet met de opdracht bereikt is en waaraan dat te danken of te wijten is:

10 Stel feiten vast
11 Beoordeel en meet resultaten
12 Trek conclusies
13 Stuur bij

COMMUNICATIEVE VAARDIGHEDEN

Gedachten, gevoelens en wensen aan elkaar overbrengen:

14 Luister
15 Lees
16 Observeer/Neem waar
17 Spreek en schrijf
18 Voer een gesprek
19 Bewaak de communicatie
20 Bewaak de informatievoorziening

SOCIALE VAARDIGHEDEN

Rekening houden met behoeften en gevoelens van mensen:

21 Hanteer verschillende stijlen van leidinggeven
22 Ontwikkel individu en groep tot een team
23 Begeleid individu en groep
24 Ga om met kritiek, ideeën, gedrag, gedachten, meningen, gevoelens, behoeften en veranderingen van mensen.
25 Hanteer stress
26 Hanteer conflicten
27 Ga om met weerstanden
28 Stimuleer en motiveer
29 Beloon en straf

Het totaal van vaardigheden behoort te resulteren in:

30

Geven van het goede voorbeeld

Voorbereiding, uitvoering en evaluatie dienen op communicatief- en sociaalvaardige wijze te worden toegepast. Voor het juist toepassen van de communicatieve en sociale vaardigheden geldt bovendien een eigen voorbereiding en evaluatie.

De vijf basisvaardigheden vormen de bouwstenen van weloverwogen en doeltreffend leiderschap. Daarnaast zijn lichamelijke fitheid (fysieke vaardigheid) en vakbeheersing (vakkennis) uiteraard noodzakelijke vereisten.

Terug naar Boven

 

LEIDINGGEVEN

Binnen de Koninklijke Landmacht wordt als definitie van leidinggeven gehanteerd (onder andere in de Beleidsvisie Leidinggeven en het 'Handboek Leidinggeven in de KL'):

"Leidinggeven is het bewust richting geven aan het gedrag en het inspireren van anderen om gezamenlijk het gestelde doel te bereiken"
Bron: 'Visie Leidinggeven' (Ministerie van Defensie, Werkgroep Staal, november 2007)

De belangrijkste factor voor de leidinggevende is zijn gedrag: hij dient zich te allen tijde te gedragen als voorbeeld, motivator en vakman. Het voorbeeldgedrag van de leidinggevende vergt innerlijke discipline van de leidinggevende.

Download hier de Beleidsvisie Leidinggeven, zoals verwoord door de Bevelhebber der Landstrijdkrachten. Deze verscheen in oktober 1998 als uitneembare special in het vakblad De Onderofficier (664 KB)

Het leiderschap binnen de Koninklijke Landmacht is gebaseerd op een drietal pijlers:

wederzijds vertrouwen

  • van levensbelang
  • relatie tussen wederzijds vertrouwen en zelfstandig handelen
  • vertrouwen als leidinggevende moet verdiend worden door individuele belangen te wegen, consequent te belonen en te straffen, de juiste beslissingen te nemen, en het zelfvertrouwen van de mensen te laten toenemen

zelfstandig handelen

  • binnen de gestelde randvoorwaarden
  • resultaatgerichte opdrachten (Z.A.C.V.M.)

wederzijds respect

  • basis voor respect is een vakbekwaam commandant te zijn
  • elkaar kennen en uw mensen kennen
  • zich bewust zijn van het feit dat uw mensen leiding ontvangen
 

 

LEOPARD 2A6 (NL) MAIN BATTLE TANK

Volgens intimi is de Leopard 2A6, geproduceerd door Krauss-Maffei Wegmann GmbH (KMW) in München, 's wereld beste tank, met als nadeel dat deze niet ‘combat proven' is. Totdat de Leopard 2A6 in een oorlog zal worden ingezet, geldt de Amerikaanse M-1 Abrams als de beste gevechtstank.

Duitse uitvoeringen van de Leopard 2A6 Main Battle Tank

De Leopard 2A6 is een verbeterde Leopard 2A5, die weer de opvolger is van de Leopard 1. Het grootste verschil met zijn voorganger is dat de Leopard 2A6 een langere schietbuis heeft. Daardoor kan de Leopard 2A6 in combinatie met de gebruikte nieuwe munitie dikker pantserstaal doorboren.

De Leopard 2 is in productie genomen in 1979 en sindsdien in dienst in onder andere Denemarken, Duitsland, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Spanje en Zweden. Alleen Duitsland en Nederland hebben de sterk verbeterde Leopard 2A6 in de bewapening. Begin 2003 kwam de eerste van 180 2A6-upgrades de Koninklijke Landmacht binnen.

De Leopard 2A6 verschiet de volgende soorten granaten:

LKE II (DM53)

Kinetische energie-granaten

M(ehr)Z(weck) DM12

Multifunctionele brisantgranaten

LKE II

Pantserdoorborende granaten

Elk paraat tankeskadron heeft de beschikking over 14 stuks van de Leopard 2A6; elk tankbataljon telt er dus 42 (A-, B- en C-eskadron).

Specificaties:

bemensing

4: commandant, chauffeur, lader en schutter

bewapening

120 mm L 55 gladde schietbuis

2 x coaxiale mitrailleur MAG 7.62 mm anti-aircraft (één bij het ladersluik, één naast het hoofdgeschut)

12 x rookbuslanceerinrichting (6 aan elke kant)

bodemvrijheid

48 cm

breedte

3 meter 76

breedte track

64 cm

brugclassificatie

70 ton

doorwadingsmogelijkheid

2 meter 25

gevechtsgereed gewicht

59,9 ton

hoogte

3 meter 03

lengte

10 meter 97 (inclusief schietbuis)

maximaal klimvermogen

60%

maximaal rijbereik

340 km op verharde weg; 220 km in terrein

maximumsnelheid

70 km per uur (verharde weg)

motor

12 cilinder watergekoelde dieselmotor

motorvermogen1.100 kW (1.500 pk)

munitievoorraad t.b.v. schietbuis

42 granaten

vuursnelheid

8 schoten per minuut

De Leopard 2A6 beschikt over een warmtebeeldsysteem voor zowel commandant als schutter, een volledig elektronisch vuurleidingssysteem en een gemodificeerde laserafstandsmeter. Daarnaast is er een tv-camera gemonteerd op de achterkant van de tank met een monitor ten behoeve van de chauffeur en beschikt de tank over een landnavigatiesysteem met geïntegreerd Global Positioning System.

Links de Leopard 2A4, rechts dezelfde gevechtstank na de Kampfwertsteigerung (KWS). Na deze gevechtswaardeverbetering, uitgevoerd in de jaren ’90 van de 20ste eeuw, mocht de Leopard zich 2A5 noemen. Door de KWS werd vooral de bescherming van de toren verbeterd.

Een Leopard 2A6 op het strand? In mei en juni 2006 vond op de Nederlandse Antillen de internationale oefening Joint Caribbean Lion plaats. De Leopards 2A6 van 42 Tankbataljon Regiment Huzaren Prins van Oranje van 43 Gemechaniseerde Brigade behoorden tot de ± 700 Nederlandse militairen die aan de oefening deelnamen.

In Vriezenveen, onder de rook van Almelo (Overijssel), werd in 1984 een NAVO-depot geopend ter grootte van 35 hectare. In de eerste Koude Oorlog-jaren had de Amerikaanse 19th Combat Equipment Company hier een Combat Equipment Base (CEB). In klimaatgecontroleerde opslagplaatsen (140.000 m²) werd hier het vooruitgeschoven materieel van een Amerikaanse pantserbrigade bewaard en cyclisch onderhouden, van Abrams tanks en Bradley gevechtsvoertuigen tot Humvees. Alleen voor oefeningen of ernstinzet verliet het rollend materieel incidenteel de POMS-site.

Alle werkzaamheden, zoals conservering, preservering (gereedmaken voor langdurige opslag) onderhoud en complete revisie, van de rups- en wielvoertuigen, communicatiemiddelen, elektronische apparatuur en geniemateriaal vonden op de site plaats.

Na die tijd bleef het complex Amerikaans, maar veranderde van naam: Prepositioned Organizational Material Storage (POMS)-site.

Nadat de Amerikanen medio 2004 de site verlieten, kreeg het mobilisatiecomplex (mobcplx) de benaming Uitvoering Organisatie Vriezenveen (UOV), als onderdeel van de Defensie Materieel Organisatie (DMO). Hier wordt al het afgestoten materiaal verzameld en gereedgemaakt voor de verkoop aan andere landen.

Op 8 april 2011 maakte de toenmalige Minister van Defensie Hans Hillen omvangrijke bezuinigingsreorganisatie bekend in ‘Defensie na de kredietcrisis: een kleinere krijgsmacht in een onrustige wereld’. Al in mei werden alle tanks stilgezet.

Nog geen anderhalf jaar later, op 16 september 2012, werd met groot militair ceremonieel de regimenten Huzaren van Sytzama en Huzaren Prins van Oranje ontbonden. De standaarden werden opgelegd en aangeboden aan de Commandant Landstrijdkrachten.

Hiermee verdwenen de twee laatste tankbataljons uit de slagkracht van de Koninklijke Landmacht: 11 en 42 Tankbataljon. En dus verdwenen hiermee alle tanks, in totaal 119 stuks, naar het mobcplx Vriezenveen.

Zie ook: main battle tank, Pionierpanzer 3 Kodiak (genie- en doorbraaktank) en tank.

Terug naar Boven

 

LEOPARD 2 'BUFFEL' BERGINGSTANK

De Leopard 2 bergingstank, bijgenaamd ‘Buffel’ (Bergepanzer) is sinds 1993 in gebruik bij de tank- en verkenningsbataljons van de Koninklijke Landmacht.

Leopard 2 'Buffel' bergingstank 600 kN (© foto's Ministerie van Defensie)

De bergingstank, met een brugclassificatie van 60 ton, is in in staat om tanks tot hetzelfde gewicht bij pech onderweg te bergen. Het voertuig beschikt over een kraan-, las-, lier- en snij-installatie. De effectieve kabellengte van de 33 mm dikke spil-winde-lier is 180 meter. De liercapaciteit heeft een constant vermogen van 35 ton. In plaats van een geschutskoepel op het dek beschikt de ‘Buffel’ over een kraan met een maximaal hijsvermogen van 30 ton. De kraan, rechtsvoor op de bergingstank geplaatst, kan 270 graden draaien. De ‘Buffel’ is hiermee onder andere in staat om het motorblok van een andere Leopard-tank in 35 minuten in- en uit te bouwen. Het onderstel van de 'Buffel' is voorzien van een loopwerkblokkering, die voorkomt dat de tank inveert bij de uitvoering van takelwerkzaamheden.

Om het voertuig te verankeren en stabiel te houden is het uitgerust met een dozer- en steunblad. Tevens is het mogelijk om een reserve-krachtbron van een Leopard 2 op het achterdek mee te voeren.

De bemanning van de bergingstank bestaat uit één commandant, één chauffeur en één monteur.

bewapening

mitrailleur MAG 7.62 mm

brandstofcapaciteit

1.630 liter

breedte

3 meter 54

gevechtsgewicht

54 ton

hoogte

2 meter 92 (inclusief zwaailicht)

koppel

4.700 Nm

lengte

9 meter 07

maximaal terreinbereik

325 km

maximaal wegbereik

650 km

maximumsnelheid

68 km per uur

motor

12 cilinder dieselmotor 47,6 liter

motorvermogen

1.500 pk (1.102 kW)

Op 8 mei 2001 vond tijdens de missie SFOR in Bosnië-Hercegovina een dodelijk ongeluk plaats met een bergingstank bij de compound Bugojno, waarbij de de 21-jarige kanonnier der eerste klasse Bas Alsemgeest om het leven kwam.

