Op 21 mei 1949 bezocht de legercommandant voor Nederlands-Indië, generaal Simon H. Spoor, Djokjakarta. Vijf maanden daarvoor waren de Nederlanders de Tweede Politionele Actie (Operatie Kraai) begonnen om de Republiek te dwingen tot samenwerking met het Nederlands bestuur. Bij die actie werd de historische sultanstad Djokjakarta rechtstreeks aangevallen en de Indonesische regering gevangengenomen.
Operatie Kraai begon op 19 december 1948 met een historische luchtlanding. Vóór die tijd hadden Nederlanders nog nooit zo’n actie uitgevoerd. Maar op deze datum werden het 5de Regiment Stoottroepen, het Korps Speciale Troepen – voorloper van het Korps Commandotroepen – en de Paracommando’s naar vliegveld Magoewo bij Djokjakarta gevlogen. Ook 1-15 R.I. werd hierbij ingezet: het 1ste bataljon van het 15de regiment infanterie.
Dit was één van de drie zogenoemde ‘Blijvertjes’, eenheden die waren samengesteld uit de overblijfselen van andere eenheden. Nadat de eerste 17 OVW-infanteriebataljons in 1948 waren gerepatrieerd, werden de overblijvende detachementen bijeengeveegd en heringedeeld. Zo ontstonden de Blijvertjes. De twee andere waren 2-15 R.I, (X-Brigade, Pare, Oost-Java) en 3-15 R.I. (Tandjong Poera, Noord-Sumatra).
‘Blijvertjes’ waren reguliere landmachteenheden onder de noemer ‘Oorlogsvrijwilligers’ (OVW). Op 1 juli 1948 werd het voormalige X-bataljon omgedoopt tot 1-15 R.I. De eenheid werd gecommandeerd door majoor – later overste – J.F. Scheers, was ontplooid in het district Bodja op Midden-Java en viel onder de T(ijger-)brigade onder leiding van kolonel D.R.A. van Langen. De op 19 december ingevlogen eenheden waren dus feitelijk “leden van een luchtmobiele brigade, toen die naam nog niet was uitgevonden”.
De reeds aangehaalde 21ste mei sprak generaal Spoor de historische woorden: “Indien het Nederlandse leger in de toekomst 10% heeft van jullie taaiheid, moed en moreel, dan ben ik niet bang voor de toekomst van het Nederlandse leger.” Met andere woorden: 1-15 R.I. stond definitief op de kaart. Alleen de geschiedschrijving moest hier nog iets mee.
De som van 1-15 R.I. was, onder andere door zijn gevarieerde samenstelling, blijkbaar vele malen groter dan de kwantiteit van zijn eenheden: vier tirailleurcompagnieën (met het dubbele aantal Bren-machinegeweren 7.7 mm én 2-inch-mortieren, in totaal ± 400 man), een staf en een ondersteuningscompagnie. In Operatie Kraai waren zij al na drie uur op het aanvalsdoel: Djokjakarta, noordelijk van de spoorlijn.
Hierna hebben zij een even gevaarlijke als roerige periode in Nederlands-Indië meegemaakt, waarbij de core-business van hun werkzaamheden steeds lag in dagelijkse patrouillegang en zgn. stunt-acties: ’s nachts snel te voet naderen om tegen het ochtendgloren achter de verraste vijand te zitten en een strot vuur af te geven (pagina 89). De opmars tegen de Republiek was onderdeel van een groter plan om orde en vrede op de archipel te brengen, dus die ‘strot vuur’ werd alleen bezorgd aan het adres van de terroristische tegenstander.
Tot en met de demobilisatie én het vertrek vanuit Tandjong Priok naar Rotterdam, heeft 1-15 R.I. de ellende, (tropen)kolder én schurft, eczeem en infecties (pagina 129) in de Oost mogen ervaren. Mogen, want zij waren vrijwillig. Blijkbaar heeft de combinatie tussen het vrijwillig meedoen, de afkomst uit diverse andere eenheden én het samenspel tussen onverbiddelijkheid tegen terroristische rampokkers en humaniteit tegen de bevolking generaal Spoor indertijd verleid tot die zó welgemeende uitspraak.
Reserve luitenant-kolonel mr. Johan Frederik Scheers had zich - via compagiescommadant bij het 9de Bataljon van het Regiment Stoottroepen (2-1 RI) en plaatsvervangend commandant van 2-7 RI van de B-Divisie (in welke laatste hoedanigheid hij deelnam aan de Eerste Politionele Actie) - opgewerkt tot commandant van 1-15 Regiment Infanterie. Op 15 juli 1948 aanvaardde hij het commando.
Met 1-15 RI werd hij ingezet bij de Tweede Politionele Actie: het bataljon werd met tientallen Douglas DC-2’s naar het vliegveld Magoewo bij Djokjakarta verplaatst met als doel de bezetting en zuivering van de hoofdstad van de republiek.
Scheers bleef tot 16 juli 1949 bataljonscommandant. De inzet bij Djokjakarta van 1-15 RI staat feitelijk te boek als de eerste luchtmobiele inzet in de Nederlandse krijgsgeschiedenis. In 1950 publiceerde Scheers zijn herdenkingsboek ‘Djokjakarta’ (156 pagina’s) in een oplage van 1.000 exemplaren.
Bert Reijgwart, indertijd dienstplichtig sergeant bij 1-15 R.I., heeft de geschiedenis van het bataljon aan de vergetelheid ontrukt én opgetekend. Mede hierdoor is gerealiseerd dat de tradities van 1-15 R.I. worden voortgezet door de Alfa ‘Java’ Compagnie van 12 Infanteriebataljon Luchtmobiel Air Assault Regiment Van Heutsz, die ongetwijfeld al even taai, moedig en geestkrachtig is. Een mooi motto voor die compagnie.
Van april tot oktober 2006 werd 3rd Battalion The Parachute Regiment (3 PARA) onder leiding van Lieutenant-Colonel Stuart Tootal ontplooid in de Afghaanse provincie Helmand. Deze grenst aan Pakistan en Uruzgan. 3 Para was ‘opgeblazen’ tot 3 Para Battle Group, 1.200 militairen in totaal. In de hoofdstad Lashkar Gah werd Camp Bastion gebouwd, de basis van waaruit de Britten hun patrouilles zouden gaan uitvoeren.
Het liep allemaal anders. De patrouilles werden statische, kwetsbare verdedigingen in de vorm van platoon houses en forward operating bases (FOB´s) met sangars in afgelegen valleien in het noorden van de provincie. Voorkomen moest worden dat de Taliban de hoofdstad onder de voet zouden lopen, de zetel van de gouverneur, die niet toevallig de ‘opdrachtgever’ was van deze koerswijziging aan ISAF. De Taliban had en heeft alle belang bij grip op Helmand, de grootste opiumproducerende regio ter wereld.
Zoals uit ´3 Para´ van Patrick Bishop blijkt, wordt de Taliban behoorlijk onderschat. Sinds de ontplooiing van 3 Para in 2006 is het aantal Britse troepen dan ook opgelopen van ruim 3.000 tot bijna 8.000 nu. Stabiliteit moest er komen in Helmand, opdat een begin kon worden gemaakt met de wederopbouw. Dat de Taliban zich niet zonder slag of stoot zouden laten verdrijven, stond vast. Veel paratroopers keken – 24 jaar na dato (d.i. de Falklands) – uit naar hun vuurdoop. Een compagniescommandant verwoordde het gevoel binnen het bataljon treffend: “There’s one test the parachutist wants to take, and that’s how they react under fire. Are you going to flinch (…) or are you going to pass that test?”
Die onderschatting werd breed gedragen: de Taliban waren veel meer dan slippers en dish-dash dragende, bebaarde zeloten die de hele dag thee dronken en mandarijntjes aten; in het terrein bleken de mannen van “the black flag of Mullah Omar” wat materieel betreft niet echt in het nadeel met de Russische GPMG-variant PKM, eveneens Russisch 82 mm mortieren (bereik ± 3 km), de Dushka (DSHK) als variatie op de mitrailleur .50 inch, Chinese 107mm raketten, Dragunov-snipergeweren en uiteraard de Kalasjnikov en de RPG.
De gedachte om (relatieve) veiligheid te bieden om wederopbouw mogelijk te maken, resulteerde in de destructie van oorden als Kajaki, Musa Qaleh, Now Zad en Sangin. Bijna dagelijks waren er gevechten met “Terry Taliban”, onder vaak Spartaanse omstandigheden en in een allesverzengende hitte van rond de 40 à 50 graden. Zo werden voor de verdediging van Now Zad, naast tienduizenden patronen kleinkalibermunitie, maar liefst 21 handgranaten geworpen! En 91 dagen belegerd worden in Sangin was ook allesbehalve grappig…
Soms ondernam 3 Para een ‘cordon and search’ buiten de ommuurde vestingen, maar niet te vaak want “It was ideal ambush country” (p. 73). Dat was één van de grote dilemma’s, want zoals militaire wetten voorschrijven "It is much better to take the advantage rather than trying to be reactive” (p. 94). Toch was reageren op de grillen van de Taliban uiteindelijk het enige dat de Britten konden doen, met nagenoeg alle troepen geïmmobiliseerd op vaste locaties. De historisch-romantische hoofdstukken in ‘3 Para’ geven goede inzage in de kameraadschap, de heroïsche moed en de volharding van de Britse paratroopers. Dat maakt het boek dé aanrader om te lezen voordat je op missie gaat naar Afghanistan.
Terug naar Stuart Tootal, de bataljonscommandant van 3 PARA. Een pezige, grijsharige officier die heilig gelooft in leidinggeven vanaf de frontlijn. Hij ontving bij terugkomst de Distinguished Service Order (DSO), was voorbestemd om, als Full Colonel, de eerste Chief of Staff te worden van de nieuwe HQ 6 (UK) Division en werd zelfs getipt om ooit aan het hoofd van de Britse landmacht te staan. Maar, zoals de ontplooiing van het bataljon in koers wijzigde, zo veranderde ook de planning van Tootal: in november 2007 nam hij ontslag met een aanval op het Ministry of Defence zoals "poor pay for soldiers, lack of equipment, the standard of army housing and poor medical treatment afforded to his injured soldiers." Tootal was niet de enige Britse officier die zijn baret aan de wilgen hing. Een van de hoogste 22 SAS commandanten, Lieutenant Colonel Rick Williams, nam in juli 2007 eveneens ontslag, brigadegeneraal Ed Butler stopte er in juni 2008 mee (hij diende met Tootal in Afghanistan en kreeg eveneens de DSO).
Hopelijk hebben hun vervangers, hun opvolgers, geleerd van de eindeloze rij lessons learned uit Helmand. Van “the risks of using predictable routes”, het houden van shuras met dorpsoudsten “in open country” op een locatie die je zelf uitkiest, vóór vertrek buiten de kampementen drills herhalen en wapens inschieten, letten op de combat indicators (“the absence of the normal and presence of the abnormal”, p. 156) en dismounted patrolling (uitgestegen patrouilles) dat veruit de voorkeur verdient boven het onder pantser blijven rondrijden - onzichtbaar voor de lokale bevolking.
Het echte knelpunt voor 3 Para was de logistiek, zowel de herbevoorrading met klasse I, III en V als de afvoer van de vele gewonden (CASEVAC): 46. Voeg daaraan toe dat 14 collega’s sneuvelden en een neerwaartse spiraal in gevechtsbereidheid en moreel zou helemaal verklaarbaar zijn geweest. Zou, want paratroopers zouden geen paratroopers zijn als zij zich niet overal doorheensloegen en steeds weer doorpakten – “cracking on” noemen zij dat, “screw the nut”. Alsof er in 2006 niets is gebeurd, is 3 Para in maart 2008 opnieuw ontplooid in Helmand. Logisch als je private Peter McKinley’s woorden leest: “We are airborne gods. The whole army hates us because we are fucking mega. They hate us for the way we act, the way we walk and hold our heads high.” (p. 14)
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt derhalve niets over een aan het boek toegekende waardering.
Van 26 april t/m 26 juli 2010 krijgt u via BOL.COM € 3,00 korting op ’48 uur meetrainen met de krijgsmacht’ met de bon uit de Defensiekrant.
Aan de poorten van de Rwandese hel. Getuigenis van een peacekeeper
auteur
kolonel Luc Marchal
ISBN
9056173642
jaar
2001
pagina’s
263
uitgeverij
Van Halewyck
Vijf jaar na zijn vrijspraak van nalatigheid bij de moord op tien Belgische collega’s in Rwanda, heeft kolonel Luc Marchal met ‘Aan de poorten van de Rwandese hel. Getuigenis van een peacekeeper’ een memorabel en ontnuchterend boek het licht laten zien. Het zeer koeltjes, bijna zakelijk, geschreven boek gaat over de tekortkomingen van de United Nations Assistance Mission in Rwanda (UNAMIR), haar zeer beperkende regels voor het gebruik van wapens en haar volledige falen na de moord op tien Belgische paracommando’s.
De tien para’s van het mortierpeloton onder leiding van luitenant Thierry Lotin slaagden er niet in premier Agathe Uwilingyimana op 7 april 1994 – één dag na de moord op de presidenten van Rwanda en Burundi – in een escorte naar haar huis te beschermen en werden gelyncht.
In de drie maanden na deze aanslag liep de situatie in Rwanda volledig uit de klauwen en kwamen 800.000 Tutsi's en Hutu’s om het leven in een genocide die alleen vergeleken kan worden met de holocaust.
Marchal – commandant van de Belgische VN-troepen, second-in-command van de Force Commander, de Canadese generaal Romeo Dallaire (die in 2004 ‘ Shake hands with the devil: the failure of humanity in Rwanda’ publiceerde) én sector-commandant voor de hoofdstad Kigali – rapporteerde vaak aan het Belgische operatiecentrum in Evere, maar kreeg zelden instructies om iets aan de problemen ter plaatse te mogen doen. Er gebeurde dus niets. Volgens weekblad De Groene Amsterdammer van 15 januari 1997: ”Een Belgisch Srebrenica”.
Het boek ‘Alleen kinderen huilen’ verhaalt de belevenissen van de bemanning van post 7-12 in de periode juni 1980 tot en met januari 1981, gezien door de ogen van de dienstplichtige Ron de Vos. Hij was de postcommandant.
Tijdens de missie United Nations Interim Force in Lebanon (UNIFIL) worden angst, humor en kameraadschap met elkaar gedeeld. Velen raakten na terugkomst in Nederland in conflict met zichzelf en de rest van de maatschappij.
De Vos beschrijft de opleiding in Nederland, de geuren en kleuren van het thuisfornt, de patrouilles door de wadi’s, de omgang met de lokale bevolking, de beschietingen. In Libanon, in het bergachtige gebied aan de noordgrens met Israël, stelden de Verenigde Naties een bufferzone in tussen de strijdende partijen.
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt derhalve niets over een aan het boek toegekende waardering.
De misère van het voormalig Joegoslavië laat zich het best omschrijven in trefwoorden als genocide, haat, Srebrenica, of… in indringend en bijtend geschreven reisverslagen. In ‘Balkan. Wij noemen het rozen’ schrijft de Vlaamse Nederlander Serge van Duijnhoven over zijn reizen in Bosnië, Kroatië, Macedonië en Servië in de periode 1995-‘98. De titel van zijn boek verwijst naar de roosvormige gaten op straat in Sarajevo, nagelaten door de inslagen van uiteengespatte mortiergranaten. “We call them roses, but they don’t smell like it”, vertelt een meisje hem met typische Bosnische zwarte humor.
Het is een beetje dezelfde humor die door hem in zijn verhalen naar voren komt: “Oorlogen zijn de rosse buurten van deze aarde. Ze wemelen, behalve van het viriele krijgsvolk, van de pottenkijkers: ruige of minder ruige lieden die zich op de hoogte komen stellen van het vlees in de kuip. Bovendien bezitten ze voor buitenstaanders, in al hun smerigheid, een schemerachtige aantrekkelijkheid.” Aldus één van de reisverhalen, 'Kolonel Kurtz in Sarajevo'.
Die "schemerigachtige aantrekkelijkheid" in de reisreportages van Van Duijnhoven is prachtig opgeschreven en doet daardoor zeer literair aan. In de verhalen worden de clichés en vooroordelen die over de Balkan leven bevestigd noch ontkracht. Dat is alleen mogelijk als je, letterlijk van binnenuit, als een gretig waarnemer graaft naar de ware aard van een onder het juk van oorlog gebukt gaand Joegoslavische volk, dat sinds de jaren ’90 van de 20ste eeuw niet meer onder één noemer kan worden samengebald.
Tienduizenden dienstplichtigen maakten via Oirschot, Hasselt, Namen, Mourmelon, Châlons, Troyes, Auxerre en Bourges de driedaagse reis van ruim 900 km naar een Franse kazerne op het Plateau de Millevaches: La Courtine. Eenmaal in La Douce France begonnen de nostalgie en de ‘ontberingen’ van het Franse legerkampement. Dat tempo doeloe van de jaren ’60 en ’70 is definitief op de kaart gezet door Henk Povée.
Op 4 juni 1959 vertrok de eerste colonne met militairen uit Nederland om er te oefenen. Oefenterreinen met dergelijke afmetingen waren in Nederland niet voorhanden én Duitsland had het tot dan toe gebruikte terrein in Sennelager (bij Paderborn) voortaan zelf nodig. De oefeningen in La Courtine werden de meest bekende oefeningen van de Nederlandse krijgmacht… en bezongen door Rijk de Gooijer.
Voor het eerst werd door tienduizenden dienstplichtigen zo ver van huis en wekenlang geoefend, van statische gevechtsvormen volgens de traditie van de Koude Oorlog tot het nabootsen van de totale oorlog zoals die in de Tweede Wereldoorlog werd gevoerd. Compleet met oefenvijand, krijgsgevangenen, psychologische oorlogvoering, bombardementen met meel en een heuse NBC-aanval.
In 1964 kwam aan het grootschalig oefenen in La Courtine een einde, waar de Koninklijke Landmacht zo´n vier maanden per jaar oefende met parate eenheden en herhalers. In totaal hebben zeker 100.000 dienstplichtigen er geoefend. De Nederlandse verdedigingslinie (forward combat zone) kwam te liggen in de Noord-Duitse laagvlakte, waardoor oefenen tot aan de Elbe en het Elbe-Seitenkanal meer voor de hand lag. Bovendien was de operationele inzetbaarheid in het geding. De Russen zouden wel eens kunnen aanvallen op het moment dat een groot deel van de Nederlanders in Frankrijk bivakkeerden.
Op 4 juni 2009 is in het Cavaleriemuseum op de Bernhardkazerne in Amersfoort de tentoonstelling ‘Huzaren in La Courtine, 1959 – 2009’ geopend. Tot en met 29 maart 2010 kan de tentoonnstelling op dinsdag t/m vrijdag van 10.00 tot 16.00 uur worden bezocht. De toegangsprijs voor volwassenen is € 4,-. Het adres is: Barchman Wuytierslaan 198, 3818LN Amersfoort. Legitimatie aan de kazernepoort is verplicht.
Oud-marinier en freelance journalist Clifford C. Cremer – onder andere voor militaire bladen, Penthouse, HP/De Tijd en Nieuwe Revu - is mateloos gefascineerd door militarisme en oorlog. Zijn autobiografie ‘Bomberjack’ beschrijft onder meer zijn tijd bij het Korps Mariniers, zijn bezoeken aan Zuidoost-Azië en Kenia, waar zijn broer Clint een nachtclub runt en zijn ongeluk dat een einde maakt aan zijn loopbaan als marinier.
In 1994 trok Cremer met Nederlandse oorlogsvrijwilligers naar het Kroatische front om tussen huurlingen en sluipschutters wapeninstructeur te worden. Uiteindelijk ging dat niet door, maar hij was tijdens de burgeroorlog in voormalig Joegoslavië wel degelijk actief in Sarajevo, Mostar en de Medak-vallei.
Tijdens de aanval op de Kroatische Medak-vallei (onder andere in Gospic) zijn misdaden tegen de menselijkheid en schendingen van het oorlogsrecht begaan tegen de Serviërs, waarschijnlijk ook door de Nederlandse oorlogsvrijwilligers. Voor wie in ‘Bomberjack’ zoekt naar uitsluitsel over de aanwezigheid van “een groepje lange, blonde jongens die een taal spraken die leek op Duits” (citaat van journalist Rob Siebelink) komt van een koude kermis thuis. De rauwe en ontnuchterende werkelijkheid over de Medak-vallei is terug te vinden in de boeken van de Kroatische generaal Janko Bobetko, ‘Sve moje bitke’ (‘All my battles’, Zagbreb, 1996) en de Servische generaal Milisav Sekulic ‘Knin je pao u Beogradu’(‘Knin fell in Belgrade’, Belgrado, 2000).
Cremer beschrijft zijn avonturen beeldend. Zijn niet-politiek-correcte enbloemrijke manier van schrijven dwingt respect af. Typerend is bijvoorbeeld zijn opmerking over de Nederlandse krijgsmacht (pagina 130/131): “Het Nederlandse leger was en is in de eerste en voornaamste plaats een oefenleger. Een leger vol losse-flodder-helden. Een leger vol vakbonden, geestelijke verzorgers en belangenorganisaties. Het zijn – op de commando’s en de mariniers na – geen soldaten, maar ‘militaire ambtenaren’.” Boven alles geldt ‘Bomberjack’ als verplicht leesvoer voor lieden die denken dat het “cool” en “kicken” is om als een would-be vernederlandsing van John Rambo in een oorlogsgebied rond te stampen.
Hoewel ‘Bravo Two Zero. The true story of an SAS Patrol behind enemy lines in Iray’ wordt verkocht als ‘militaire fictie' handelt het over een waar gebeurd verhaal. Tijdens de Eerste Golfoorlog (januari 1991) opereerde sergeant Andy McNab – een pseudoniem – in een team van acht man van B-Squadron 22 Special Air Service achter de Iraakse linies.
In de nacht van 22 januari 1991 werd het team door een helikopter gedropt in Irak. De patrouille verbleef overdag onder andere in wadi’s maar werd op de derde dag van de missie, 24 januari, gecompromitteerd
Per radio verzochten ze vergeefs om een exfiltratie per heli. Hoewel er, dankzij contact per TACBE, vanaf de 25ste steeds een CH-47 in Al Jouf (Saoedi-Arabië) op stand-by stond voor een emergency pick-up, gebeurde dit niet. En omdat ze niet werden opgepikt, exfiltreerden ze zelf… te voet. Een escape & evasion van bijna 300 km naar de Syrische grens volgde. Alleen korporaal Chris Ryan – de latere auteur van ‘The One That Got Away’ – slaagde erin de rivier Eufraat over te steken en na acht dagen de Syrische grens te bereiken; drie dagen werd op de overigen jacht gemaakt voordat ze werden gepakt. Ze werden gevangengezet in de Abu Ghraib-gevangenis bij Bagdad. McNab zelf werd 6 weken vastgehouden en gemarteld.
De missie met als callsign “B20” had als opdracht om de lanceerplatforms van Scud-raketten te vernietigen welke Saddam Hoessein afvuurde op Saoedi-Arabië en Israël, een belangrijke glasvezelcommunicatielijn te saboteren en de Main Supply Route tussen Bagdad en het noordwesten van Irak te observeren.
Van het achttal van “B20” keerden er slechts vijf terug: één werd gedood (Bob Consiglio), twee overleden als gevolg van hypothermie (Steve Lane en Vincent Phillips). Naast sneeuwstormen en vrieskou was er sprake van zandstormen die al het zicht ontnamen.
Hoewel de patrouilleleden erin slaagden ongeveer 200 Irakese militairen om het leven te brengen, werd de opdracht in het geheel niet gehaald. Het was op z’n zachtst gezegd naïef om een longe range recce patrol te voet uit te voeren in een woestijn zonder noemenswaardige schuilmogelijkheden. Niet werkende radio’s, verkeerde radiofrequenties, slechte inlichtingen over de doellocaties, het terrein en het weer… de missie was vanaf het begin een mislukking. Alleen al om de imperfectie van de uitvoering is ‘Bravo Two Zero’ een klassieker onder de gouwe ouwen.
Voor zijn aandeel in “B20” is Andy McNab onderscheiden met zowel de Distinguished Conduct Medal (DCM) als de Military Medal (MM). Toen hij in februari ’93 zijn baret definitief aan de kapstok hing, was hij de hoogst gedecoreerde militair van de SAS en “B20” de meest gedecoreerde patrouille sinds de Anglo-Boer War (1899-1902).
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt derhalve niets over een aan het boek toegekende waardering.
Kees M. Paling schreef een boekje met een originele titel. Geen kanonnengebulder dit keer, maar canongebulder. Synchroon aan de toegenomen belangstelling voor (vak)literatuur onder militairen èn aansluitend bij het militaire gezichtspunt dat in veel canons ontbreekt, schreef Paling over de hoogte- en dieptepunten uit de vaderlandse krijgsgeschiedenis.
De toegenomen belangstelling komt onder andere tot uiting in van Defensiewege geproduceerde leeswijzers over Afghanistan en Afrika èn de leeswijzer op deze website, maar in dit boekje staan de need-to-knows. Een lijstje dat als leidraad kan dienen als je op zoek bent? Nee, dat is niet het geval voor ‘Canongebulder’. Dat boekwerkje begint in 1555. Bij dat jaartal hoort de regeringsovername van de Nederlanden door Filips II. Ook Paling beschrijft deze wetenswaardigheid en vele andere faits divers, op chronologische volgorde. |Maar het boekje heeft helaas geen lekkere (zoek)index, dus de jaartallen rollen als een ware tsunami over je heen.
