LEESWIJZER
Terug naar de homepage
 

 

Maak uw keuze uit de hieronder getoonde alfabetische lijst
 

Boeken gezocht!

 

EEN BOEKJE OPEN OVER DE OFFICIEREN - C.G.A.W. HAKKERT

titel

Een boekje open over de officieren

auteur

C.G.A.W. Hakkert

ISBN

9021841312

jaar

1971

pagina's

158

uitgeverij

Sijthoff Leiden

 

Na WO II diende majoor C.G.A.W. Hakkert als reserveofficier in Nederlands-IndiŽ en Nieuw-Guinea om werd daarna beroepsmilitair.

In 'Een boekje open over de officieren' gunde de kritische beroepsmilitair de lezer een kijkje achter de schermen van het militaire leven en bekritiseerde hij, als insider, het militaire leiderschap.

Hakkert vond dat de officier niet leefde maar geleefd werd door het militaire systeem en de hiŽrarchie daarin. Een officier diende zich te conformeren aan overjarige tradities, curieuze voorschriften en gezag dat was gebaseerd op verschil in rang - niet op deskundigheid of geschiktheid.

Hakkert gaf in vogelvlucht een indruk van de opleiding voor officieren, de eisen waaraan een officier moest voldoen en wat voor een mens een officier eigenlijk was.

Volgens hem maakten in de militaire opleiding conservatieve en sterk nationaal georiŽnteerde officieren de dienst uit, die slechts "met opgewekte tegenzin" vernieuwingen of veranderingen accepteerden. Dat wil zeggen: wanneer politici of de publieke opinie hen daartoe dwongen.

Hakkert wilde van de officier een geŽngageerd, kritisch staatsburger maken, die niet zijn binding met de maatschappij verloor.

Volgens hem moesten de kunstmatige machtsstructuren tussen officieren, onderofficieren en manschappen verdwijnen en zouden ze beter met elkaar moeten communiceren.

Terug naar Boven

 

EEN DAPPER MAN. KAPITEIN W.L. DE ROOS - GILLES W.B. BORRIE

titel

Een dapper man. Kapitein W.L. de Roos (1906-1986)

auteur

Gilles W.B. Borrie

ISBN

n.v.t.

jaar

2011

pagina's

48

uitgeverij

Drukkerij Gianotten (Tilburg)

 

“Wat is een held? Iemand die straffeloos onvoorzichtig is geweest”, aldus W.F. Hermans. In relatie tot Willem Leonard (Bill) de Roos geldt in elk geval dat hij niet gestraft is de Duitse vijand. De Roos nam in de aprildagen van 1945 als lid van de 1ste Gevechtsgroep van majoor A.A. Paessens deel aan de huis-aan-huis- en straatgevechten om Hedel in handen te krijgen en houden.

De aanval op het nagenoeg geheel geëvacueerde dorp was nodig omdat de volhardende Duitsers zowel in de dorpskern als vanaf de noordoever van de Maas – aan de kant van Heusden, in de Bommelerwaard – Hedel bleven bevechten.

Bij deze gevechten sneuvelden twaalf mannen van de Prinses Irene Brigade. Dat De Roos in dit ongekende inferno van handgranaat- en stengunvuur niet om het leven kwam, is krijgsmansgeluk… en vakmanschap. De niet bang uitgevallen alleskunner was echter ook vaak roekeloos. Te onvoorzichtig.

Voeg daarbij het gegeven, achteraf, dat de geallieerde aanval op Hedel uit militair-tactisch oogpunt krankzinnig was en op een mislukking dreigde uit te lopen, dan mag kapitein De Roos van heel veel geluk spreken dat hij het overleefde. Voor zijn optreden in deze strijd werd aan hem, als enige van de Prinses Irene Brigade, de Militaire Willems-Orde toegekend. Die MWO kwam in de plaats van de twee jaar eerder verleende Bronzen Leeuw; in ’49 kreeg de charismatische Zwollenaar ook nog het Military Cross.

Gilles Borrie, zelf oorlogsvrijwilliger bij diezelfde brigade, heeft met dit boekje de dapperheid van De Roos definitief aan de vergetelheid ontrukt. De heroïsche status van De Roos blijkt hieruit zelfs zó groot, dat de vereniging van oud-strijders zich zelfs beijverde een kazerne naar hem te vernoemen. Dit boekje is met recht één van de blijvende kersen op de taart van het Garderegiment Fuseliers Prinses Irene.

Terug naar Boven

 

EEN HELE EER - KEES BRUIN

titel

Een hele eer. 200 jaar onderscheiden in Nederland

auteur

Kees Bruin

ISBN

9789462581128

jaar

2015

pagina's

128

uitgeverij

W Books

 

 

Het Nederlandse decoratiestelsel kent zijn oorsprong in 1806, bij de stichting van het Koninkrijk Holland onder Koning Lodewijk Napoleon. Tijdens zijn regeerperiode werd bij wet de Orde van de Unie en de Koninklijke Orde van Verdiensten ingesteld.

Dit jaar bestaan de Orde van de Nederlandse leeuw en de Militaire Willems-Orde 200 jaar. Daarom alleen al verdient dit boek van Bruin alle lof. Bruin, in 1989 gepromoveerd op de geschiedenis van het Nederlandse decoratiestelsel, laat alle mogelijke facetten van de ontstaansgeschiedenis van Koninklijke orden zien. Een overzicht van het functioneren van de Nederlandse ridderorden van 1815 tot heden.

Zijn resumť betreft niet ridderorden zoals die de Middeleeuwen bekend waren, waarin de opname alles te maken had met geboorte en/of bezit. Zijn boek gaat over orden van verdienste. Prestaties die mensen hebben geleverd, waarvoor ze alle lof verdienen, burgers en militairen. Voorheen kon het merendeel van de militairen vanwege zijn afkomst nooit in een orde worden opgenomen.