Op 26 september 2009 hebben twee Leopard bergingstanks geassisteerd bij het bergen van de twee goederentreinen die op 24 september bij Barendrecht op elkaar waren gebotst. Ondanks eerdere pogingen, onder andere met hoogwerkers en kranen, lukte het niet om de wrakstukken van de treinen onder het viaduct van de snelweg A15 uit elkaar te trekken. Daarop deden de burgemeesters van Barendrecht en Rotterdam een beroep op militaire bijstand. De twee bergingstanks van 11 Tankbataljon Regiment Huzaren van Sytzama - dat deel uitmaakt van 13 Gemechaniseerde Brigade uit Oirschot – waren met diepladers naar Barendrecht gebracht. De bergingstank beschikt over zeer krachtige liercapaciteit, waarmee de locomotieven uit elkaar kunnen worden getrokken.

Terug naar Boven

 

LESSONS LEARNED

Het verwerven, verwerken en verstrekken van operationele ervaringsgegevens ten aanzien van de voorbereiding, uitvoering en afhandeling van operaties. De praktijk laat zien hoe iets anders of beter gedaan kan worden cq. hoe iets voortaan beter nagelaten kan worden. De operationele ervaringsgegevens, (laten) leren van elkaars ervaringen op grond van praktische feiten.

Behalve de inzet (operationele taakuitvoering) zelf, gaat het hierbij ook om de instandhoudingsprocessen rondom de inzet. Tot de instandhoudingsprocessen behoren:

afwikkeling van inzet

evaluatie

oefening

opleiding

training

voorbereiding op inzet

In 1993 heeft de Koninklijke Landmacht een Bureau Lessons Learned opgericht. Tot dan toe bleven de verzamelde lessons learned dikwijls steken op bataljons- of brigadeniveau. Andere eenheden trokken hierdoor géén of nauwelijks profijt van opgedane ervaringen. Het nieuw opgerichte bureau moest ook voorkomen dat bij iedere Peace Support Operation opnieuw het wiel werd uitgevonden. Met name bleek het lastig om in de voorbereiding op deelname aan de missie UNPROFOR in voormalig Joegoslavië om gebruik te maken van de lessons learned van 44 Pantserinfanteriebataljon tijdens de missie UNIFIL in Libanon.

Logo van de Sectie Lessons Learned

Uiteindelijk kunnen lessons learned resulteren in aanpassingen van gedrag, oefen- en opleidingsprogramma's, procedures, voorschriften of zelfs doctrine.

Lessons learned zijn dan ook bruikbaar voor planning, voorbereiding en uitvoering van nieuwe missies.

Sinds 1997 maakt een Sectie Lessons Learned formeel deel uit van de Operationele Staf van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten - nu Commandant Landstrijdkrachten (CLAS). Sinds eind 2000 is de digitale database met lessons learned voor de gehele krijgsmacht toegankelijk via intranet.

De Sectie Lessons Learned valt tegenwoordig onder het Opleidings en TrainingsCommando (OTCO) en verspreidt in een oplage van 2.500 exemplaren zgn. Lessons Learned-publicaties:

NR

NAAM

UITGAVE

1

Lessons Learned & Commandovoering in voormalig Joegoslavië

2000

2

Humanitair ontmijnen

1998

3

Intel

1998

4

De onderofficier

1998

5

Crowd and Riot Control-optreden in voormalig Joegoslavië

1999

6

De sociale patrouille

1999

7

CIMIC

2001

8

Helikopteroperaties tijdens uitzendingen

1999

9

Winteroptreden (deel 1)

2000

10

Samenwerken met Britse militairen

2000

11

Winteroptreden (deel 2)

2000

12

Het monitoren van mijnenruimactiviteiten & Het proven en clearen van routes

2000

13

Konvooien bij vredesoperaties

2001

14

Warmweeroptreden

2001

15

Samenwerken met Duitse militairen

2003

16

Islam

2003

17

Ervaringen tot lessons learned

2003

De Lessons Learned-publicaties 1 t/m 13 zijn vervallen; de inhoud is verwerkt in vigerende regelgeving en voorschriften.

De Sectie Lessons Learned is gevestigd op de Luitenant-generaal Knoopkazerne in Utrecht.

Voorganger van de Nederlandse Sectie Lessons Learned is het Center for Army Lessons Learned (C.A.L.L.) – gevestigd in Fort Leavenworth, Kansas – van de Amerikaanse landmacht. C.A.L.L. hanteert ten aanzien van de gegevens voor lessons learned als doelstellingen:

dissemination

verspreiding

collection

verzameling

improved application

verbeterde toepassing

Omslag van Lessons Learned-publicatie 17

Het proces om te komen tot Lessons Learned:

  • Verzamelen van informatie
  • Analyseren en identificeren van lessen uit informatie
  • Overzicht van Lessons Noted: geconstateerde vermoedelijke lessen in relatie tot D.C.T.O.M.P.-factoren
  • Aanbieden Lessons Noted aan (vak)autoriteit
  • Autoriteit verwerkt Lessons Noted in integrale O&T-traject; Lessons Learned worden bekendgesteld in doctrinepublicaties, handboeken en voorschriften
  • Lessons Learned worden ingetrokken

Zie ook: C.A.L.L., D.C.T.O.M.P.-factoren en war diarist.

Terug naar Boven

 

LEUNSTOELSTRATEEG

In het Duits: Hobbystratege. In het Engels: armchair general. In het Frans: général de fauteuil. Niet noodzakelijk – maar wel vaak – een oud-generaal die liefst vanuit de luie stoel, met een dikke bolknak tussen de lippen én bij de open haard Defensie als hobby becommentarieert. Leunstoelstrategie heeft dan ook niets met strategie en alles met gemakzucht en luiheid te maken. De generaals b.d. blijken hierin als gewezen militair soms opvallend kundiger dan toen zij als militair in werkelijke dienst de scepter zwaaiden.

Leunstoelstrategen zijn echter met name klebu’s en nukubu’s die liefst 24 / 7 zappen tussen Al Jazeerah, BBC World Service en CNN, elkaar gemakshalve napraten en zich weigeren te verdiepen in de achtergronden. Toch leveren zij – gespeend van enige kennis – zelden meer dan negatieve kritiek op de krijgsmacht en haar verrichtingen. Stemmingmakerij is voor het leeuwendeel van de leunstoelstrategen het ultieme stokpaardje. De meeste leunstoelstrategen zijn dan ook IWAB’s van naam.

Terug naar Boven

 

LEWISIET

Duits: Lewisiet. Engels: lewisite. Frans: lewisite. Bijnaam: “Dew of Death”. Chemische formule: C2H2AsCl3. Generieke naam: 2-chloorvinyl-dichloor-arsine. Code: L. Chemisch strijdmiddel dat behoort tot de blaartrekkende gassen (vesicantia), hoewel “gas” hier misleidend is: lewisiet komt voor als damp (aerosol) of vloeistof.

Lewisiet heeft dezelfde uitwerking als (zwavel)mosterdgas maar met een hogere werkingssnelheid. De vergiftigingsverschijnselen openbaren zich hierdoor sneller en heftiger. Daarnaast is lewisiet verraderlijk: lewisietdamp is zwaarder dan lucht, waardoor het neerslaat in laaggelegen gebieden. Tot slot lost lewisiet op in de waterdamp in de lucht, waardoor het niet sterk genoeg kan worden ingeademd om onmiddellijk dodelijk te zijn; juist onder neerslagrijke omstandigheden is hierdoor de uitwerking zeer gering. Omdat de aerosoldruppels goed gedijen onder extreem koude en warme temperaturen, kan lewisiet echter lang in de omgeving blijven hangen.

In 1918 is dit strijdmiddel, op basis van organische arseenverbinding, ontwikkeld door de Amerikaanse chemicus Winford L. Lewis (1878-1943); de eerste scheepslading van deze verbeterde versie van mosterdgas – met als specifieke eigenschap: penetratie van het rubber van de NBC-maskers (!) – bereikte Europa pas na het tekenen van de wapenstilstand van W.O. I. Hoewel de Verenigde Staten tot in de jaren ‘50 ± 20.000 ton lewisiet hebben geproduceerd, is het strijdmiddel nooit gebruikt.

Lewisiet is bij uitstek 'buitengevechtstellend': na 10 à 20 seconden ontstaan stekende pijn en erythemen op de huid, na 30 minuten roodheid en binnen 12 uur blaren. Verdere verschijnselen zijn branderige en gezwollen ogen, irritatie tot en met verstikking van de luchtwegen, sepsis en multiple organ failure. Bij blootstelling aan grote hoeveelheden lewisiet volgt arseenvergiftiging.

In tegenstelling tot bij (zwavel)mosterdgas bestaan er tegengiffen voor huidbesmetting met lewisiet: BAL (British Anti-Lewisite) en DMPS (2,3-dimercapto-1-propanesulfonisch zuur). Hoewel effectief kennen ze veel bijwerkingen en richten ze weinig uit tegen de lange-termijngevolgen van arseenvergiftiging.

Specificaties:

bescherming

NBC-masker en beschermende kleding

geur

geraniums

kookpunt

190° C

ontleding

boven 100° C

ontsmetting

chloorkalkwatermengsel (DS-2) of natronloog; bij vloeibare besmetting op de huid RSDL

oplosbaarheid in water

zeer slecht

smeltpunt

18° C

tegengif

BAL of DMPS

voorkomen

stroperig; kleurloos tot lichtbruin

Zie ook: CBRN-middelen, DS-2 en FM-12 (CBRN-masker).

Terug naar Boven

 

LIAISON

Uitwisseling van contact, bijvoorbeeld voor de coördinatie en planning van gezamenlijk optreden, tussen groepen of eenheden van krijgsmachten, in het bijzonder op joint niveau.

Liaison vindt plaats ter garantie van:

doelgerichtheid

eenheid van inspanning

wederzijds begrip

Liaisons zijn vaak officieren of hoger gegradueerde onderofficieren. Zo kan een land met de plaatsing van liaisons in een ander land zich een beeld van de situatie ter plaatse creëren; later kan deze informatie worden aangewend bij een missie ter plaatse.

Zo werkt Nederland binnen EUFOR (voorheen: SFOR) in Bosnië-Hercegovina met LOT’s (Liaison & Observation Teams). Vanuit huizen verspreid over het gehele operatiegebied hebben de LOT’s een bemiddelingsfunctie tussen burgers, lokale autoriteiten én internationale troepenmacht.

Terug naar Boven

 

LICHT

De afwezigheid van licht is essentieel voor het tactisch optreden van militairen. Licht is echter vaak onmisbaar: 80% van de zintuiglijke informatievoorziening vindt plaats met behulp van de ogen. Normaal gesproken wordt licht geproduceerd door zon, maan en sterren.

De periode waarin de militair in meer of mindere mate gebruik kan maken van daglicht is gelegen tussen BNMS / zonsopkomst en zonsondergang / ENAS. Daarna is er sprake van de afwezigheid van natuurlijk licht: duisternis. Heeft daglicht nog een lichtopbrengst van ± 15.000 lux, bij schemering is dit nog maar 10 lux, bij volle maan 0,1 lux en bij een bewolkte nacht zonder maan éénduizendste lux.

Rood licht

Het gezichtsvermogen (visus) heeft last van de duisternis. Zonder  hulpmiddelen – schijnsel van (zak)lampen, helderheids- of infraroodversterkers en warmtebeeldkijkers – kan de duisternis het tactisch optreden bemoeilijken of uitbuiten.

Het beste is om ’s avonds en ’s nachts géén licht te gebruiken: het wijd verbreide gebruik van nachtzichtkijkers maakt onderkenning zeer gemakkelijk. Licht trekt de aandacht: niet alleen lichtbronnen, ook de weerkaatsing van licht op gladde, glanzende of witte oppervlakken (brillenglazen, horloges, messtins, plastic mappen en vuilniszakken, ruiten, spiegels, veiligheidsbrillen, wapens en gesteven uniformen).