De flamboyante Texaan, een oud-marineman, zorgde er in de jaren ’80 in het Amerikaanse Congres in zijn eentje voor dat de CIA in het geheim steun gaf aan de Afghaanse mujahideen die de Sovjettroepen bevochten. In nauwe samenwerking met de CIA-agenten Gust Avrakatos en Mike Vickers slaagde hij erin het budget voor geheime CIA-operaties in Afghanistan almaar te verhogen.
Als progressief Democratisch lid van het Huis van Afgevaardigden speelde hij hierdoor een sleutelrol bij de beslissing die de CIA toeliet om de troepen van de Afghaanse mujahideen te steunen na de invasie van de Sovjet-Unie in 1979.
Het levensverhaal van Wilson werd in 2007 verfilmd door regisseur Mike Nichols in ‘Charlie Wilson's War'. De rol van Wilson wordt er gespeeld door Tom Hanks, met Julia Roberts en Philip Seymour Hoffman in de andere hoofdrollen.
Sinds de Eerste Wereldoorlog is oorlogschirurgie in opmars geraakt als een apart specialisme. Oorlogswonden zijn besmet en vuil en mogen niet worden gesloten. Van de specialisten die zich aan het begin van de 21ste eeuw oorlogschirurg mogen noemen, kan het aantal wereldwijd op 2 handen worden geteld. De Afghaan Khaled Menapal is zo’n chirurg en, dichter bij huis, Ben Mak. Opgeleid in Leiden en gespecialiseerd in Bottrop, raakte hij verslaafd aan snijden onder hoogspanning. In conflictgebieden als Afghanistan, Kenia, Libanon, Liberia, Pakistan, Rwanda, Sierra Leone en Sudan. Benen amputeren, keizersneden uitvoeren en nog veel meer.
Hoewel de omstandigheden vaak abominabel en levensgevaarlijk waren, bleef de bevlogen oorlogschirurg voor het International Red Cross zijn vak uitoefenen. Zijn verhaal is even onwerkelijk als bijna-zakelijk, maar zonder een moment saai te worden.
Dit is weer zo’n herinneringsboek dat je je lezers niet wil onthouden: kapitein b.d. Jef Dresens, voormalig lid van No. 2 (Dutch Troop) en het Korps Speciale Troepen, schrijft over de gevaren die hij als commando zelf aan den lijve heeft ondervonden. Het boek werd in 2006 uitgegeven, toen het zestig jaar geleden was dat de Speciale Troepen, op 23 augustus 1946 in Batavia, werden opgericht.
De commando’s van de Speciale Troepen waren de elite-militairen van de Nederlandse krijgsmacht in Nederlands-Indië, die onder extreme omstandigheden het “vuile werk” in zeer onrustige gebieden moesten opknappen.
Met de Speciale Troepen is Dresens ook op Zuid-Celebes geweest. Er heerste daar een enorme chaos. Onder toepassing van de staat van oorlog had kapitein Raymond Westerling van de hogere legerleiding de expliciete opdracht gekregen de rampokkers – bendes die systematisch overvallen pleegden op de inlanders en de Nederlanders – coûte que coûte te elimineren.
luitenant-kolonel der infanterie b.d. Pol van Oijen
ISBN
9069490226
jaar
2005
pagina’s
150
uitgeverij
PDP Peeters Druk & Print (Waalre)
Pol van Oijen is oud-paracommando officier, is 40 jaar (1946-1986) beroepsmilitair geweest en heeft 4 combat jumps op zijn naam. Uit de verhalen van de Indië-, Korea- en Nieuw-Guineaveteraan blijkt dat hij een scherp oog heeft voor schijnbaar kleine details, dat hij lol in het leven heeft en dat er zelfs op de allerbelabberdste momenten altijd een moment is waarop lachen overheerst.
In zijn diensttijd is veel gebeurd. In zijn boek doemt een hele rits mannen en vrouwen op die hij heeft gekend, vanaf de Stormschool Bloemendaal, via Nederlands-Indië, NDVN in Korea, Nieuw-Guinea tot en met de vele oefeningen bij het Korps Commandotroepen en in het Franse La Courtine. Verhalen en anekdotes te over. Om die reden is zijn boekproductie hoog:
De auteur van 'De bliksem sloeg in', luitenant-kolonel der infanterie b.d. Pol van Oijen
Hoewel er al veel geschreven is over de eerste VN-vredesmissie waaraan Nederland ooit deelnam – de Koreaoorlog – heeft het tot 2009 geduurd voordat er een lijvig boekwerk uitkwam dat de oorlog opnieuw op de kaart zette.
De oogst Korea-boeken beperkte zich tot nu toe tot de human interest van de oorlogscorrespondenten Wim Dussel (‘Tjot. Nederlanders in Korea’) en Wim Hornman (‘Ik wil leven. De onmenselijke strijd in Korea’), de gedetailleerde stafstudie ‘Het Nederlands Detachement Verenigde Naties in Korea 1950-1954’ (1960, heruitgegeven door de Vereniging Oud Korea-strijders in 2000) van luitenant-kolonel M.D. Schaafsma, tussen 1985 en ’87 de 20-delige serie van de adjudant b.d. R.K. Meijer in het vakblad De Onderofficier en, in 2000, het herinneringsboek ‘Focus op Korea’ van drie auteurs van de Sectie Militaire Geschiedenis van de Koninklijke Landmacht.
Historicus en Elsevier-redacteur Robert Stiphout vulde die leemte op. De Koreaoorlog mag niet in de vergetelheid raken. Een oorlog waarin meer dan 3.600 militairen van het Nederlands Detachement Verenigde Naties (NDVN) aan de kant van de Amerikaanse 2nd U.S. Infantry Division tegen de Noord-Koreanen en Chinezen vochten; 124 Nederlanders kwamen hierbij om het leven. Met weinig enthousiasme maar met gevoel voor de mondiale verhoudingen op één van de eerste hoogtepunten van de Koude Oorlog, voelde Nederland zich aan de Amerikanen verplicht het NDVN te leveren.
Het werd een bloedige oorlog. Of het ‘de bloedigste oorlog’ aller tijden was, is de vraag. Feit is wel dat van de eerste lichting Korea-gangers één op de drie militairen gewond raakte of sneuvelde. Hoengsong en Heuvel 325 werden legendarisch, evenals overigens Heartbreak Ridge, de IJzeren Driehoek, Heuvel 347, Nudae en Heuvel 340. De militairen werden ondergedompeld in de ellende van het helse, winterkoude Koreaanse weer en de, aanvankelijk, zwaar onderschatte en gezichtsloze Chinese en Noord-Koreaanse opponent, die almaar bleef oprukken en doorvechten.
Cohortsgewijs stootte de tegenstander door in het zwaar geaccidenteerde landschap, waarbij de boventallige vijand ervoor zorgde dat het eerder regel dan uitzondering was dat de VN-eenheden letterlijk werden overlopen.
Dat leidde herhaaldelijk tot man-tot-mangevechten, tot en met gebruikmaking van de geplaatste bajonet. Uiteindelijk verzandde de zware strijd in een stellingenoorlog die tot de wapenstilstand voortduurde. Triest genoeg was het halfbakken eindresultaat dat de grens tussen de beide Korea’s, rond de 38ste breedtegraad, werd gerehabiliteerd.
Robert Stiphout is erin geslaagd uit deze belligerente poel des verderfs – toen het ‘Land van de Morgenstilte’ de hel op aarde werd waarin de Nederlanders jarenlang moesten vertoeven – een leesbaar, jongensboekachtig requiem te schrijven. De lotgevallen van de eerste lichting Korea-gangers worden knap gereconstrueerd, waarbij het persoonlijke relaas integraal deel uitmaakt van het krijgsverloop. Daarbij mag niet worden vergeten dat de Nederlanders aan de frontlinie vaak de rottigste klussen moesten opknappen: als er een bres in de Amerikaanse linies viel, werd het NDVN linea recta voorwaarts gestuurd.
De mooiste karavaan die ik ken is zonder enige twijfel de reclamekaravaan uit de Tour de France, het commerciële circus dat voor de renners uitrijdt. Sinds ik dit boek heb gelezen is de crisiskaravaan met stip de slechtste. De crisiskaravaan, die in een onuitputtelijke ratrace achter 's werelds ellende aancrosst, vindt plaats aan de rand van het optreden van blauwhelmen en is alomtegenwoordig, ook bij natuurrampen, crises, hongersnoden of combinaties hiervan. NGO’s racen jaar in, jaar uit achter alle ellende aan, als vliegen op een pot stroop. De vraag is alleen of ze het doen uit onpartijdigheid, neutraliteit en onafhankelijkheid? Of uit pure menslievendheid? De twee eerste internationale humanitaire hulpverleners uit de geschiedenis, Florence Nightingale en Henri Dunant, worstelden hier al mee. Nightingale “was ervan overtuigd dat hulp het doel voorbijschiet als oorlogvoerende partijen er hun voordeel mee doen”, Dunant niet.
NGO’s zijn anno 21ste eeuw nog zelden alleen met humaniteit en ethiek bezig. Eerder draait het hulpverleningscircus om dirty cash: hulpverleningsdollars en –euro’s die moeten worden uitgegeven. Om het eigen geweten af te kopen en om te zorgen dat ze bij de volgende ellende weer voor een dubbeltje op de eerste rang mogen zitten. Een onder NGO’s en My Own NGO’s gevoerde, harde strijd om donorcontracten is het trieste gevolg. Resultaat: een beleid van verdeel en heers, een puur zakelijke rivaliteit op het scherpst van de snede. Met als inzet hongerende mensen.
Niet opdraven bij ellende betekent het ontberen van donorfondsen. Wanneer dit het geval is, gaan de NGO’s zich zorgen maken over hun eigen (financiële) positie. Die houding is onzeker, niet in de laatste plaats omdat hulpverleners zich ook in de mondiale vluchtelingenkampen financieel een plekje moeten bevechten: ze schudden zelfs voor de camera handen met de duivel (strijdende partijen) om überhaupt hulp te mogen verlenen. Die camera is vaak van het 16de lid van de VN-Veiligheidsraad, CNN. Op de juiste plaats en tijd gecoverde internationale media-aandacht voor ellende wekt letterlijk de broodnodige belangstelling van donorregeringen. Is de interesse eenmaal gewekt, kan het gulgevige doneren beginnen, waarna het hele circus in het beste geval doorreist naar de volgende ellende. Sommige hulporganisaties gaan zelfs zover om journalisten embedded mee te nemen om de ellende naar eigen genoegdoening en zo mediageniek mogelijk te kunnen verslaan.
Zo is de overdrijving in de hulpverleningsindustrie een tweede natuur geworden. Want voor een aardbeving met minder dan 1.000 slachtoffers of een genocide zonder smerige details komt geen enkele zichzelf respecterende ontwikkelingswerker zijn bed meer uit. De doe-het-zelf-hulpverleningsorganisaties - de MONGO’s - rijzen onder andere hierdoor de pan uit. Deze hedendaagse missionarissen en zendelingen proberen na het wapengekletter, het uitgedoofde vulkaangeweld en de tot rust gekomen tsunami’s bij welke partij dan ook hearts & minds te winnen.
Een van de grote uitdagingen van deze eeuw is dat internationale hulpverlening in de Derde Wereld een goedlopende, full-time industrie is geworden. Een onderneming waarbij de regels van het Rode Kruis nog altijd niet afdwingbaar en al even vaak niet uitvoerbaar zijn, de ‘survival of the fittest’ van de NGO’s hun eerste prioriteit is en de humanitaire hulp soms juist crises in stand houdt. Een onderneming die er soms voor zorgt dat refugee warriors in vluchtelingenkampen op adem komen en dankzij diezelfde NGO’s wapentuig en munitie aankopen – want: pecunia non olet.
Dit boek bewaarheid mijn ergste vermoeden: hoeveel goedgeefs gedoneerd hulpverleningsgeld er dag in, dag uit aan de strijkstok blijft hangen bij het op winst belust doorspelen van al die miljoenen. Waarbij de grote NGO’s zelfs te laf zijn om zelf in de ellende te gaan zitten en lokale onderaannemers de poep van de ventilator laten poetsen, zonder gevaar voor hun eigen levens. Als iets bewijst dat hulp het doel voorbijschiet als oorlogvoerende partijen er hun voordeel mee doen en het merkbare effect van ontwikkelingshulp op veel fronten faalt, is het ‘De crisiskaravaan’ van Linda Polman. Wat nou ethiek?
Het kunstenaarsduo Ron Sluik en Reinier Kurpershoek publiceerde in 2000 het boekje ‘De Duiveljager’. Dit is met nadruk géén spannend jongensboek.
Het onderwerp is de 40-daagse gevangenschap van de Nederlandse huurling Johan Tilder (1963-1994), meer specifiek de uitvoerige militaire ondervragingen. Één van deze verhoren is indertijd op VHS-videotape vastgelegd; via-via kwam de band bij de kunstenaars, die integraal de vertaling van één band in dit boekwerkje hebben opgeschreven. Nobel en broodnodig, want er zijn maar heel weinig mensen die ooit een militaire verhoorsessie hebben ondergaan, laat staan dat zij er beeld en geluid bij hebben.
‘De Duiveljager’ is in de eerste plaats gebaseerd op de reportage ‘Het bloedbad van Medak’ van journalist Rob Siebelink, zoals die op 16 januari 1997 over vier volle krantenpagina’s is verschenen in de Drents Groningse Dagbladen.
“Tilder jaagt niet alleen op de duivel, hij is ook een verzoeker van diezelfde duivel: de duivel van de etnische haat”, aldus de achterflap. Johan Tilder werd onder meer door minder briljante privéomstandigheden verleid tot het oorlogvoeren in Kroatië. Hij nam dienst in de 9de Gardijska Brigada (“Vukovi” of “Wolven”) van het Kroatische leger. Zijn operatiegebied was het door de Verenigde Naties gecontroleerde niemandsland in de aanvankelijk door de Serviërs geproclameerde Republiek Servisch Krajina (Knin).
De hamvraag die uit het boekje naar voren komt is: had hij als pelotonscommandant een rol in de etnische zuiveringen in de Medak-enclave? (De enclave – feitelijk een saillant rondom het oord Medak – ligt ingesloten tussen de berg Velebit in het zuiden en de noordelijker gelegen stad Mostar.) In elk geval wordt Tilder over de acties in de zuidwest-hoek van Kroatië onophoudelijk en systematisch ondervraagd door de Serviërs, omdat ook zijn eenheid er met name tijdens operatie 'Spržen Zemlja' ('Verschroeide Aarde') huishield. Die vond plaats in september 1993. In totaal zijn bij de etnische zuiveringen in de Medak-enclave 29 Servische inwoners vermoord en 11 oorden met de grond gelijkgemaakt.
Hoewel de door het International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia (ICTY) veroordeelde Kroatische generaal Rahim Ademi als het brein achter de operaties dient te worden beschouwd, is de rol van de “Wolven” blijkbaar onweerlegbaar. Het snelle leven van de vakidioot Tilder (huurling tegen wil en dank?) eindigde na 40 dagen ondervraging met zijn nog altijd onopgehelderde dood. Het boek werpt – bij mijn weten – als enige in zijn soort een licht op het soort vragen dat wordt gesteld tijdens een militaire ondervraging door de vijand, op het volhardingsvermogen van de ondervragers én op de consequentie in de antwoorden van Johan Tilder.
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt derhalve niets over een aan het boek toegekende waardering.
Op 5 mei 2009 verscheen 'De grote Tazelaar, ridder en rebel'. De markante, tegendraadse en eigenzinnige Peter Tazelaar werd op die dag, precies 89 jaar geleden, als zoon van een hoge ambtenaar in Nederlands-Indie geboren. In tegenstelling tot Hazellhoff Roelfzema is hij behoorlijk in de vergetelheid geraakt, terwijl ook hij de hoogste militaire onderscheiding, de Militaire Willemsorde, ontving en ook hij werd ‘gespeeld’ in de beroemde Nederlandse speelfilm ‘Soldaat van Oranje’ (1977), waarin Jeroen Krabbé de rol van Tazelaar vervulde.
In de Tweede Wereldoorlog was Tazelaar’s opdracht om voor Koningin Wilhelmina en de Britse militaire inlichtingendienst MI6 in contact te treden met verzetslieden in bezet gebied. Dat gebeurde in het kader van ‘Contact Holland’ (officieus: ‘The Mews’), een organisatie van Hazelhoff Roelfzema die met de officiële van kolonel der mariniers Mattheus de Bruyne ‘concurreerde’ en er tegelijkertijd deel van uitmaakte.
In de periode september 1941 tot mei 1942 werden geheim agenten afgezet op dan wel opgepikt van de Nederlandse kust, onder wie Peter Tazelaar… als eerste. Na het uitvoeren van zijn opdracht keerde hij via België en Frankrijk terug naar Engeland. Daarna is hij, opnieuw als geheim agent en na interventie van Prins Bernhard, gedropt in Friesland, waar hij op de hielen werd gezeten door de Sicherheitsdienst (SD) Groningen en Heerenveen.
Beroemd werd Peter Tazelaar onder andere door deze foto waarin hij (omcirkeld) als Adjudant van Koningin Wilhelmina wacht aan de vliegtuigtrap van de Douglas DC-3 (Dakota) op vliegveld Gilze-Rijen op 2 mei 1945. Hare Majesteit wordt gevolgd door Prinses Juliana (vóór de vliegtuigtrap) en half verborgen achter Wilhelmina staat collega-Engelandvaarder Erik Hazellhoff Roelfzema.
In de biografie wordt “de mens Tazelaar” neergezet. De man die, al in zijn Londense jaren, veel kon drinken en dankzij zijn donkere ogen en zwarte haar goed lag bij de vrouwen; op wie Koningin Wilhelmina bijzonder gesteld was. Peter Tazelaar werd, behalve als Ridder 4de klasse der Militaire Willemsorde, onderscheiden met de Bronzen Leeuw, het Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officier, het Oorlogsherinneringskruis, het Verzetsherdenkingskruis en de Britse King's Medal for Courage in the Cause of Freedom.
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt derhalve niets over een aan het boek toegekende waardering.
Volgens de flaptekst is ‘De oorlog van 3 biljoen’ “een boek dat het internationale debat over Irak en oorlog voorgoed verandert”. Dit is een aanname die ik niet deel, alleen al omdat het eerst dat sneuvelt in een oorlog de waarheid is! De oorlog in Irak lijdt, anno 2008, tot imagoschade voor de Verenigde Staten en het einde is nog niet in zicht. Blaast de VS de aftocht uit Irak, zal het land gebukt gaan onder chaos en nog meer gepolariseerd geweld; blijft de VS, dan vallen er nog meer Amerikaanse slachtoffers en lijkt het Vietnamsyndroom een selffulfilling prophecy te worden.
De vooruitzichten zijn zodoende niet mals. De twee economisch auteurs becijferen de schade als gevolg van de Irakoorlog op 3 biljoen dollar: een 3 met 12 nullen. En zelfs dat astronomische bedrag lijkt aan de magere kant, hoewel de schrijvers in hun soms ellenlange en gortdroge uiteenzettingen uit een statistische cijferbrij één groot punt tegen hebben: zij manifesteren zich als fervente tegenstanders van de Irakoorlog. Dat maakt een objectieve lezing moeilijk en kleurt bij voorbaat de gepresenteerde cijfertjes en feitjes. Bovendien, maar dat is persoonlijk, heb ik weinig met de wetenschap die het menselijk streven naar welvaart tot voorwerp heeft (economie). Daarom kies ik een andere insteek: de gezondheidszorgaspecten als gevolg van de Irakoorlog. Overigens is de Irakoorlog nu al duurder dan die in Vietnam (die 12 jaar duurde) en ruim tweemaal zo duur als de oorlog in Korea.
Ergens in het boek halen Joseph Stiglitz en Linda Bilmes aan dat meer dan de helft van de Amerikaanse troepen in Irak jonger is dan 24 jaar. Onmiddellijk rinkelde het belletje van ‘19’, de jaren ’80-hit van Paul Hardcastle, met samples van een televisiedocumentaire over veteranen uit de Vietnamoorlog die lijden aan het posttraumatische stresssyndroom: “In World War II the average age of the combat soldier was 26 / In Vietnam he was 19.” Ligt het moeras van de Vietnamoorlog opnieuw op de loer?
De Amerikanen hebben veel problemen. De oorlog kost klauwen vol met geld, de regering van George Bush jr. lijkt de Irakoorlog geheel op de pof te hebben gefinancierd, de Iraki’s hebben intussen nagenoeg alle sympathie voor de VS verloren en in de VS is de Irakoorlog impopulairder dan ooit tevoren. Hoewel… het is niet de oorlogvoering an sich die verre van populair is, maar de grote aantallen Amerikaanse slachtoffers die vallen. Vallen er géén slachtoffers door oorloggerelateerde verwondingen (11% van de militairen - 1 op de 9 – raakt in Irak gewond), dan steken min of meer voorspelbare ziekten de kop op: buikloop, luchtweginfecties, leishmaniasis, brucellosis, waterpokken, meningitis, Q-koorts, cholera. Kommer en kwel. De geneeskundige dienst heeft hier zijn handen vol aan, evenals aan de meest kenmerkende verwondingen van de Irakoorlog: traumatisch hersenletsel, PTSS, amputaties en verwondingen aan de rugwervels. Hierbij is PTSS met stip koploper, plus zowel controversieel als kostbaar. Dat is niet zo vreemd: de militairen zijn vaak betrokken bij gevechten, er vinden veel aanslagen met improvised explosive devices plaats, een duidelijke frontlijn is er niet en strijders vermommen zich als burgers (en vrienden zijn niet van vijanden te onderscheiden). De nazorg in het kader van PTSS kan wel eens de druppel zijn die de dollaremmer doet overlopen.
De ratio gewonden-staat-tot-doden – anders gezegd: de verhouding draagbaren-bodybags – in Irak is tot nu toe 7 : 1… aan de kant van de Amerikanen. Dat is bijna onvoorstelbaar en maakt de oorlog ‘at home’ alleen maar minder populair. Hierdoor kent elk Amerikaans dorpje zijn ‘helden’ van het slagveld. Een slagveld dat wordt gekenmerkt door rare ziekten, zand, hitte, moeizaam terrein, een ongrijpbare tegenstander en het onzichtbare (lands)belang waarvoor wordt gevochten. Of toch niet? Tot dusver zijn de enige winnaars die uit de Irakoorlog naar voren komen de zich verrijkende oliemaatschappijen (die de controle over de Irakese olievelden hebben) en de private military contractors. Die laatsten leveren alleen al in Irak 100.000 man op het gevechtsveld, de grootste troepenmacht na de reguliere troepen van de VS. Firma’s als Blackwater, Kellogg Brown & Root (KBR) e.d. hebben door dat een leger alleen op een gevulde maag en met een gevulde benzinetank kan marcheren…
Schrale troost is dat de VS niet failliet gaat als gevolg van de schrikbarend hoge uitgaven van de Irakoorlog, ondanks de drastisch gestegen olieprijzen sinds de inval in Irak in maart 2003. Het angstwekkende zit ‘m hierin dat de Amerikanen de oorlog volledig op krediet hebben gefinancierd. Als wordt uitgegaan van de conservatieve ramingen van Nobelprijswinnaar Stiglitz (economie 2001) en mevrouw Bilmes in 'The three trillion dollar war: the true cost of the Iraq conflict', bedraagt de kostenberekening van de Irakoorlog nu al éénderde van de huidige staatsschuld van de VS (een ander éénderde is uitstaande leningen bij China en Japan). Maar zo'n duizelingwekkend begrotingstekort is nog niet alles. Ook de al dan niet verborgen gezondheidsvooruitzichten van legio Amerikaanse Irak-veteranen is er niet beter op geworden. Vergelijk het hiermee: “All those who remember the war / They won't forget what they've seen / Destruction of men in their prime / whose average was 19”
De koning van Tuzla heeft nooit bestaan, behalve dan in het hoofd van Arnold Jansen op de Haar. Het is door zijn boek aanlokkelijk om werkelijkheid en fictie met elkaar te vermengen, te meer omdat zijn alter ego Tijmen ook compagniescommandant van de Alfa ‘Konings’-compagnie van 11 Infanteriebataljon Luchtmobiel Garderegiment Grenadiers is. Tijmen noemde zichzelf ‘koning’, maar was koning éénoog onder de blinden. Hij werd niet gehoord, er werd niet naar hem geluisterd, verblind door de in zijn ogen beperkte, verkokerde en in zichzelf gekeerde wereld van Simin Han, Luchtmobiele Brigade en Koninklijke Landmacht.
Zijn passie voor het beeldende en realistische wordt in een prachtig vertelde innerlijke tweestrijd uitgevochten, die resulteert in het opstappen van Tijmen-alias-Arnold bij Defensie. Het duel met zichzelf is eigenlijk al aan het begin verloren: “Niemand wist wie hij was. Hij wist het zelf niet eens” (p. 25). De dromende en literair verslingerde Tijmen weet in de oorlog in Bosnië dé vluchtpoging uit een verstikkend militair milieu.