In het stichtingsjaar van het Koninkrijk der Nederlanden, op 30 april 1815, riep Koning Willem I (1815-1840) de Militaire Willems-Orde in het leven. Henk Bruin schrijft onder meer dat het benoemingsbeleid van de Koning in de Willems-Orde "op de tast" tot stand kwam. De Koning gebruikte de orden van meet af aan om steun te verwerven voor het bijeenbrengen en bijeenhouden van twee sterk verschillende landsdelen. De zuidelijke politieke elite moest overtuigd worden van de voordelen van de eenwording en dat was een lastige taak.

Voor Koning Willem I kreeg de instelling van dť dapperheidonderscheiding voor militairen in het stichtingsjaar van het Koninkrijk der Nederlanden voorrang. Logisch, gezien de heersende oorlogsomstandigheden, maar gezien de nuchtere en calvinistische volksaard ook opmerkelijk dat verdienstelijke ingezetenen van het Koninkrijk die zich konden onderscheiden door dapper wapengekletter. Artikel 43 van de nieuwe Grondwet luidde in elk geval: "de Souvereine Vorst, eene Ridder-Orde willende instellen, draagt daaromtrent aan de Staten-Generaal eene wet voor."

Het was Commissaris-Generaal (minister) van Oorlog Jhr. Jan Willem Janssens, die bij de Koning de urgentie van een militaire orde benadrukte. Hoe eerder de koning "ter aanvuring van moed en dapperheid" over een nieuwe eigen onderscheiding zou beschikken hoe beter. Het werd de Militaire Willems-Orde, overigens niet genoemd naar de Koning zelf. Naamgever was Willem met de Korte Neus (752-812), zo genoemd omdat hem in ťťn van de veldtochten tegen de Saracenen een stuk van zijn neus was geslagen.

Bij wet van 30 april 1815 de werd de Militaire Willems-Orde ingesteld, een orde voor militaire verdiensten ter beloning van "uitstekende daden van moed, beleid en trouw, bedreven door die genen, welke, zoo ter zee als te lande, in welke betrekking ook en zonder onderscheid van stand of rang, Ons en het vaderland dienen." Het hoofdversiersel van de Militaire Willems-Orde is een Maltezer kruis met wit geŽmailleerde armen met in goud het opschrift voor moed, beleid en trouw.

De Prins van Oranje - de opperbevelhebber van de Nederlandse troepen in Waterloo en Quatre-Bras, de latere Koning Willem II - gaat als eerste ridder in de Militaire Willems-Orde de annalen in, zo schrijft Henk Bruin ook. Als 23-jarige had hij op het slagveld van Waterloo een opmerkelijke bijdrage aan de strijd geleverd en daar een kogel in zijn linkerarm gekregen.

Slechts drie maanden na haar instelling ontvingen op 30 juli 1815 tachtig (!) militairen van de Nederlandse troepen van Wellingtons leger die zich hadden onderscheiden bij Quatre-Bras en Waterloo de eretekenen van de Militaire Willems-Orde. Het uitreiken van de onderscheidingen, vermeld in de Staatscourant van 21 juli 1815, gebeurde op de weg van Parijs naar Pontoise, tussen Saint Denis en Epinay (niet: Epina, zoals het boek vermeldt). De Prins van Oranje zelf ontving het Grootkruis van de Orde.

"De Moedige Militair lijkt het moeilijk te hebben in Nederland. Onze krijgsmacht heeft zich de afgelopen decennia niet mogen verheugen in veel belangstelling, laat staan veel steun vanuit de samenleving, getuige ook de voortdurende bezuinigingsmaatregelen. De instandhouding van een eigen vloot, leger, luchtmacht en marechaussee, heeft voor regering en parlement jarenlang geen prioriteit gehad, en dat was een afspiegeling van hoe de meeste Nederlanders erover dachten en sommigen waarschijnlijk nog steeds denken."(p. 87) Aldus Henk Bruin.

Als lintjes iets zeggen over hart en ziel van de natie, zoals oud-premier Ruud Lubbers beweerde, zegt het gebrek aan steun van de samenleving voor haar krijgsmacht daar zeker ook iets over.

Dit doet absoluut niets af aan dit belangwekkende boek Henk Bruin. In één woord: prachtig!

Terug naar Boven

 

EEN LIEFDE IN AFRIKA - SUSAN TRAVERS

titel

Een liefde in Afrika

auteur

Susan Travers

ISBN

9789044300369

jaar

2000

pagina’s

364

uitgeverij

The House of Books

 

Op 23 september 1909 wordt Susan Travers in Devon, England, geboren. Voor sommige Fransen is haar geschiedenis een lichtelijke smet op de krijgsgeschiedenis van het Vreemdelingenlegioen, waar de machocultuur de boventoon voert. Op 17 juni 1941 werd de verpleegster van het Franse Rode Kruis chauffeur van een getrouwde Franse kolonel. Hij was 42, zei 31. Een heftige relatie volgde. De kolonel, Pierre Koenig, was de commandant van de 1ère Division Française Libre tijdens de Slag om Bir Hakeim.

Bir Hakeim (Libië), ± 50 km zuidelijk van de mediterrane kust en ten westen van Tobroek, lag in de geallieerde Gazala-verdedigingslinie. In de Tweede Wereldoorlog werd er zwaar gevochten met de Duits-Italiaanse agressor. Nadat de 1ère Division Française Libre net fel slag had geleverd in Halfaya en Méchili, omsingelde Rommel’s Afrikakorps begin juni 1942 Bir Hakeim en verzocht Koenig zich over te geven. Die antwoordde onverzettelijk: “Nous ne sommes pas ici pour nous rendre” (“We zijn hier niet om ons over te geven”).

Zwaar in de minderheid (10 : 1) bood Koenig ruim 2 weken lang verzet tegen 4 divisies in het gat van de zuidelijke verdediging. Tegen alle verhoudingen in zorgde de strijd voor een ommezwaai in de Noord-Afrikaanse oorlogsarena. Koenig’s actie maakte het mogelijk dat het 8ste Britse leger zich kon terugtrekken, reorganiseren in Alexandrië en de tegenaanval op El Alamein kon inzetten. Verder was ‘Bir Hakeim’ voor De Gaulle doorslaggevend: voor het eerst hadden de Fransen zelfstandig geknokt.