Soms moet de militair echter vanuit een met kunstlicht verlichte ruimte de duisternis betreden. Een aantal seconden kan dan niets worden gezien. Pas na 20 minuten kunnen nagenoeg alle voorwerpen in de duisternis weer worden onderscheiden, omdat het wennen aan duisternis veel langzamer gaat dan de gewenning aan licht.

In het netvlies (lichtgevoelige achterwand van het oog) bevinden zich kegeltjes en staafjes. Kegeltjes zijn belangrijk bij veel licht en het zien van kleuren, staafjes bij weinig licht en het onderscheiden van grijswaarden. Kegeltjes hebben pigmenten voor rood, groen of blauw. Kegeltjes met het rode pigment hebben een gemiddelde golflente van 655 nanometer (nn), die met het groene pigment een van gemiddeld 535 nn en die met het blauwe pigment een van gemiddeld 445 nn.

Een zaklamp met een blauw filter zal in de praktijk het minst goed waarneembaar zijn. Hoe lager de golflengte, des te donkerder de kleur en hoe moeilijker waar te nemen. Het plaatsen van filters op een zaklamp in de volgorde van de hoogste naar de laagste golflengte is: wit, geel, rood, groen, blauw.

Blauw licht

In de duisternis worden grijswaarden onderscheiden in plaats van kleuren. Zodra het donker is, wordt in de staafjes de lichtgevoelige stof gezichtspurper aangemaakt. Zodra het weer licht wordt, wordt gezichtspurper afgebroken en neemt de lichtgevoeligheid in het donker af. Daarnaast worden de pupillen groter bij minder licht (zodat de ogen meer licht kunnen opvangen) én neemt de diepte voor scherp zicht af.

De staafjes bevatten ook rhodopsine (vitamine A). Dit is een lichtgevoelige zintuigcel (fotoreceptor). Wanneer het donker is en het licht daardoor het netvlies minder prikkelt, verandert rhodopsine in de staafjes van vorm, waarna de zenuwcellen het opgevangen restlicht in de hersenen omzetten naar beelden. Al na 1 minuut is door de veranderde vorm van de staafjes de lichtgevoeligheid 10 maal groter, na 20 minuten op z’n best. Zodra het oog wordt blootgesteld aan (kunst)licht, wordt rhodopsine weer afgebroken.

Om in het donker licht te maken, wordt militairen aangeleerd om rood licht te gebruiken, omdat de staafjes het minst gevoelig zijn voor rood licht. Behalve dat rood licht matter, onscherper en minder waarneembaar is, zorgt het gebruik van rood licht voor de beste instandhouding van het nachtzicht.

Rood licht heeft echter ook nadelen:

tr>
  • het is alleen op (zeer) korte afstand te gebruiken
  • het is extreem gevoelig voor waarneming door nachtzichtapparatuur (zaklampen met een rood filter of de brandende tip van een sigaret kunnen op 4 km afstand nog worden waargenomen
  • het is ongeschikt voor eerstehulpverlening (bloed is minder goed zichtbaar)
  • het is ongeschikt voor kaartlezen (bruine hoogtelijnen zijn niet meer zichtbaar)

Het Amerikaanse Field Manual 3-20 (‘Camouflage, concealment and decoys’) zegt niet voor niets: “To reduce the chances of detection, replace red filters with blue-green filters and practice strict light-discipline”.

De beste optie is onder een lichtdichte poncho zo weinig mogelijk licht te maken, liefst een zaklamp die op een minuscuul streepje na is afgetapet.

Zie ook: breaklight, camouflage (lichtdiscipline), nautische avondschemering (BNMS en ENAS) en zaklamp MX-991/U.

Terug naar Boven

 

LICHTMUNITIE

Duits: Leuchtmunition. Engels: illuminating ammunition. Frans: munitions éclairantes.

Lichtmunitie heeft een verspreidings-, uitstoot- of voortdrijvende lading.

Het is pyrotechnische munitie die is ontworpen om één enkele bron van intens licht voort te brengen voor de oplichting van een doelgebied. Onder de verzamelnaam ‘lichtmunitie’ vallen lichtpatronen, -granaten en -projectielen, maar ook verlichtings- en doelmarkeringsbommen.

Vaak wordt fosfor als lichtbron gebruikt. Zodra de lading het hoogste punt heeft bereikt, wordt een parachutesysteem gebruikt om de valsnelheid van de lichtbron te vertragen én de verlichting van het doelgebied te stabiliseren.

Zowel defensief als offensief kan lichtmunitie worden gebruikt. Defensief bijvoorbeeld door nachtelijke patrouilles te ondersteunen met de inzet van lichtmunitie, offensief door vijandelijke artillerie-, mortier- en raketaanvallen te beantwoorden met lichtmunitie uit de eigen mortieren om vijandelijke troepen in het licht te zetten. Met name (hoge) gebouwen verminderen de effectiviteit van de verlichting door schaduwen te creëren, die overigens zeker ook ten eigen voordele kunnen worden uitgebuit.

Zie ook: gevechtsveldverlichting.

Terug naar Boven

 

LICHTspoorMUNITIE

Ook genaamd: lichtkogel. Afgekort: ltsp mun. Duits: Leuchtspurmunition; Munition mit Leuchtspur; Spurmunition. Engels: tracer ammunition. Frans: munition traçante; munition traceuse.

Patroon waarvan het kogelgedeelte aan de achterkant is voorzien van brandsas met een chemische stof, bijvoorbeeld antimoon, fosfor of magnesium. Bij het afvuren laat de kruitlading het zeer brandbare sas ontbranden, wat gedurende de kogelvlucht een felle lichtbron laat ontstaan.

Binnen de NAVO is deze lichtbron, analoog aan de roodgelakte patroonpunt, roodgekleurd (door toevoeging van strontiumnitraat), bij het voormalige Warschaupact en China groenkleurig (bariumnitraat). Witte lichtspoor, op basis van magnesium, is bedoeld voor gebruik overdag.

Omdat lichtspoormunitie een duidelijk zichtbare vuurstreep in de lucht achterlaat, is de kogelbaan ook bij daglicht voor het blote oog waarneembaar. Doordat de kogelbaan kan worden gevolgd, is lichtspoormunitie ideaal voor correcties tijdens het vuren. Omdat het richten gemakkelijk kan worden aangepast, kan de schutter met één schot of vuurstoot het doel voor anderen aanduiden (markeren). In geschakelde munitie (band, magazijn) ten behoeve van mitrailleurs is vaak elke 5de patroon lichtspoor.

Omdat brandstichting een neveneffect is van lichtspoormunitie, wordt zij niet tot de brandwapens gerekend.

Nadelen van lichtspoormunitie:

  • Bevat géén explosieve lading (enkelschots nauwelijks vijandvertragend effect; treffer op brandstoftank of munitievoorraad sorteert resultaat)
  • Kogelgewicht neemt, door het opbranden van brandsas, gedurende de kogelvlucht af, waardoor een afwijkende aerodynamica van de kogel en dus een ongewone kogelbaan ontstaat
  • Verraadt de eigen positie verraadt (maakt kwetsbaar voor direct vuur)

Terug naar Boven

 

LIDDELL HART, SIR BASIL (HENRY)

Geboren: Parijs, 31 oktober 1895, als kind van joodse ouders. Overleden: Marlow (Buckinghamshire, Engeland), 29 januari 1970, op 74-jarige leeftijd.

Brits militair historicus, militair, oorlogscorrespondent en strateeg. Vooral bekend geworden door zijn pleidooi voor gemechaniseerde oorlogsvoering (tanks) en de coördinatie van grondtroepen en de luchtmacht (air power) - een voorloper van de manoeuvreoorlogvoering.

Hij brak bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zijn studie geschiedenis aan Cambridge University af en diende als officier in het Britse leger (King's Own Yorkshire Light Infantry) aan het Westfront. Tijdens het Britse offensief aan de Somme in 1916 raakte hij bij een Duitse gasaanval ernstig gewond.

In 1920 schreef hij het handboek ‘Infantry Training’, waarin zijn sinds 1917 ontwikkelde ‘battle drill’ was beschreven, alsook de zgn. ‘expanding torrent’ (letterlijk: “uitbreidende stortvloed”).

Deze aanvalsmethode kwam voort uit een infiltratietactiek uit 1917-’18. De ‘expanding torrent’ beschrijft een troepenconcentratie die zich richt op zwakke vijandelijke posities. Beslissend voor het succes zijn snelheid (momentum), het uitbuiten van verstoringen (frictie) en het zelfstandig optreden van grondeenheden. Doel van de ‘expanding torrent’ zijn verwarring, verstoring en demoralisatie teweegbrengen. In de praktijk moest een beweeglijke eenheid het front doorbreken om het achterland van de vijand te ontwrichten en vijandige troepen aan het front te isoleren (binden). Liddell Hart definieerde strategie als “the art of distributing military means to fulfil the ends of policy”.

In 1923 raakte hij deels gehandicapt – waarschijnlijk als gevolg van de langetermijn-effecten van de gasaanval had hij in 1921 en ’22 lichte hartaanvallen gehad – Gedecoreerd vanwege dapperheid in WO I, verliet hij als kapitein in 1927 het leger.

Vervolgens werkte hij als oorlogscorrespondent bij de Daily Telegraph (1925-’35), als militair adviseur bij The Times (1935-’39) en in de beginjaren van WO II opnieuw voor de Daily Telegraph. In 1937-’38 was hij persoonlijk adviseur van de Britse Minister van Defensie Leslie Hore-Belisha, een periode waarin vele van de door hem bepleitte voorstellen werden uitgevoerd en waarin hij stelde dat Groot-Brittannië oorlog op het Europese vasteland moest voorkomen omdat het land daar militair niet klaar voor was.

Liddell Hart sprak zich uit voor diepe strategische binnendringing door tanks, geëscorteerd door gemotoriseerde infanterie en in nauwe samenwerking met vliegtuigen. Maar zijn poging om het leger met, bijvoorbeeld, tanks en luchtafweergeschut te mechaniseren werd door de meeste officieren gedwarsboomd. Uit deze tijd dateert waarschijnlijk één van zijn beroemdste citaten: “The only thing harder than getting a new idea into the military mind, is to get an old one out”.

Bij de openbaarmaking van geheime MI5-archieven in 2006 kwam aan het licht dat Liddell Hart al drie maanden vóór D-Day achter de gedetailleerde plannen voor de geallieerde landingen was gekomen. Hij liet zich hierover tegenover politieke en militaire leiders kritisch uit en schreef in de Daily Mail ‘Some Reflections on the Problems of Invading the Continent’. Daarna werd hij door de Britse geheime dienst in de gaten gehouden en werden zijn telefoongesprekken afgeluisterd.

In 1966 werd hij bij gelegenheid van New Year’s Honours door Queen Elizabeth II geridderd tot Knight Bachelor, waardoor hij de titel ‘Sir’ verkreeg.

Opvallend is dat Liddell Hart en zijn vele boeken invloedrijker waren in Duitsland dan in Frankrijk en Groot-Brittannië. Zijn theorie van ‘expanding torrent’ werd, samen met de doctrines van generaal J.F.C. Fuller over de ontplooiing van tanks, overgenomen door de Duitse pionier op het gebied van tankoorlogvoering, Heinz Guderian. Dat werd de basis voor de Blitzkrieg, waarmee de Duitse Wehrmacht in 1939-’41 het Europese continent overrompelde. Liddell Hart beïnvloedde in het Interbellum ook de Duitse generaals Werner von Blomberg en Walter von Reichenau.