De algemene herkenbaarheid voor insiders is groot: “Midden in dit Ardennen-achtige landschap lag het nieuwe kamp, in het lage deel van het dorp, aan de weg van Tuzla naar Zvornik. Daar, aan de rand van de Sapna Duim op een paar kilometer afstand van Tuzla, was de Alfa-compagnie nu gevestigd.” (p. 198). Niet alleen in de landschapsbeschrijving, ook in alledaags militair realisme - “Zijn slaapzak rook nog muf van oude oefeningen” (p. 55) – of de verbasterde namen van bataljons- en brigadecommandant, resp. Verbeek en Brokkel.
Nu eens een boek dat gaat over Tuzla en omgeving in plaats van Srebrenica, over Dutchbat-I in plaats van Dutchbat-III. De waarheid die boven water komt in ‘De koning van Tuzla’ is niet het soort waarheidsvinding dat we kennen uit parlementaire enquêtes, maar het soort dat er géén belang in stelt om uitgezonden militairen als oud vuil te behandelen.
Wat mij betreft heeft oud-Dutchbatter Arnold Jansen op de Haar een realistisch boek het licht laten zien. Het is echter de vraag of de meerderheid van ’s lands militairen brood ziet in zijn romandebuut, dat niet voor niets “een levendig testament op de grens tussen fictie en werkelijkheid” (Dubbel Accent, juli 1999) is genoemd. Hopelijk een vooroordeel.
‘De mannen van Pegasus’ kan, zolang de voorraad strekt, direct bij de auteur worden besteld tegen overmaking van € 16,50 per exemplaar op bankrekeningnummer 12.36.39.018 ten name van J.W. van Geelkerken in Een (Drenthe). De bestelling wordt verzonden nadat de betaling is ontvangen.
Iemand die het over “Pegasus” heeft, moet haast militair zijn: het gevleugelde paard uit de Griekse mythologie, leeft immers voort in de krijgsgeschiedenis. Zo vond in oktober 1944 de operatie Pegasus plaats na de mislukte Slag om Arnhem: het was de bedoeling ondergedoken militairen van de 1st British Airborne Division tijdens operatie Market-Garden, evenals piloten en verzetsstrijders, door bezet gebied naar de overkant van de Rijn te brengen. De eerste poging werd een groot succes, de tweede en laatste een jammerlijke mislukking.
In Uruzgan geen Rijn maar een Tiri Rud en een Helmand, die in Deh Rawod samenkomen.
Ook kent de Luchtmobiele Brigade haar eigen Pegasus-eenheid: de Bravo-Compagnie (Bcie) van 13 Infanteriebataljon Luchtmobiel uit Assen draagt de (bij)naam ‘Pegasus’. De compagnie was in 2007 als Bravo-team uitgezonden naar de Zuid-Afghaanse provincie Uruzgan.
Het boek van opperwachtmeester der artillerie b.d. Jim van Geelkerken, die in 2009 de actieve dienst verliet, beschrijft de missie van het team onder leiding van toenmalig kapitein Brakert. Het Bravo-team diende tussen augustus en december 2007 in Deh Rawod als deel van de ISAF Battle Group-4. Het boek is geschreven met medewerking van leden van diezelfde Bravo-Compagnie.
Als ik dit schrijf is het zomer 2010: de missie in Uruzgan is 24 doden en 140 gewonden verder, van wie ruim veertig zwaargewond. De missie is bijna ten einde. Eind 2007 kreeg de Bcie de opdracht naar Camp Hadrian in Deh Rawod in het zuidwesten van Uruzgan te gaan. Rustig gebied, vreedzaam, geen troebelen... “Rust roest”, moet de Taliban hebben gedacht. Al snel kwamen de Nederlanders erachter dat rust in elk geval relatief is. Bijna dagelijks werden ze geconfronteerd met hinderlagen en improvised explosive devices. En eind oktober 2007, toen het sneuvelen van Martijn Rosier en Tim Hoogland al diepe wonden had geslagen, was bijna de gehele inktvlek om Deh Rawod in handen van de Taliban. “Een [...] nadeel van de inktvlekmethode is dat je wel over voldoende inkt dient te beschikken. Wanneer je alleen maar inkt hebt om lijntjes te trekken en niet voldoende om het vlak in te kleuren dan kun je jezelf afvragen wat de kracht van de tekening is.” (p. 12)
Toch blijft het één voor allen, allen voor één, niet alleen uit het inzicht dat de Bcie op enig moment moest terugslaan. Ook door het afscheid van Martijn en Tim ontstond voor altijd en eeuwig een band. De waarheidsgetrouwe verhalen (“Niets in dit boek zal overdreven worden”, p. 6) inspireren, omdat ‘De mannen van Pegasus’ niet het zoveelste human interest-verhaal uit Uruzgan is, maar eentje dat vanuit het kloppend hart van de militaire actie de missie het ware gezicht geeft. Dat gezicht is vaak getekend door het klimaat en van pijn vertrokken vanwege doden of gewonden, maar er zijn zeker ook momenten “[...] dat er ook prachtige dingen kunnen gebeuren, misschien wel juist in deze moeilijke omstandigheden.” (p. 80) – aldus aalmoezenier Tako na de herdenkingsbijeenkomst voor Tim.
Het aanzien van de missie in Uruzgan wordt, in elk geval eind 2007,bepaald door de aanwezigheid van helikopters en vliegtuigen die lowpasses uitvoeren en 500-ponders droppen om de grondtroepen te ondersteunen; vanaf een overwatch dekkingsvuur geven om een gedekte locatie te bereiken; indirect vuur op de vooruitgeschoven post Volendam krijgen, die blijkbaar ook ongezien kan worden genaderd door de gecoördineerd werkende Taliban; maïs- en wietvelden en quala’s die bescherming bieden aan de Opposing Military Forces; het soms ondoorzichtige handelen van het hoger niveau en ontwikkelingen die in het voorterrein die “veel sneller gaan” (p. 61) dan aan het hoger niveau kan worden duidelijk gemaakt; almaar problemen met de veiligheid die mede ontstaan door de lokale bevolking en een gebrek aan samenwerking tussen de verschillende stammen; al dan niet toestemming krijgen om met de pantserhouwitser (PZH) met brisantgranaten te mogen schieten. Ziehier in een miniscule notendop ‘De mannen van Pegasus’...
Baret af voor Jim van Geelkerken en zijn collega’s, die dit verhaal niet alleen voor zichzelf hebben opgeschreven: “Thuis kunnen ze niets zeggen en als ze een collega tegenkomen hoeven ze niets te zeggen. Het is dit isolement dat in mijn optiek voor problemen kan zorgen.” (p. 6)
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt derhalve niets over een aan het boek toegekende waardering.
“Ook in een zuivere democratie is de waarheid lang niet altijd de waarheid.” (‘De Soldaat achterna’, pagina 177)
De strijd van het Molukse volk duurt nu al 60 jaar. Een strijd die wordt (of werd?) gevoerd met de leus “Door de eeuwen trouw”, omdat de Molukkers de reputatie hadden altijd loyaal en trouw te zijn aan het Koninkrijk en het Koninklijk Huis.
Aanvankelijk leek het er inderdaad op dat de Molukken, na de Indonesische onafhankelijkheid, hun eigen identiteit en zelfbestuur mochten houden. Dat was schijn, want op 17 augustus 1950 riep Indonesië de eenheidsstaat uit en begon, na onderhandelingen en een blokkade, ruim een maand later met de invasie van Ambon. Langs officiële weg, via Nederlands Nieuw-Guinea, zochten de Ambezen militaire steun bij Nederland. Vergeefs, want Nederland was in de Molukse kwestie van het zelfbeschikkingsrecht doodsbenauwd dat haar opstelling de belangen in het nabijgelegen Nieuw-Guinea zou schaden en, erger nog, dat de Verenigde Staten de Marshallhulp tot herstel van de naoorlogse economie aan Nederland zou stoppen.
Er was echter ook een officieuze weg, een verhaal dat begon na de proclamatie voor onafhankelijkheid van de Republik Maluku Selatan (RMS). Met in de hoofdrol: de Soldaat van Oranje, met een optreden à la Secret Agent 007. Het was Erik’s geheime missie om de Molukken te hulp te schieten in hun strijd voor onafhankelijkheid. Weliswaar heeft hij die acties in zijn latere boeken beschreven, maar ze blijken veel gelaagder en grootschaliger dan Erik ooit wilde toegeven, inclusief infiltratie door de BVD (en officieren die ook wapens naar Ambon wilde smokkelen), verbazingwekkende ontsnappingen en internationale wapensmokkel. Zoals zijn grootvader al zei: “Als je in iets gelooft, dan moet je ervoor vechten. Altijd.”
Carel Erasmus komt de eer toe dat hij als één der laatsten Erik Hazelhoff Roelfzema en zijn vechtmentaliteit mocht interviewen. Erik, fanatiek tegenstander van Soekarno, was zeer begaan met de Molukse zaak. In opdracht van en met 17.000 dollar van de RMS en de Stichting ‘Door De Eeuwen Heen’ begon hij, in juni 1950, “met het aanbieden van het gebruik van de zee- en luchthavens in RMS-gebied aan de Verenigde Staten. [...] De VS gingen echter niet verder in op het aanbod.” (p. 80).
Langs semi-officiele weg schoot het ook al niet op, reden waarom hij zelf die kant op ging. Solo vloog hij met een Republic Seabee-watervliegtuig vanuit Manilla naar het door de Indonesische marine – met door Nederland gedoneerde schepen! - omsingelde Ambon, 2.500 km verderop, slechts toegerust met kompas en kaart.
De ook in het boek van Erasmus niet objectief beantwoorde hamvraag blijft vervolgens: heeft Erik Hazelhoff Roelfzema op Ceram dr. Chris Soumokil, de leider van het Zuidmolukse verzet, ontmoet of ging hij er inderdaad ‘slechts’ heen om bewijsmateriaal (foto’s van Indonesische landingen, ooggetuigenverslagen) van de invasie op de Molukken te verzamelen die Karel Vigeleyn Nikijuluw vervolgens moest aanbieden aan de Verenigde Naties?
Een door Erasmus opgevoerde vertrouwelijke nota van Hoge Commissaris Lamping aan Minister van Overzeese Rijksdelen J.H. van Maarseveen d.d. 29 september 1950 suggereert dat hij Somoukil in veiligheid moest brengen: “Men hoopt op mogelijkheid van Somoukils uitwijken naar het buitenland.” Terwijl Erik in een e-mail op 14 november 2006 aan Erasmus juist schrijft: “Van niemand die ik daar [op Ceram] ontmoet heb weet ik de naam, of heb ik die ooit geweten.” Vraagteken?
Anders gezegd: is het denkbaar dat de Nederlandse regering, in het uiterste geheim – om, politiek correct, niet tegen Indonesische en Amerikaanse schenen te schoppen – Erik heeft verzocht deze klus te klaren, zoals Erik, mutatis mutandis, schijnbaar aan Charak heeft gevraagd om Westerling – die uitlevering aan Indonesië boven het hoofd hing, totdat het Singapore Supreme Court deze eis verwierp – vanuit Singapore in veiligheid te brengen? Het heeft niet mogen baten: Chris Somoukil werd in ’63 gearresteerd en drie jaar later geëxecuteerd.
Vragen, vragen en nog eens vragen. Velen worden in dit boek uit en te na beantwoord, anderen blijven irritant open. Één getuigenis is géén getuigenis. En dan nog: ontboezemingen worden zoveel jaren na dato overschaduwd door één van de onoverkomelijke ongerieven van ouderdom: geheugenverlies. En Erik? “Om begrijpelijke redenen heeft hij vele aspecten lang, zelfs een leven lang, geheim willen en kunnen houden. Gevoelige en vaak militaire feiten zoals wapensmokkel, landingen in bezet gebied, of betrokkenheid van bepaalde personen bij illegale zaakjes.” (p.200), aldus Carel Erasmus.
Op mij maakt ‘De Soldaat achterna’ een betrouwbare onderzoeksjournalistieke indruk. Het heeft er alle schijn van dat Erik ‘Contact Holland’, dat de beroemde nachtelijke landingsexpedities op het strand van Scheveningen inleidde, opnieuw had willen laten slagen op de stranden van Ambon en Ceram. Wat onder meer ook duidelijk wordt uit Erasmus’ boek is dat het Nederlands verraad aan de Molukkers dus flauwekul is.
Nederland heeft zich zowel officieel (via de Binnenlandse Veiligheidsdienst als, kennelijk ook, geestelijk en financieel ondersteund door Z.K.H. Prins Bernhard) als officieus (Erik Hazelhoff Roelfzema e.a.) ingespannen om Ambon van wapens te voorzien teneinde de strijd tegen de Indonesische agressor op te nemen.
Opmerkelijker is wellicht dat de Stichting ‘Door De Eeuwen Heen’ (DDET) na de mislukte missie van Erik nogmaals met een vliegtuig de Indonesische blokkade van Ambon wilde doorbreken. Hiervoor werd Raymond Westerling benaderd – de oud-KNIL-kapitein die in 1950 met een militaire actie, gesteund door Molukse oud-commando’s (sic!), had geprobeerd de steden Bandoeng en Jakarta te bezetten, de regering omver te werpen en de leden daarvan te executeren om te voorkomen dat de deelstaat Pasundan onder gezag van de Republik Indonesia kwam. Vanaf augustus 1950, bij terugkomst uit Nederlands-Indië, verbleef Westerling in België. Politiek naïef en geldbehoevend als hij was, stemde hij in met het verzoek van DDET om op de Molukken de leiding van het gewapend verzet tegen Indonesië op zich te nemen. Het plan strandde omdat Westerling de ter beschikking gestelde financiën in het Brusselse uitgaansleven had verkwanseld en door de ontmaskering van een medestander van DDET als de bij verstek ter dood veroordeelde Belgische oud-SS’er Pierre Sweerts. Hoewel Erik Hazelhoff Roelfzema uiteraard geen enkele associatie met de SS wenste, lieerde hij zich volgens de toenmalige Amerikaanse geheim agent Allan P. Charak (p. 169) wél met Westerling. Erik zou Charak hebben gevraagd Westerling vanuit het Raffles Hotel Singapore naar Nederland te ontvoeren – wat ook is geschied. Bien étonnés de se trouver ensemble...
Veel blijft in mysterieën gehuld, maar het is Erasmus’ prestatie dat hij veel van de sleutelfiguren van toen heeft opgezocht en geconfronteerd met de ‘waarheid’ over Hazelhoff Roelfzema, zoals voormalig SAS-commando en geheim agent ‘Bob Zalm’, Charak, kapitein-ter-zee b.d. Zalmann, luitenant-ter-zee Kika Canters, geheim agent en Ridder MWO Pierre-Louis baron d’Aulnis de Bourouill en vele anderen. Door alle primeurs en wereldwijde naspeuringen is ‘De Soldaat achterna’ een zeer lezenswaardig jongensboek met sterallures geworden.
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt derhalve niets over een aan het boek toegekende waardering.
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt derhalve niets over een aan het boek toegekende waardering.
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt derhalve niets over een aan het boek toegekende waardering.
Van juli 1993 tot januari 1994 was Francis Briquemont de commandant van het BIH Command van UNPROFOR. Evenals zijn voorganger, de Fransman Philippe Morillon, en zijn opvolgers, de Britten Sir Michael Rose en Rupert Smith, kampte hij met het probleem dat de moderne grondtroepen van tegenwoordig blijkbaar niet voldoende zijn uitgerust om mogelijke conflicten in de 20ste en 21ste eeuw aan te pakken. Of wel degelijk goed zijn toegerust, maar volgens het mandaat gewoonweg weinig tot niets mogen doen.
De Belgische luitenant-generaal worstelde voortdurend om zijn opdracht in Bosnië te kunnen blijven verwezenlijken. De politieke leiding van UNPROFOR, de Verenigde Naties, weigerde hem de middelen te verstrekken die hij nodig had. De vergaande aarzelingen van de politiek verantwoordelijken, een constant gebrek aan troepen (maximaal 12.000 op het hoogtepunt) én de inmenging van lidstaten in de operaties van hun nationale contingenten, deden hem beseffen dat eigenlijk een onmogelijke opdracht was toevertrouwd.
In januari ’94 werd het Briquemont te gortig: hij diende zijn ontslag in. Het mandaat van UNPROFOR kon in zijn ogen niet langer veilig worden uitgevoerd. Inmiddels is Briquemont “op rust” (buiten dienst), zijn VN-periode wordt overschaduwd door afschuw, desillusie en machteloosheid.
Erger dan een dove die niet wil horen, zijn de Verenigde Naties die te onbekwaam zijn om een situatie te velde op waarde te schatten, praten zonder iets te zeggen en, vooral, consequent inefficiënt optreden. Over dit onderwerp zijn heel veel meer boeken geschreven.
Generaal Briquemont maakt rake opmerkingen over de bereidwilligheid van de internationale gemeenschap in de crisis in voormalig Joegoslavië, zoals “Hoe kleiner de risico’s worden, des te meer is men bereid iets te doen.” (p. 144) en “Er was geen beleid bij de Joegoslavische crisis; men heeft haar ondergaan. De politici hebben niet gehandeld, ze hebben zich beperkt tot het reageren naarmate zich min of meer dramatische gebeurtenissen voordeden!” (p. 225). Briquemont's desillusie walmt op van elke pagina…
Uit de recent verschenen masterscriptie 'Een verantwoord en aanvaard risico. Een vergelijking tussen de publieke verantwoordelijkheden van de Verenigde Naties en Nederland' van Mirjam van Schalm (Universiteit van Utrecht, 14 september 2006) blijkt eens te meer dat Briquemont het spijtig heeft gevonden “dat het hem niet gelukt was Nederland over te halen zwaarder bewapend het gebied binnen te komen”.Hij doelde op Dutchbat, de zoveelste desillusie, ook voor Briquemont.
Soms komt uit onverwachte hoek een boek dat speciale aandacht behoeft. Zo’n boek is ‘Dynamiek en onzekerheid als kans. Onderzoek naar de toepasbaarheid van (delen van) het moderne militaire besturingsmodel in het Nederlandse ziekenhuisstelsel’ van Jan Willem Brinkman.
Brinkman werd in 1993 de eerste commandant van 11 Luchtmobiele Brigade. Ruurd Reitsma, hij en enkele anderen hadden deze eenheid mede op de kaart gezet. Hoewel de generaals in Den Haag tegen uitzending van de juist opgerichte eenheid waren, gingen zij uiteindelijk wél akkoord. Gevreesd werd dat de Tweede Kamer de aankoop van helikopters voor de brigade anders zou tegenhouden. De bezwaren van de landmachttop tégen uitzending werden door politici weggewuifd als “ongewenste inmenging in de politiek”.
In april ’93 kreeg brigadegeneraal Brinkman van de BLS, generaal Hans Couzy, het waarschuwingsbevel voor ontplooiing van het eerste gereedgestelde luchtmobiele bataljon in Bosnië. In november ’93 ging een verkenningsmissie onder leiding van Brinkman naar Bosnië. Srebrenica bleek “een moeilijke, maar niet onmogelijke” opdracht (NIOD-rapport, pagina 1.073). Couzy wees Brinkman op de problemen van logistieke en geneeskundige aard in de enclave. De rest van de geschiedenis is bekend, althans bijna.
Hoewel Brinkman intussen allang was gesouffleerd dat hij nooit BLS zou worden – omdat de landmachttop hem te slim en lastig zou vinden – werd hij in 1995 in de rang van generaal-majoor nog even snel commandant van de Multinational Division Central (Airmobile) in Rheindahlen, een luchtlandingseenheid van 20.000 militairen. Brinkman werd door voormalig Minister van Defensie Relus ter Beek een “veranderingsgezinde jonge Turk” genoemd. Zijn daadkracht en progressiviteit had Brinkman op meerdere vlakken getoond: ruim voordat de politiek besloot dat de dienstplicht werd afgeschaft, schreef hij er een notitie over. Hij wees daarin op de mogelijke gevolgen voor de samenstelling van de landmacht. Afschaffing zou volgens hem de opmars van de vrouw in de KL betekenen. De BLS, generaal Rien Wilmink, was woedend.
In ’96 stapte Brinkman over naar de burgermaatschappij, waar hij korpschef van de politieregio Rotterdam-Rijnmond werd. Na minder dan een jaar werd hij door burgemeester Bram Peper ontslagen, daartoe aangespoord door de politievakbonden en gemeentebureaucraten die hem geen eerlijke kans gunden. Tot op heden is Brinkman aan het werk als interim-manager in de gezondheidszorg, achtereenvolgens in de IJsselmeerziekenhuizen te Emmeloord en Lelystad én ziekenhuis Gelderse Vallei te Ede.
Op 23 september 1909 wordt Susan Travers in Devon, England, geboren. Voor sommige Fransen is haar geschiedenis een lichtelijke smet op de krijgsgeschiedenis van het Vreemdelingenlegioen, waar de machocultuur de boventoon voert. Op 17 juni 1941 werd de verpleegster van het Franse Rode Kruis chauffeur van een getrouwde Franse kolonel. Hij was 42, zei 31. Een heftige relatie volgde. De kolonel, Pierre Koenig, was de commandant van de 1ère Division Française Libre tijdens de Slag om Bir Hakeim.
Bir Hakeim (Libië), ± 50 km zuidelijk van de mediterrane kust en ten westen van Tobroek, lag in de geallieerde Gazala-verdedigingslinie. In de Tweede Wereldoorlog werd er zwaar gevochten met de Duits-Italiaanse agressor. Nadat de 1ère Division Française Libre net fel slag had geleverd in Halfaya en Méchili, omsingelde Rommel’s Afrikakorps begin juni 1942 Bir Hakeim en verzocht Koenig zich over te geven. Die antwoordde onverzettelijk: “Nous ne sommes pas ici pour nous rendre” (“We zijn hier niet om ons over te geven”).
Zwaar in de minderheid (10 : 1) bood Koenig ruim 2 weken lang verzet tegen 4 divisies in het gat van de zuidelijke verdediging. Tegen alle verhoudingen in zorgde de strijd voor een ommezwaai in de Noord-Afrikaanse oorlogsarena. Koenig’s actie maakte het mogelijk dat het 8ste Britse leger zich kon terugtrekken, reorganiseren in Alexandrië en de tegenaanval op El Alamein kon inzetten. Verder was ‘Bir Hakeim’ voor De Gaulle doorslaggevend: voor het eerst hadden de Fransen zelfstandig geknokt.
Zelfs Churchill moest de heldendom van de Fransen onderkennen: “Holding back for fifteen days Rommel's offensive, the free French of Bir Hakeim had contributed to save Egypt and Suez canal's destinies." Op 10 juni 1942 doorbraken Travers en Koenig de mijnenvelden ("champs de marais") en drie concentrische kordons van Duitse tanks die Bir Hakeim omringden.
In deze context was adjudant-chef Susan Travers de enige vrouw die ooit heeft gediend in het Légion d’Étrangère; het legioen werd pas in 2000 formeel opengesteld voor vrouwen.
Tussen Travers en Koenig bloeide een heftige relatie, die een jaar later bekend werd. Daarop zette Koenig noodgedwongen – hij was getrouwd – Travers aan de kant. Zij reisde vervolgens met de geallieerden via Italië en Frankrijk naar Duitsland, waar de bevrijding werd gevierd. Tot 1947 is ze bij de 13ème Demi-Brigade de Légion Etrangère (13 DBLE) gebleven, zowel in Marokko als Indo-China. Op haar 37ste trouwde ze met een légionnaire, maar in haar hart bleef ze altijd van generaal Koenig houden.
In 1956 ontving ze tijdens een ceremonie in Les Invalides uit handen van haar oude liefde de Médaille Militaire. Ze overleefde Koenig, die in 1954 en ’55 Minister van Defensie was, in ‘70 overleed en in ’71 postuum zijn mémoires ‘Bir-Hakeim: 10 juin 1942’ het licht deed zien. Susan Travers overleed in 2003 op 94-jarige leeftijd.
Ondanks de acute dreiging dat de stad Saguntum (Sagunto in Valencia, Spanje) kon worden ingenomen, aarzelde, draalde en twijfelde de Romeinse Senaat. Wat volgde was eindeloos overleg en nietsdoen, waarmee het momentum voor ingrijpen verkeken was. Titus Livius dichtte hierover: “Deliberante senatu Saguntum periit.” (“Terwijl de Senaat vergadert, wordt Saguntum veroverd.”) Blijkbaar komt eindeloos beraadslagen de slagvaardigheid niet ten goede.
Die klassieke les had Louis Beel in elk geval begrepen (p. 116): er zou op enig moment een knoop doorgehakt moeten worden. Dan heb je als premier met alles rekening te houden: strategische voors en tegens, de publieke opinie, ruim honderdduizend ontplooide militairen in Nederlands-Indië die “drie miljoen per dag” (p. 23) kostten, de legertop. Nederlands-Indië wachtte op daden, er moest een beslissing worden genomen.
Een 'frische, fröhliche Krieg' zou misschien uitkomst bieden om de kolonie Nederlands-Indië te behouden als noodzakelijke economische inkomstenbron voor het moederland. Ook wilde men het gebiedsdeel, dat al eeuwen in handen van het Koninkrijk was, niet zomaar opgeven. Ratio en emotie streden om het hardst.