Zelfs Churchill moest de heldendom van de Fransen onderkennen: “Holding back for fifteen days Rommel's offensive, the free French of Bir Hakeim had contributed to save Egypt and Suez canal's destinies." Op 10 juni 1942 doorbraken Travers en Koenig de mijnenvelden ("champs de marais") en drie concentrische kordons van Duitse tanks die Bir Hakeim omringden.

In deze context was adjudant-chef Susan Travers de enige vrouw die ooit heeft gediend in het Légion d’Étrangère; het legioen werd pas in 2000 formeel opengesteld voor vrouwen.

Tussen Travers en Koenig bloeide een heftige relatie, die een jaar later bekend werd. Daarop zette Koenig noodgedwongen – hij was getrouwd – Travers aan de kant. Zij reisde vervolgens met de geallieerden via Italië en Frankrijk naar Duitsland, waar de bevrijding werd gevierd. Tot 1947 is ze bij de 13ème Demi-Brigade de Légion Etrangère (13 DBLE) gebleven, zowel in Marokko als Indo-China. Op haar 37ste trouwde ze met een légionnaire, maar in haar hart bleef ze altijd van generaal Koenig houden.

In 1956 ontving ze tijdens een ceremonie in Les Invalides uit handen van haar oude liefde de Médaille Militaire. Ze overleefde Koenig, die in 1954 en ’55 Minister van Defensie was, in ‘70 overleed en in ’71 postuum zijn mémoires ‘Bir-Hakeim: 10 juin 1942’ het licht deed zien. Susan Travers overleed in 2003 op 94-jarige leeftijd.

Terug naar Boven

 

EEN MAN VAN STA-VAST - VINCENT DUMAS

titel

Een man van sta-vast. Prosper Ego. De inzet voor vrijheid en veiligheid

auteur

Vincent Dumas
voorwoordWim van Eekelen, voormalig Staatssecretaris van Defensie (1978-'81), Minister van Defensie (1986-'88) en Secretaris-generaal West Europese Unie (1989-'94)

ISBN

9789059117297

jaar

2008

pagina's

258

uitgeverij

Contour

 

Terug naar Boven

 

EEN MOOI WOORD VOOR OORLOG - AD VAN LIEMPT

titel

Een mooi woord voor oorlog. Ruzie, roddel en achterdocht op weg naar de Indonesië-oorlog

auteur

Ad van Liempt

ISBN

9012067014

jaar

1994

pagina’s

292

uitgeverij

Sdu uitgeverij

 

Ondanks de acute dreiging dat de stad Saguntum (Sagunto in Valencia, Spanje) kon worden ingenomen,  aarzelde, draalde en twijfelde de Romeinse Senaat. Wat volgde was eindeloos overleg en nietsdoen, waarmee het momentum voor ingrijpen verkeken was. Titus Livius dichtte hierover: “Deliberante senatu Saguntum periit.” (“Terwijl de Senaat vergadert, wordt Saguntum veroverd.”)  Blijkbaar komt eindeloos beraadslagen de slagvaardigheid niet ten goede.

Die klassieke les had Louis Beel in elk geval begrepen (p. 116): er zou op enig moment een knoop doorgehakt moeten worden. Dan heb je als premier met alles rekening te houden: strategische voors en tegens, de publieke opinie, ruim honderdduizend ontplooide militairen in Nederlands-Indië die “drie miljoen per dag” (p. 23) kostten, de legertop. Nederlands-Indië wachtte op daden, er moest een beslissing worden genomen.

Een 'frische, fröhliche Krieg' zou misschien uitkomst bieden om de kolonie Nederlands-Indië te behouden als noodzakelijke economische inkomstenbron voor het moederland. Ook wilde men het gebiedsdeel, dat al eeuwen in handen van het Koninkrijk was, niet zomaar opgeven. Ratio en emotie streden om het hardst.

Uiteindelijk bleek de strategie van “de politieke generaal”, legercommandant Spoor, onafwendbaar: de toestand in de Oost werd met de dag slechter, ten nadele van de Nederlanders en Nederland-gezinde eilanders. Hoofdrolspeler Spoor heeft gelijk gekregen: het leger kon niet anders dan ingrijpen. Elke politieke pressie mislukte en het leger stond in de startblokken voor een beslissende actie, desnoods eentje met als eindsituatie de inname van Djocjakarta – hoofdstad van de Republikeinen (‘Operatie Amsterdam’).

De Politionele Acties verdienen niet op alle fronten de schoonheidsprijs, zeker niet, maar men mag niet uit het oog verliezen dat “politioneel” het enig mogelijke was: “Zoals de KNIL-acties destijds in Atjeh ook altijd politioneel waren genoemd, gericht op het handhaven van de orde op eigen terrein.” (p. 9), d.w.z.  “police measures of a strictly limited character”. In de nacht van 20 op 21 juli 1947 werd in Den Haag besloten tot een aanval door “destijds de tiende strijdmacht ter wereld” (p. 10): Nederland. Het boek van Van Liempt is de reconstructie van de besluitvorming hiertoe: “Hoe kon het [...] tot die aanval komen?” Een offensief dat zich beperkte tot het veiligstellen van de belangrijkste wingewesten (Operatie Product) en een opmars naar Djocjakarta. Niet, zoals voorbereid, tot en met de verovering van de Republikeinse hoofdstad (Operatie Amsterdam).

Het is nog steeds een nauwelijks verwerkte periode uit de Nederlandse geschiedenis, waarvan de kiem tot alle rampspoed lag bij de naoorlogse opsplitsing van Nederlands-Indië onder de Australiërs en Britten. De politiek georienteerde generaal Spoor zou de revolutie een halt kunnen toeroepen en de kurk waar de Nederlandse economie op dreef redden.

Slechts enkelen bleven waarschuwen tegen oorlog in de Oost. Zo ook minister zonder portefeuille Eelco van Kleffens en jonkheer Alidius Tjarda van Starkenborgh Stachouwer, de ambassadeur in Parijs en oud-landvoogd in Indië: “De geschiedenis leert [...] dat niet door de natuur bij elkaar gevoegde volkeren onherroepelijk uiteendrijven indien tussen hen op grotere schaal bloed wordt vergoten.” Opnieuw een klassieke les.