Liddell Hart bestudeerde en bewonderde Flavius Belisarius, Napoleon, Sun Tzu en T.E. Lawrence, noemde de Amerikaanse generaal William Tecumseh Sherman (1820-‘91) “the first modern general”, duidde de Slag bij Cambrai in 1917 als “one of the landmarks in the history of warfare, the dawn of a new epoch"(“een van de mijlpalen in de geschiedenis van oorlogvoering, het begin van een nieuw tijdperk”) en zag weinig in Clausewitz (“Clausewitz contributed no new or striking progressive ideas to tactics or strategy. He was a codifying thinker, rather than a creative or dynamic one”). Ook verweet hij Clausewitz “the Mahdi of Mass” te zijn geweest. Wellicht komt zijn afkeer van Clausewitz voort uit het feit dat Liddell-Hart géén Duits las en moest putten uit slechte Engelse vertalingen van ‘Vom Kriege’.

Liddell Hart was de auteur van vele militaire biografieën en boeken over militaire strategie, WO I (‘History of the first World War’, 1973) en WO II (‘History of the second World War’, 1970), onder meer over Scipio Africanus Major, W.T. Sherman en T.E. Lawrence. Na WO II interviewde hij Duitse generaals voor ‘The Other Side of the Hill’ (1948).

In ‘53 zagen zijn pseudomemoires van Erwin Rommel het licht in ‘The Rommel Papers’. Hij correspondeerde met veel publieke figuren uit zijn tijd, zoals Lord Beaverbrook, Robert Graves en T.E. Shaw.

Zijn meest bekende boek is ‘Strategy: the Indirect Approach’, dat in 1929 voor het eerst werd gepubliceerd onder de titel ‘The Decisive Wars of History’. De ‘indirect approach’ (“indirecte benadering”) putte hij uit zijn ervaringen tijdens WO I en benadrukte de elementen ‘mobiliteit’ en ‘verrassing’. De ‘indirect approach’ baseerde zich op zijn stelling dat directe aanvallen op een stevig gepositioneerde vijand niet werken – een flankaanval daarentegen wel – en daarom nooit mogen worden geprobeerd én dat, om de vijand te verslaan, die vóór de hoofdaanval uit balans moet worden gebracht.

Later haalde hij Rommel’s campagnes in Noord-Afrika aan als een klassiek voorbeeld van de ‘indirect approach’.

Terug naar Boven

 

LIEBHERR MOBIELE KRAAN FKM

Mobiele kraan die in gebruik is bij eenheden van de genie.

De Liebherr mobiele kraan FKM is in eerste instantie bedoeld voor bergingswerkzaamheden, maar biedt daarnaast in een veelheid aan taken ondersteuning op velerlei gebied. De mobiele kraan valt in dezelfde categorie als aggregaten, betonmixers, compressoren, generatoren, graafmachines, graders, hijskranen, kippers, pompen, sneeuwruimers, trilwalsen en wiellaadschoppen.

Het Military Load Classification-70-wegenmatsysteem wordt door deze kraan op het bijbehorende voertuig geplaatst. De mobiele kraan heeft een drie-assig onderstel met besturing op alle zes wielen. Ook is de kraan voorzien van een bergingslier. Tijdens het hijsen bevindt kraanplatform zich op 5 meter afstand van de last.

Bij de mobiele kraan behoort een twee-assige 25kN aanhangwagen met hulpmiddelen als hijsbanden, hijshaken, kettingen en stempelplaten, opdat een veelheid aan werkzaamheden (overslaan van goederen, slepen en takelen) kunnen worden uitgevoerd.

De bemanning van de Liebherr mobiele kraan FKM bestaat uit een chauffeur, tevens machinist, en een bijrijder, eveneens tevens machinist.

Specificaties:

breedte

2 meter 75

brugclassificatie

28 ton

doorwaden1 meter 20
hoogte3 meter 25

lengte

10 meter 99

lengte telescopische hijsarm

22 meter

maximaal hijshaakhoogte

23 meter

maximaal hefvermogen

20 ton

maximale hellingshoek60 graden

maximumsnelheid

75 km per uur

motor

KHD 10-cilinder-dieselmotor

motorvermogen235 kW (320 pk)

toelaatbare totale massa

27.300 kg

De Liebherr mobiele kraan FKM wordt geproduceerd door Liebherr Werk Ehingen/Donau GmbH in Duitsland.

Zie ook: wegenmattenlegger MLC-70 en Werklust wiellaadschop UNIBOMA.

Terug naar Boven

 

LIGSLEUF

Synoniem: alarmopstelling. Een ligsleuf is een gevechtsdekking die wordt gegraven om de individuele militair zichtdekking (tegen vijandelijke waarneming) en vuurdekking (tegen vlakbaanvuur) te kunnen bieden.

Militair in positie in ligsleuf

Tevens dient een ligsleuf als vuurpositie: om zelf vuur te kunnen uitbrengen. Vandaar dat de ligsleuf, afhankelijk van terreinmogelijkheden en gevechtssituatie, onder een hoek van 30 à 45 graden op de schootsrichting van de (verwachte) vijand wordt gegraven met een diepte van 15 à 25 cm. Het lichaam van de militair in de ligsleuf bevindt zich dus deels onder en deels boven het maaiveld. De frontzijde van de ligsleuf is een vuurdekking (borstwering) in de vorm van een halve maan en correct gecamoufleerd.

Het is mogelijk dat bij acute vijanddreiging, liggend op de zij, met de pioniersschop een ligsleuf moet worden gegraven, opdat zo snel mogelijk kan worden geprofiteerd van een aanvaardbare vuur- en zichtdekking. Indien reeds onderkend, is de vuurdekking belangrijker dan de zichtdekking.

Van de uitgegraven grond wordt aan de frontzijde van de ligsleuf een vuurdekking (borstwering) gecreëerd, die uit minimaal 1 meter aangestampte aarde bestaat. Om vuur te kunnen uitbrengen in de opgedragen terreinsector (11 tot 1) bevindt zich in de vuurdekking de schietsleuf. De schietsleuf wordt gemaakt met behulp van een glijbalk ter ondersteuning van het persoonlijke wapen met aan weerszijden piketpalen ter afbakening van de - al dan niet - opgedragen terreinsector (11 tot 1). Het patroonmagazijn van het persoonlijke wapen rust nooit op de grond.

Op de plaats voor de voeten is de ligsleuf 10 cm extra verdiept. Binnen de ruimte van de ligsleuf moet de militair extra munitie, NBC-masker, pionierschop en veldfles binnen handbereik te hebben zonder boven het maaiveld uit te hoeven komen. Ondanks de goede camouflage van de ligsleuf – met name aan vijandzijde, hoewel ook de ligplaats zelf afgecamoufleerd dient te zijn met bladeren, mos e.d. – moet die ook ’s avond, ’s nachts en bij slecht zicht (mist) gevonden kunnen worden.

De ligsleuf biedt, al dan niet in combinatie met een toegevoegde aarden wal, een redelijke bescherming tegen het effect van een luchtaanval. Voor de beste persoonlijke bescherming moet echter een schuttersput met bovendekking worden vervaardigd.

Zie ook: kazemat, loopgraaf, schuttersput, vuur- en zichtdekking en vuurpositie.

Terug naar Boven

 

LINEAIR GEVECHTSVELD

Het lineaire (op linie-) en niet-lineaire gevecht kunnen niet één op één worden gelijkgeschakeld met de omstandigheden vroeger en nu.

Het niet-lineaire gevechtsveld is vaker te vinden in het kader van de asymmetrische oorlogvoering, terwijl het lineaire gevechtsveld meer karaktertrekken geniet van de symmetrische oorlogvoering.

Grofweg zijn de verschillen tussen het lineaire en niet-lineaire gevechtsveld de volgende:

 

Lineair gevechtsveld

 

Niet-lineair gevechtsveld

afstanden

klein

 

groot

eenheden

  • groot
  • m.n. in brigadeverband en hoger
  • klein
  • m.n. in teamverband

 

 

gevechtsveld

verdicht

 

uitgedund

informatiesystemen

uitgedund

 

verdicht

inzetbaarheid personeel

smal

 

breed

mogelijkheden voor herbevoorrading

  • achterin het gevecht
  • gemakkelijk
  • veel
  • voorin het gevecht
  • moeilijk
  • weinig

 

spreiding eenheden

geconcentreerd

verspreid

 

terrein

  • (relatief) open
  • overzichtelijk
  • onoverzichtelijk
  • verstedelijkt gebied

 

tijd- en ruimtefactoren

  • minder grote rol
  • m.n. tijdens statische oorlogsvoering
  • grote rol
  • m.n. tijdens evacuatie, gevecht, logistiek en ontplooiing

 

zelfbeschermingsmiddelen

weinig

veel

Zie verder: asymmetrische oorlogvoering en symmetrische oorlogvoering.

Terug naar Boven

 

LINES OF COMMUNICATION

Afgekort: LOC; L of C. Aanvoer-, toevoer- of bevoorradingslijnen. Een fysieke route te land, ter zee, in de lucht, in de ruimte of anderszins van een operationele strijdmacht, met een daaraan gekoppelde logistieke basis. Over de route beweegt zich de aanvoer van goederen én versterkingen vanuit het eigen land – vanaf vredeslocatie op Nederlands grondgebied – naar het operatiegebied (externe of strategische LOC). Interne of tactische LOC bevinden zich in het operatiegebied.

In beiden LOC dient te worden voorzien door één of meerdere krijgsmachten die in het operatiegebied werkzaam zijn. Overigens dienen de LOC evengoed voor de afvoer van ge- en verbruikte alsook defecte goederen naar achtergebied of gastland.

Schematisch:

Strategische

of externe LOC

 

Tactische

of interne LOC

Operationele LOC

Vanuit eigen land – vanaf vredeslocatie op Nederlands grondgebied – naar het operatiegebied

In het operatiegebied

In het operatiegebied, direct verband houdend met Normal Framework Operations

De beveiliging cq. het veiligstellen van een betrouwbare en open LOC beïnvloed het militair opereren in het operatiegebied zeer positief, omdat een strijdmacht te velde hoe dan ook dient te worden herbevoorraad om effectief en efficiënt functioneren mogelijk te maken. Doel is om optimaal gebruik te kunnen maken van bestaande of speciaal gecreëerde infrastructuur te land, ter zee, in de lucht en in de ruimte: binnenwateren, pijpleidingen, (spoor)wegen, vliegvelden en (zee)havens. Door de genie aangelegde delen van de "geitenpaden" uit de beginperiode van UNPROFOR (Bosnië) kunnen in dit verband worden gezien als gecreëerde infrastructuur.

Mogelijkheden, beperkingen en kwetsbaarheid van primaire LOC, zoals Main Supply Routes, heeft permanent de aandacht, in het bijzonder aanleg, derouteringen (omleidingen), knelpunten en onderhoud.

Kaartje van de Lines of Communication, met van links naar rechts weergegeven de strategische mobiliteit, de operationele mobiliteit en de tactische mobiliteit. Binnen het operatietoneel bevinden zich het Point of Debarkation en het operatiegebied

Het verbreken of verbieden (interdictie) van de aanvoer van essentiële goederen voor een strijdmacht – met name klasse I t/m V – blokkeert het optreden van een strijdmacht.

Een voorbeeld van LOC is onderstaand stuk uit Landmacht Doctrine Publicatie 4 (‘Nationale operaties’), hoofdstuk 7, pagina 113 en 114: "Omdat de operatie van november 1990 niet Duitsland in, maar uit ging, vond zij plaats onder de naam Deforger, de samentrekking van Departure of Forces out of Germany. […] Deforger zou lopen over de volgende lines of communication : over de weg van Venlo naar Rotterdam en van Heerlen naar Rotterdam en Antwerpen, over het spoor van Venlo en Maastricht naar Rotterdam, van Maastricht naar de Eemshaven en van Arnhem naar Rotterdam en tot slot over de binnenwateren van Lobith naar Rotterdam en Antwerpen. Later kwamen daar nog de verbindingen naar Amsterdam bij.”