Uiteindelijk bleek de strategie van “de politieke generaal”, legercommandant Spoor, onafwendbaar: de toestand in de Oost werd met de dag slechter, ten nadele van de Nederlanders en Nederland-gezinde eilanders. Hoofdrolspeler Spoor heeft gelijk gekregen: het leger kon niet anders dan ingrijpen. Elke politieke pressie mislukte en het leger stond in de startblokken voor een beslissende actie, desnoods eentje met als eindsituatie de inname van Djocjakarta – hoofdstad van de Republikeinen (‘Operatie Amsterdam’).
De Politionele Acties verdienen niet op alle fronten de schoonheidsprijs, zeker niet, maar men mag niet uit het oog verliezen dat “politioneel” het enig mogelijke was: “Zoals de KNIL-acties destijds in Atjeh ook altijd politioneel waren genoemd, gericht op het handhaven van de orde op eigen terrein.” (p. 9), d.w.z. “police measures of a strictly limited character”. In de nacht van 20 op 21 juli 1947 werd in Den Haag besloten tot een aanval door “destijds de tiende strijdmacht ter wereld” (p. 10): Nederland. Het boek van Van Liempt is de reconstructie van de besluitvorming hiertoe: “Hoe kon het [...] tot die aanval komen?” Een offensief dat zich beperkte tot het veiligstellen van de belangrijkste wingewesten (Operatie Product) en een opmars naar Djocjakarta. Niet, zoals voorbereid, tot en met de verovering van de Republikeinse hoofdstad (Operatie Amsterdam).
Het is nog steeds een nauwelijks verwerkte periode uit de Nederlandse geschiedenis, waarvan de kiem tot alle rampspoed lag bij de naoorlogse opsplitsing van Nederlands-Indië onder de Australiërs en Britten. De politiek georienteerde generaal Spoor zou de revolutie een halt kunnen toeroepen en de kurk waar de Nederlandse economie op dreef redden.
Slechts enkelen bleven waarschuwen tegen oorlog in de Oost. Zo ook minister zonder portefeuille Eelco van Kleffens en jonkheer Alidius Tjarda van Starkenborgh Stachouwer, de ambassadeur in Parijs en oud-landvoogd in Indië: “De geschiedenis leert [...] dat niet door de natuur bij elkaar gevoegde volkeren onherroepelijk uiteendrijven indien tussen hen op grotere schaal bloed wordt vergoten.” Opnieuw een klassieke les.
Toch gebeurde het. Alleen al op Zuid-Celebes vielen 3 à 4.000 doden, maar de mateloos populaire Spoor maakte met de Politionele Acties, weliswaar tijdelijk en plaatselijk, een einde aan de aanslagen, bestandsschendingen en het verder vernielen en ondermijnen van bruggen en weggedeelten door de Indonesiërs. Wanneer de strateeg Spoor zijn ontslag indient in een parallel lopende kwestie, is landvoogd Van Mook niet meer ontvankelijk voor welk vredesinitiatief dan ook: zes dagen later begint de Eerste Politionele Actie. Het onderwerp waarop alle onderhandelingen of opbouwwerkzaamheden naar een federaal Indonesië spaak lopen, is de door Nederland voorgestelde gemeenschappelijke gendarmerie: de Republiek ziet de handhaving van orde en rust op Republikeins gebied als een exclusief Republikeinse taak. De maat is vol.
De gereconstrueerde besluitvorming door Van Liempt is interessant wat de motieven betreft die uiteindelijk hebben geleid tot beide Politionele Acties, maar de gortdroge opsomming van feiten en vergaderingen is voor de lezer een last. Bovendien is het, vanuit het perspectief waarin het geschreven is (eind 20ste eeuw), een leunstoelstrategische versimpeling – hoezeer ook de auteur de lezer anderszins wil laten geloven.
Zo pluriform als de belevenissen en herinneringen van de adjudant-ritmeester Rob Smulders zonder twijfel zijn, zo zijn diens memoires voor het grootste deel in onbegrijpelijke flarden neergepend. Het lijkt een allegaartje van dagboekachtige aantekeningen, in een even hakkelend als staccato Nederlands, zonder goed leesbare volzinnen. Hierdoor noopt Smulders’ boek helaas veelvuldig tot voortijdig afhaken.
Zonde, want dat Smulders wat te vertellen heeft, staat als een paal boven water: als persoonlijk assistent (adjudant) van generaal Spoor; als voormalig eskadronscommandant; als mens. Gelukkig blijft het boek, ondanks de genoemde handicaps, aantrekkelijk. Dat komt deels door de toon, die feitelijk wordt gezet door aan wie hij zijn boek opdraagt: “Aan hen die in de jaren 1945-1950 in Indië waren en palstonden. Het was niet tevergeefs”. Een woordkeus die min of meer gelijk is aan “wij, de Nederlandse militairen in Indië, waren onwankelbaar, weken niet.” Een toonzetting ook met betrekking tot de dood van generaal Spoor: “Hij stierf of sneuvelde, onverwacht” (p. 7)
Dit boek gaat dan ook niet over Smulders, maar over de mensen rondom de commandant van het leger in Indonesië, generaal Simon Hendrik Spoor, commandeur Militaire Willems-Orde, begraven op de erebegraafplaats Menteng Poeloe in Djakarta (het vroegere Batavia).
Af en toe neigt het hierdoor naar het hagiografische, zoals op p. 31: “Was er een grotere soldaat in de Nederlandse geschiedenis sinds de dagen dat Nederland zich onder de Oranje’s vrijvocht van de Spaanse tyrannie?” De vraag stellen is haar beantwoorden, dus op p. 94 vervolgt Smulders: “In het begin wist ik niet waar de pose begon of ophield. Was hij een groot acteur? Nee hij was commandant van een leger die van haveloze soldaten, ondervoede en ongetrainde soldaten, zó uit de Japanse kampen, een steeds perfecter gevechtsinstrument maakt. Die ook het Haagse politieke spel doorziet en bijna per dag het leger weet in te zetten. Nu wel, dan niet. Aan zijn troepen laat hij weten dat hij begrijpt waar het om gaat. Hij geeft hun het vertrouwen en het uithoudingsvermogen om deze onmogelijke opdracht toch uit te voeren.”
Gelet op het bovenstaande is het verwonderlijk dat in het tussenhoofdstuk ‘Oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid’ – waarin Smulders de Nederlandse jurist prof. dr. Christiaan F. Rüter uitgebreid citeert – juist ook een niet voor de hand liggend statement wordt gemaakt: “Een misdrijf tegen de menselijkheid is [...] in de jaren 1945-1950 door Nederlandse soldaten en hun meerderen niet gepleegd. Er zijn oorlogsmisdaden gepleegd. Dat ontkent niemand die erbij was.” (p. 88).
Het verhaal begint als Spoor kapitein is, 40 jaar jong. Het ademt vervolgens de sfeer van Erasmus’ adagium ‘Dulce bellum inexpertis’ (‘Oorlog is aangenaam voor wie hem niet heeft meegemaakt’). Nederlands-Indië was allesbehalve leuk en comfortabel; oorlogsmisdaden kwamen blijkbaar voor...
Dan ineens is Spoor kolonel, directeur van de Netherlands Forces Intelligence Service (NEFIS). De kroniek verspringt nu veel en snel, met soms prachtige citaten uit de Indische bushbush, zoals “Drie-vierde verveling, één-vierde angst” (p. 85). De realiteit van contra-guerrilla; de realiteit van het leven in dienst tijdens de Politionele Acties.
Als tweede luitenant gaat Smulders als Spoor’s adjudant werken. Een leven dat nauwelijks ‘in de marge’ genoemd kan worden. In het ingewikkelde machtsspel in Nederlands-Indië zit hij bovenop de laatste nieuwtjes en leert hij bijvoorbeeld wat de invloed (niet macht) van Shell Koninklijke Olie – voorheen de Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM) – in de archipel is: met generaal Spoor is Van Diermen, de grote BPM-baas in Oost-Indië, één van de invloedrijkste mannen. Maar Spoor heeft geen enkele moeite om zich te handhaven in een wereldje dat niet primair bestaat uit strategie, tactiek en leger en niet enkel wordt omgeven door dessa’s, pasars en warongs... Tot de lunch in de Jacht Club, die zoals algemeen wordt verondersteld zijn overlijden heeft bespoedigd.
Smulders’ boek is zeker géén must-have, hoewel de aangereikte foto’s en de faits-divers meerwaarde hebben voor hen die ingewijd zijn in leven en werk van generaal S.H. Spoor.
Einde oefening. Infanterist tijdens de Koude Oorlog
auteur
kolonel der infanterie b.d. Gerard J. Felius
ISBN
9080740012
jaar
2002
pagina’s
347
uitgeverij
Uitgeverij Quintijn
December 2007: zoon Marnix komt terug uit Uruzgan, een missie die in de verste verte niet te vergelijken is met enige andere opdracht die de Nederlands krijgsmacht sinds de Korea-oorlog is aangegaan. Laat staan met de dienstplichtperiode binnen de Koude Oorlog, toen vader Gerard binnen de infanterie opgroeide met de idee van tot op de meter nauwkeurig ingemeten en vastgestelde stellingen in het frontgebied vanaf de rivier de Elbe tot het Elbe-Seitenkanal.
De 'gouden glans' van de Koude Oorlog is terug te vinden in zijn autobiografie, waarin het wemelt van de nostalgie in de trant van Norit tot poeder stampen, met Nivea mengen en op de blote huid smeren. Over oefeningen in La Courtine en Mourmelon-le-Grand, niet meer bestaande vetermarsen, kikkeren bij het Korps Commandotroepen, de feuttijd en het klossen op de KMA, de verarming van het verdwijnen van de aparte messes op de kazernes, treinenbataljons die niets met de spoorwegen te maken hebben, een zware opleiding en een strakke discipline die zich terugbetalen...
Gerard J. Felius, die als dienstplichtig soldaat opkwam bij de lichting 58-6, beroepsofficier werd en in 1994 met functioneel leeftijdsontslag ging, heeft de wetenswaardigheden en (miskende?) nostalgie van een vervlogen tijd prachtig vastgelegd in zijn autobiografie. Het is niet voor niets dat alle media lovend over 'Einde oefening' zijn geweest. Opmerkingen als “een aanrader voor iedereen die in de naoorlogse jaren zelf in dienst is geweest” (Checkpoint), “een boek dat de militaire wereld in de tijd van de Koude Oorlog in al zijn facetten laat zien” (Defensiekrant), “feest van herkenning” (November Romeo) en “gemakkelijk en vlot geschreven, zeer openhartig, met de nodige humor en veel anekdotes” (Carré).
Voor de liefhebbers van een snel uit te lezen verhaal over hoe de landmacht er nog niet zo heel lang geleden uitzag, is het boek voor € 15,- direct bij de auteur te bestellen.
Begin 2008 verscheen ‘Endstation Kabul’ van Achim Wohlgethan. Naar eigen zeggen lid van de Duitse Special Forces, die in “Grossraum Kabul” enige maanden met team 4.11 van het KCT heeft samengewerkt - evenals zijn buddy Alex. Daarmee verkrijgt hij de afkorting z.b.V. achter zijn naam: "zur besonderen Verfügung". Dat wil zoveel zeggen als "nur für Sonderaufgaben".
Het is 2002.Die onthulling kwam zowat tegelijkertijd met een tweeluik aan ontdekkingen van het VPRO-radioprogramma Argos. Het draaide er allemaal om dat Nederland, in die tijd en op die plaats, buiten ISAF-mandaatgebied taken in het kader van Operation Enduring Freedom (OEF) zou hebben uitgevoerd. Niet mals, maar de Minister van Defensie deed de beweringen af als UFO-journalistiek.
Het is, achteraf gezien, duidelijk dat Wohlgethan in Kabul en ruime omgeving géén UFO’s heeft gezien. Dat hij een groot waarnemingsvermogen en een vaardige pen heeft, maakt zijn boek er in elk geval duidelijker op. Hij heeft het onder meer over de Duitse gewoonte om ’s avonds laat in de bar ‘Lili Marleen’ uit volle borst mee te zingen en een hartgrondige hekel aan het “gevechtsveldtoerisme” (“Affenzirkus”) van politici en VIP’s. Waar zijn onduidelijkheid niet stopt, is bij de passages over zijn onderbevelstelling bij het KCT, waar de Nederlanders zijn “nieuwe familie” werden. Ouwe jongens krentenbrood; blijkbaar kennen en waarderen Special Forces elkaar.
Hij schrijft over “zeer geheime opdrachten” van de Kabul Multi-National Brigade (KMNB); over verkenningseenheden die tot tweemaal toe op Route Crimson – ver buiten Kabul – oog in oog kwamen te staan met mujahideen-leider Gulbuddin Hekmatyar; dat hij zelf “minstens een dozijn keer” buiten de Area of Responsibility (van west naar oost 40 km, van noord naar zuid 70 km) is geweest; dat begin augustus 2002 zuidelijk van Kabul onder onopgehelderde omstandigheden 12 Afghanen om het leven kwamen; hoe hij werd ingezet voor de Militärischer Abschirmdienst (MAD) – één van de drie Duitse inlichtingendiensten. En dan hebben we het nog niet gehad over de speelgoedwapens waarmee kinderen in Kabul de westerse militairen de stuipen op het lijf joegen, de onfortuinlijke Duitse majoor die met naam wordt genoemd en hoofd van J2 was, en Hotel Interconti - uitvalslokatie van vele acties en gesprekken...
Zijn verhaal vertoont zo nu en dan James Bond-achtige trekjes, maar de feiten zijn controleerbaar. Ondanks de 'threat warnings' die regelmatig vanuit het hoofdkwartier van ISAF de ether werden ingestuurd, was Kabul relatief veilig. Die relatieve veiligheid was onder andere te danken aan het proactieve optreden van de Special Forces.
Als Stabsunteroffizier Wohlgethan “top secret” op het boekomslag zet, is dit niet omdat er zeer geheime informatie uit zijn verhaal kan worden gedistilleerd. Het is een eyecatcher die weer eens duidelijk maakt dat de politieke controle op militaire activiteiten niet altijd even goed is geregeld. Wat die 3 tot 5 Duitsers precies bij het KCT hebben uitgevreten zullen we dan ook niet te weten te komen. Eerlijk gezegd wil ik dat ook niet: ik vertrouw er blind op dat Special Forces aller landen in de ommelanden van Kabul dingen hebben gedaan om acute dreigingen tegen reguliere eenheden te voorkomen cq. teniet te doen. Als Wohlgethan dat met ‘Endstation Kabul’ voor het voetlicht probeert te krijgen, is hij daarin geslaagd.
Het was Wereldomroep-collega Hans de Vreij die Bette Dam eind 2006 op het spoor zette met zijn artikel 2001: de Slag om Tarin Kowt. Na het instorten van de Twin Towers en de daaropvolgende ‘war on terror’ had in Uruzgan een beslissende maar onbekende opstand tegen de Taliban plaatsgevonden. Geleid door Hamid Karzai, toen een relatief onbekende, nu de president van Afghanistan.
Het kantelmoment na 9/11 begon voor Uruzgan in de nacht van 7 op 8 oktober 2001 met operatie Enduring Freedom: tientallen doelen werden bestookt, vooral in Kabul en Kandahar. De Amerikanen komen in actie en Dam kenschetst het probleem dat voor Karzai opdoemt: hoe kan hij twee heren dienen, of beter: hoe overtuigt hij zijn medestanders van het nut daarvan? Amerikanen versus stam- en clangenoten? Hoewel Karzai – “van de invloedrijke Popolzai-clan uit de Pashtun-bevolking” – ook de eerzucht heeft om als eerste in Uruzgan te zijn wanneer ‘zijn volk’ hem nodig heeft, hebben juist de Amerikanen daarvoor alle militaire middelen en knowhow. Wat ontstaat, is een bijna absurdistische win-winsituatie: “Wie doet er mee en wie niet? Wie gelooft zijn woorden? En wie laat zich niet overtuigen? Wie gaat naar welke stamleider om de nieuwe tijd aan te kondigen? Wie durft?”.
Als de Amerikanen op 20 oktober 2001 Tarin Kowt bombarderen, ontsteekt Karzai in woede. Volgens Dam denkt hij dat de Amerikanen hem zijn vergeten. Twaalf dagen later droppen die alsnog wapens en munitie. En, veel belangrijker: op een basis in het Pakistaanse Jacobabad wacht intussen een Special Forces Operational Detachment-Alpha, in dit geval ODA-574. De wapendropping wordt niet helemaal een succes: de in het nauw gedreven Karzai c.s. worden haastje-repje door de CIA afgevoerd naar Jacobabad. Daar verbaast Capt. Jason Amerine, commandant van het twaalf man sterke ODA-574, zich over de locatie die Karzai – ondanks het recente fiasco – onverstoorbaar wil blijven gebruiken. Als springplank voor zijn expeditie, hoewel het niet zeker is dat Karzai in Tarin Kowt triomfantelijk zal worden verwelkomd.
Precies een dag nadat Kabul in handen is gevallen van de Noordelijke Alliantie worden Karzai en zijn medestrijders, ODA-574 en een zestal CIA’ers in de buurt van Tarin Kowt afgezet door helikopters. Het wonder lijkt geschiedt: de Taliban zijn al uit het stadje verdreven! De euforie slaat om als honderden Taliban-strijders onderweg zijn die Karzai willen, dood of levend. Vanaf een plateau zien de Amerikaanse en Afghaanse strijders de Taliban komen aanrijden, die dankzij de Amerikaanse luchtstrijdkrachten massaal worden uitgeschakeld. De Karzai-getrouwen – onder de indruk van “de precisie, de efficiëntie en de snelheid, alles wat de Amerikanen hebben laten zien in die paar uur” – rukken vervolgens op naar Kandahar, bestuurscentrum van de Taliban. Onderweg wordt de strijdmacht nog getroffen door een foutief afgeworpen bom, waardoor twee Special Forces van ODA-574 worden gedood. Ook Karzai en Amerine raken hierbij gewond.
Als de veldslagen gevoerd zijn gaat het in dit boek mijns inziens allemaal veel te snel: Dam beschrijft dat Karzai door de Amerikanen naar Kabul wordt gevlogen om de eerste president van Afghanistan te worden. De rest is geschiedenis, maar graag had ik in een extra hoofdstuk diepgaander de rol van Karzai tussen 2002 en nu gelezen, omdat zijn verzoeningpolitiek en diplomatie zich daarna voor een groot deel tegen hem hebben gekeerd. Dat valt althans tussen de regels door op te maken.
Zo heeft Karzai na de ‘Slag om Tarin Kowt’ de Taliban in het zuiden “allemaal vrij baan” gegeven in plaats van gevangenisstraf. En ondanks de initiële inzet van alleen Amerikanen in de eerste fase van de oorlog, is het zuiden nog steeds vergeven van de rebellen. Bijna dagelijks maken ze slachtoffers door met IED’s, in hinderlagen en TIC’s, waardoor het wantrouwen van de westerse troepen tegenover de Afghanen groot blijft, in elk geval buiten de relatieve veiligheid van de hesco-forten en niet alleen in Uruzgan.
Ze geeft aan hoe in Uruzgan, na Karzai’s triomf, het verzet tegen Jan Mohammed – de enige man die volgens Karzai sterk genoeg was voor het gouverneurschap – alleen maar is gegroeid. Het heeft er alle schijn van dat diens aanstelling tot Karzai’s grootste misrekeningen in de nasleep van 9/11 moet worden beschouwd. Maar dan nog is het zoals ze schrijft: “De band tussen Karzai en Jan Mohammed is sterker dan welke wet of institutie dan ook.” Voor zijn troonopvolgers, Munib en Hamdam, maakt het weinig uit dat Mohammed het veld moest ruimen, want vanuit Kabul heeft hij de touwtjes nog steeds strak in handen.
De Slag bij Tarin Kowt in 2001 is een keerpunt geweest in de oorlog tegen de Taliban, ook psychologisch: ze overtuigde de mullahs en maliks dat de Taliban kon worden overwonnen én dat terdege met ‘ene’ Karzai rekening moest worden gehouden. Hoezeer Karzai ook loyaliteit met zijn familiale en tribale banden bedong en de provinciehoofdstad behoedde voor plunderingen en verkrachtingen, in Afghanistan, dus ook in Uruzgan, krijgt de internationale strijdmacht volgens haar pas echt iets voor elkaar als “experts die de taal spreken […] naar de gastenkamers [komen] om te praten.”
De vraagtekens staan, zo vermoed ik, voor experts in cultuur en identiteit, gedragscodes, ideologie en religie, normen en waarden; professionals die bijvoorbeeld snappen dat vrouwen juist vanwege hun vrouwelijkheid van de Taliban een burqa moesten dragen en inzien dat de benadering van vrouwelijkheid in Afghanistan volkomen verschilt met die in het westen. Zoals ze zelf schrijft in haar dankwoord: “Het vergt tijd je westerse denkkader over een samenleving als deze resoluut aan de kant te zetten.”
Dat is mij ook opgevallen. Anders gezegd: krijgsmacht en antropologie staan soms op gespannen voet. Hoe het ook zij, de tijd voor de Afghanen is te kostbaar om de ‘westerse’ kennis over zaken als gekrenkte eer en karakteristieke plattelandspolitiek op zijn beloop te laten. Dat is iets anders dan regeren via de loop van een geweer. Dan zal het zonder twijfel ook gemakkelijker zakendoen zijn onder het genot van een kop thee in de gastenkamer van een quala…
Op 3 maart 1994 nam kapitein Erik Jellema, de compagniescommandant van de Bravo ‘Stieren’ Compagnie van 11 Infanteriebataljon Luchtmobiel, het commando over de ‘safe area’ Srebrenica over van de Canadese mahoor Yvan Bouchard, één van de compagniescommandanten van het 2nd Battalion of the Royal 22nd Regiment (CANBAT). Jellema’s compagnie loste de 155 Canadese militairen weliswaar af in Srebrenica-Stad, maar de enclave bestreek in totaal 10 bij 15 km. Helemaal ‘safe’ was dit gebied niet, zo zou blijken…
Maar zijn stierencompagnie was de eerste infanteriecompagnie van de Koninklijke Landmacht die sinds UNIFIL een blauwgehelmde taak mocht uitvoeren. Zowaar een hele eer. De eer om “als eerste binnen” te zijn heeft Jellema er in elk geval mede toe gebracht uitgebreid inzicht te geven in de voorbereiding, planning, uitvoering en overdracht van de operatie van Dutchbat-I. De operaties van Dutchbat-I hebben de basis gelegd voor het vredesoptreden in Bosnië.
Voeg aan de uitvoerigheid van ‘First-in’ de passie toe die uit vele bladzijden opborrelt voor krijgsgeschiedenis, en het is duidelijk dat alles wat de commandant in meer of mindere mate is opgevallen én waar anderen lering uit zouden kunnen trekken aan het papier is toevertrouwd. Vaak dus met een historische connotatie, zoals een prachtig citaat van Sosabowski (“Let other people praise you, not you yourselves”), commandant van de Poolse 1ste Onafhankelijke Parachutisten Brigade tijdens operatie Market Garden.
Ook is zijn boek gelukkig geen opsomming van droge feitjes en bijdehante weetjes, maar een vakidiote kennismaking met de praktijk van een vredesoperatie. Hoewel de uitvoering van peacekeeping volgens mij voor 99,9% bestaat uit stress, teleurstellingen en dilemma’s, komen die alleen – en dan nog hoogst zelden – onderhuids aan bod. De belevingswereld van compagniescommandant Jellema, die tot en met juli 1994 in Srebrenica was gelegerd, is hierdoor met name gefocust op het oplossen van de ‘uitdagingen’ die de moeilijke omstandigheden in Srebrenica met zich meebrachten.
Dat is de enorme pré die dit boek meekrijgt. Niets dan lof voor Erik Jellema.
Het is geen Belgenmop: in 2004 is de Brigade Paracommando opgeheven. Sindsdien gaan de zuiderburen mee in de vaart der Engelstalige volkeren en is de brigade omgedoopt tot een Immediate Reaction Capability Command (ICRR). Oude wijn in nieuwe zakken. Over de Belgen echter geen kwaad woord, ook niet over hun militaire capaciteit. Julius Caesar schreef in ‘Commentarii de bello Gallico’ niet voor niets: "Horum omnium fortissimi sunt Belgae". Vrij vertaald: “De dappersten onder de Galliërs zijn de Belgen”. Verkijk je niet op de zelfbewuste Belgen. En dapper of niet, de (ontstaans)geschiedenis van de paracommando’s is uitgebreid en kan gemakkelijk verkeerd worden uitgelegd.
Honorair luitenant-kolonel Emile Genot brengt de geschiedenis van de elite-eenheden van de Belgische krijgsmacht. In de Tweede Wereldoorlog werden Belgische militairen in Engeland getraind, waarbij onder andere parachutisten waren die hun opleiding kregen van de Special Air Service (SAS). Het kenteken van de SAS en de maroonrode baret van de para’s worden nog altijd gedragen door de leden van 1 Para. Een andere Belgische eenheid werd getraind als commando en verkreeg logischerwijs de groene baret: 2 Cdo. Na de Koreaanse oorlog kwam er een derde bataljon bij: 3 Para. Resumerend: 1 Para, gelegerd in Diest, is tweetalig en draagt de rode baret; 2 Bataillon de Commando (2 Cdo) uit Flawinne (Namen) is Franstalig en draagt de groene baret en 3 Para, gehuisvest in Tielen, is Nederlandstalig en draagt eveneens een rode baret.