Toch gebeurde het. Alleen al op Zuid-Celebes vielen 3 à 4.000 doden, maar de mateloos populaire Spoor maakte met de Politionele Acties, weliswaar tijdelijk en plaatselijk, een einde aan de aanslagen, bestandsschendingen en het verder vernielen en ondermijnen van bruggen en weggedeelten door de Indonesiërs. Wanneer de strateeg Spoor zijn ontslag indient in een parallel lopende kwestie, is landvoogd Van Mook niet meer ontvankelijk voor welk vredesinitiatief dan ook:  zes dagen later begint de Eerste Politionele Actie. Het onderwerp waarop alle onderhandelingen of opbouwwerkzaamheden naar een federaal Indonesië spaak lopen, is de door Nederland voorgestelde gemeenschappelijke gendarmerie: de Republiek ziet de handhaving van orde en rust op Republikeins gebied als een exclusief Republikeinse taak. De maat is vol.

De gereconstrueerde besluitvorming door Van Liempt is interessant wat de motieven betreft die uiteindelijk hebben geleid tot beide Politionele Acties, maar de gortdroge opsomming van feiten en vergaderingen is voor de lezer een last. Bovendien is het, vanuit het perspectief waarin het geschreven is (eind 20ste eeuw), een leunstoelstrategische versimpeling  – hoezeer ook de auteur de lezer anderszins wil laten geloven.

In 2012 verscheen de bewerkte versie van dit boek: 'Nederland valt aan. Op weg naar oorlog met IndonesiŽ'.

Op 21 juli 2012, precies 65 jaar na het begin van de Eerste Politionele Actie, zendt de NTR (20.50 - 21.50 uur, Nederland 2) een reconstructie uit van de gebeurtenissen van de eerste dag. Het speciale 'nieuwsprogramma' wordt gepresenteerd door Maartje van Weegen.

Terug naar Boven

 

EEN OPEN ZENUW - MADELON DE KEIZER & MARIJE PLOMP (red.)

titel

Een open zenuw. Hoe wij ons de Tweede Wereldoorlog herinneren

auteur

Madelon de Keizer & Marije Plomp (redactie)

ISBN

9789035133686

jaar

2010

pagina’s

558

uitgeverij

Bert Bakker / Prometheus

 

 

Terug naar Boven

 

EEN STEM UIT HET VELD - ROB SMULDERS

titel

Een stem uit het veld. Herinneringen van de ritmeester-adjudant van generaal S.H. Spoor

auteur

Rob Smulders

ISBN

9067071900

jaar

1988

pagina’s

144

uitgeverij

De Bataafsche Leeuw

 

Zo pluriform als de belevenissen en herinneringen van de adjudant-ritmeester Rob Smulders zonder twijfel zijn, zo zijn diens memoires voor het grootste deel in onbegrijpelijke flarden neergepend. Het lijkt een allegaartje van dagboekachtige aantekeningen, in een even hakkelend als staccato Nederlands, zonder goed leesbare volzinnen. Hierdoor noopt Smulders’ boek helaas veelvuldig tot voortijdig afhaken.

Zonde, want dat Smulders wat te vertellen heeft, staat als een paal boven water: als persoonlijk assistent (adjudant) van generaal Spoor; als voormalig eskadronscommandant; als mens. Gelukkig blijft het boek, ondanks de genoemde handicaps, aantrekkelijk. Dat komt deels door de toon, die feitelijk wordt gezet door aan wie hij zijn boek opdraagt: “Aan hen die in de jaren 1945-1950 in Indië waren en palstonden. Het was niet tevergeefs”. Een woordkeus die min of meer gelijk is aan “wij, de Nederlandse militairen in Indië, waren onwankelbaar, weken niet.” Een toonzetting ook met betrekking tot de dood van generaal Spoor: “Hij stierf of sneuvelde, onverwacht” (p. 7)

Dit boek gaat dan ook niet over Smulders, maar over de mensen rondom de commandant van het leger in Indonesië, generaal Simon Hendrik Spoor, commandeur Militaire Willems-Orde, begraven op de erebegraafplaats Menteng Poeloe in Djakarta (het vroegere Batavia).

Af en toe neigt het hierdoor naar het hagiografische, zoals op p. 31: “Was er een grotere soldaat in de Nederlandse geschiedenis sinds de dagen dat Nederland zich onder de Oranje’s vrijvocht van de Spaanse tyrannie?” De vraag stellen is haar beantwoorden, dus op p. 94 vervolgt Smulders: “In het begin wist ik niet waar de pose begon of ophield. Was hij een groot acteur? Nee hij was commandant van een leger die van haveloze soldaten, ondervoede en ongetrainde soldaten, zó uit de Japanse kampen, een steeds perfecter gevechtsinstrument maakt. Die ook het Haagse politieke spel doorziet en bijna per dag het leger weet in te zetten. Nu wel, dan niet. Aan zijn troepen laat hij weten dat hij begrijpt waar het om gaat. Hij geeft hun het vertrouwen en het uithoudingsvermogen om deze onmogelijke opdracht toch uit te voeren.”

Gelet op het bovenstaande is het verwonderlijk dat in het tussenhoofdstuk ‘Oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid’ – waarin Smulders de Nederlandse jurist prof. dr. Christiaan F. Rüter uitgebreid citeert – juist ook een niet voor de hand liggend statement wordt gemaakt: “Een misdrijf tegen de menselijkheid is [...] in de jaren 1945-1950 door Nederlandse soldaten en hun meerderen niet gepleegd. Er zijn oorlogsmisdaden gepleegd. Dat ontkent niemand die erbij was.” (p. 88).

Het verhaal begint als Spoor kapitein is, 40 jaar jong. Het ademt vervolgens de sfeer van Erasmus’ adagium ‘Dulce bellum inexpertis’ (‘Oorlog is aangenaam voor wie hem niet heeft meegemaakt’). Nederlands-Indië was allesbehalve leuk en comfortabel; oorlogsmisdaden kwamen blijkbaar voor...