Zie ook: 1 Legerkorps, Normal Framework Operations en planningsfactor.

Terug naar Boven

 

LION

Acroniem voor: Lightweight Infrared Observation Nightsight (LION).

Nederlandse binoculaire warmtebeeldkijker met de afmetingen 20 x 22 x 10 cm. De LION vergoot 3 maal en heeft een gezichtsveld (field-of-view) van 10 graden (kokervisus). Met de LION is detectie mogelijk vanaf 2.300 meter, voertuigherkenning vanaf 800 meter en identificatie vanaf 400 meter.

Het optisch hulpmiddel weegt 1.900 gram en wordt gebruikt voor het vanuit de hand waarnemen bij bewakings- en verkenningstaken bij slecht of verminderd zicht of complete duisternis.

De warmtebeeldkijker is breder inzetbaar dan een restlichtversterker, omdat zij reageert op temperatuurverschillen: 0,1 graad temperatuursverschil volstaat om een persoon (beweging) of voertuig (starten) zichtbaar te maken. Ook functioneert de warmtebeeldkijker wèl bij mist, regen, rook en stof. Gecamoufleerde objecten blijven niet gemakkelijk verborgen. Nadelig voor de LION zijn slagregens, sneeuw en een hoge luchtvochtigheid.

vanaf 1999 zijn er ± 800 LION’s, gefabriceerd door een consortium van Delft Instruments en Signaal USFA, in gebruik genomen bij de Koninklijke Landmacht.

Bij deze nieuwe generatie warmtebeeldkijker ontbreekt een stroomverslindend koelelement; bij vorige generatie kijkers was die aanwezig om de ruis die de beeldweergave belemmerde te onderdrukken.

De ergonomische kijker (regelknoppen beeldcontrast en scherpstellen aan onderzijde; regelknoppen zwart/wit-warmtebeeld, crosshairs en zoom aan bovenzijde) werkt op 6 C-batterijen (lithium, oplaadbaar NiCad of alkaline) of op een adapter voor 24 Volt-aansluiting in voertuigen. De batterijvoeding geeft een werktijd van 8 à 10 uur.

De scherpstelling van het beeld blijft, ongeacht de hoogte van de omgevingstemperatuur, gegarandeerd dankzij temperatuurcompensatie.

Ondanks de gebruikmaking van speciale composietmaterialen, kan het niet-metalen omhulsel van de LION – dat slechts 1 mm dik is, zware schokken en trillingen aan.

Terug naar Boven

 

LOADMASTER

Afgekort: LM. Bijnaam: loadie. Bemanningslid in de laadruimte van een transporthelikopter dat ervoor zorgt dat het vervoer van passagiers (pax) en vracht (cargo) – zowel interne als externe lading (underslung load) – op een correcte en veilige manier plaatsvindt.

Hierbij ziet hij toe op de stabiliteit van het toestel én comfort/veiligheid van evt. passagiers, zowel tijdens in- en uitstappen als de vlucht. De loadmaster inspecteert of de aangeboden cargo kan worden meegenomen en, zo ja, dat de cargo op een veilige manier in of onder de helikopter wordt verdeeld en vastgesjord. Zijn werkzaamheden voert hij zowel overdag als bij duisternis uit, gebruikmakend van nachtzichtapparatuur (night vision goggles).

Verder draagt de loadmaster zorg voor:

  • afhandelen van cargo-, crew- en pax-documenten

  • als gids opdrachten geven aan de vliegers (voice marshalling) tijdens:
  • bepalen van confined areas (opstelplaats van een rotary wing
  • hovering manoeuvres (stilhangen in de lucht laag boven de grond)
  • taxiën
  • bedienen van
  • boordwapens (als doorgunner)
  • deur of ramp tijdens paradrops
  • hoist (lier)
  • uitvoeren van inspecties voor, tijdens en na de vlucht als boordwerktuigkundige (flight engineer)

 

Zie ook: doorgunner en flight nurse.

Terug naar Boven

 

LOGISTIEK

Het geheel van activiteiten gericht op het beschikbaar stellen, het beheer van, de zorg voor, het op peil brengen dan wel houden en het afvoeren van personele en materiële middelen van formaties en eenheden, om deze in staat te stellen hun taken uit te voeren.

Logistiek is te verdelen in vredeslogistiek en operationele (of gevechts-) logistiek. Gevechtslogistiek is gericht op de instandhouding van eenheden voorafgaande aan, tijdens en ná operaties. Op bataljonsniveau omvat gevechtslogistiek:

Operationele materieellogistiek:

bevoorrading van alle assortimenten goederen (klasse I t/m V, incl. reservedelen en componenten)

onderhoud

(administratieve) verplaatsingen

logistieke diensten (onder andere bad- en wasfaciliteiten, veldpost, energie, gravendienst)

logistieke reserve (parkgoederen)

infrastructurele ondersteuning

Operationele personeelslogistiek:

personeelsbeheer (o.a. personeelsaanvulling, toepassen tuchtrecht, waarderingssysteem)

personeelszorg (o.a. voorlichting, geestelijke verzorging)

militaire gezondheidszorg (o.a. afvoer, behandeling en verpleging van zieken en gewonden, incl. medische evacuatie)

bevoorrading en onderhoud van (temperatuur-geconditioneerde) geneeskundige dienstgoederen

Volgens Joint Doctrine Publication (JDP) 4.0 zijn de vijf principes van logistiek Foresight, Efficiency, Co-operation, Simplicity en Agility. Deze principes zijn afgeleid van de beginselen van oorlogvoering.

Foresight

Vooruitzien

Anticiperen op kritische logistieke beperkingen die de vrijheid van handelen van de commandant onmogelijk maken.

Efficiency

Rendement

Behalen van het hoogst mogelijke niveau van logistieke ondersteuning met de minste logistieke inspanning en het best mogelijke gebruik van schaarse middelen.

Co-operation

Samenwerking

Waarborgen van een gecoördineerde aanpak tussen de strijdkrachten, coalitie- en andere partijen in de logistieke planning en uitvoering.

Simplicity

Eenvoud

Idee dat logistieke regels eenvoudig moeten zijn, zowel in concepten als in de uitvoering.

Agility

Tempo

Vermogen sneller dan de vijand te handelen. Dit is een voorwaarde om het initiatief over te nemen en te behouden.

  

*

Zie ook: ‘The Oxford Handbook of War' - Julian Lindley-French en Yves Boyer (2012), hoofdstuk 27 ‘The Role of Logistics in War’, Matthew Uttley en Christopher Kinsey, p. 401 t/m 416.

De ommekeer in militaire logistiek is met name veroorzaakt door de lessons learned uit de Eerste Golfoorlog (1991), de operaties Desert Shield (voorbereiding; 2 augustus 1990 tot 17 januari 1991) en Desert Storm (aanval; 17 januari 1991 tot 28 februari 1991). De Eerste Golfoorlog was de grootste militair-logistieke operatie uit de geschiedenis:

12.575 vliegtuigen operationeel houden

122 miljoen maaltijden serveren

5,9 miljard liter brandstof opvoeren

550.000 militairen mobiliseren

7 miljoen ton voorraad invliegen en –varen

Tijdens de Eerste Golfoorlog stelde generaal Norman H. Schwarzkopf één point of contact aan voor alle logistieke processen, “from bullets to beans”, luitenant-generaal (later generaal-majoor) William ‘Gus’ Pagonis. Pagonis was binnen de staf van het Central Command (CENTCOM) gedurende 1½ jaar de Chief of Logistics.

Pagonis had meer autoriteit over logistiek dan enig andere commandant in de geschiedenis van de Amerikaanse krijgsmacht. Een typisch militair-logistieke verbetering van Pagonis was de locatie van voorraadpunten (logbases). Eeuwenlang hadden legers de logbases achter de eigen troepen gevestigd. Als het front verschoof, verschoven de logbases mee. Pagonis situeerde de logbases echter vóór de troepen. In de eerste fase van de Eerste Golfoorlog vielen de meeste slachtoffers dan ook niet onder de gevechtseenheden, maar onder de logistici. Tijdens Desert Shield en Desert Storm kwam tenminste 50% van de 390 slachtoffers van de Amerikaanse krijgsmacht om het leven tijdens logistieke processen.

Pagonis heeft zijn ervaringen opgetekend in ‘Moving Moutains. Lessons in Leadership and Logistics from the Gulf War’ (1992, Harvard Business School Press, 248 pagina’s, ISBN 0875843603). De verbeteringen van Pagonis hebben mede als voorbeeld gediend voor het vernieuwende concept van de Fysieke Distributie binnen de Koninklijke Landmacht.

In de besluitvorming wordt onderzocht of, welke en wanneer voor logistieke diensten capaciteit nodig is om het gewenste voorzieningenniveau in een inzetgebied te bereiken en te handhaven. De uitkomst van het besluitvormingsproces zal worden bepaald door de antwoorden op de vragen:

►Specifieke behoeftes gedurende de verplaatsing.

►Periode en lengte van de inzet.

►Mogelijkheden om lokaal logistieke diensten te verwerven.

►Klimatologische omstandigheden.

►Grootte van de te ondersteunen eenheid.

►Externe steunmogelijkheden van andere krijgsmachtdelen (joint) en/of andere naties (combined).

►Beschikbare reactietijd.

►Aard van de inzet.

De logistiek binnen de Koninklijke Landmacht is het afgelopen decennium erg veranderd. Van een Legerkorps Logistiek Commando (LLC) werd een Divisie Logistiek Commando (DLC) gecreëerd, dat sinds 2005 dan weer 1 Logistieke Brigade (1 Logbrig) heet.

In 2000 is het Dienstvak der Logistiek opgericht, waarin zijn opgenomen alle tot dan toe bestaande dienstvakken:

Omslag van 'Van marketentster tot logistiek netwerk' van prof. dr. Hugo B. Roos.

Bevoorrading en Transport (Aan- en Afvoertroepen + Intendance)

Geneeskundige Dienst

Militaire Administratie

Technische Dienst

Alle leden van het Dienstvak der Logistiek hebben een okergeel patje en kraagspiegels gekregen; deze maatregel is sinds 1 oktober 2010 teruggedraaid.

Het standaardwerk op militair-logistiek gebied in Nederland is ongetwijfeld ‘Van marketentster tot logistiek netwerk. De militaire logistiek door de eeuwen heen’ (2002).

Het is geredigeerd door prof. dr. Hugo B. Roos, aan de Koninklijke Militaire Academie verbonden geweest als hoogleraar Logistiek (Management) en tegenwoordig hoogleraar Logistiek Management aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Het naslagwerk telt 408 bladzijden, is uitgegeven door Uitgeverij Boom, heeft als ISBN 9053527753 en kost € 33,00.

Zie ook: third party logistics.

Terug naar Boven

 

LONG RANGE RECONNAISSANCE PATROL

Afgekort: LRRP. Uitsproken als “Lurp”. Duits: Fernspähtruppe. Frans: détachement de reconnaissance en profondeur. Nederlands: lange-afstandsverkennings patrouille.

Kleine sabotage- en verkenningseenheid van in de regel vier Special Forces-militairen die voor langere tijd, diep (≥100 km, d.w.z. in cross-flot-operaties) achter de vijandelijke linies, ver buiten het bereik van eigen troepen en logistiek, opereert.

Een LRRP stelt de commandant van een hogere eenheid in staat actuele, zeer betrouwbare informatie te verzamelen die met conventioneel-tactische verkenningsmiddelen niet kan worden verworven.

Hieronder valt bijvoorbeeld het maken van gedetailleerde kaartstudies ter plaatse, scouten van locaties en sterkte van vijandelijke troepen of inrichten van dumppunten (cache supplies) voor gebruik in de nabije toekomst. Na de infiltratie en eyes on target wordt verwacht dat een LRRP, zonder herbevoorrading én zonder vijandcontact te maken, in staat is te exfilteren – hetzij direct naar eigen troepen, of naar een pick-up point (PUP).