Terug naar schrijver Emile Genot. Hij is sinds 2005 de nationaal voorzitter van de Amicale Nationale Para-Commando Vriendenkring (ANPCV) en heeft, behalve ‘Geschiedenis van de Para-Commando eenheden van hun oorsprong tot heden’, verschillende boeken op zijn naam staan: ‘Bérets rouges, bérets verts ... 50.000 Paracommandos’ (1986), ‘Le piège humanitaire? Un an d'opérations militaires belges en Somalie’ (1996) en ‘Chesty George..., Captain Blunt..., deux personnages hors du commun!’ (2000).
Gepokt en gemazeld in het regiment zorgt ereluitenant-kolonel Emile Genot ervoor dat het boek een heldere uiteenzetting is van feitelijkheden over de paracommando’s, zoals de oprichting, de talloze operaties in koloniaal Afrika, het dieptepunt tijdens de missie UNAMIR met tien doden in 1994 en de naamsverandering in 2004. Alle jaartallen, feiten en opsommingen maken het boek niet zozeer super lezenswaardig maar wel uitermate geschikt als introductie tot en naslagwerk over de paracommando’s.
My Lai, Halabja en Abu Ghraib hebben aangetoond dat de grens tussen goed en kwaad gemakkelijk kan worden overschreden. De geconditioneerd-gederailleerde mens is blijkbaar relatief eenvoudig bereid tot en in staat om andere mensen pijn te doen en zelfs te doden. Hiermee verdwijnt het gevoel voor wat goed en kwaad is - tijdelijk en plaatselijk – ver naar de achtergrond en regeert de belligerente gemoedstoestand.
Had de Romeinse dichter Plautus gelijk toen hij stelde “De ene mens is voor de andere mens een wolf, zijn grootste vijand” (“Homo homini lupus”)? Of mag (of moet?) je uitgaan van positievere definities over de mens, zoals die van Aristoteles: “Het dier dat kan spreken en denken”. Als denk- en spraakvermogen de mens werkelijk onderscheiden van het dier, zou consciëntieus handelen meer regel dan uitzondering moeten zijn. De praktijk is echter weerbarstig en herhaalt zichzelf. Hoewel de mens er meestal in slaagt om kwade driften in toom te houden of zelfs geheel uit te bannen, komt het onder bepaalde omstandigheden voor dat het geweten danig wordt getergd.
Dat gegeven moet selectie- en keuringscentra van krijgsmachten zorgen baren. Hoe neem je immers een gewetensvolle rekruut aan? Wie is het minst tot het kwaad geneigd in de ‘survival of the fittest? En hoe leer je ze later, als ze op het gevechtsveld “dingen doen”, om in een fractie van een seconde, uit innerlijk normen- en waardenbesef, de juiste keuzes te maken?
Het gaat er natuurlijk niet om dat een krijgsmacht engeltjes binnenhaalt. De infanterist moet een can do-mentaliteit hebben, een vechter zijn, waarbij het moreel beoordelingsvermogen (en daarnaar handelen) secundair is en in beginsel zo is aangelegd dat hij niet als een gewetenloze Rambo zijn eigen oorlogje gaat uitvechten. De militair, kortom, moet onbewust bekwaam gemaakt worden in militair optreden waarbij hij het geweten probeert te volgen.
Door de eeuwen heen droegen militairen altijd al een gewetensvolle verantwoordelijkheid in vaak dubbelzinnige situaties, maar aan de professionaliteit van de moderne militair worden anno 2010 zo mogelijk nog hogere eisen gesteld. De moderne militair opereert op een zeer gecompliceerd gevechtsveld, dat niet uitsluitend meer bestaat uit het aanwenden van geweld maar evenzeer uit diplomatie, humanitaire hulpverlening, wederopbouwwerkzaamheden e.d. Een gevechtsveld waar militairen en burgers door elkaar lopen. Zoals luitenant-kolonel arts Gert-Jan Gort in 1999 in Carré schreef: “Enkele specifieke kenmerken van de militaire organisatie zijn de geweldsuitoefening die deel uitmaakt van de primaire taak en het groepsbelang dat boven het individuele belang gaat: in de operationele setting bestaat een grote mate van afhankelijkheid van de militair ten opzichte van zijn collega’s. Het niet goed functioneren van één militair kan leiden tot gevaar voor het gehele systeem.” Dit is precies het wezenskenmerk van het militaire métier dat tegen de achtergrond van het militaire ethos in ‘Geweten onder schot’ onder de loep wordt genomen.
Complicerende factor in deze is de scheidslijn tussen leven en dood. Die kan flinterdun zijn, zeker in situaties waarin het geweer populairder is dan het woord. Hoewel van een wapen een fascinatie voor macht uitgaat, is ze ook onbetrouwbaar: de trekker wordt overgehaald door de mens die het wapen hanteert. Een handeling die onomkeerbaar is...
Voor militairen is daarom een hulpmiddel ontwikkeld om, op grond van eigen waarden en normen, keuzes te maken. Dat middel is het Ethisch Besluitvormingsmodel, op grond waarvan een militair in een ethisch dilemma kan handelen. Het model staat natuurlijk niet op een instructiekaartje dat de militair in een prangende situatie uit z’n borstzakje trekt! Het handelt rond klassieke militaire deugden (zingevingsproblemen?) als verantwoordelijkheidsgevoel, moed, kameraadschap, integriteit en gehoorzaamheid. Deugden die ethische en filosofische vragen oproepen over wanneer je oorlog mag voeren (ius ad bellum) en hoe je je vervolgens in zo’n oorlog moet gedragen (ius in bello).
Moraal van Verweij’s verhaal is dat een militair nooit een gewetenloze machine mag zijn die dankzij kadaverdiscipline commando’s uitvoert à la Befehl ist Befehl, maar die in de uitvoering van zijn taken in elk geval probeert om steeds een afweging te maken tussen goed en fout – meestal onbewust, soms heel bewust. De militaire ethiek is “een van de meest complexe vormen van toegepaste ethiek” Wanneer je éénmaal met je ogen hebt geknipperd, moet je een beslissing hebben genomen. Anders gezegd: “De aandacht voor militaire ethiek is cruciaal omdat de uitoefening van geweld zelden onomstreden is en omdat een democratische samenleving eist van haar krijgsmacht dat zij op moreel verantwoorde wijze omgaat met het geweldsmonopolie dat de krijgsmacht van haar samenleving heeft gekregen.” (Désirée Verweij in ‘Het belang van militaire ethiek voor de krijgsmacht’).
Het komt niet vaak voor dat ik een boek in één ruk uitlees. Als dat al gebeurt, is dit een gevolg van de spannende verhaallijn en/of het aansprekende onderwerp. In dit geval is het iets wat je – achteraf gezien- eigenlijk niet zou willen lezen, maar wat ik vanaf nu zal aanprijzen als hét boek dat je moet lezen als je wilt weten hoe het worst case scenario van militairen in een inzetgebied eruit kan zien. Vergeleken bij dit boek moet de hel schitterend zijn...
The New Way Forward: op 10 januari 2007 besloot de Amerikaanse president George W. Bush het aantal Amerikaanse troepen in de straten van Bagdad en de onrustige provincie Al Anbar uit te breiden. Een tijdelijk offensief, zo was het controversiële vermoeden: “De strategie om een duurzame vrede tot stand te brengen had gefaald. De strategie om het terrorisme te verslaan had gefaald. De strategie om op zijn minst democratie in Irak te realiseren had gefaald” (p. 17). Wat overbleef was Counterinsurgency FM 3-24 revisited onder leiding van generaal Petraeus, want de Iraakse veiligheidstroepen (leger en politie) waren en zijn nog steeds een lachertje.
“Deze oorlog vereist het drinken van chai, het schudden van handen en politiek denken” (p. 39). Onder andere thee drinken dus, maar aan de andere kant leerden de soldaten niet te lang stil te staan: “Blijf in beweging. Zorg ervoor dat je geen doelwit wordt” (p. 70). En natuurlijk de bekende militaire dooddoeners: verwacht het onverwachte; beweeg traag, hou je laag. Word, kortom, geen sitting duck.
De troepenvermeerdering kreeg de bijnaam surge, vrij vertaald als “de laatste stoot”. Na 2007 zou het geweld inderdaad afnemen, maar de prijs - vooral die in levens - bleef onverminderd hoog. Er vielen en vallen nog steeds Amerikaanse doden en gewonden: sinds 2003 zijn er in Irak alleen al 4.412 Amerikanen om het leven gekomen volgens de teller van de Iraq Coalition Casualty Count – medio juli 2010.
Één van de eenheden die volgens de Amerikaanse Defensietop in Irak het verschil moest maken was het 2nd Battalion, 16th Infantry Regiment ‘Rangers’, afgekort 2-16 Rangers, afkomstig uit Fort Riley, Kansas. Het bataljon behoort tot het 4th Brigade Combat Team, op zijn beurt onderdeel van de 1st Infantry Division.
Door het lezen van ‘Goede soldaten’ kom je erachter of die ruim 4.400 gedode Amerikanen het verschil hebben gemaakt. Anderhalf jaar lang zitten de Rangers in Irak. De eenheid wordt embedded gevolgd door David Finkel, journalist van The Washington Post en in 2006 winnaar van de prestigieuze Pulitzer Prize voor een casestudy over hoe de Amerikaanse regering democratie in Jemen probeert te brengen. Welk verschil kan dit bataljon maken als er, op het moment dat 2-16 wordt uitgezonden, al 3.000 Amerikanen zijn gesneuveld en 25.000 gewond geraakt?
In Irak doen de Rangers een poging – het is aan de lezer of die slaagt – om bepaalde wijken in het oosten van Bagdad veilig te maken door ze langzaamaan te proberen terug te winnen op het sektarisch terrorisme. Het zijn de wijken Rustamiyah, Mashtal, Kamaliyah, Fedaliyah, Al-Amin waar de militairen op zoek gaan naar verborgen wapenvoorraden, huiszoekingen doen, patrouilles lopen en rijden en improvised explosive devices (IED’s) en explosively formed penetrators (EFP’s) ontwijken, opsporen, onschadelijk maken en er slachtoffer van worden.
‘Goede soldaten’ is non-fictie. Een rapportage over het dagelijks leven van de militairen, hun angsten, confrontaties met de milities van de radicale Al-Sadr en twijfels over het “nut en belang” van deze oorlog. Aan het einde van hun missie hebben ze het vuile van oorlog leren kennen, “saffya daffya” (zon en warmte), alles en iedereen penetrerend stof, een almaar hoog dreigingniveau, het isolement van een maandenlange missie in oorlogsgebied en veertien maal het laatste appèl voor gedode collega’s.
Commandant ‘Muqaddam’ Ralph Kauzlarich – “Hij had iets van een underdog, waardoor hij anderen meteen voor zich innam, en van een gedrevene, van wie de passie soms in golven afstraalde” (p. 15) – probeerde elke dag een reden te verzinnen om te zeggen: “It's all good” Zelfs vanaf 6 april lukte dat, ofschoon dan het eerste van veertien slachtoffers is gevallen: Jay Cajimat die onherkenbaar verbrand. Het magisch effect is weg, hoewel hij ze er steevast van blijft overtuigen dat ze goede soldaten zijn en vechten voor een goede zaak. Aldus Kauzlarich, militair opgevoed met de idee van de Slag om Ia Drang, ‘We Were Soldiers Once... And Young’, Hal Moore, “[...] toen een bataljon vanuit de lucht werd gedropt te midden van tweeduizend Noord-Vietnamese soldaten. Terwijl ze zwaar in de minderheid waren, vochten ze van man tot man een strijd op leven en dood.” (p. 45) Ruim veertig jaar na '65 vechten de Rangers voor hun leven in Irak.
Terwijl Petraeus’ staf bijhoudt hoeveel combat outposts (COP’s) er zijn – als zijn graadmeter van de effectiviteit van de troepenversterking – ziet Kauzlarich een onvolprezen contradictio in terminis: “We zijn aan de winnende hand. Anders zouden ze niet vechten, omdat ze er dan geen reden toe hadden.” (p. 105) Dat blijft de bataljonscommandant tot het einde volhouden, want de missie is het creëren van een evenwichtige, veilige en zelfvoorzienende omgeving voor het Iraakse volk...
Die militaire retoriek is echter niet de focus van Finkel’s boek. De journalist legt zich toe op de doden, gewonden, overlevingsdrang in de gevaarlijkste wijken van Bagdad – waar Amerikaanse Congresleden nooit zijn geweest en nimmer zullen komen. Onveranderlijk krijgen de mannen van 2-16 Rangers van de hogere legerleiding te horen dat ze aan de winnende hand zijn, maar daar is in de explosieve waan van alledag niets van te merken. Het ergste komt als 800 – 14 man terugkeren in de Verenigde Staten. Formeel krijgen ze een heroïsch onthaal, maar de meerderheid van hun landgenoten heeft zich intussen tegen de oorlog gekeerd.
De kracht van Finkel zit ‘m in het onder woorden brengen van de bittere ongelijkheid tussen wat de Defensietop naar buiten brengt en wat de militairen op het slagveld meemaken – want Oost-Bagdad is een slagveld. Finkel sympathiseert met de militairen onder wie hij zich bevindt: mannen met een gemiddelde leeftijd van negentien jaar die zijn terechtgekomen in Bagdad in het post-Saddam Hussein-tijdperk dat vooral een hel is. Of zoals een van de soldaten, Nate Showman, treffend zegt: “We hebben hier een slang bij zijn staart vast.” (p. 226) De beeldspraak volgend: misschien is het beter te zorgen dat de slang geen bewegingsvrijheid in zijn staart heeft of dat hij zich in zijn eigen staart vastbijt. Dan zou het snel afgelopen zijn met de oorlog in Bagdad en hoeven er geen mensenlevens meer te worden geofferd.
Twee zaken zijn verweven met dit boek:
Op pagina 120 tot en met 130 in ‘Goede soldaten’ haalt Finkel een Apachebeschieting aan die op 12 juli 2007 in Bagdad, aan de oostkant van de wijk Al-Amin, plaatshad. In april 2010 duikt de footage van de Apache via Wikileaks op. De video-opname bleek te zijn gelekt door de inlichtingenanalist Private First Class Bradley E. Manning. Bij de beschieting kwamen twaalf Iraakse burgers om het leven, onder wie de journalisten Namir Noor-Eldeen en Saaed Chmagh (beiden van Reuters).
Het verhaal rond footballplayer Pat Tillman is verweven met de bataljonscommandant van 2-16. Tillman, die na de aanslagen van 9/11 een loopbaan in het leger verkoos boven een miljoenencontract in de sport, werd uitgezonden naar Afghanistan in het kader van Operation Enduring Freedom. Daar werd hij op 22 april 2004 gedood. Eerst beweerde Defensie op voorspraak van een onderzoek onder leiding van Ralph Kauzlarich, dat “Corporal Tillman’s death was the result of fratricide during an extremely chaotic enemy ambush.”
De echte oorzaak bleek friendly fire. Gevolg: drie schotwonden in het voorhoofd van de U.S. Army Corporal. Kauzlarich, Executive Officer van het 75th Ranger Regiment (de eenheid van Tillman), had een cover-up van Tillman’s dood geprobeerd te maken en had hem zelfs “wormenstront” genoemd.
In 2009 publiceerde Jon Krakauer Tillman’s levensverhaal onder de titel ‘Where Men Win Glory. The Odyssey of Pat Tillman’, in het Nederlands vertaald als ‘De held’.
Pio Tulp, geboren in 1957 en woonachtig in Noordwijk aan Zee, is zelf dienstplichtige geweest bij het Staf- en Stafverzorgingseskadron van 103 Verkenningsbataljon Huzaren van Boreel, in 1988 en ’89 op de Legerplaats Seedorf.
Toch is niet de Noord-Duitse laagvlakte maar Apeldoorn het decor van zijn debuutroman ‘Groen, blauw’: de Koning Willem III-kazerne, het Protestants Militair Tehuis (PMT), de zandverstuivingen op de Veluwe. Allemaal locaties die als bekend verondersteld worden voor wie in Apeldoorn gelegerd is geweest. Of opgeleid als marechaussee.
‘Groen, blauw’ is het deels autobiografische verhaal over de dienstplichtig soldaat Peter van Houten, die zich meldt voor zijn dienstplicht. Peter trekt als een groentje met weinig levenservaring Hare Majesteit's wapenrok aan: de eerste twee maanden mag de lezer bij de gratie Tulp meebeleven. Hij komt in contact met zaken die hem zijn gehele leven zullen bijblijven. Niet uitsluitend ten behoeve van de smeuïge en stoere verhalen op feesten en partijen, ook voor de gevoelige en dromerige sfeer die gepaard gaat met het dipli-leven van weleer. Natuurlijk waren er de sportieve en winterse ontberingen, het afzien soms ook, maar zeker ook de kameraadschap en de gein.
De roman biedt een zeker niet uniek, maar absoluut wél humoristisch en zeer herkenbaar kijkje in de keuken van de dienstplicht. De vraag is niet of je een kerel wordt door in dienst te gaan, de vraag is of je als wanna-be-soldier niet simpelweg mocht – nee: moest – genieten van de gegarandeerde bestanddelen die een leven lang zouden meegaan. De dienstplicht was niet altijd even spannend maar ook géén absolute rottijd; iedereen leefde immers toe naar zijn afzwaaidatum. De last van het plichtige leven werd in alle gezamenlijkheid vergemakkelijkt door lolbroeken, matennaaiers en even beschaafde als onbeschaafde types, maar leuk was het altijd… achteraf in elk geval.
Het mijnenveld van een vredesmacht. Nederlandse blauwhelmen in Cambodja
auteur
Karolien Bais
ISBN
9012067138
jaar
1994
pagina’s
143
uitgeverij
Sdu Uitgeverij Koninginnegracht
In 1994 publiceerde journalist Karolien Bais (1951), gespecialiseerd in internationale betrekkingen, een boek waarin de presentie van de Nederlandse blauwhelmen in Cambodja wordt nabesproken. In 1992 en ’93 verliep deze missie, de United Nations Transitional Authority in Cambodia (UNTAC), voor de drie achtereenvolgens deelnemende bataljons van het Korps Mariniers schijnbaar kalm. Maar schijn bedroog.
Nadat de strijdende partijen in april 1991 een staakt-het-vuren waren overeengekomen, lagen de risico’s overal op de loer. Behalve de aanwezigheid van naar schatting 6 miljoen landmijnen, moesten honderdduizenden vluchtelingen in staat worden gesteld vanuit de kampen in Thailand terug te keren naar Cambodja. In het Thais-Cambodjaanse grensgebied was de Rode Khmer echter heer en meester, dus de uitzending liep regelmatig uit op vuurcontact. Belangrijke taken voor UNTAC waren het mijnenvrij maken van vitale gebieden én het kantonneren, ontwapenen en demobiliseren van de militairen van de vier Cambodjaanse partijen.
De mariniersbataljons Cambo-I, -II en –III stonden respectievelijk onder leiding van Herman Dukers, Patrick Cammaert en Frederik Hoogeland, allen toenmalig luitenant-kolonel der mariniers.
Met bases in Phum Bavel, Phum Nimit, Sisophon en Sok San raakten de mariniers, vooral die van Cambo-II, betrokken bij het voorbereiden, begeleiden en monitoren van de vrije verkiezingen eind mei 1993. Cambo-III had in de Nederlandse pers een ietwat negatiever gesternte: dit werd het “sprokkelbataljon” genoemd, omdat het een tekort zou hebben aan operationele mariniers. Ondanks het risicovolle karakter van UNTAC, kostte de operatie slechts aan twee Nederlanders het leven. Ook vielen er talrijke gewonden. In totaal hebben bijna 2.700 Nederlandse militairen deelgenomen aan UNTAC. Karolien Bais is erin geslaagd een waardevolle kroniek neer te pennen over het alledaagse uitzendleven van mariniers in den vreemde.
Het misplaatste Oranje Boven-gevoel. Het falen van het politiek-militaire systeem in Nederland en Nederlands-Indië: 1825-1995
auteur
Maarten C. Hoff
ISBN
9067897515
jaar
1998
pagina’s
312
uitgeverij
Addison Wesley Longman Nederland BV
Hoff was voorheen officier (luitenant-kolonel) bij de artillerie, studeerde bedrijfskunde en promoveerde in 1995 aan de Rijksuniversiteit Groningen op strategische besluitvorming: ‘Militaire misstappen van de Nederlandse Leeuw: een vergelijkende analyse van oorlogsplannen en oorlogvoering in Nederland en Nederlands-Indië, 1825- 1950’ (377 pagina’s, ISBN B0000EB7SP).
In 'Het misplaatste Oranje Boven-gevoel’ analyseert Hoff een achttal strijdtonelen waarop de Nederlandse krijgsmacht van de partij is geweest: de diverse oorlogen op Atjeh, Bali, Java en Lombok, de Belgische opstand in 1830, de Duitse inval in 1940, de Politionele Acties in 1947 en '48 en de val van Srebrenica in 1995. Toetsstenen in zijn analyses zijn leiderschap, organisatie en strategie.
Zo past volgens Hoff het debacle van Dutchbat-III in Srebrenica in de Nederlandse traditie van militaire wanprestaties. Het besluit aan de oorlog deel te nemen, noemt hij een schoolvoorbeeld van hoe het niet moet. Deze deelname toont een politiek falen in plaats van een krijgsluwe houding van de Nederlandse militairen.
Mr. drs. Jaap Jan Brouwer is schrijver van boeken over de architect van de Blitzkrieg, Heinz Guderian, ‘Met Rommel in Noord-Afrika’, ‘Schaduwen over de woestijn’ en ‘Militaire uitvindingen voor dagelijks gebruik. Made by the army’. In het dagelijks leven is hij manager bij een consultantsbureau dat organisaties adviseert op het terrein van strategie, organisatieontwikkeling en implementatievraagstukken.
Zijn raadgevende capaciteiten komen goed tot zijn recht bij het schrijven van boeken over militaire historie. Zo is ‘Het Oostfront’ de ongewone analyse van de strijd tussen nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie die haar hoogtepunt bereikte tijdens Operatie Barbarossa. Op 22 juni 1941 ging deze megaoperatie van start, waarbij meer dan drie miljoen Duitse militairen naar het oosten trokken, opgewacht door 4,7 miljoen Sovjetmilitairen. De invasie vond plaats over een front ter breedte van bijna 3.000 km (!), westelijk van de lijn Archangelsk (aan de Witte Zee)-Astrachan (aan de Wolga-delta).
Hitler zette bijna honderdvijftig divisies in, waarmee Barbarossa de grootste invasie in de krijgsgeschiedenis zou worden. Hij ging ervan uit dat zijn troepen voor eind-’41 aan de Wolga zouden staan en dat steden als Moskou en Leningrad bezet. Maar de strijd liep anders. Hoewel de Duitsers aanvankelijk glorieus terreinwinst boekten, werden zij uiteindelijk vernietigend verslagen.
Wat voor het tijdperk-Barbarossa frappant mag worden genoemd, is het destijds al opvallende 'lerend vermogen' van beide strijdmachten: elke actie werd uit en te na geanalyseerd. En, hoewel de Russische tanks op alle fronten superieur waren aan die van de Duitsers – grondleggers van Blitzkrieg en Panzerkrieg – leidde de kracht van de Sovjets tot misplaatste superioriteit. Zo werden de gevreesde Sovjet-tankdivisies klakkeloos gecoloceerd bij infanteriedivisies, waarmee zij onmiddellijk broodnodige slagkracht kwijtraakten.
Vechten zou niet passen bij de aard van Nederlandse militairen. Koeltjes kopte HP/De Tijd in de week van 4 augustus 1995: ‘Te lief voor oorlog. De weinig krijgshaftige geschiedenis van het Nederlandse leger’. Wel of niet reëel?
Nog in augustus 1992 weigerden de onderofficieren Hermens en Hoppenbrouwer terug te keren naar de Maarschalk Titokazerne in Sarajevo. Een dienstbevel was geweigerd. Oneervol ontslag volgde en, gegeven het plichtsverzuim, werden beide militairen veroordeeld tot 4 maanden cel in Militair Penitentiair Centrum Nieuwersluis.
Geert-Jan Knoops - topadvocaat, hoogleraar internationaal- en militair strafrecht én reserveofficier bij het Korps Mariniers - heeft zijn eerste niet-wetenschappelijke boek gewijd aan het lawaaierige proces rondom sergeant-majoor Eric O. van het Korps Mariniers, die vanuit Irak op verdenking van moord, doodslag dan wel dood door schuld in een Nederlandse rechtszaal belandde. ‘Het tweede schot’ is een prettig leesbare en op de realiteit gebaseerde roman geworden.
Op 27 december 2003 zou Eric O., marinier sinds 1979, de geweldsinstructie hebben overtreden door een waarschuwingsschot in de grond te lossen. Er zou geen sprake zijn geweest van een dreigende situatie met alibaba’s, maar door de gericocheerde (afgeketste) kogel zou een Irakese plunderaar zijn omgekomen. Eric O. werd aangeklaagd.
Het werd een uiterst discutabele zaak, die aan alle kanten rammelde. Het Openbaar Ministerie wilde koste wat kost een veroordeling, waardoor de hele gang van zaken bar weinig meer met waarheidsvinding had te maken. Er was geen lijk, de Koninklijke Marechaussee beging stommiteiten, getuigen werden door de Officier van Justitie onder druk gezet, ontlastend bewijsmateriaal bleek op raadselachtige wijze onvindbaar en Eric O. was én is allesbehalve trigger happy. Door juridische vooringenomenheid werd Eric O., na een veel te lange procesgang, door zowel rechtbank als hof in Arnhem op alle punten vrijgesproken.