Dan ineens is Spoor kolonel, directeur van de Netherlands Forces Intelligence Service (NEFIS). De kroniek verspringt nu veel en snel, met soms prachtige citaten uit de Indische bushbush, zoals “Drie-vierde verveling, één-vierde angst” (p. 85). De realiteit van contra-guerrilla; de realiteit van het leven in dienst tijdens de Politionele Acties.

Als tweede luitenant gaat Smulders als Spoor’s adjudant werken. Een leven dat nauwelijks ‘in de marge’ genoemd kan worden. In het ingewikkelde machtsspel in Nederlands-Indië zit hij bovenop de laatste nieuwtjes en leert hij bijvoorbeeld wat de invloed (niet macht) van Shell Koninklijke Olie – voorheen de Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM) – in de archipel is: met generaal Spoor is Van Diermen, de grote BPM-baas in Oost-Indië, één van de invloedrijkste mannen. Maar Spoor heeft geen enkele moeite om zich te handhaven in een wereldje dat niet primair bestaat uit strategie, tactiek en leger en niet enkel wordt omgeven door dessa’s, pasars en warongs... Tot de lunch in de Jacht Club, die zoals algemeen wordt verondersteld zijn overlijden heeft bespoedigd.

Smulders’ boek is zeker géén must-have, hoewel de aangereikte foto’s en de faits-divers meerwaarde hebben voor hen die ingewijd zijn in leven en werk van generaal S.H. Spoor.

Terug naar Boven

 

EINDE OEFENING - GERARD J. FELIUS

titel

Einde oefening. Infanterist tijdens de Koude Oorlog

auteur

kolonel der infanterie b.d. Gerard J. Felius

ISBN

9080740012

jaar

2002

pagina’s

347

uitgeverij

Uitgeverij Quintijn

 

December 2007: zoon Marnix komt terug uit Uruzgan, een missie die in de verste verte niet te vergelijken is met enige andere opdracht die de Nederlands krijgsmacht sinds de Korea-oorlog is aangegaan. Laat staan met de dienstplichtperiode binnen de Koude Oorlog, toen vader Gerard binnen de infanterie opgroeide met de idee van tot op de meter nauwkeurig ingemeten en vastgestelde stellingen in het frontgebied vanaf de rivier de Elbe tot het Elbe-Seitenkanal.

De 'gouden glans' van de Koude Oorlog is terug te vinden in zijn autobiografie, waarin het wemelt van de nostalgie in de trant van Norit tot poeder stampen, met Nivea mengen en op de blote huid smeren. Over oefeningen in La Courtine en Mourmelon-le-Grand, niet meer bestaande vetermarsen, kikkeren bij het Korps Commandotroepen, de feuttijd en het klossen op de KMA, de verarming van het verdwijnen van de aparte messes op de kazernes, treinenbataljons die niets met de spoorwegen te maken hebben, een zware opleiding en een strakke discipline die zich terugbetalen...

Gerard J. Felius, die als dienstplichtig soldaat opkwam bij de lichting 58-6, beroepsofficier werd en in 1994 met functioneel leeftijdsontslag ging, heeft de wetenswaardigheden en (miskende?) nostalgie van een vervlogen tijd prachtig vastgelegd in zijn autobiografie. Het is niet voor niets dat alle media lovend over 'Einde oefening' zijn geweest. Opmerkingen als “een aanrader voor iedereen die in de naoorlogse jaren zelf in dienst is geweest” (Checkpoint), “een boek dat de militaire wereld in de tijd van de Koude Oorlog in al zijn facetten laat zien” (Defensiekrant), “feest van herkenning” (November Romeo) en “gemakkelijk en vlot geschreven, zeer openhartig, met de nodige humor en veel anekdotes” (Carré).

Voor de liefhebbers van een snel uit te lezen verhaal over hoe de landmacht er nog niet zo heel lang geleden uitzag, is het boek voor € 10,00 direct bij de auteur te bestellen.

Terug naar Boven

 

EMERGING MEMORY - PAULUS BIJL

titel

Emerging memory. Photographs of colonial atrocity in Dutch cultural remembrance.

auteur

Paulus Bijl

ISBN

9789039354957

jaar

2011

pagina’s

247

uitgeverij

Universiteit Utrecht

 

Op 14 januari 2011 promoveerde cultuurwetenschapper Paulus Bijl aan de Universiteit Utrecht op de functie van foto's van koloniale wreedheden in de Nederlandse culturele herinnering. Bijl heeft die 'koloniale wreedheid' goed gekozen: een gebeurtenis van bijna een eeuw oud. Dat moest ook wel, gezien het koepelonderwerp ‘herinnering’. Zijn proefschrift heet ‘Emerging Memory’ en “this study seeks to change thinking about memory and forgetting”. Achterliggende gedachte is, wat mij betreft, onder andere dat het geheugen blijkbaar in staat is om lege of opengevallen plekken op te vullen, met fantasie of non-fictie.

De gebeurtenis waar alles om draait in Bijl’s dissertatie is een expeditie onder leiding van luitenant-kolonel G.C.E. van Daalen en zijn Korps Marechaussee in 1904. Plaats van handeling (“scene of the crime”) zijn de geïsoleerde, afgelegen Gajo- en Alaslanden op Atjeh, het onafhankelijk sultanaat in het noorden van Sumatra in het toenmalig Nederlands-Indië. Van Daalen’s opdrachtgever was generaal Van Heutsz, wellicht de meest controversiële houwdegen die Nederland ooit heeft gekend.