Het concept van de LRRP is door de U.S. Army in de jaren ’50 gestart voor gebruik in het toenmalige Oost-Duitsland en doorontwikkeld op basis van soortgelijke Britse tactieken zoals die gebruikt werden in Zuidoost-Azië. LRRP’s werden vervolgens voor het eerst grootschalig ingezet in de Vietnamoorlog, vaak bestaand uit Army Rangers.

Internationale eenheden die LRRP’s uitvoeren zijn onder andere het Detachement LRRP van 3 Regiment Lanciers-Parachutisten (België), Heeresaufklärungstruppe (Duitsland), 13 Régiment de Dragons Parachutistes (Frankrijk), Special Air Service (Groot-Brittannië), Korps Commandotroepen,

Gedenksteen op de Generaloberst-Von Fritsch-Kaserne in Pfullendorf voor de Britse aanwezigheid van 1979 tot 2000

Mountain Leaders van het Korps Mariniers en verkenners van 11 Luchtmobiele Brigade (Nederland), en Army Rangers van 82 Airborne Division en 101 Air Assault Division (Verenigde Staten).

Na de start in 1979 op de Ludwig-Erhard-Kaserne in Neuhausen ob Eck en, een jaar later, de verplaatsing naar de Welfen-Kaserne in Weingarten, verhuisde de International Long Range Reconnaissance Patrol School (ILRRPS, Duits: Internationale Fernspähschule) in 1997 naar de Generaloberst Von Fritsch Kaserne in Pfullendorf.

In december 2000, na het vertrek van de Britse kazerneleiding, werd de naam onder Amerikaans commando veranderd in International Special Training Centre (ISTC). Tegelijkertijd vestigden de Duitsers op dezelfde locatie het Ausbildungzentrum Spezielle Operationnen.

Terug naar Boven

 

LONG TERM BUILD-UP FORCES

Afgekort: LTBF. Delen van de krijgsmacht van een NAVO-lidstaat die op de lange(re) termijn kunnen bijdragen aan de opbouwen en het vergroten van een strijdmacht in het kader van een worst case-scenario of grootschalige operaties in het kader van artikel 5 van het Handvest van de NAVO. De strategische gereedheidstermijn voor deze eenheden – vaak mobilisabele en/of reserve-eenheden – is langer dan 365 dagen.

De indeling van de gereedheidstermijnen binnen de NAVO is:

Notice To Move

HRF

High Readiness Forces

< 90 dagen

FLR

Forces of Lower Readiness

90 tot 180 dagen

LTBF

Long Term Build-up Forces

> 365 dagen

Zie ook: Forces of Lower Readiness (FLR) en High Readiness Forces (HRF).

Terug naar Boven

 

LOOPBAANBEGELEIDER

Afgekort in landmachtjargon: LBB. Functionaris binnen de Koninklijke Landmacht die zich bezighoudt met de wensen en mogelijkheden ten aanzien van het individuele loopbaantraject van een militair. De loopbaanbegeleider draagt, binnen het functietoewijzingsproces (bij functiewisseling aanwijzen van een volgende functie voor een bepaalde duur), zorg voor intensieve loopbaanbegeleiding met aandacht voor individuele wensen en mogelijkheden.

De keuze van de militair voor een volgende functie moet passen binnen de mogelijkheden die de Koninklijke Landmacht kan bieden. De loopbaanbegeleiding dient dan ook zowel het persoonlijke als het organisatiebelang.

De loopbaanbegeleider is werkzaam op de Afdeling Integraal Loopbaanmanagement (ILM) van de Directie Personeel en Organisatie (DP&O). Onderdeel daarvan worden de Regionale Loopbaancentra (RLC’s). De RLC’s worden het aanspreekpunt voor individuele militairen, commandanten en de Personeelsdiensten van de Resultaat Verantwoordelijke Eenheden (RVE’n), de zgn. P-diensten.

Het daadwerkelijk aanwijzen van een volgende functie voor een bepaalde duur, vindt plaats door de monitor / functietoewijzer / plaatsingsautoriteit.

Terug naar Boven

 

LOOPGRAAF

Duits: Schützengraben; Engels: trench; Frans: entranchement. In de grond gegraven smalle, ondiepe greppel waarin militairen gedekt tegen vijandelijk vuur kunnen lopen én de vijand onder vuur- en zichtdekking kunnen beschieten. Feitelijk is een loopgraaf het vervolg op de schuttersput. Een loopgraaf kan dienen als daadwerkelijke gevechtsopstelling, als verbindingsgang of als opslagplaats voor voorraden.

In de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) deed het fenomeen loopgravenoorlog zijn intrede; met name deze vorm van statische oorlogvoering zorgde ervoor dat de oorlog langer zou duren.

Voorbeelden van de loopgravenoorlog die het grootste deel van de Eerste Wereldoorlog kenmerkte.

De bewegings- of manoeuvreoorlog die het prille begin van de Eerste Wereldoorlog karakteriseerde, liep in september 1914 muurvast: de geallieerden brachten aan de Marne in het noorden van Frankrijk de Duitse aanval tot staan. Beide partijen lukte het niet meer om door te stoten, waarop een breedtefront ontstond dat jarenlang alleen maar verbreedde in plaats van verschoof. Een loopgraven- of stellingenoorlog was het gevolg.

Bij aanvallen die de beslissende doorbraak in het front moesten forceren werden miljoenen militairen gedood, gewond of vermist. Gevechten bij Ieper, Verdun en aan de Somme volgden, totdat eerst dan in juli 1918, na opnieuw een veldslag aan de rivier Marne, de Duitsers definitief werden verslagen.

Ook in de Tweede Wereldoorlog werd op vele plaatsen nog een traditionele loopgravenoorlog uitgevochten.

Dit is een Nederlandse loopgraaf in de frontlijn langs de Grebbe, die in 1940 deel uitmaakte van de Valleistelling. De Grebbe, een kanaal, kwam aan de voet van de Grebbeberg uit in de Nederrijn.

Geneeskundige verzorging in een loopgraaf tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Zie ook: kazemat, ligsleuf en schuttersput.

Terug naar Boven

 

L.O.R.D.

Ezelsbruggetje om warm te blijven onder koude weersomstandigheden, evenals C.O.L.D. F.E.E.T.

L

Los én in lagen dragen van kleding om de vorming van koudewerende luchtlagen te bevorderen.

O

Oververhitting voorkomen. Transpiratievocht geleidt en leidt tot warmteverlies.

R

Rein houden van de kleding. Vuile kleding verliest het isolerend vermogen, m.n. bij handschoenen, ondergoed, slaapzakken en sokken.

D

Droge kleding is de allereerste noodzaak voor het behoud van warmte.

Zie ook: C.O.L.D. F.E.E.T., koudeletsels en meerlagensysteem.

Terug naar Boven

 

LO / SPORT

Voluit: Lichamelijke Oefening / Sportorganisatie. Sportorganisatie van de Koninklijke Landmacht, die is gevestigd in Amersfoort en ressorteert onder het Opleidings- en Trainingscommando (OTCO).

De LO/Sport heeft als primaire doelstelling het militair personeel van de Koninklijke Landmacht door de toepassing van didactische en trainingstechnische principes in fysiek en mentaal opzicht zo optimaal mogelijk geschikt te maken dan wel te houden voor het kunnen verrichten van de algemene militaire en functiegerichte taken, welke essentieel is voor de operationele inzet van eenheden en individuen.

Hiertoe behoren kracht- en conditietraining en het creëren van mentale (geestelijke) fit- en hardheid, inclusief houdingsaspecten als doorzettingsvermogen, groepscohesie, stressbestendigheid, zelfdiscipline en zelfvertrouwen.

Logo van de LO/Sport-organisatie.

Ook adviseert en ondersteunt LO/Sport commandanten bij het plannen en evalueren van fysieke en mentale opleidings –en trainingsdoelen, afgestemd op de operationele taken.

De eenheidscommandant stelt in samenwerking met C-LO/Sportgroep het LOFT-document op. In dit document (LOFT: Lichamelijke Oefening en Fysieke Training) staan gezamenlijke afspraken over taken en verantwoordelijkheden met betrekking tot voorbereiding, uitvoering, evaluatie en bijstelling van de fysieke vorming (LO en FT) van de eenheid.

Omdat een goede fysieke fitheid, naast gezondheid en mentale fitheid, een essentiële voorwaarde is voor het goed uitvoeren van militaire taken, is het fysieke aspect een belangrijk onderdeel van het integrale opleidings- en trainingsprogramma.

Hierin vindt de LO in principe plaats onder leiding van de LO/Sport-organisatie (fitness, hindernisbaan, touwhindernisbaan, veldloop, werken op hoogte, zelfverdediging, zwemmen) en de fysieke training onder leiding van leiding van de eenheidscommandant en gedelegeerd aan kaderleden van de eenheid (kerninstructeurs taakspecifieke fitheid): marsvaardigheid, physical training (PT), velddienst e.d.

Daarnaast wordt tijdens en buiten de diensturen op vrijwillige basis gesport, voornamelijk ter ontspanning, al dan niet onder begeleiding van LO/Sport-personeel.

Sport in het algemeen draagt bij aan:

  • een goed werk- en leefklimaat door het bieden van voldoende sport- en trainingsfaciliteiten.
  • groepsvorming en leiderschap
  • het bestrijden van leegloop
  • het realiseren van doelen met passende fysieke elementen die een samenhang vertonen met de taak van de eenheid en/of individuele militair
  • het stimuleren van een optimale functievervulling.
  • motivatie en sportbeoefening, een goede gezondheid, het tegengaan van blessures en ondersteuning bij revalidatie (SMAT)

Zie ook: hindernisbaan, parcours militair en touwhindernisbaan.

Terug naar Boven

 

L.O.T.U.S.

Omdat het zeer relevant is dat geneeskundig personeel binnen alle geledingen van de Koninklijke Landmacht praktijkervaring opdoet - ook al is die praktijk dan in scène gezet - wordt zowel in de opleiding als binnen de trainingsmomenten voor het geneeskundig personeel gebruik gemaakt van zgn. LOTUS-slachtoffers. Ook tijdens de (her)examens op het Opleidingscentrum Militair Geneeskundige Diensten (OCMGD, tegenwoordig IDGO) te Hilversum wordt zoveel als mogelijk gebruik gemaakt van LOTUS-slachtoffers.

LOTUS staat voor Landelijke Opleiding Tot Uitbeelding van Slachtoffers. Deze organisatie, opgericht in 1963 door Het Oranje Kruis, leidt mensen op die ongevalsletsels en -slachtoffers natuurgetrouw kunnen uitbeelden, ongevallen kunnen ensceneren en een ontwerp kunnen maken van een ongevalsituatie

De meeste LOTUS-afdelingen zijn volledig ingespeeld op de civiele EHBO-vraag naar ongevalsslachtoffers, maar de mensen van de LOTUS-afdeling van het OCMGD - genaamd Gort-Trauma-Groep (GTG) - zijn met name gespecialiseerd in de militaire vraag naar ongevalsslachtoffers die moeten worden behandeld volgens het protocol van de Advanced Trauma Life Support (ATLS/ABCD).

Het LOTUS-slachtoffer is prima in staat ernstige letsels en ziektebeelden in scène te zetten, zoals slagaderlijke bloedingen, brandwonden, ademhalingsstoornissen en amputaties. In weer en wind fungeren zij als "echt slachtoffer" in autowrakken, te velde en in oefendorpen.

 
  

Bij de behandeling van een LOTUS-slachtoffer kunnen bepaalde handelingen niet alleen onplezierig maar vooral ook gevaarlijk zijn; deze mogen in het kader van de veiligheid dan ook niet worden toegepast.