De affaire-Eric O. is in elk geval voor alle militairen in Nederland historisch én rijp voor de (krijgs)geschiedschrijving: het kan nu alleen maar duidelijker worden wat exact de richtlijnen zijn voor Nederlandse militairen in uitzendgebieden. Knoops concludeert aan het einde van zijn boek dat het militaire strafrecht in Nederland – dat dateert van 1928 – zal moeten worden aangepast aan het karakter van moderne crisisbeheersingsoperaties. Dit is een absolute vereiste, nu op Peace Support Operations allang is gebleken dat vechten wel degelijk deel kan uitmaken van de aard van Nederlandse militairen. Nederlanders zijn niet te lief en als het moet krijgshaftig.
De testcase tegen Eric O. was alleen “bedoeld om een principe-uitspraak uit te lokken over de juridische status van geweldsinstructies en geweldsoptreden door Nederlandse militairen in het buitenland.” (blz. 117). Justitie wilde kost wat kost een veroordeling om zijn gezicht te redden (blz. 124). Oliedom van het Openbaar Ministerie.Het befaamde tweede schot uit de titel van Knoops’ boek was uiteraard alleen maar bedoeld om plunderen (‘looting’) door alibaba’s te voorkomen én om eigen mensen te beschermen. Een militair commandant, dus ook een commandant van een Quick Reaction Force als Eric O., moet een zekere ‘discretionaire vrijheid’ hebben om een operationele situatie zelf te beoordelen en ernaar te handelen. M.a.w. zelfstandig mogen oordelen dat wij niet ‘lief’ hoeven te worden gevonden bij het werken in oorlogsgebieden.
Op 31 augustus 2006 verscheen de ‘Evaluatie toepassing militair strafprocesrecht bij uitzendingen’ van een commissie onder voorzitterschap van mr. Harry Borghouts, Commissaris van de Koningin in de provincie Noord-Holland. Zonder hierover een oordeel te vellen, wordt in het voorwoord aangegeven: “Uit de commotie rond de rechtszaak tegen Eric O. is onder meer gebleken dat er bij sommigen onduidelijkheid bestond over de vraag welke regels er gelden en op welke wijze zij dienen te worden toegepast.”
Kapitein Arco Solkesz schreef één van de vele boeken over de periode dat de United Nations Protection Force (UNPROFOR) als VN-macht aanwezig was in voormalig Joegoslavië. Zijn boek gaat over de periode kort vóór, tijdens en vlak na de val van de moslimenclave Srebrenica, maar dan vanuit een logistiek gezichtspunt: dat van het enerverende bestaan van de logistieke eenheden die de troepen in Srebrenica met voorraden ondersteunden.
In zijn boek beschrijft hij drie konvooien die hij als Romeo (konvooicommandant) mocht leiden, compleet met alle fuck-ups en hick-ups. Zoals het eindeloos moeten wachten op toestemming om uit en te na gedocumenteerde en van driedubbele stempels voorziene lading te mogen vervoeren, het frustrerende wachten bij ongedefinieerde grensovergangen - waar stomdronken lokale strijders met een doorgeladen kalasjnikov en ad fundum geleegde flessen zelfgestookte slivovitsj de dienst uitmaken - onderhandelen met naast(naast)hogere niveaus, Murphy's wetmatige pech onderweg, en route omgang met de lokale bevolking.
De afwegingen en dilemma’s in zijn boek zijn allemaal in de praktijk ondervonden en misstaan zeker niet in een les ‘militaire ethiek’. Het grote pluspunt van dit boek is dat de lezer, gevaarloos achteraf, vanuit zijn comfortabele leunstoel met de konvooien kan meerijden. Maar hiermee krijgt hij wel veel meer begrip voor het zware werk van de logistieke back-up achter de gevechtseenheden én inzicht in de voorbereiding, uitvoering, gereden konvooiroutes, samenwerking met Dutchbat en vele andere aardige kanten van een verhaal dat anders in Bosnië-Hercegovina was blijven liggen. Daarmee heeft Arco Solkesz voor een prettig leesbaar en belangrijk boek gezorgd!
Medio 2009 (september?) verschijnt de lang verwachte biografie van dr. Jaap A. Hoogenboezem, universitair docent Politieke Wetenschap, Faculteit der Cultuur- en Maatschappijwetenschappen aan de Universiteit Maastricht.
Zijn belangrijkste onderzoeksonderwerp is politiek leiderschap; hierover publiceerde hij studies over voormalig premier Louis Beel en de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt. Hierin past ook een (politieke) biografie over generaal H.J. Kruls (1902-1975), die van 1944-'46 Chef Staf van het Militair Gezag (de overgangsorganisatie die direct na de bevrijding civiel gezag zou voorbereiden), en van 1945-'51 Chef Staf van de Generale Staf van de Koninklijke Landmacht was.
Hoogenboezem's biografie is interessant vanuit het oogpunt van het onderzoeksgebied politiek-militaire verhoudingen, een in de Europese (maar niet in de Amerikaanse) politieke wetenschap onderbelicht veld van onderzoek. Generaal Kruls heeft als militair in de Militair Gezag periode het civiel gezag over Nederland uitgevoerd, en in zijn periode als Chef Staf van de Generale Staf heeft hij meerdere malen druk uitgeoefend op de civiele leiding van de Nederlandse Defensie. In die zin is de biografie op te vatten als een case-study naar politiek-militaire verhoudingen in Nederland, ook al omdat Kruls de eerste naoorlogse Chef Staf was, en zijn stijl van optreden bepalend geweest lijkt te zijn voor de gehele naoorlogse geschiedenis van de politiek-militaire verhoudingen in Nederland.
Deze biografie werpt wellicht een andere blik op Kruls' mémoires uit 1975 (uitgegeven door Fibula-van Dishoeck).
De hausse aan boeken over Uruzgan is niet te stoppen en dat is een prettig gegeven. In die overweldigende hoeveelheid aan boeken is er nu eens een verschenen in een geheel andere categorie: de huisarts.
Martien van der Heijden, in het dagelijks leven huisarts op het Gezondheidscentrum op de Johannes Postkazerne in Havelte, was van november 2007 tot april 2008 werkzaam in het Uruzgan Medical Center (UMC) op Kamp Holland in Tarin Kowt – de role 2-geneeskundige inrichting. Voor Van der Heijden was het – na Macedonië (Task Force Fox) en Kosovo (KFOR) – zijn derde uitzending.
Behalve als huisarts voor een kampbezetting van ± 2.000 militairen en burgers, draaide hij in het UMC mee op de spoedeisende hulp (SEH). Als er via de poorten van de compound of via een MEDEVAC een gewonde werd binnengebracht, ging de portofoon en spoedde hij zich naar de SEH om medische hulp te verlenen.
De wekelijkse verslagen die hij tijdens zijn uitzending naar het thuisfront stuurde zijn gebundeld in dit boek.
Als zijn niet aflatende pennenstrijd met de historici van het Ministerie van Defensie niet zo’n schrijnende geschiedenis was, zou het verhaal van de klokkenluider-veteraan Wim Jagtenberg in al zijn tragiek briljant genoemd mogen worden. De in alle opzichten verschrikkelijk historie voorkomt dit echter ten enenmale, maar daarmee verheft ‘Ik beschuldig’ zich wat mij betreft tezelfdertijd tot verplicht leesvoer voor (toekomstige) militairen.
Jagtenberg was in mei 1940 als dienstplichtige ingedeeld bij het 8ste Regiment Infanterie (8 R.I.), werd krijgsgevangen gemaakt en door het SS Regiment ‘Der Führer’ bij de Slag om de Grebbeberg als levend schild gebruikt. Een flagrante schending van het oorlogsrecht. Toch beweren de auteurs van 'Mei 1940, De strijd op Nederlands grondgebied', de historici Herman Amersfoort en Piet Kamphuis van de toenmalige Sectie Militaire Geschiedenis (SMG), weinig subtiel iets anders. Zo wekken ze in hun officiële geschiedschrijving meer dan de schijn dat de Nederlanders het oorlogsrecht vrijwel “in gelijke mate” hebben geschonden als hun opponenten – de SS’ers.
Behalve schandalige geschiedvervalsing is dit een staaltje niet-wetenschappelijke duimzuigerij en een dolksteek in de rug van alle overleden en nog in leven zijnde veteranen. Dergelijke stellingnamen – bijvoorbeeld om goede verkoopcijfers te genereren of ‘hogere’ prestige die op het spel zou kunnen staan– lijken in het geval van de heren Amersfoort & Kamphuis louter gebaseerd op bedenksels en verzinsels. Deze vorm van geschiedschrijving wordt door Jagtenberg en vele anderen de ‘ontmythologiserende’ genoemd. Die houdt in dat aan nationale sentimenten in de geschiedschrijving een kleinere of totaal geen rol dient te worden toegekend.
De geschiedenis moet worden ontdaan van nationalistische stemmingen – zoals de anti-Duitse stemming na W.O. II. Terwijl het voor iedereen zonneklaar is dat na mei 1940 alles wat naar Duits neigde negatief was!
De ontmythologisering houdt in dat het verleden daardoor (waarschijnlijk?) een andere betekenis heeft gehad dan die welke er nu aan wordt toegekend. Ik denk echter dat wanneer, volgens het liberale gedachtegoed, aan ieder mens zelf het oordeel wordt vergund over wat goed of fout is – Holocaust, Untermensch, Grebbeberg e.v.a. – de mensheid gedoemd is te mislukken. Die vrijheid kan het leeuwendeel van de mensen niet aan, te meer omdat het de meeste mensen ontbreekt aan kunde, tijd en zin om alle informatie dienaangaande zelf te analyseren en in het juiste perspectief te plaatsen. Daarom mogen in het geval van ‘Mei 1940’ veteranen ervan uitgaan dat een boekwerk over zo’n ‘belaste’ periode alles tegen elkaar afweegt om tot zo objectief mogelijke geschiedschrijving te komen.
Welke methodiek de historicus ook hanteert, hij moet maatschappelijk draagvlak hebben voor zijn reflecties. Daarbij kan hij bijvoorbeeld niet, tegen de feiten in, staande houden dat de Nederlandse militairen in de meidagen van 1940 enige kans van slagen hebben gehad! Dat maakt je ongeloofwaardig. Zeker als je, zoals Jagtenberg afdoende aantoont, je stellingnamen baseert op Multatuliaanse ‘spinazieredeneringen’: “Ik houd niet van spinazie, en ik ben er blij om. Want als ik van spinazie hield, zou ik ze eten, en dat deed ik niet graag, want ik houd er niet van.”
Het heeft er alle schijn van dat Amersfoort & Kamphuis zich van dergelijke redeneringen bedienen om hun eigen – gesuggereerde en veronderstelde – beeld van zowel de SS’ers als de Nederlandse militairen kunstmatig in elkaar te flansen. Een prestatie van formaat, ware het niet dat beide historici daarmee ook, zonder gebruikmaking van enig geannoteerd ooggetuigenverslag, ronduit beledigende uitspraken aan het adres van de Grebbeberg-veteranen doen, of althans in sterke mate die suggestie wekken.
De misdaden van de SS worden gebagatelliseerd of ontkend en de Nederlanders bezondigden zich “in gelijke mate” aan schendingen van het oorlogsrecht. De Nederlanders zouden de misdaden van de SS’ers zelfs hebben uitgelokt...
De Defensiehistorici hebben zich hiermee wat mij betreft schuldig gemaakt aan hineininterpretieren: de lezer een interpretatie aansmeren die niets met de historische werkelijkheid te maken heeft. Nu recht praten wat vroeger krom was – of omgekeerd. Des te schandaliger dat de SMG stelselmatig heeft geweigerd, op twee halfslachtige ontmoetingen na, in te gaan op rectificatie of rehabilitatie van de gewraakte passages in ‘Mei 1940’.
De hoogbejaarde veteraan Jagtenberg vuurde jarenlang zijn zelfde vragen op de SMG-geschiedschrijvers af, maar die werden systematisch onbeantwoord gelaten. Opnieuw een onmiskenbare schending – ditmaal van het respect voor hen die in die meidagen, onder de moeilijkst denkbare omstandigheden, hun steen(tje) hebben bijgedragen aan de verdediging van het vaderland én het vrijheidsstreven waar wij nu van profiteren.
Waar Amersfoort & Kamphuis er niet in slagen hun beweringen te staven, maakt Wim D. Jagtenberg moeiteloos – onder meer met de ‘Getuigenverklaringen over de Duitse schendingen van het oorlogsrecht’ (hoofdstuk 2) – duidelijk dat zijn strijd tegen de geschiedschrijvers van het Ministerie van Defensie geen hetze is noch onderdeel van een complottheorie. ‘Ik beschuldig’ “toont in het beste geval hun grote onkunde over hetgeen er werkelijk gebeurde en toont hun rijkdom aan fantasie” (pagina 177). Daarnaast legt dit boek pijnlijk de onoverbrugbare kloof tussen de frontsoldaat en de historici, tussen een gerespecteerde oud-strijder en angstig zwijgende, eigenwijze deskundologen, en tussen gelijk hebben en krijgen bloot.
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt derhalve niets over een aan het boek toegekende waardering.
In dienst van de vrede. Het Nederlandse VN-bataljon in Libanon
auteur
J.C.L. Bolderman
ISBN
9051940866
jaar
1992
pagina’s
196
uitgeverij
Van Wijnen
Van maart tot september 1982 zat de toenmalige ritmeester Kees Bolderman (1951) in dienst van de vrede in Libanon. De broze kunstmatige ‘vrede’ in de bufferzone tussen Israël en Libanon moest worden gehandhaafd door UNIFIL.
De United Nations Interim Force in Lebanon was én is niet bepaald een missie zonder risico’s. De aanwezigheid van het Nederlandse bataljon werd vaak als “zeer gelegen” ervaren. Zo leverde Dutchbatt – met dubbel T – altijd een bijdrage aan de reserve-eenheid van de Force Commander, de Force Main Reserve (FMR) die bij grotere conflicten en infiltraties in actie kwam. Dat levert in het geval van de ritmeester Bolderman de deelname aan een confrontatie op die nog groter had kunnen uitpakken en heel wat politieke implicaties zou hebben gekend.
Voor Bolderman en zijn mannen géén optredens van de "Dutch Blondie" Hansje van Ravesteijn, maar de inzet als FMR in de laatste twee weken van april 1982. Dat levert een spannend verhaal op, dat even vlot wegleest als een roman: patrouilles door een gebied met exotische namen van oorden als Abbasiyah, Bidyas, Burj Rahhal, Dayr Qanun, Jinnata, Marakah, Tayr Dibbah en Tura, het bemannen van roadblocks, veel beschietingen, lokale gedragingen met en zonder vraagtekens enzovoorts. Dat alles in een vak dat werd omsloten door VN-bataljons uit Fiji, Senegal, Ghana en Ierland.
Het verhaal is zeer gedetailleerd, schuwt het operationele vlak niet en beschrijft van binnenuit helder de do’s en dont’s binnen een militaire missie. Helaas is pas na UNIFIL het lessons learned-denken goed op gang gekomen, alsmede een betere veteranenzorg. Tientallen jaren na de inzet in de bufferzone dragen tal van UNIFIL-veteranen nog dagelijks de last van het indertijd misschien wel ietwat gekleineerde missie. UNIFIL stond toch gelijk aan vakantievieren in het Midden-Oosten? Aan terugkeren met een supergebruind kleurtje?
Dat niets minder waar is, bewijst de inside story van een zeer begaan militair als Bolderman. Absoluut verplicht leesvoer voor oud-Libanon-gangers – naast ‘Blauw baretten tussen twee vuren in Libanon’ en ‘Vredemacht in Libanon: de Nederlandse deelname aan UNIFIL 1979-1985’ - maar niet in de laatste plaats zeker ook voor iedereen deelneemt aan missies bij de Koninklijke Landmacht.
Op 14 mei 2009 verscheen ‘In handen van de Taliban’ van de Nederlandse freelance journaliste Joanie de Rijke. Volgens de in België woonachtige Nederlandse is ze tijdens haar ontvoering in november 2008 verkracht door Taliban-commandant Ghazi Gul. Na zes dagen werd ze vrijgelaten tegen een losgeld van 137.000 dollar dat werd betaald door haar werkgever. Volgens haar uitgever is ‘In handen van de Taliban’ “het boek waar niemand omheen kan”.
De Rijke was – alweer voor de vierde keer – in Afghanistan voor een reportage voor het Belgische weekblad P-Magazine.
Ze wilde in contact komen met de Taliban-strijders die op 19 augustus 2008 verantwoordelijk waren voor de dood van tien, in een hinderlaag gelokte Franse paracommando’s. Toen ze in contact kwam met de groep van Ghazi Gul werden zij en haar tolk echter ontvoerd. Ghazi Gul beschuldigde haar en haar tolk ervan Franse spionnen te zijn. Vervolgens leefde ze zes dagen lang, hoog in de bergen, steeds op verschillende plaatsen in het Afghaanse district Sairobi, zo’n 50 km van Kabul.
In ‘In handen van de Taliban’ vertelt Joanie de Rijke over haar ervaringen, het 'respect' van de kidnappers, cultuurkloven, de kwetsbaarheid van alle betrokkenen, haar vrijlating en de rol van de Belgische en Nederlandse regering hierbij.
In het mijnenveld. Nederlandse VN-militairen in Mozambique
auteur
Eef Haar
ISBN
9062654762
jaar
2000
pagina’s
208
uitgeverij
In de Knipscheer
‘In het mijnenveld’ is niet het eerste en enige én vermoedelijk niet het laatste boek dat de Verenigde Naties verwijten maakt. Bureaucratisch, niet vooruitdenkend, op het grove af ondeskundig, “logistieke VN-procedures van vóór Christus” (p. 61), “zonder verstand van de materie” (p. 91) en log. Zomaar wat kwalificaties die auteur Eef Haar de VN toeschrijft. En niet ten onrechte.
Haar en zijn tien detachementsleden zetten tussen februari en augustus 1994, met eigen geld, en meer als bouwvakkers dan als instructeurs, een opleidingsschool voor deminers op in het kader van de missie United Nations Operation in Mozambique (UNOMOZ). Eerst in Beira, de tweede stad van het land, daarna in Tete. De VN werkt echt niet constructief mee om 2 à 7 miljoen landmijnen in het armste Afrikaanse land onschadelijk te laten maken. Met slechte wil kan de VN tegenwerking worden verweten.
Zo komen pas in juni 1994 de spullen aan die het elftal Nederlandse militairen nodig heeft om de Mozambiquaanse mijnenruimers klaar te stomen. Met slechts tien mijndetectoren 1.500 deminers opleiden is vechten tegen de bierkaai. Ook is de kwalijke rol van de VN onmiskenbaar. Vanwege de positieve instelling én bijdragen van de bewoners van deze Portugese oud-kolonie noemt Haar UNOMOZ ondanks alles “één van de weinig geslaagde VN-operaties”.
De rol van de VN wordt het best verbeeld in Haar’s citaat: “Als iemand niets doet kan dat meerdere oorzaken hebben: hij voelt zich niet betrokken of hij wordt niet betrokken”. Voor de auteur is evident dat de VN niet of in elk geval te weinig betrokken zijn bij de opbouw van een land dat achtereenvolgens is geplaagd door oorlog, orkaan en sprinkhanenplaag. Voor mij toont ‘In het mijnenveld’ eens te meer de pennelikkerachtige mentaliteit van de Verenigde Naties aan. Niet per se daarom is dit boek een absolute aanrader, ook vanwege het predikaat ‘vergeten missie’.
Je komt anders terug. Aantekeningen uit het dagboek van een VN-waarnemer in Sarajevo en Kostajnica
auteur
Gerard Wondergem
ISBN
906141251X
jaar
1993
pagina’s
128
uitgeverij
Heuff / Thesis
In 1983 werd Gerard Wondergem naar UNIFIL in Libanon uitgezonden als plaatsvervangend compagniescommandant, in 1992 in de rang van majoor als onafhankelijke VN-waarnemer naar voormalig Joegoslavië. Naar aanleiding van deze tweede uitzending schreef hij ‘Je komt anders terug. Aantekeningen uit het dagboek van een VN-waarnemer in Sarajevo en Kostajnica (Sector Noord)’. NRC Handelsblad publiceert op 16 januari 1993 een paginagroot interview met Wondergem onder de kop ‘Waarom zou ik sneuvelen voor ‘warlords’ in Joegoslavië?’.
Op 27 april 1998 wijdde generaal der infanterie b.d. Govert Huijser een aantal woorden aan het boek van Wondergem ter gelegenheid van de ondertekening van het convenant ter voorbereiding van de oprichting van het Instituut voor Veteranenzorg: “Een uitzending gaat je niet in de koude kleren zitten. Een oorlog helemaal niet. Veteranen weten dat je anders terugkomt. De ervaringen hoeven overigens niet altijd negatief of belastend te zijn”.
Het mooiste citaat uit de pen van Wondergem vind ik: “Je moet roeien met de riemen die in de container in de haven liggen”.
Het tijdstip van publicatie van ‘Jihad!’ had niet beter gekund: de paperback verscheen net vóór de terroristische aanslagen in de VS. En velen houden het relaas van Carew zo niet voor waarheid dan op zijn minst voor zeer wel mogelijk.
Tom Carew was een wannabe-SAS’er, een hoax, een nepperd: op 14 november 2001 werd hij bij BBC’s Newsnight ontmaskerd, waarop hij boos de studio uitliep. Endex Tom Carew. Maar zijn boek is vermakelijke lectuur.
Na zijn op niets uitgelopen avontuur bij de SAS had Philip Anthony Sessarego, zijn echte naam, een spannend leven als huurling.
Hij schijnt voor private military and security companies te hebben gewerkt in Afghanistan, Sri Lanka, Togo, Angola, op de Balkan en de Maldiven, tot in Zuid-Amerika en Zuid-Afrika.
Nog was zijn leven niet spectaculair genoeg. Aan ghost writer Adrian Weale vertelde hij het verhaal van ‘Jihad!’, dat enerverender was dan de werkelijkheid, bijna niet te verzinnen zelfs. Daarbij zag Sessarego/Carew zich, volgens Weale, als een kruising tussen James Bond en Andy McNab, een ego met behoefte aan bewondering en erkenning.
Sessarego’s levensverhaal is een boek waard met een hogere bestsellerstatus dan ‘Jihad!’.
Na zijn schooltijd diende hij twee jaar in The Royal Artillery. Maar hij was geobsedeerd door de Special Air Service (SAS). Later zou hij met zijn gezin zelfs vlakbij Stirling Lines (Hereford) gaan wonen, de thuisbasis van de SAS. Daar kon hij de SAS’ers zien trainen…
De SAS bleef knagen. In 1973 was het eindelijk zover: Sessarego begon aan de Selection Course - de zware toelatingsproeven van de SAS – maar een knieblessure gooide roet in het eten. Twee jaar later probeerde hij het opnieuw bij 'R' Squadron van de SAS – het onderdeel van de Territorial Army. Opnieuw faalde hij.
Hierna volgde zijn wereldwijde huurlingschap, dat er onder andere toe leidde dat hij in 1991 in Kroatië deed voorkomen te zijn gedood bij een landmijnincident. De wannabe-SAS’er vluchtte almaar in zijn obsessieve pogingen om zich die werkelijkheid eigen te maken.
Na de ontmaskering van zijn hoax ‘Jihad!’ leefde hij in België in de anonimiteit. Hij werkte in de Antwerpse haven, gaf in de Ardennen survivalcursussen, handelde in dumpartikelen of ‘beschermde’ nachtclubs, massagesalons en sekssauna’s. Vervolgens leefde hij teruggetrokken in de Belgische bossen. Hij hield zich noodgedwongen rustig, want nadat hij de naam van de SAS had bezoedeld hij had meer vijanden dan Osama bin Laden.
Toch liet hij zich ook in België niet onbetuigd (inbraken, valsheid in geschrifte, wapenbezit). Uiteindelijk werd hij op 4 november 2008 in verregaande staat van ontbinding aangetroffen in een garagebox in Ekeren. Doodsoorzaak: koolmonoxidevergiftiging. Tijdstip van overlijden: vier maanden eerder.
Carew had slim misbruik gemaakt van de mythe van de SAS. ‘Jihad!’ leek de perfecte cover-up: het Britse Ministerie van Defensie (MOD) zou nooit informatie verschaffen over ex-SAS’ers. Dat pakte anders uit, want de MOD kon natuurlijk wél vertellen dat iemand nooit deel had uitgemaakt van de elite-eenheid! Zo spatte zijn droomwereld uiteen en bleek zijn boek het product van een wijdverbreide fantasie, gevoed door zijn jarenlang werk als huurling.
Kabul ademt oorlog. Dat deed het al in 2003, toen ik daar m’n eerste Afghanistan-missie doorbracht, dat doet het nu nog. De provincie Uruzgan is niet te vergelijken met Kabul.
Met een geschat inwonertal van vier miljoen is Kabul een wereldstad, hoewel ‘wereldstad’ te positief klinkt. Er is niks tot zeer weinig. Betrouwbare, goede hotels voor westerlingen zijn er letterlijk maar een paar: Intercontinental aan Baghe Bala Road en Serena aan Froshgah Street. Die betrouwbaarheid kan even wisselvallig zijn als het weer in Nederland. Vverder bepalen kalasjnikovs, geelwitte taxi’s, stof en uitlaatgassen het chaotische straatbeeld.