Op 24 juni 1904 keerde de overste terug van zijn veldtocht door de Gajo- en Alaslanden. Met een troepenmacht van maximaal 467 marechaussees en autochtone dwangarbeiders had de expeditie een verwoestend spoor getrokken. Het trieste resultaat was uitgebrande bentengs en kampongs, en ruim 3.000 doden onder de bevolking. De gebeurtenissen zorgden voor grote politieke commotie in Nederland. Het dieptepunt was een massaslachting in de versterkte kampong Koeto Reh in de Alaslanden, “the place where the marechaussees penetrated.” (p. 69)

Op 14 juni 1904 werd daar op bevel van Van Heutsz het verzet gebroken. Eufemisme voor het afslachten van 561 inwoners in anderhalf uur tijd: 313 mannen, 189 vrouwen en 59 kinderen. Een oorlogsmisdaad, vergelijkbaar met het Vietnamese My Lai of Franse Oradour-sur-Glane. De Atjese dorpsbewoners waren in het bezit van tientallen donderbussen en voorladergeweren en maakten aanvullend nog gebruik van lombokwater – water vermengd met Spaanse pepers, de voorloper van de pepperspray – stokken en stenen. Maar daarmee waren ze kansloos tegen de automatische wapens waarmee de Nederlanders het vuur openden. Bij de actie in Koeto Reh vielen dan ook slechts twee doden onder de Nederlandse aanvallers.

Groepsportret van het Korps Marechaussee met de overste Van Daalen nadat op 14 juni 1904 de inwoners van de versterkte kampong Koeto Reh in de Alaslanden op Sumatra zijn uitgemoord (© foto: dissertatie Paulus Bijl & Collectie Tropenmuseum).

De buitenwereld zou nooit van Koeto Reh hebben gehoord als de Nederlanders niet als ware moraalridders conform de in 1901 afgekondigde ‘ethische politiek’ (die Nederlands-Indië moest beschaven naar westers model) de expeditie waren gestart: zowel militair als wetenschappelijk. In alle behoefte aan verbreiding van het koloniale imperialisme werden van de expeditie en dus ook van de actie in Koeto Reh foto’s gemaakt. Het leger wilde de foto’s tentoonstellen ťn publiceren om te laten zien dat het gewoon zijn werk deed.

De bewuste foto die is gemaakt na de aanval op Koeto Reh was een anticlimax: de zegevierende militairen staan op de vestingwal, de lijken van hun tegenstanders liggen beneden op de grond.

Maar liefst negen dwangarbeiders zorgden ervoor dat officier van gezondheid der 2de klasse Hendricus Marinus Neeb, als fotograaf aangewezen, een uitneembare donkere kamer en alle mogelijke fotografiespullen tot zijn beschikking had. Zijn foto’s zijn onder andere verschenen in een ooggetuigenverslag van eerste luitenant der artillerie J. C. J. Kempees, adjudant van Van Daalen. Kempees schreef zijn boek in opdracht van de overste onmiddellijk na zijn terugkeer in de Atjese hoofdstad Kota Radja in 1904. Er was toen nog geen kritiek op het expeditionaire optreden geuit. In 1905 verscheen zijn boek.

Van Daalen was absoluut niet beschaamd over de gevolgen van zijn expeditionaire contraguerrilla. Er werd dus volop gefotografeerd, in totaal 173 kiekjes. Na afloop van de bestormingen liet hij Neeb de stapels lijken in de bentengs en kampongs fotograferen, liefst met de trotse marechaussees ernaast.

Neeb (1870-1933), geboren in Muntok op het eiland Bangka aan de kust van Sumatra, was inheems genoeg om de noden van de burgers in te zien. Hoewel hij als legerarts in de eerste plaats voor zijn eigen mannen moest zorgen, gaf de overste Van Daalen hem – naast het schieten van foto’s – alle ruimte om herhaaldelijk gewonde Gajo’s en Alassers te verplegen. Zelfs in het eigen bivak.

De expeditie van Van Daalen – volgens een latere schatting het uitroeien van 20 tot ruim 25% van de totale bevolking van de schaars bewoonde Gajo- en Alaslanden – markeerde het einde van de grootschalige inlandse verzet tegen de Pax Neerlandica. In eerste instantie trok deze expeditie nauwelijks de aandacht, niet in de Oost noch in Nederland. De details van de gruweldaden kwamen in eerste instantie aan het licht door een verslaggever van de Deli Courant die een reportage schreef over de gruwelijke veldtocht door Atjeh. Het geweld bleek zich ook te hebben gekeerd tegen ongewapende oudere mannen, vrouwen en kinderen, waarna de Nederlandse publieke opinie en (de socialisten in) het parlement zich teweer stelden tegen het militaire beleid in Atjeh.

De regering verdedigde het beleid van Van Heutsz en Van Daalen. De Atjeeërs zouden zich voortaan wel bedenken voordat ze weer dwars gingen liggen, meende minister-president Abraham Kuyper. Hij noemde het doodschieten van ongewapende vrouwen en kinderen betreurenswaardig, maar de Atjese strijders hadden nu eenmaal de onhebbelijke gewoonte om zich tussen de burgers te verschuilen. Toch leidde het brute geweld van de Nederlanders in de Oost en het grote aantal burgerslachtoffers tot felle discussies, ook zonder dat het leeuwendeel van het publiek de – uit esthetisch oogpunt – excellente, fameuze foto’s van Neeb had gezien.

De socialist Van Kol vergeleek het gewelddadige en machtsbeluste optreden van Van Daalen met de wreedheden van de Hertog van Alva tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Koningin Wilhelmina wilde van de kritiek op de overste niet weten en onderscheidde hem met het Commandeurskruis van de Militaire Willems-Orde.

 Terug naar Boven

 

ENDSTATION KABUL - ACHIM WOHLGETHAN

titel

Endstation Kabul. Als deutscher Soldat in Afghanistan - ein Insiderbericht

auteur

Achim Wohlgethan

ISBN

9783430200431

jaar

2008

pagina’s

302

uitgeverij

Econ

 

Begin 2008 verscheen ‘Endstation Kabul’ van Achim Wohlgethan. Naar eigen zeggen lid van de Duitse Special Forces, die in “Grossraum Kabul” enige maanden met team 4.11 van het KCT heeft samengewerkt - evenals zijn buddy Alex. Daarmee verkrijgt hij de afkorting z.b.V. achter zijn naam: "zur besonderen Verfügung". Dat wil zoveel zeggen als "nur für Sonderaufgaben".