Het betreft dan met name het toepassen van de Heimlich-methode, de reiniging van mond en keel, het dichtdrukken van slagaders, het inbrengen van catheters en drains en reanimatie.

De Gort-Trauma-Groep is vernoemd naar de oprichter, luitenant-kolonel-arts Gert-Jan Gort, en gevestigd op het Instituut Defensie Geneeskundige Opleidingen, Korporaal Van Oudheusdenkazerne, Noodweg 37, 1213 PW Hilversum.

Zie ook: Human Patient Simulator (HPS).

Terug naar Boven

 

LOWE ALPINE RUGZAKKEN

Saracen (model 49)

Grote rugzak voor de gevechtssoldaat, bedoeld voor operationele ernstinzet of oefeningen van langere duur. Sinds zijn introductie in 2000 is de Saracen de ultieme keus van vele speciale eenheden en deze load monster heeft zijn sporen inmiddels overal ter wereld verdiend. Niet alleen indrukwekkend door zijn enorme formaat, maar ook door zijn voorbeeldige gebruiksgemak, draagcomfort en degelijkheid. Volledig soldierproof, vervaardigd uit 1000TXN Cordura® en voorzien van oerdegelijk APS-rugpand met lengteverstelling en uitstekende bilaminaat heupband, waarmee zware lasten langdurig comfortabel kunnen worden gedragen.

De twee standaard zijvakken kunnen van de rugzak worden losgeritst om samen als verkenningsrugzak te dienen. Leverbaar in olijfgroen en DPM.

NSN Saracen: 8465-17-113-6904.

Sting (model 50)

Middenmaat rugzak voor de gevechtssoldaat, bedoeld voor operationele ernstinzet of oefeningen van langere duur. Sinds hun introductie in 2003 zijn de tweeling Sting en Stingray ook veelgevraagd evacuatiemodellen. Voorbeeldig in gebruiksgemak, draagcomfort en degelijkheid. Volledig soldierproof, vervaardigd uit 1000TXN Cordura® en voorzien van oerdegelijk APS-rugpand met lengteverstelling en lichtgewicht bilaminaat heupband.

De twee standaard zijvakken kunnen van de rugzakken worden losgeritst om samen als verkenningsrugzak te dienen. Leverbaar in olijfgroen en DPM.

NSN Sting: 8465-17-115-5334.

Stingray (model 51)

Middenmaat rugzak voor de gevechtssoldaat, bedoeld voor operationele ernstinzet of oefeningen van langere duur. Sinds hun introductie in 2003 zijn de tweeling Sting en Stingray ook veelgevraagd evacuatiemodellen. Voorbeeldig in gebruiksgemak, draagcomfort en degelijkheid. Volledig soldierproof, vervaardigd uit 1000TXN Cordura® en voorzien van oerdegelijk APS-rugpand met lengteverstelling en lichtgewicht bilaminaat heupband.

De twee standaard zijvakken kunnen van de rugzakken worden losgeritst om samen als verkenningsrugzak te dienen. Leverbaar in olijfgroen en DPM.

NSN Stingray: 8465-17-115-9550.

Strike (model 52)

Kleine verkennings- en evacuatierugzak (grabbag) voor de gevechtssoldaat, bedoeld voor operationele ernstinzet of oefeningen van korte duur. Past opgerold in zijn grote broers. Voorbeeldig in gebruiksgemak en degelijkheid. Volledig soldierproof, vervaardigd uit 1000TXN Cordura®.

De twee standaard zijvakken kunnen van de rugzakken worden losgeritst om samen als verkenningsrugzak te dienen. Leverbaar in olijfgroen en DPM.

NSN Strike: 8465-17-114-4596.

Voor meer informatie kijk op de website met militaire rugzakken van Lowe Alpine Benelux; op deze website zijn ook vele tips en Frequently Asked Questions met betrekking tot de rugzaktechnologie van Lowe Alpine te vinden. Lowe Alpine, steeds een stap verder...

Zie ook: grabbag en Soldier Modernisation Programme.

Terug naar Boven

 

LOW OPS

Letterlijk: lage operatiën. Dag(deel) in een missiegebied waarop (sub)eenheden zijn vrijgesteld van werkzaamheden. Per (sub)eenheid wordt personeel bij toerbeurt in de gelegenheid gesteld tot Rest & Recreation (R&R).

Een dergelijke dag, die afhankelijk van het geweldsspectrum (laag, hoog) bijvoorbeeld éénmaal per week, tweewekelijks of maandelijks kan worden genoten, w ordt veelal op de compound doorgebracht, waar met inachtneming van de force protection de bezetting zo minimaal als mogelijk is.

Van linksboven naar linksonder met de klok mee: pannenkoeken bakken op een Peak One-brandertje, volleyballen, darten en de two can rule.

Het personeel dat vrijaf is, neemt het ervan: luieren in de prefab, airco cq. verwarming aan en wachten op de dingen die komen gaan. Een low ops-dag is, kortom, ideaal om lekker met zichzelf bezig te zijn.

Voorbeelden van bezigheden die tijdens een low ops-dag niet-hoeven-maar-mogen worden uitgevoerd zijn darten, evalueren, koffiedrinken, onderhoud aan de eigen spullen, ondernemen van tours & trips, pannenkoeken bakken, post lezen en schrijven, sporten, teambuilding, telefoneren met het thuisfront, televisie kijken en vooral uitrusten. Voor alle betrokkenen is het tempo op een low ops-dag in elk geval laag.

Terug naar Boven

 

L.S.V.

Voluit: Luchtmobiel Speciaal Voertuig. De LSV wordt gemaakt door de Franse producent Lohr. Het voertuig is er in drie versies: algemene dienst (AD), antitank (AT) en gewondentransport (GWT). Het wordt hoofdzakelijk gebruikt door de eenheden van 11 Air Manoeuvre Brigade Air Assault, waar het vanaf 1998 is ingestroomd.

De LSV is een multifunctioneel voertuig met een polyester carrosserie en opbouw. Omdat in de opbouw de bescherming afwezig is, komt die bij dit voertuig uit de combinatie mobiliteit, geringe waarneembaarheid (signatuur- en silhouetonderdrukking) en snelheid. Aangezien de liftcapaciteit en de actieradius van helikopters grenzen kennen, is de totale massa van de LSV bepaald op ± 1.350 kg.

De LSV is voorzien van een automatische versnellingsbak en een permanente vierwielaandrijving. De lichtmetalen wielen zijn toegerust met een zgn. runflat-systeem, waardoor het meevoeren van een reservewiel niet nodig is.

Het LSV-project startte in 1991 na het uitkomen van de Prioriteitennota die de Koninlijke Landmacht een Luchtmobiele Brigade in het vooruitzicht stelde.

Het voertuig is noodzakelijk om de rode baretten de noodzakelijke mobiliteit op de grond te geven.

In 1996 tekende de KL het contract met Special Products Aerospace and Vehicle Systems te Geldrop, het bedrijf dat de LSV's in licentie bouwt.

Specificaties:

actieradius verharde weg

700 km

brandstoftank

80 liter

breedte

1 meter 72

draaicirkel

11 meter

hoogte met neergeklapte voorruit en zonder rolbar

1 meter 30

hoogte met rolbar

1 meter 79

leeggewicht

1.400 kg

lengte3 meter 36

maximaal laadvermogen (incl. chauffeur)

850 kg

maximale hellingshoek

60%

maximumsnelheid70 km per uur
motordiesel
motorvermogen51 kW (71 pk)

waadvermogen

60 cm

Terug naar Boven

 

LUCHTALARM

Duits: Fliegeralarm. Engels: air alert. Frans: alerte aérienne. Waarschuwingssignaal voor een dreiging of mogelijke dreiging van een luchtaanval (air raid). Het luchtalarm kan op verschillende manieren worden aangekondigd:

M

>>> laten horen van 3 seconde geluid en 1 seconde geluid (claxon, fluit e.d.)

>>> onafgebroken janktoon van een sirene gedurende 1 minuut

>>> plaatsen van een vierkant bord of vlag in de kleur rood

>>> roepen van “dekken – dekken – dekken” om iedereen dekking te laten zoeken

>>> roepen van “luchtalarm” (in het Engels: “air attack”)

 

Het einde van het luchtalarm kan worden gegeven door “einde luchtalarm” (in het Engels: “air attack clear”) te roepen. Bij een luchtalarm is het zeer verstandig om a.s.a.p. naar een bunker of schuilkelder te gaan, plat in een open ruimte te gaan liggen of zich tegen de gevel een gebouw aan te drukken.

Download hier het luchtalarm (540 kB)

Terug naar Boven

 

LUCHTBRUG

Duits: Luftbrücke. Engels: airbridge; airlift. Frans: pont aérien. Luchtoperatie, civiel en/of militair, die met een regelmatige verbinding van beschikbare transportcapaciteit wordt uitgevoerd om in het bijzonder humanitaire hulpverlening, logistieke bevoorrading (levens- en geneesmiddelen) en/of evacuatie mogelijk te maken in of vanuit gebieden die zijn afgesloten, geblokkeerd of omsingeld.

Een luchtbrug, in de regel met transportvliegtuigen, kan worden uitgevoerd op gebieden die zijn getroffen door natuurrampen, tussen militaire operatiegebieden (door met een luchtlijn vijandelijk gebied te mijden) of om reden van onbruikbare (spoor)wegverbindingen en zeehavens.

Als eerste belangrijke luchtbrug geldt die van de troepen van dictator Francisco Franco in de aanloop naar de Spaanse burgeroorlog in 1936. Met steun van nazistisch-Duitse Junkers Ju 52-transportvliegtuigen en Savoia-Marchetti SM.81-transportvliegtuigen uit het fascistische Italië werden in totaal ± 25.000 Francistische militairen van Spaans Marokko over de Straat van Gibraltar naar de Spaanse stad Sevilla gevlogen.

De bekendste luchtbrug was die ter overbrugging van het door het Warschaupact geblokkeerde West-Berlijn van 23 juni 1948 tot 12 mei 1949. Berlijn, gelegen in de geallieerde bezettingszone van de Sovjet-Unie, was door Stalin’s troepen afgesloten nadat in de westelijke bezettingszones (FR, UK en US) de Deutsche Mark was ingevoerd. Als reactie hierop bevoorraadden Groot-Brittannië en de |Verenigde Staten het westelijk stadsdeel via een luchtbrug op Flughafen Berlin-Tempelhof.

Terug naar Boven

 

LUCHTGEWONDENTRANSPORT

Ook genaamd: geneeskundig luchttransport. Tijdens het vliegen, met name boven 8 à 10.000 feet (± 3 km), wordt een patiënt aan geheel andere omstandigheden blootgesteld dan bij transport over de grond het geval zou zijn. Hiertoe behoren temperatuurdalingen, luchtdrukverschil (daardoor turbulentie) e.d. Deze factoren worden de ‘stresses of flight’ genoemd: fysiologische factoren die het verschil uitmaken tussen het milieu op de grond en in de lucht.