NOS-verslaggever Peter ter Velde heeft beide uitersten prachtig verbeeld in ‘Kabul & Kamp Holland. Over de stad en de oorlog’. Hij bezocht Kabul, samen met zijn onafscheidelijke cameraman Eric Feijten, voor het eerst in 2004.
Zijn boek verhaalt over de mensen achter de oorlog, over de stad Kabul ná de Taliban maar in de wurggreep van de oude Noordelijke Alliantie of mujahedien – die net zo schuldig zijn en even grote oorlogsmisdadiger als de Taliban – en de volgelingen van Hamid Karzai (voor wie de waarden van de stammen, volgens Ter Velde, belangrijker zijn dan een nieuw politiek systeem), over een provincie die in wankel evenwicht is. De opkomst van de Taliban in 1994 voorspelde weinig goeds, maar het lukt Ter Velde in zijn boek om duidelijker te maken wie tot de Taliban behoren en wie niet. Hoewel het onderscheid in de praktijk van counter-insurgency weinig uitmaakt, want militaire uniformen in Afghanistan behoren enkel toe aan de Afghan National Army (ANA) en westerse troepenmachten.
Ter Velde was vanaf het begin van de Nederlandse missie in Uruzgan. Op 27 november 2008 werd zijn boek gepresenteerd in aanwezigheid van de Commandant der Strijdkrachten, generaal Peter van Uhm, die het eerste exemplaar in ontvangst nam. Over Ter Velde zegt Van Uhm: “Peter heeft zich echt ingevreten in de materie. Hij opereert embedded, maar gaat ook zelf op pad. Ik heb bewondering voor de wijze waarop hij de complexiteit van de missie weet over te brengen.” Punt gescoord!
Peter ter Velde heeft geen sensatieboek geschreven en dat is maar goed ook. Uruzgan werd aan het Nederlandse parlement verkocht als een wederopbouwmissie, maar van (weder)opbouw komt relatief weinig terecht. Het dilemma is misschien wel dat elke journalist het nu eenmaal spannender vindt om over troops in contact te schrijven en minder spannend om te berichten over (weder)opbouw en diplomatie. Daar komt bij dat Afghanistan altijd al een slagveld is geweest (hoewel het in beide wereldoorlogen juist neutraal was). In de 19de en 20ste eeuw kwamen de Britten en de Russen nog eens langszij, waardoor de van origine sterk verdeelde Afghanen zich één voelden: the enemy of my enemy is my friend. Het verwachtingspatroon lijkt gericht op geweld…
Doordat Ter Velde de complexheid van de missie in Uruzgan goed weet over te brengen, is ‘Kabul & Kamp Holland’ verplichte kost voor elke Uruzgan-ganger. Peter ter Velde – onder meer van ‘96 tot 2001 corespondent in Israël voor het Radio 1 Journaal – geeft een glashelder beeld van Afghanistan, Kabul en Uruzgan dat gemakkelijk leesbaar is en niet in het minst simpel overkomt.
Kampong Hospik. Van het Stroesezand naar het Kaimanese strand
auteur
Henk Eekhof e.a.
ISBN
n.v.t.
jaar
2006
pagina’s
136
uitgeverij
Stichting Kampong Hospik (Culemborg)
Wat Kaimana is voor Nieuw-Guinea is Santici voor Bosnië, Ar Rumaythah voor Irak of Chora voor Afghanistan. Plaatsen in den vreemde waar Nederlandse militairen hebben gediend, maar die de meeste burgers in de regel slechts kennen als ze er zelf zijn geweest.
Heeft het nut om op deze plaats een boek te bespreken dat wellicht enkel interessant is voor de mensen die in Kaimana zijn geweest en die weten waar dat oord ligt? Een boek dat bovendien in een beperkte oplage van 250 exemplaren is verschenen?
Volmondig zeg ik hierop “ja”. ‘Kampong Hospik’ is typisch zo’n boek waarvan iedereen moet weten hoe een uitzending van een anders-dan-andere eenheid in een anders-dan-ander land in elkaar zit. Omdat het over de inzet van een veldhospitaal op Nieuw-Guinea gaat, waarvan – met een beetje pech – over jaren niemand meer weet dat de Nederlandse krijgsmacht daar überhaupt ooit een geneeskundige installatie ontplooid heeft.
Met misschien iets minder pech kennen mensen over 25 jaar nog de helden van toen en daar, zoals sergeant Mauritz Christiaan Kokkelink of Vic de Bruyne (Jungle Pimpernel). Zeer weinigen kennen nu nog de namen Sorong, Seroei, Merauke, Manokwari, Hollandia, Fak-Fak, Biak en Kaimana, laat staan de omstandigheden tijdens de ‘militaire exploratie’ die er, zacht gezegd, niet om loog.
Kaimana ligt aan de voet van het schiereiland De Vogelkop in het Fak-Fak-district aan de zuidwestkust van Nieuw-Guinea. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog is het nagenoeg geheel platgebombardeerd, omdat er Japanse marineonderdelen zaten. Ook in de nadagen van de Nederlandse militaire aanwezigheid zat er geneeskundig personeel, want het was reëel dat "de maten" in de jungle gewond konden raken: een aantal compagnieën van 41 Infanteriebataljon Regiment Stoottroepen (A-Cie beveiligde het vliegveld, B-Cie zat als bataljonsreserve in een bosbivak en Ost-Cie beveiligde de kuststrook tussen Kaimana en het vliegveld), de B-Cie van 6 Infanteriebataljon Regiment Infanterie Oranje Gelderland en een detachement van het Korps Mariniers.
In de jungle, tussen Kaimana en het vliegveld Utarom, was een compleet Nederlands tentenkamp ingericht. In dit veldhospitaal in Kaimana, "Kampong Hospik", zaten de Nederlanders van het 1ste Peloton Verzamelcompagnie van 11 Geneeskundig Bataljon in de periode april tot oktober 1962. In datzelfde schier rustige Kaimana vonden nog datzelfde jaar (april, mei, juli en augustus) infiltraties met vijandelijke luchtlandingstroepen plaats.
In het hospitaal heersten ongehoorde toestanden. Geen elektra of stromend water, wél opereren: met een etherkapje en per operatiekamer twee vliegenverjagers (één boven de operatiewond, één boven het steriele instrumentarium). Dat was het 1e Peloton Verzamelcompagnie.
‘Kampong Hospik’ bewijst in alle toonaarden dat de herinneringen aan Nieuw-Guinea nog levend en vol humor zijn. Het is het schoolvoorbeeld van een herinneringsboek dat het verdient om onder de aandacht van een groot publiek te komen. En wie na de lezing van het boek geïnteresseerd is geraakt in de kamponghospikken, kan in het archief van het Legermuseum ± 1.300 foto’s bekijken die gerelateerd zijn aan dit boek.
Kilo Two. Belgische troepen infiltreren in burgeroorlogen Somalië
auteur
Kapitein Johan Goyvaerts
ISBN
9072547934
jaar
2000
pagina’s
302
uitgeverij
Boekhandel & Uitgeverij De Krijger (Erpe, België)
‘Kilo Two’ is het verhaal van de kapitein Johan Goyvaerts, die als commandant van een 4-koppige GVP (Gespecialiseerde Verkenningsploeg) naar de burgeroorlog in Somalië wordt gezonden om als ogen en oren van de commandant op te treden. Een GVP – daarna Longe Range Recce Patrol (LRRP) geheten en tegenwoordig samengebald in de Special Forces Group van de Belgische krijgsmacht – heeft tijdens gevechtsoperaties als voornaamste opdracht het observeren én verkennen achter de vijandelijke linies.
Hoewel de Verenigde Naties in april 1992 besloten tot de United Nations Operation in Somalia (UNOSOM) om toe te zien op de regelmatig geschonden bestanden tussen de vechtende fracties, krijgt de groep, met als call-sign ‘Kilo Two' (K2), in maart 1993 als vooruitgeschoven post (QTH, in radiotelegrafie: positie in breedtegraad en geografische lengte) een opdracht die het midden houdt tussen CIMIC, HUMINT, hearts & minds en missionariswerk.
In het dorpje Afmadow in de Somalische middle-of-nowhere houden zij vier maanden achtereen stand tussen rebellen die een burgeroorlog willen blijven uitvechten, schrijnende hongersnood, ongecoördineerde Westerse hulpverlening, meest goedwillende dorpelingen en allesverzengende droogte. Ondanks de rivaliserende clans bouwt het viertal, dankzij robuust en doordacht optreden, een goede band op met de lokale bevolking. Totdat Goyvaerts van zijn superieur hoort dat een bende van acht man hem wil liquideren, een Amerikaanse helikopterarmada de opgebouwde rust in het oord verziekt en hijzelf aan het einde van de missie zwaargewond raakt in een hinderlaag. Door het langdurige herstel was het hem pas na 4 jaar vergund ‘Kilo Two’ te schrijven.
‘k Zag twee beren. De achterkant van de VN-vredesmissies
auteur
Linda Polman
ISBN
9051708181
jaar
2002 (in 1997 bij Uitgeverij Atlas)
pagina’s
206
uitgeverij
Rozenberg Publishers
Linda Polman is het prototype van de geëngageerde journalist die in de wijde wereld freelance de strijd beschrijft van wereldproblemen. Ze is in ieder geval één van de weinige Nederlandse journalisten die succes heeft in het buitenland.
Haar geruchtmakende boek ‘K zag twee beren’ gaat over het falen van blauwhelmen van de Verenigde Naties. Ze reisde uit nieuwsgierigheid een kennis achterna die de catering ging verzorgen voor de VN-vredesmacht in Somalië, met deze even feil- als peilloze beschrijving als resultaat.
In dit boek onder meer óók een verslag van een bezoek aan de VN-missie in Rwanda, waar zij in 1995 getuige was van de moord op duizenden vluchtelingen.
De beschreven missies in Bosnië-Hercegovina, Haïti, Rwanda en Somalië typeren zich doordat de VN erbij stond en ernaar keek. Net twee beren dus.
In het begin van de jaren ’50 zat hij in het Belgisch leger. Na de diefstal van een brommer en een dreigende krijgsraad, vluchtte hij als 17-jarige naar Frankrijk.
Omdat er in 1954 niet direct een baan op een vrachtschip opengevallen was, schreef Antwerpenaar Harry Luyckx (1937) zich in Marseille in bij het Vreemdelingenlegioen. Een keuze waar hij bijna onmiddellijk spijt van had, en het eerste dat hij probeerde was... te deserteren.
Toch werd hij opnieuw ingelijfd en naar Oran in Algerije gezonden, een land in oorlog met de Fransen. Zo vocht hij tussen 1954 en zijn ontslag in 1959 voor het Vreemdelingenlegioen en waren Algerijnse rebellen de vijand. Die werden allemaal gedood, tot de laatste man. Iemand gevangen nemen was er niet bij. Geen erecode. Aldus Luyckx.
In Légion d'Honneur volgen we het leven van Lucky: zijn opleiding in het Légion Etrangère, de confrontaties met de rebellen, de onmenselijkheid van de oorlog, de drang om alleen nog maar te overleven. Het is een schokkend en onthutsend verhaal van Harry Luyckx die de legionair Lucky Malicien werd – zijn zelfverkozen nieuwe naam. Even slim als boosaardig – althans zo lijkt het.
Op internetfora is menigmaal de indruk gewekt dat zijn boek aan elkaar zou hangen van nonsens en flauw gezanik. Wie geïnteresseerd is in het Vreemdelingenlegioen in Algerije zou beter ‘La Guerre Cruelle’ (‘De wrede oorlog. Legioensoldaten in Algerije') van Paul Bonnecarrère kunnen lezen: een gewezen Franse para van het 1er Régiment de Chasseurs Parachutistes en oorlogscorrespondent die overal was waar Frankrijk vocht.
Leidraad Maritiem Optreden. De Bijdrage van het Commando Zeestrijdkrachten aan de Nederlandse Krijgsmacht
auteur
Commando Zeestrijdkrachten (CZSK)
ISBN
9077815023
jaar
2005
pagina’s
224
uitgeverij
CZSK
Waar de Koninklijke Landmacht zes (sic!) boeken nodig heeft om de LDP’s te completeren, overhandigde de Commandant Zeestrijdkrachten - vice-admiraal Jan Willem Kelder - op 9 januari 2006 het eerste exemplaar van de Leidraad Maritiem Optreden (LMO) aan de Commandant der Strijdkrachten.
In de begeleidende brief bij het verschijnen van de LMO schrijft Kelder te hopen dat het boek voor de lezer die weinig of niet bekend is met de Zeestrijdkrachten “bijdraagt aan een positieve beeldvorming rond de KM”.
De LMO is in elk geval géén luxe-artikel. Dit is klip en klaar wanneer wordt gerealiseerd dat ruim 70% van de wereld uit zee bestaat, ruim 75% van de landen aan zeeën grenst en de Nederlandse marine sinds de gedenkwaardige Tocht naar Chatham (1667) maritiem een hoofdrol op het wereldtoneel speelt. Maar waarom een maritiem boek bespreken op een landmachtwebsite?
Het waardevolle van het groeidocument dat als opmaat van een doctrine van de Koninklijke Marine (KM) wordt gezien, is dat de KM er nu blijkbaar voor kiest om onderdeel van een groter geheel te zijn (de synergie van schakel en ketting). De leidraad is het begin van een in- en externe gedachtewisseling over de toekomst van de marine. Ondanks het schilderen van haar operationele koers (inzicht in de rol, de taken en de samenstelling van de Zeestrijdkrachten plus de middelen en de wijze waarop de middelen worden ingezet), laat de KM daarnaast vooral zien wat haar bijdrage is aan én intensieve samenwerking met de andere krijgsmachtdelen.
Het boek is helder en bondig geschreven, is “academisch robuust […] zonder wetenschappelijk te zijn” (pagina 215) en is daarmee juist ook buiten de haven van Den Helder het aanbevelen waard. Met name de stukken over het Korps Mariniers, speciale operaties e.d. maken het boek een must voor het nachtkastje van de doorgewinterde pleun die nog niet doorheeft dat de marine je wereld vergroot.
De LMO draagt voor ondergetekende absoluut bij aan een positieve beeldvorming rond de Koninklijke Marine. Het boek is doorspekt met historische voorbeelden (evenals de LDP’s), maar opent voornamelijk de ogen wat betreft esprit de corps (breed uitgemeten bij het Korps Mariniers, dat doorheeft dat de mens op het gevechtsveld de bepalende factor is), blauwwater- versus bruinwater-operaties, expeditionair optreden en Effects Based Operations (pagina 41 t/m 45). En zelfs op het gebied van ogenschijnlijk onbenullige vaktermen (operationele omgeving, Ship-To-Objective-Manoeuvre e.v.a.) is de LMO zéér bruikbaar.
De interviewbundel 'Liefde onder vuur' brengt voor het eerst interviews van uitgezonden militairen met hun partners.
In 13 portretten komen onder meer Jaaike Brandsma uit Almere, de eerste vrouwelijke militair die bij een zelfmoordaanslag in Uruzgan ernstig gewond raakte, Mans Spoor, de weduwe van generaal Spoor die overleed tijdens de politionele acties in Nederlands-Indië ("De meeste kerels vervelen snel. Simon niet"), Claire Rosier, de vrouw van de in Afghanistan gesneuvelde Martijn Rosier (“Iedereen vindt één keer in zijn leven de ware liefde. Ik heb de mijne gehad.”) en marinier Teus Bosch – de man die zijn huis zijn bunker noemt omdat hij daar bescherming tegen de buitenwereld vindt – aan bod.
Zowel de militairen als hun geliefden vertellen op welke manier een uitzending hun leven heeft beïnvloed. Sommigen worstelen met de gevolgen van een posttraumatisch stresssyndroom, bij anderen bloeide de liefde op.
Het zijn, in elk geval voor mij, even herkenbare als indrukwekkende emoties, want het prachtige beroep van militair is hoe dan ook sterk van invloed op een relatie. De pijn bij het vertrek, het verlangen tijdens de missie en de tranen bij het weerzien zijn gebleven.
Zelf schreef ik eerder over ‘Liefde onder vuur’ onder andere het volgende:
“De realiteit heeft het idealisme ingehaald: door die emoties uit te schakelen, raakte ik afgestompt, opvliegerig en onverdraagzaam. Dat afgestompte sla je er niet meer uit, de opvliegerigheid en onverdraagzaamheid komen nog wel eens bovendrijven. Wat vooral overblijft zijn cynisme, hardheid en boosheid.
Ik kan zomaar boos worden op de nonsens waarmee sommige mensen – mensen die het simpelweg erg goed hebben en geen enkele reden tot klagen – zich nodeloos druk maken over futiliteiten. In het kalme Nederland aard ik lang niet meer zo goed als voorheen. Ik kan getriggerd worden door de vreemdste dingen, zoals een baby wordt geprikkeld door kleurtjes en geluidjes, waardoor mijn stemming kan omslaan als het weer in de bergen…”
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt derhalve niets over een aan het boek toegekende waardering.
Maurits, Prins van Oranje, Graaf van Nassau, Redder van de Republiek, 1567-1625
auteur
Jonkheer J.J.G. Beelaerts van Blokland
ISBN
9090125574
jaar
1999
pagina’s
210
uitgeverij
eigen beheer
Prins Maurits is de ‘founding father’ van de Nederlandse krijgsmacht. Alleen al daarom is een boekwerk over deze leger-vernieuwer voer voor iedere hedendaagse militair.
Brigade-generaal titulair b.d. jonkheer Jan Jacob Gerard Beelaerts van Blokland, zelf gezegend met een uitmuntende staat van dienst – Engelandvaarder, daarna in Londen gestationeerd, strijdmakker en vriend van Z.K.H. Prins Bernhard én in de Tweede Wereldoorlog pelotonscommandant van de Prinses Irene Brigade – schreef een prachtig boek over één van de hoofdpersonen uit de Nederlandse krijgsgeschiedenis.
Prins Maurits redde Nederland uit een penibele militaire toestand; uiteindelijk versloeg Nederland grootmacht Spanje dankzij het gevoerde beleid van Maurits en de zijnen.
Jonkheer Beelaerts van Blokland is op 14 november 2005 overleden.
Toevalligerwijs komt de Vlaamse freelance-onderzoeksjournaliste Marleen Teugels - die onder meer werkt voor de Belgische bladen De Morgen en Knack - in aanraking met het leed van zieke Belgische Balkan-veteranen. En... met de Duitse arts Siegwart-Horst Günther, die in 1996 het boek ‘Uran-Geschosse, Schwergeschädigte Soldaten, mißgebildete Neugeborene, sterbende Kinder’ schreef over het gebruik van verarmd uranium (depleted uranium, DU) in Irak.
Ook in de oorlogen in voormalig Joegoslavië, Kosovo en Macedonië is DU gebruikt. Overigens komen niet alleen de gevolgen van DU in Teugels’ boek aan bod, ook bijvoorbeeld de (psycho)somatische en (somato)psychische consequenties van stress op het slagveld.
In 1½ jaar onderzoek over de medische gevolgen van moderne oorlogvoering, heeft Teugels de ziektebeelden van de blauwhelmen op de Balkan geprojecteerd op het klachtenbeeld van militairen die in de Golfregio hebben gediend. Opmerkelijk veel militairen hebben gelijkluidende klachten: concentratiestoornissen, lichamelijke pijnen en chronische vermoeidheidsklachten.
Geen lastpak, geen dwarsligger. Naar mijn mening was luitenant-generaal Hans Couzy juist zo’n generaal die het voor zijn mensen opnam. Maar in Nederland geldt: als je hoofd boven het maaiveld uitsteekt, moet je op het hakblok. In zijn autobiografie ‘Mijn jaren als bevelhebber’ komt Couzy er, in zijn algemeenheid, vanaf als een loyale officier met fair play. Het feit dat hij in discussies buiten het Haagse Plein en de Tweede Kamer “op de militaire praktijk gestoelde” interpretaties had, bracht hem wel eens in conflict met zijn superieuren.
Ik geef het je ook te doen: afschaffing van de (opkomstplicht van de) dienstplicht, Prioriteitennota, Task Force Doelmatigheid, Couzy-test, Srebrenica. Dit allemaal gaat je niet in de koude kleren zitten. Het is intussen gesneden koek voor Defensie-watchers, maar Couzy heeft er tijdens zijn aanzitten als Bevelhebber der Landstrijdkrachten onder andere voor gezorgd dat de beleidsmatige en uitvoerende taken in het vervolg strikt werden gescheiden. De Koninklijke Landmacht kreeg een sturingsconcept met dito managementtools dat was gebaseerd op een door hem georganiseerde brainstormsessie tussen topmilitairen en captains of industry. Zo stond de BV Nederland mede aan de wieg van de gedaantewisseling van de KL.
Zijn interpretatieverschillen met Gmelich Meijling, Ter Beek en Voorhoeve waren niet talrijk, maar haalden wél consequent de media. Hierin werd de ambtelijk-militaire bonje altijd afgedaan als een communicatiestoornis, geheel in de lijn van het nieuwe sturingsconcept. Maar er was écht een haat-liefdeverhouding tussen de Defensietop en de topambtenarij van het departement. Misschien was het onderliggende probleem dat Couzy van zijn hart geen moordkuil maakte als hem in de praktijk werd ‘gedwongen’ zijn stem te verheffen als buitengewoon deskundige.
Gelukkig voor hem zijn de oprichting van het 1ste Duits-Nederlandse legerkorps én de overgang naar het huidige beroepsleger wél van een leien dakje gegaan. Helaas voor Couzy heeft hij tijdens zijn periode als oppercommandant van de KL moeten afsluiten met het debacle-Srebrenica. Waar hij oordeelde dat de 25 mm-snelvuurkanonnen moesten worden vervangen door .50-mitrailleurs, ging één aspect van de benodigde robuustheid van Dutchbat overboord. Ook was tenminste één bataljon van de inderhaast opgebouwde Luchtmobiele Brigade bij lange na niet in zijn geheel inzetbaar was voor de, zo is achteraf gebleken, kans- en vruchteloze ‘verdediging’ van Srebrenica. Het is lariekoek te veronderstellen dat zelfs mét Oerlikons, helikopters en 120 mm-mortieren Dutchbat-III enige kans had gemaakt, gegeven het toenmalige mandaat.
Het personeel van de landmacht in het geheel én Dutchbat in het bijzonder is dan ook, voorzover ik dat kán bezien, goed af geweest met een bevelhebber als Couzy. Wat communicatie en timing betrof, kon het bevelhebberschap van Hans Couzy niet gelukkiger – zeker bekeken door de bril van nu én absoluut als afsluiting van een 38-jarige carrière als artillerist.
‘Mijn memoires’ is geen gemakkelijk boek. Wèl om te lezen, niet om uit te leggen in relatie tot wat wij NU van Westerling (denken te) weten. Weliswaar geldt elk egodocument als een privaat domein, maar voor memoires geldt bovendien dat zij gericht is op gebeurtenissen waarvan iemand getuige is geweest. Dat maakt Westerling’s memoires natuurlijk zéér interessant. Hoe subjectief zijn boek ook wordt geïnterpreteerd, de voorvallen waaraan hij heeft deelgenomen blijven tot op de dag van vandaag belangwekkend voor de geschiedschrijving van het nog altijd verafgode of juist verguisde leven van ‘De Turk’.
Westerling blijkt in alles een geboren commando.
Het beeld dat uit zijn memoires opwalmt draagt bij tot de legendevorming, maar of die altijd berust op de waarheid blijft de vraag. In ‘Mijn memoires’ verdedigt hij de zuiveringsoperaties op Zuid-Celebes: terreur bestrijden met contraterreur. Die verdediging is niet vreemd: als rechtgeaard commando met een bijzondere opdracht, in opdracht van generaal Simon H. Spoor, verwacht je niet dat je tijdens die opdracht wordt geconfronteerd met landgenoten of medekrijgers die daar anders over denken.
Wat wij NU van Raymond Westerling weten is voor het grootste deel afkomstig uit zijn schrijverij en de overlevering. De weinig milde kritiek uit linkse kringen over 40.000 door hem op Zuid-Celebes over de kling gejaagde inlanders is in elk geval apert onjuist (zie kader). Volgens ‘Mijn mémoires’ was Westerling even ongecompliceerd als pretentieloos.
Luitenant-kolonel dr. Muhammad Natzir Saïd, die aan de Selayang Pandang Universitas Hasanuddin te Ujung Pandang geschiedkundig onderzoek verricht naar de Indonesische strijdkrachten, heeft onderzocht dat het genoemde getal van 40.000 slachtoffers op Zuid-Celebes destijds door Indonesië is gebruikt als propagandamaatregel tegen de Nederlanders.
Uit onderzoek van Natzir Saïd is gebleken dat op Zuid-Celebes in de periode december 1946 - februari 1947 in totaal 256 Indonesische doden te betreuren waren. Dit is dus tijdens de acties van kapitein Westerling en het Korps Speciale Troepen.
De officiële verklaring is op 13 april 1977 door Natzir Saïd gestuurd aan Raymond Westerling zelf.