Het is 2002.Die onthulling kwam zowat tegelijkertijd met een tweeluik aan ontdekkingen van het VPRO-radioprogramma Argos. Het draaide er allemaal om dat Nederland, in die tijd en op die plaats, buiten ISAF-mandaatgebied taken in het kader van Operation Enduring Freedom (OEF) zou hebben uitgevoerd. Niet mals, maar de Minister van Defensie deed de beweringen af als UFO-journalistiek.

Het is, achteraf gezien, duidelijk dat Wohlgethan in Kabul en ruime omgeving géén UFO’s heeft gezien. Dat hij een groot waarnemingsvermogen en een vaardige pen heeft, maakt zijn boek er in elk geval duidelijker op. Hij heeft het onder meer over de Duitse gewoonte om ’s avonds laat in de bar ‘Lili Marleen’ uit volle borst mee te zingen en een hartgrondige hekel aan het “gevechtsveldtoerisme” (“Affenzirkus”) van politici en VIP’s. Waar zijn onduidelijkheid niet stopt, is bij de passages over zijn onderbevelstelling bij het KCT, waar de Nederlanders zijn “nieuwe familie” werden. Ouwe jongens krentenbrood; blijkbaar kennen en waarderen Special Forces elkaar.

Hij schrijft over “zeer geheime opdrachten” van de Kabul Multi-National Brigade (KMNB); over verkenningseenheden die tot tweemaal toe op Route Crimson – ver buiten Kabul – oog in oog kwamen te staan met mujahideen-leider Gulbuddin Hekmatyar; dat hij zelf “minstens een dozijn keer” buiten de Area of Responsibility (van west naar oost 40 km, van noord naar zuid 70 km) is geweest; dat begin augustus 2002 zuidelijk van Kabul onder onopgehelderde omstandigheden 12 Afghanen om het leven kwamen; hoe hij werd ingezet voor de Militärischer Abschirmdienst (MAD) – één van de drie Duitse inlichtingendiensten. En dan hebben we het nog niet gehad over de speelgoedwapens waarmee kinderen in Kabul de westerse militairen de stuipen op het lijf joegen, de onfortuinlijke Duitse majoor die met naam wordt genoemd en hoofd van J2 was, en Hotel Interconti - uitvalslokatie van vele acties en gesprekken...

Zijn verhaal vertoont zo nu en dan James Bond-achtige trekjes, maar de feiten zijn controleerbaar. Ondanks de 'threat warnings' die regelmatig vanuit het hoofdkwartier van ISAF de ether werden ingestuurd, was Kabul relatief veilig. Die relatieve veiligheid was onder andere te danken aan het proactieve optreden van de Special Forces.

Opmerkelijk: het boek van Achim Wohlgethan verscheen in de Nederlandse vertaling onder twee verschillende titels: ‘Legerkamp Kabul. Als soldaat in Afghanistan, een insiderbericht’ en ‘Soldaat in Afghanistan. Bericht van een insider’

Als Stabsunteroffizier Wohlgethan “top secret” op het boekomslag zet, is dit niet omdat er zeer geheime informatie uit zijn verhaal kan worden gedistilleerd. Het is een eyecatcher die weer eens duidelijk maakt dat de politieke controle op militaire activiteiten niet altijd even goed is geregeld. Wat die 3 tot 5 Duitsers precies bij het KCT hebben uitgevreten zullen we dan ook niet te weten te komen. Eerlijk gezegd wil ik dat ook niet: ik vertrouw er blind op dat Special Forces aller landen in de ommelanden van Kabul dingen hebben gedaan om acute dreigingen tegen reguliere eenheden te voorkomen cq. teniet te doen. Als Wohlgethan dat met ‘Endstation Kabul’ voor het voetlicht probeert te krijgen, is hij daarin geslaagd.

Terug naar Boven

 

ENIGMA EN DE STRIJD OM DE WESTERSCHELDE - HANS SAKKERS

titel

Engima en de strijd om de Westerschelde. Het falen van de geallieerde opmars in september 1944

auteur

Hans Sakkers

ISBN

9789461530011

jaar

2011

pagina's

432

uitgeverij

Aspekt

 

 

Terug naar Boven

 

ERGER DAN OORLOG - DANIEL JONAH GOLDHAGEN

titel

Erger dan oorlog (origineel: Worse Than War)

auteur

Daniel Jonah Goldhagen

ISBN

9789022324189

jaar

2009

pagina's

720

uitgeverij

De Bezige Bij

 

 

Terug naar Boven

 

EXPEDITIE URUZGAN - BETTE DAM

titel

Expeditie Uruzgan. De weg van Hamid Karzai naar het paleis.

auteur

Bette Dam

ISBN

9789029567213

jaar

verwacht augustus 2009

pagina’s

208

uitgeverij

De Arbeiderspers

 

Het was Wereldomroep-collega Hans de Vreij die Bette Dam eind 2006 op het spoor zette met zijn artikel 2001: de Slag om Tarin Kowt. Na het instorten van de Twin Towers en de daaropvolgende ‘war on terror’ had in Uruzgan een beslissende maar onbekende opstand tegen de Taliban plaatsgevonden. Geleid door Hamid Karzai, toen een relatief onbekende, nu de president van Afghanistan.

Het kantelmoment na 9/11 begon voor Uruzgan in de nacht van 7 op 8 oktober 2001 met operatie Enduring Freedom: tientallen doelen werden bestookt, vooral in Kabul en Kandahar. De Amerikanen komen in actie en Dam kenschetst het probleem dat voor Karzai opdoemt: hoe kan hij twee heren dienen, of beter: hoe overtuigt hij zijn medestanders van het nut daarvan? Amerikanen versus stam- en clangenoten? Hoewel Karzai – “van de invloedrijke Popolzai-clan uit de Pashtun-bevolking” – ook de eerzucht heeft om als eerste in Uruzgan te zijn wanneer ‘zijn volk’ hem nodig heeft, hebben juist de Amerikanen daarvoor alle militaire middelen en knowhow. Wat ontstaat, is een bijna absurdistische win-winsituatie: “Wie doet er mee en wie niet? Wie gelooft zijn woorden? En wie laat zich niet overtuigen? Wie gaat naar welke stamleider om de nieuwe tijd aan te kondigen? Wie durft?”.