De stresses of flight hebben een grote impact op luchtgewondentransport, zowel in voorbereiding en uitvoering als bij het vóór zijn van complicaties:

Verminderde luchtdruk

Verschillende verwondingen zijn een risico of contra-indicatie voor Aeromedical Evacuation (*1)

Verminderde partiële zuurstofspanning

Minder zuurstofmoleculen in hetzelfde volume gedurende langere tijd resulteren in minder zuurstof voor de patiënt (de diameter van een gasbel in vloeistof verdubbelt op 5.000 feet boven zeeniveau, verdubbelt opnieuw op 8.000 feet en verdubbelt weer op 18.000 feet. De cabinedruk in de meeste militaire toestellen wordt gehandhaafd op die van 8 à 10.000 feet); op zeeniveau heeft een gezond persoon een zuurstofsaturatie (SaO²) van 98–100%; bij een cabinehoogte van 8.000 feet, daalt deze SaO² naar 90%; al met 2 liter zuurstof per minuut wordt de SaO² hersteld naar 98-100%

Lawaai

  • auditief alarm medische apparatuur zinloos
  • ausculteren patiënt is onmogelijk
  • bemoeilijkte communicatie
  • geen of beperkte mogelijkheden voor behandelen, consulteren, diagnosticeren en overleggen
  • lawaai veroorzaakt vermoeidheid
  • verstrek patiënt gehoorbescherming

Verminderde luchtvochtigheid

Zeer laag (0 à 5% in plaats van 30 à 70% op zeeniveau); resulteert in dehydratie (uitdroging); houdt rekening met vochtbalans en diep veneuze trombose (trombosebeen)

Instabiele temperatuur

± 2 graden Celsius lager per 1.000 feet stijgen

Onderkoeling mogelijk door:

  • (relatief) lange transporttijd
  • cabinetemperatuur
  • discomfort
  • immobiliteit van de patiënt (ook door relaxatie- en sedatiemedicatie)
  • temperatuur van infuusvloeistoffen

Acceleratie, deceleratie, turbulentie en trillingen

Bewegingsziekte en transporttrauma
Houd rekening met:

  • angst en pijn
  • cardiovasculair (hypotensie en onregelmatige hartslag)
  • positioneren van de patiënt
  • veiligheid eerste prioriteit

Matige verlichting

Geen of beperkt onderzoek van de patiënt
Bemoeilijkte controles en handelingen

Angst

  • desoriëntatie
  • medische toestand
  • noodzaak van het toedienen van analgetica, antipsychotica, anxiolytica en/of sedativa
  • vliegangst
 
*1 = De patiënt kan een barotrauma (drukletsel) opdoen als gevolg van het verschil tussen de druk in afgesloten lichaamsholten waarin zich lucht bevindt en de druk in de omgevende weefsels. Oor-, borst- en buikletsels zijn de grootste risicofactoren.

Andere risicofactoren zijn:

  • bloedarmoede
  • hartproblemen
  • kaakfixatie
  • laatste stadium zwangerschap
  • luchtwegproblemen (astma, COPD, longontsteking)
  • neurochirurgisch letsel
  • penetrerend oogletsel met verhoogde oogdruk
  • pneumothorax
  • psychi(atri)sche patiënten
  • te vroeg of zojuist geboren
  • verhoogde hersendruk
  • vrije lucht in enige lichaamsholte (halfgesloten holten zoals bijholten, longen en middenoor; gesloten holten zoals holten onder tandvullingen, maagdarmkanaal en schedel) of endotracheale tube

Verschillende termen met betrekking tot geneeskundig luchttransport:

Aeromedical

Een patiënt onder medische begeleiding patiënt via het luchtruim verplaatsen naar of tussen geneeskundige installaties; onderverdeeld in

  • FORWARD (van plaats gewond raken naar role 1)
  • TACTICAL (van binnen gevechtszone naar buiten gevechtszone)
  • STRATEGIC (t.b.v. hospitalisatie in eigen land of host nation)

Casualty evacuation

Transport van plaats gewond raken naar een plaats waar adequate geneeskundige zorg kan worden verleend.

Dedicated aeromedical evacuation

Helikopter bemand én uitgerust voor gewondentransport; het voeren van een Rode Kruis-teken duidt op patiëntentransport.

Medical evacuation

Transport onder medische begeleiding naar of tussen geneeskundige installaties.

Mercy-flight

Voor burgers; ondersteuning, vooral uit goodwill.

Welke overwegingen van geneeskundige aard zijn van belang bij het vaststellen van de noodzaak van geneeskundig luchttransport:

  • Wat is de toestand van de patiënt?
  • Zal er sprake zijn van een blijvende aandoening, hinder of ernstige pijn wanneer niet op korte termijn een hoger geneeskundig echelon kan worden bereikt?
  • Is er sprake van dringend noodzakelijke zorg voor de patiënt die verder reikt dan uw kennis en middelen dat toelaten?
  • Is dit voor deze patiënt de best beschikbare transportmethode?

Welke factoren bepalen de samenstelling van een geneeskundige bemanning ten behoeve van een geneeskundig luchttransport:

  • Aantal patiënten
  • Vluchtduur
  • Te verwachten medische/verpleegkundige zorg tijdens de vlucht

Zie verder: landing point commander (LPC) en Size, Surface, Slope, Shoot en Security.

Terug naar Boven

 

LUCHTNABIJBEVEILIGING

Afgekort: luna(bij)bev. Duits: Fliegerabwehr. Engels: all arms air defence. Frans: défense aérienne toutes armes. Alle actieve en passieve maatregelen en middelen die een eenheid met de haar ter beschikking staande organieke middelen – niet zijnde: luchtverdedigingsmiddelen – neemt voor de beveiliging tegen vijandelijke luchtverkenningen, aanvallen vanuit de lucht en het beperken dan wel tenietdoen van de effectiviteit van vijandelijke luchtacties. Luchtnabijbeveiliging wordt gezamenlijk met luchtverdediging uitgevoerd tegen een dreiging vanuit de lucht, wat tijdens ernstoperaties een zeer reële dreiging is.

Omdat luchtnabijbeveiliging – samen met grondnabijbeveiliging één van de vormen van nabijbeveiliging – moet worden gerealiseerd met eigen middelen, hangt de mate waarin en de wijze waarop een eenheid haar nabijbeveiliging realiseert nauw samen met de aard van de beschikbare middelen. Zo hanteert een pantserinfanteriebataljon een andersoortige luchtnabijverdediging dan een geneeskundige eenheid.

De (geringe) luchtverdedigingsmiddelen zijn niet in staat een allesbedekkende bescherming te garanderen. Daarom is luchtnabijbeveiliging een noodzakelijke aanvulling op de capaciteiten van de luchtverdedigingsorganisatie en een verantwoordelijkheid van elke commandant.

Luchtnabijbeveiliging wordt onderverdeeld in:

Actief

Ter zelfverdediging zo effectief mogelijk bestrijden van een aanvallend vliegtuig

Bestrijden van een aanvallend vijandelijk vliegtuig met alle daarvoor geschikte wapens

 

Passief

Onzichtbaar maken van de eenheid voor vijandelijke luchtverkenningen en minder kwetsbaar maken voor vijandelijke luchtaanvallen

  • bouwen van onderkomens en dekkingen
  • camouflage en maskering
  • intensieve spreiding van middelen
  • inzet van (lucht)waarnemingsposten
  • misleiding
  • sporen- en lichtdiscipline
  • tactisch verplaatsen (aannemen en aanpassen van bepaalde formaties, in elk geval bij goed zicht)
  • wijzigen van locaties

Terug naar Boven

 

LUISTERPLICHT

Vorm van consignatie, waarbij militairen van een eenheid tijdens verlof dagelijks naar radio moeten luisteren en/of televisie moeten kijken, omdat zij kunnen worden opgeroepen om onmiddellijk terug te keren naar de kazerne om dienst te verrichten.

Tot 1996 kende Defensie de zgn. luisterplichteenheden, wat inhield dat een periodiek aan te wijzen eenheid ± 6 uur na de oproep inzetbaar was op locatie in het kader van militaire bijstand op basis van de Politiewet 1993 of de Rampenwet.

Sinds de opheffing van de luisterplichteenheden kunnen in het kader van nationale operaties op grond van Opplan 10 eenheden tijdelijk luisterplicht krijgen voor een eventuele inzet bij rampen en zware ongevallen.

Zie ook: Opplan 10.

Terug naar Boven

 

LUITENANT-GENERAAL BESTKAZERNE

Afgekort: LBK. Voormalige luchtmachtbasis De Peel.

De hoofdpoort van het militair complex is gelegen aan de Ripseweg in het Limburgse Vredepeel, gemeente Venray. De kazerne ligt zowel op Brabants als op Limburgs grondgebied. Op de Luitenant-generaal Piet Best kazerne heeft het nieuw gevormde Defensie Grondgebonden Luchtverdediging Commando (DGLC) haar thuisbasis.

Het DGLC is een fusie van het Commando Luchtdoelartillerie met de Groep Geleide Wapens (GGW) van de Koninklijke Luchtmacht die vanaf 1 januari 2012 onder het Single Service Management (SSM, operationele verantwoording) van het Commando Landstrijdkrachten (CLAS) geplaatst is. Daarnaast start het DGLC medio 2012 met een opwerkprogramma voor de Air Missile Defence Task Force (AMDTF).

Binnen het DGLC zijn de capaciteiten Advanced Medium-Range Air-to-Air Missile (AMRAAM), Stinger en Patriot ingedeeld. De samengevoegde wapens en sensorsystemen heffen elkaars zwakke punten op en vormen gezamenlijk een ondoordringbare luchtverdediging. Het commando biedt bescherming tegen vliegtuigen, ballistische en kruisvluchtwapens.

De Stinger-capaciteit is afkomstig van het opgeheven 11 Luchtverdedigingscompagnie Luchtmobiel en het Korps Mariniers.

PIET BEST

Luitenant-generaal Piet (Petrus Wilhelmus) Best (1881-1960) was bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog de Commandant Luchtverdediging (1938-14 mei 1940). Voordat hij deze functie vervulde was de artillerist Commandant Luchtvaartafdeling  (1933-1937), de militaire vliegdienst van het leger waaruit later de Koninklijke Luchtmacht voortkwam, en Commandant IVde Divisie, tevens Bevelhebber in de 4de Militaire Afdeling (Amersfoort).

Best hield ernstig rekening met het gevaar van Duitse luchtlandingen op en in de omgeving van de Nederlandse vliegvelden. Hiertegen nam hij extra maatregelen, waartoe hij echter pas toestemming kreeg ná de luchtlanding van Duitsers op de vliegvelden van Kopenhagen en Oslo op 9 april en Aalborg op 12 april 1940. Door meer grondtroepen en luchtdoelartillerie te plaatsen bij de vliegvelden werden de Duitse luchtlandingsoperaties in 1940 grondig verstoord. Aan de vijand werden zware verliezen toegebracht: ruim 220 transportvliegtuigen werden uitgeschakeld.

Bests vooruitziende blik droeg in belangrijke mate bij aan de verijdeling van de Duitse poging om in de meidagen van 1940 het zenuwcentrum van de Nederlandse verdediging snel uit te schakelen. Daardoor konden ook de Koninklijke familie en de regering niet door de Duitsers gevangen worden genomen. Koningin en kabinet weken uit naar Londen.

Enkele uren na het uitbreken van de vijandelijkheden werd Best door opperbevelhebber generaal Henri Winkelman, met behoud van het bevel over de gehele luchtverdediging, toegevoegd aan het commando van de Vesting Holland. Aangezien de leiding van dat commando ernstig was onderbezet, hield luitenant-generaal Best zich tijdens de oorlogsdagen voornamelijk bezig met het bevel over de Vesting Holland. Hierbij liet hij de leiding over de luchtverdediging over aan zijn chef-staf, kolonel V.E. Wilmar.

Terug naar Boven

 

L.U.P.

Voluit: Lying-Up Position. Voorwaartse post, idealiter gelegen vóór de forward operating base (FOB) – waar een verkenningspatrouille zich – gecamoufleerd én zo dicht mogelijk tegen het maaivlak – schuilhoudt in de nabijheid van een te verkennen object én wacht op een mogelijk doel.

De LUP ligt liefst, evenals een schuilbivak, in dicht bebost gebied. Vanuit de LUP worden de routinematige handelingen op het doel 24/7 in de gaten gehouden. ’s Avonds en ’s nachts – tussen ENAS en BNMS – kunnen operaties worden uitgevoerd en kan de vijand worden aangegrepen.

Zie ook: waarnemen.

Terug naar Boven

 

Laatste update:30.03.2013