Als de Amerikanen op 20 oktober 2001 Tarin Kowt bombarderen, ontsteekt Karzai in woede. Volgens Dam denkt hij dat de Amerikanen hem zijn vergeten. Twaalf dagen later droppen die alsnog wapens en munitie. En, veel belangrijker: op een basis in het Pakistaanse Jacobabad wacht intussen een Special Forces Operational Detachment-Alpha, in dit geval ODA-574. De wapendropping wordt niet helemaal een succes: de in het nauw gedreven Karzai c.s. worden haastje-repje door de CIA afgevoerd naar Jacobabad. Daar verbaast Capt. Jason Amerine, commandant van het twaalf man sterke ODA-574, zich over de locatie die Karzai – ondanks het recente fiasco – onverstoorbaar wil blijven gebruiken. Als springplank voor zijn expeditie, hoewel het niet zeker is dat Karzai in Tarin Kowt triomfantelijk zal worden verwelkomd.

Precies een dag nadat Kabul in handen is gevallen van de Noordelijke Alliantie worden Karzai en zijn medestrijders, ODA-574 en een zestal CIA’ers in de buurt van Tarin Kowt afgezet door helikopters. Het wonder lijkt geschiedt: de Taliban zijn al uit het stadje verdreven! De euforie slaat om als honderden Taliban-strijders onderweg zijn die Karzai willen, dood of levend. Vanaf een plateau zien de Amerikaanse en Afghaanse strijders de Taliban komen aanrijden, die dankzij de Amerikaanse luchtstrijdkrachten massaal worden uitgeschakeld. De Karzai-getrouwen – onder de indruk van “de precisie, de efficiëntie en de snelheid, alles wat de Amerikanen hebben laten zien in die paar uur” – rukken vervolgens op naar Kandahar, bestuurscentrum van de Taliban. Onderweg wordt de strijdmacht nog getroffen door een foutief afgeworpen bom, waardoor twee Special Forces van ODA-574 worden gedood. Ook Karzai en Amerine raken hierbij gewond.

Als de veldslagen gevoerd zijn gaat het in dit boek mijns inziens allemaal veel te snel: Dam beschrijft dat Karzai door de Amerikanen naar Kabul wordt gevlogen om de eerste president van Afghanistan te worden. De rest is geschiedenis, maar graag had ik in een extra hoofdstuk diepgaander de rol van Karzai tussen 2002 en nu gelezen, omdat zijn verzoeningpolitiek en diplomatie zich daarna voor een groot deel tegen hem hebben gekeerd. Dat valt althans tussen de regels door op te maken.

Zo heeft Karzai na de ‘Slag om Tarin Kowt’ de Taliban in het zuiden “allemaal vrij baan” gegeven in plaats van gevangenisstraf. En ondanks de initiële inzet van alleen Amerikanen in de eerste fase van de oorlog, is het zuiden nog steeds vergeven van de rebellen. Bijna dagelijks maken ze slachtoffers door met IED’s, in hinderlagen en TIC’s, waardoor het wantrouwen van de westerse troepen tegenover de Afghanen groot blijft, in elk geval buiten de relatieve veiligheid van de hesco-forten en niet alleen in Uruzgan.

Ze geeft aan hoe in Uruzgan, na Karzai’s triomf, het verzet tegen Jan Mohammed – de enige man die volgens Karzai sterk genoeg was voor het gouverneurschap – alleen maar is gegroeid. Het heeft er alle schijn van dat diens aanstelling tot Karzai’s grootste misrekeningen in de nasleep van 9/11 moet worden beschouwd. Maar dan nog is het zoals ze schrijft: “De band tussen Karzai en Jan Mohammed is sterker dan welke wet of institutie dan ook.” Voor zijn troonopvolgers, Munib en Hamdam, maakt het weinig uit dat Mohammed het veld moest ruimen, want vanuit Kabul heeft hij de touwtjes nog steeds strak in handen.

De Slag bij Tarin Kowt in 2001 is een keerpunt geweest in de oorlog tegen de Taliban, ook psychologisch: ze overtuigde de mullahs en maliks dat de Taliban kon worden overwonnen én dat terdege met ‘ene’ Karzai rekening moest worden gehouden. Hoezeer Karzai ook loyaliteit met zijn familiale en tribale banden bedong en de provinciehoofdstad behoedde voor plunderingen en verkrachtingen, in Afghanistan, dus ook in Uruzgan, krijgt de internationale strijdmacht volgens haar pas echt iets voor elkaar als “experts die de taal spreken […] naar de gastenkamers [komen] om te praten.”

De vraagtekens staan, zo vermoed ik, voor experts in cultuur en identiteit, gedragscodes, ideologie en religie, normen en waarden; professionals die bijvoorbeeld snappen dat vrouwen juist vanwege hun vrouwelijkheid van de Taliban een burqa moesten dragen en inzien dat de benadering van vrouwelijkheid in Afghanistan volkomen verschilt met die in het westen. Zoals ze zelf schrijft in haar dankwoord: “Het vergt tijd je westerse denkkader over een samenleving als deze resoluut aan de kant te zetten.”

Dat is mij ook opgevallen. Anders gezegd: krijgsmacht en antropologie staan soms op gespannen voet. Hoe het ook zij, de tijd voor de Afghanen is te kostbaar om de ‘westerse’ kennis over zaken als gekrenkte eer en karakteristieke plattelandspolitiek op zijn beloop te laten. Dat is iets anders dan regeren via de loop van een geweer. Dan zal het zonder twijfel ook gemakkelijker zakendoen zijn onder het genot van een kop thee in de gastenkamer van een quala…

Terug naar Boven

WAT ZEGGEN DE STERREN?
Absoluut lezen
Een aanrader
Redelijk goed
Niet eerste keus
Beter nooit lezen

Terug naar Boven