Vooruit, beroepsdeformatie en vakidiotie kunnen hem niet ontzegd worden, maar hij was “een rechtvaardige wreker” (p. 95), geleid door “opwinding, activiteit en gevaar” (p. 39). Een man die geen geheim maakte van de beste militaire tactieken:
“[…] boven alles: om zich nooit te laten omsingelen” (p. 118)
“[…] geen expeditie ondernemen zonder grondige voorbereiding” (p. 137)
“[…] mijn stelregel om steeds het terrein te verkennen, alvorens me erop te wagen” (p. 126)
“De executie van één misdadiger zou de redding kunnen betekenen van honderden onschuldige mensenlevens” (p. 130)
“Ik meende, dat de beste verdediging tegen een aanval bestond in te trachten niet te worden aangevallen.” (p. 64)
Mede hierdoor gebeurde het, in Westerling’s woorden, zelden “dat méér dan drie of vier van de bendeleiders […] ter dood veroordeeld werden.” (p. 141) Tijdens de eigenlijke zuiveringen op Zuid-Celebes, voltooid in precies 2 maanden, leidde Westerling 11 operaties, “waarbij nog geen 600 terroristen tijdens de gevechten sneuvelden of werden geëxecuteerd. Van mijn eigen 123 mannen, verloor ik er 3.” (p. 152). Of het zo gegaan is en niemand door zijn toedoen “nodeloos of ten onrechte” (p. 155) is gestorven, laat ik in het midden. Ik was er niet bij.
Westerling was volgens zijn lezing bepaald niet een “bloeddorstig monster”, destijds beschuldigd van de slachting op 42.000 (sic!) onschuldige burgers. Het is geen vreemde gedachte dat Westerling, zowel door de internationale gemeenschap als Nederland, is misbruikt… voor het ontbreken van gedurfde actie aan gene zijde. De toepassing van contraterreur door het Korps Speciale Troepen (KST) was zowel van hoger hand gevraagd als broodnodig om het machtsvacuüm in “een soort niemandsland” (p. 70) op te vullen.
Die afwezigheid van gezag ontstond na de Tweede Wereldoorlog, toen de (voormalige) Japanse bezetter de terroristen heimelijk bewapende, de Britten daaraan weinig konden doen, Soekarno onder die terroristen soldaten rekruteerde voor zijn republikeinse leger en de Nederlandse KNIL daar eerst niets aan MOCHT doen en later niets aan KON doen.
Dat je dan in Polonia commando’s opleidt, die vervolgens – gebruikmakend van het psychologisch voordeel op de inlander, die bang is voor het duister – ’s nachts bij verrassing terroristen overrompelt en zo de ‘gewone’ inlander, de tani, voor je kunt winnen, omdat deze eindelijk bevrijd is van de terreur – is zeer begrijpelijk. Dat Westerling met deze acties politiek vuur trok is even vanzelfsprekend.
Zijn latere acties met de APRA, waarin hij niet meer dan een aangeprate ‘Rechtvaardige Vorst’ was, moeten in ditzelfde licht worden gezien. Westerling, die aan Spoor kenbaar maakte genoeg te hebben “van de nutteloze opdrachten om militaire successen te behalen, die door politieke mislukkingen weer ongedaan werden gemaakt” (p. 189), daarom niet deelnam aan de 2de Politionele Actie en zijn ontslag indiende, pleegde vervolgens met 500 APRA-mannen en een paar secties KNIL op 23 januari 1950 een coup op de stad Bandoeng. Door gebrek aan wapens – omdat het wapenarsenaal van het KNIL niet konden worden bemachtigd – liep de hele actie spaak…
Diezelfde Spoor zou Westerling eind 1948, althans volgens de auteur, voor de vierde maal hebben voorgedragen “voor de hoogste Nederlandse onderscheiding”; en diezelfde Spoor zou – volgens kwade tongen – de APRA de totstandkoming van de eenheidsstaat Indonesië hebben laten dwarsbomen. Waarom schrijft Westerling anders dat Spoor zich realiseerde dat APRA “een leidende rol zou kunnen spelen bij de toekomstige vormgeving van dit deel van de wereld” (p. 217)?
Westerling als drager van de Militaire Willemsorde gaat menigeen NU misschien te ver, niet ontkend kan worden dat zijn verrichtingen indertijd, in dat tijdsgewicht, in dat perspectief, altijd in het oog hebben gelopen (je wordt nu eenmaal geen kapitein op je 27ste); dat hij als één der weinigen erin slaagde om de diepgewortelde afkeer van de inlanders van alles wat vreemd is – met op de eerste plaats de Europeaan – te doorbreken; en dat hij met zijn ‘oog om oog, tand om tand’ uiteindelijk meer mensenlevens heeft gespaard dan verwoest.
Kapitein Raymond Westerling op pagina 90 van 'Mijn mémoires'
Mijn Ruiters. Ervaringen als commandant van het 4e Eskadron Pantserwagens, Huzaren van Boreel, tijdens de Politionele Acties (1947-1949) in toenmalig Nederlands-Indië
auteur
Jhr. Mr. M.W.C. (Marien) de Jonge, kolonel der cavalerie b.d.
ISBN
9789081354219
jaar
2008
pagina’s
338
uitgeverij
Stichting Cultureel Erfgoed De Jonge (Zierikzee)
Laat ik met de deur in huis vallen: ‘Mijn Ruiters’ is in vele opzichten steengoed. Goed geschreven in een soms ietwat archaïsche en formele stijl en mooi hardcover uitgegeven. Boven alles bevat dit boek een uitermate boeiend stuk krijgsgeschiedenis dat op deze manier niet de kans zal krijgen in de vergetelheid te raken.
De standaard van het Regiment Huzaren van Boreel is dankzij de in dit boek beschreven operationele periode aangevuld met het opschrift ‘Java en Sumatra 1946-1949’, wegens het deelnemen van twee verkenningsregimenten en dertien zelfstandige eskadrons aan krijgsverrichtingen in het voormalige Nederlands-Indië. In en rond Bandoeng, Bentokan, Karangpandan, Solo, Tjisoeroe en Wonogiri op Midden-Java opereerde het 4e Eskadron Pantserwagens (4 EskPaw) van de toenmalige reserve-officier, ritmeester De Jonge.
Er zijn overigens meer onderbouwingen waarom dit boek zeer lezenswaardig genoemd mag worden – het wordt niet voor niets aanbevolen door professor Cees Fasseur en Commandant der Strijdkrachten, generaal Peter van Uhm – en verplicht leesvoer voor collega's moet zijn.
De auteur van 'Mijn Ruiters': jonkheer mr. Marien de Jonge, kolonel der cavalerie buiten dienst.
Zo worden de belevenissen van Jhr. Mr. De Jonge afgewisseld met de onvermijdelijk aan Nederland gekoppelde geschiedenis die van de VOC-archipel in Zuidoost-Azië achtereenvolgens Nederlands-Indië en Indonesië maakte. Variaties in de verteltrant vloeien naadloos in elkaar over; alleen de politiek getinte analyses die in het verhaal zijn verweven worden op het einde van het boek opdringerig en storen het zeer interessante verhaal. Maar meestal verduidelijken ook deze passages eens te meer het bizarre vacuüm waarin Nederland laveerde in de periode tussen de Japanse capitulatie en de ‘op eigen doft’ door Soekarno uitgeroepen onafhankelijkheid.
Zo beschrijft De Jonge het falende optreden van de Britse generaal Sir Christison – als ondercommandant van het South East Asia Command van Lord Mountbatten opperbevelhebber van de Allied Forces Netherlands East Indies (AFNEI) te Singapore. In een berucht geworden radiorede op 29 september 1945 stelde hij dat de Britse troepen alleen bepaalde gebieden zouden bezetten, dat aan Nederland was geëist dat met de nationalistische leiders moest worden overlegd en dat in de tussentijd de Nederlandse troepen werden geconsigneerd in Singapore (Oorlogsvrijwilligers en Mariniersbrigade), zodat zij op Java en Sumatra geen 'orde en rust' konden herstellen.
Het logo van de eenheid waar het allemaal om draait in 'Mijn Ruiters': 4e Eskadron Pantserwagens.
De facto erkende Christison hiermee de Republiek, ontsloeg hij het Japanse leger van alle verdere verantwoordelijkheden en waren de Nederlanders – en niet alleen zij – vogelvrij…
Dat dit bijdroeg aan een alleszins onzeker leefklimaat is heel zacht uitgedrukt. In dit ongewisse gaf eskadronscommandant De Jonge de leiding – en dus relatieve zekerheid – waar de overzeese dienstplichtigen om ‘vroegen’: omdat de Oorlogsvrijwilligers intussen bijna allen waren ingedeeld, bestond het 4e Eskadron Pantserwagens “voor 90%” uit dienstplichtige huzaren. In hun pantserwagens, scoutcars en driekwarttonners stelden ze bruggen veilig en sneden ze de vijand de pas af. De Jonge wees de contraterreur af. Zijn eskadron deed wat alle lichte cavalerie-eenheden in vergelijkbare omstandigheden doen, zoals het uitvoeren van langeafstandsverkenningen. Daarnaast werden nagenoeg dagelijks niet-organieke maar evenzeer broodnodige taken uitgevoerd, zoals konvooibegeleiding en patrouillegang.
Wat mij betreft een hoogtepunt in de geschiedschrijving van dit eskadron was, in oktober 1948, de operationele gereedstelling van een zgn. (experimenteel) jeeppeloton, bestaande uit zes jeeps en per voertuig drie huzaren. Elke jeep was onder andere toegerust met draadvanger, mitrailleur op affuit, rookhandgranaten, Thompson pistoolmitrailleur en jaloeziebepantsering voor de radiateur. Allemaal zeer modern voor die tijd. Met dit peloton kon op de smalle inlandse wegen worden gepatrouilleerd, zonder verlies aan mobiliteit, snelheid en verrassing voor eskadron en brigade. Het jeeppeloton, onder leiding van luitenant Onno Blaisse, vervulde zo binnen het eskadron een voortrekkersrol.
Vlak daarbij het optreden van de bij hen onder bevel gestelde infanteristen en stormpioniers niet uit. Ook zij hadden een cruciale rol bij het ontzetten, ontmijnen en beveiligen van gestelde bruggen, wegen e.d. Op deze manier vervulde het gehele pantserwageneskadron niet alleen de rol van aanvalsspits binnen de V-Brigade, bij wie zij op Midden-Java was ingedeeld, maar was zij zoals dat tegenwoordig heet opvallend ‘swing-role’: voor meerdere taken inzetbaar, waarbij het wisselen van taak zo snel mogelijk werd uitgevoerd. (Saillant detail is dat anno 2010 bij de D-Compagnieën van de luchtmobiele infanteriebataljons opnieuw wordt geëxperimenteerd met ‘patrouillepelotons’ met MB’s toegerust met zware, meervoudige bewapening.)
Wie dit knap geschreven schrijversdebuut van de hoogbejaarde De Jonge leest – wiens eenheid met tien Koninklijke onderscheidingen waarschijnlijk de meest gedecoreerde eenheid in Nederlands-Indië was – hoeft zich niet meer af te vragen hoe het ook alweer zat. Doorspekt met de objectiverende politieke analyses, is het boek daarmee ook een anker voor hen die het ‘Nederlands-Indonesisch’ conflict niet van nabij hebben meegemaakt… de meeste lezers van nu dus…
Ook is dit boek een exemplarisch historisch vergelijk tussen de uitvoering van de olievlekstrategie onder generaal Spoor, de toenmalige Legercommandant, en het huidige grondgebonden optreden in Afghanistan. Blijkbaar is counter-insurgency zo gek nog niet; het is in elk geval niet zonder precedent, maar dat wist ik al. Als ik dit lees, kan ik daarnaast bezwaarlijk anders denken dan dat de verliezen in de strijd met de guerrilla van de Tentara Nasional Indonesia (TNI), hoe pijnlijk ook, bij de veteranen uiteindelijk minder gevoelig liggen dan de weifelachtige, slappe politiek die leidde tot het stopzetten van beide Politionele Acties.
Ik geef het je te doen: drie jaar achtereen onder oorlogsomstandigheden in de tropen, tientallen maten geslachtofferd zien worden, in vele acties verwikkeld raken. De kolonel b.d. Marien de Jonge is erin geslaagd een zeer lezenswaardig boek af te leveren dat absoluut wordt tekortgedaan met de omschrijving ‘herinneringsboek’. Het is de totale onderdompeling in de grootste naoorlogse troepenontplooiing om Nederlands-Indië te behouden, die mij steeds liet doorlezen. Levensecht beschreven en een vlotte verteltrant: een knappe prestatie!
Voor meer informatie over 'Mijn Ruiters' kunt u contact opnemen met mijnruiters@euronet.nl. Ook kan het boek via dit emailadres worden besteld.
Als ik bepaalde boeken lees, moet ik onmiddellijk denken aan een zinsnede in het kader ‘De gevechten bij Goose Green in 1982’ in het hoofdstuk ‘Functies van militair optreden’ in het tweede deel van de Landmachtdoctrine Publicatie: “Een oordeel vellen over commandovoering is een gevoelige bezigheid. Enerzijds staat zeer veel op het spel: de commandant ‘bewijst’ met zijn bevelen wat hij werkelijk waard is. Anderzijds komt het rapportcijfer vaak van buitenstaanders, met name leunstoelstrategen die in de geborgenheid van hun studeerkamer de gevechtshandelingen in alle rust nog eens op een rijtje hebben gezet.” Nu waren de gevechten bij Goose Greene op de Falklands van een geheel andere orde dan die ten tijde van de Tiendaagse Veldtocht of welke Nederlandse actie dan ook. Luitenant-kolonel b.d. Gijsbertus Johannes Schüssler (1925-2001), voor intimi Bert, was buitenstaander noch leunstoelstrateeg. Schüssler kwam als militair, als commando, tot wasdom na de Tweede Wereldoorlog en maakte het allemaal mee.
Op het moment dat de je denkt dat het plafond van die heroïeke expedities, acties of krijgsverrichtingen bereikt is, valt in dit boek alsnog een spectaculair, heldhaftig wapenfeit op! Eerst gaat Schüssler naar Nederlands-Indië om daar vanuit de gelederen van het Korps Speciale Troepen orde op zaken te stellen; vervolgens wordt hij in de Verenigde Staten opgeleid tot jachtvlieger en aansluitend vertrekt hij voor deelname aan de Koreaanse oorlog. Hij heeft het écht allemaal meegemaakt. Voor zijn acties in de Oost is hij op 24-jarige leeftijd voorgedragen voor de hoogste dapperheidsonderscheiding die Nederland kent: de Militaire Willemsorde (MWO).
Na Korea volgt een plaatsing aan de KMA, wat niet bepaald zijn meest toegejuichte periode blijkt te zijn. Vervolgens volgden een representatieve functie als ‘diplomaat’ in Paramaribo, twee uitzendingen als waarnemer in het Midden-Oosten (tijdens de eerste zit hij plotseling middenin de uitgebroken Zesdaagse Oorlog), enzovoorts…… Op 1 mei 1981 verliet hij de actieve dienst als commandant van 42 Pantserinfanterie Brigade Treinenbataljon. Iedere militair die zijn loopbaan probeert te vergelijken met die van Schüssler, staat bij hem in de schaduw. Weinigen kunnen zich in welke conduitestaat dan ook met hem meten.
Laat ik ermee eindigen dat ‘Naar eer en geweten’ een vlotgeschreven boek is dat het ruimschoots verdient om gelezen te worden door iedereen die twijfelt aan de integere bedoelingen van de Nederlandse krijgsmacht, haar uitvoerenden en iedereen die voor een goede zaak de wapenrok hebben gedragen of nog dragen. Of zoals Z.K.H. Prins Bernhard tijdens de herdenking van 125 jaar Militaire Willemsorde op 30 april 1940 sprak: “Ik hoop en vertrouw dat alle militairen die nu onder de wapenen zijn, op het moment dat het er eens op aan zou komen, zich uw daden zullen herinneren.” Niet voor niets is het voorwoord van ‘Naar eer en geweten’ eveneens van de Prins: “Het is het boeiende levensverhaal van een Ridder M.W.O., vlieger en bovenal commando, die liever zijn aandacht naar beneden richtte dan naar hem die boven hem waren gesteld”.
Schüsslers verhaal is eerlijk en oprecht, waarbij je naar het einde toe beschaamd moet vaststellen dat de Nederlandse krijgsmacht weinig respect jegens hem heeft betuigd. Dat heeft zonder twijfel te maken met onderstaande twee citaten: “Huil je mee met de honden in het bos, dan ben je niet bedreigend. Pas je je niet aan, dan steek je boven het maaiveld uit, en wacht de zeis.” (blz. 101) en “Alleen zolang je je gedeisd houdt en onder of gelijk met het maaiveld blijft, laat iedereen je met rust.” (blz. 209) Zijn Militaire Willemsorde ligt dan ook “in dat plastic tasje op zolder”. Dat tekent de ware militair die wars is van heroïsch vertoon.
Al in ‘Naar eer en geweten’ maakte Schüssler bekend dat hij tijdens zijn anderhalf jaar durende stationering in 1970 in Amman voor Israël heeft gespioneerd. In 2003, twee jaar na zijn overlijden, werd deze onverkwikkelijkheid door de publicatie van ‘Waarnemers op heilige grond. Nederlandse officieren bij UNTSO, 1956-2003’ van Athur ten Cate (NIMH), pagina 112 t/m 117, opgerakeld.
In de periode 1970–’72 was Schüssler commandant van het hoofdkwartier van de United Nations Truce Supervision Organization (UNTSO) in Tiberias in NO-Israël. Daar werd hij, zoals alle officieren in die tijd, benaderd door de Israëlische veearts Uzi Ghanoch. Ghanoch vroeg Schüssler of hij voor de Israëlische inlichtingendienst wilde werken.
Schüssler stemde toe op voorwaarde dat hij “geen enkele vergoeding” kreeg. Schüssler gaf Israël foto’s van sites van raketopstellingen van surface-to-air missiles (SAM’s) in Syrië en inlichtingen over de Palestijnse fedayeen in Jordanië.
Ten Cate onthulde een tweede Nederlander: majoor IJsbrand W. Smit van de Koninklijke Luchtmacht. Tweemaal was hij UNTSO-waarnemer: van 1968 tot ’70 en van 1974 tot ’76. In zijn tweede periode werd hij “ingekapseld” door de Israëlische schone Dahlia, een Mossad-operateur, die hem aanzette tot spionage.
Het zou tot december 1983 duren voordat hij werd ontmaskerd als mol voor de Israëlische inlichtingendienst en werd gearresteerd op verdenking van spionage. Na zijn UNTSO-missie had IJsbrand Smit, die zijn roots had als analist bij de Luchtmacht Inlichtingendienst (LUID), nog op het NAVO-hoofdkwartier in Bergen gewerkt en voor de Inlichtingendienst Buitenland (IDB) in Den Haag. Volgens Ten Cate was Smit “de man die in militaire kringen bekendheid zou verwerven als de ‘Nederlandse Jonathan Pollard’ […]” Pollard, een joodse Amerikaan, werd in 1985 gearresteerd – eveneens op beschuldiging van spionage voor Israël.
De zaak-Smit werd door de militaire rechtbank achter gesloten deuren behandeld en uiteindelijk besloot het Openbaar Ministerie niet tot vervolging over te gaan: het OM accepteerde Smit’s verdediging dat de samenwerking tussen Israëlische en Nederlandse inlichtingendiensten zo goed was dat de informatie hoe dan ook tussen beiden zou worden gedeeld. Dus werd Smit na zijn voorarrest “om reden van algemeen belang” op vrije voeten gesteld, officieel wegens “gebrek aan bewijs”.
Smit vertrok naar Israël. Intussen werd beweerd dat zijn vrijgeleide was ‘geregeld’ door de Israëlische premier Yitzhak Shamir en bemoeienis van Koningin Beatrix.
De Militaire Spectator (MS) is het oudste nog bestaande tijdschrift van Nederland, en tevens het oudste nog bestaande militaire tijdschrift ter wereld. Op zondag 29 januari 1832 verscheen het eerste nummer in een oplage van 250 exemplaren. Vanaf het eerste nummer geleidde de MS de krijgservaring die het leger tijdens de Tiendaagse Veldtocht e.d. had opgedaan; het blad werd de tolk van de militaire stand, kweekte “esprit militaire”, bekwaamde de officier zich in de pennenvruchten van het militaire beroep en probeerde de op de loer liggende verwaarlozing van de krijgsmacht in vredestijd tegen te gaan. Ook werd de MS al gauw een blad dat de verkeerde meningen van leken en oningewijden fel bekritiseerde.
Hoewel de Nederlandse geest van oudsher was gericht op handeldrijven en in mindere mate op oorlogvoeren – hoewel dat laatste vaak nodig was om het eerste veilig te stellen – begrepen de parlementariërs al te goed dat een krachtige staat een krachtige militaire macht nodig had. MS hielp daarin mee door in krachtige bewoordingen voor te bereiden op de oorlogstaak; ook begin 19de eeuw had men al door dat de pen machtiger was dan het zwaard.
Sleur en vredesroutine moesten worden tenietgedaan door ‘brood en spelen’. Die spelen waren de oefeningen waarin de militairen zich voorbereidden op tijden van oorlog. In de begintijd van de MS kwamen de vier wapens van de landmacht (artillerie, cavalerie, genie en infanterie) min of meer naar evenredigheid aan bod. Later kwam er meer verscheidenheid, met wetenschappelijk doorwrochte artikelen over de veldtochten van Napoleon, de betekenis van Prins Maurits of uitvindingen die voor het krijgswezen van belang waren. Veel inkt werd gespendeerd aan het op een hoger peil brengen van de officier in vredestijd, waardoor de geesten werden rijp gemaakt en de blik werd gericht op het oosten.
Toen G.T.W. Vijgh in 1861 het hoofdredacteurschap overdeed aan de eerste luitenant Heinrich Mathias Friedrich Landolt, had de MS in een vlotter vaarwater kunnen komen. Landolt zou zijn naam vestigen met het 2-delige ‘Militair woordenboek’ (1861), maar moest al na drie jaar met zijn hoofdredacteurschap de pijp aan Maarten geven vanwege een zwakke gezondheid.
De onkunde en onverschilligheid van het parlement werden intussen te vuur en te zwaard bestreden door de MS: linietactiek, paradecultuur, het Pruisische versus het Franse legermodel, de Nieuwe Hollandse Waterlinie, dumdumkogels, de ‘eingelebte Disziplin’ van Von Moltke (de roep om krijgstucht) en “de militaire doodzonde om gehalte aan getal te willen offeren” (pagina 93) werden beschreven. En ook toen al waren er schrijvende officieren die door hun artikelen het gevaar liepen hun superieuren te ontrieven en hun carrièrekansen te verknallen. Anonimiteit was soms broodnodig…
Wat opvalt is dat door de jaren heen steeds weer blijkt dat het parlement moeilijk in staat was om hervormingen van het defensieapparaat door te voeren cq. die juist halsoverkop (en daardoor volkomen ondoordacht) implementeerde. Ook trekt het de aandacht dat de redactie van MS soms zaken bewust wel of niet voor het voetlicht haalde. Het oproer van oktober 1918 op de Legerplaats Harskamp werd niet besproken, evenmin als gevechten waarin de Duitsers het oorlogsrecht hadden geschonden, zoals de mislukte overval op de spoorbrug over de Maas bij het Limburgse Buggenum in WO II. In de jaren 1943/'44 werd de MS door de Duitse bezetter verboden, maar meteen na WO II waren de drie bloedgroepen van het naoorlogse officierskorps in de redactie vertegenwoordigd: “de Engelandvaarders, de oud-verzetsstrijders en de officieren die de oorlog grotendeels in Duitse krijgsgevangenschap hadden doorgebracht”. Ook de officieren van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger werden betrokken in en bij het blad. Niet zo vreemd, want tot en met 1949 richtte alle inspanningen van de KL zich op de strijd tegen de Indonesische republiek, die volgens de officiële richtlijnen niet als oorlog werd aangeduid.
Steeds vaker zouden schrijvers echter de hachelijke scheidslijn tussen het politieke en militaire domein overschrijden. Hoewel politiek getinte uitspraken zoveel mogelijk werden vermeden, kwamen ze wel degelijk voor, ook toen de Koude Oorlog in alle hevigheid losbarstte. Vaderlandsliefde was niet langer de belangrijkste bron voor het militaire moreel: gevoed door de verslagen uit WO II drukte Korea een even zwaar stempel op de inhoud van de MS als het verdedigingsvak achter de Elbe op de Noord-Duitse laagvlakte. Er moest uit den treuren worden geoefend, want zodra er géén gevaar meer was, werd Jan Soldaat geminacht en lagen bezuinigingen op Defensie op de loer.
Echte officieren wensen zich daarmee niet te identificeren, dus ontstond een nieuwe bijrol voor de MS. Hoewel de officier van tegenwoordig het uit zijn hoofd laat om openhartig de zwakke plekken in de Nederlandse krijgsmacht aan te wijzen of zijn opdrachtgevers – de politici – af te schilderen als “schriele, kruimelende burgermannetjes”, heeft hij in elk geval een groots podium voor het debat over militaire vraagstukken uit heden en verleden.
De war diarist is in Nederland een relatief onbekend fenomeen: iemand die een operationeel dagboek schrijft door als schaduw van de commandant een missie bij te wonen. Niet alleen wegens de politieke verantwoording achteraf, ook om er lessen uit te trekken. In Nederland worden militairen in de rang van kapitein of majoor in de functie van Operationeel Dagboekschrijvers (War Diarist) meegezonden met militaire missies.
Als je ‘Onder de soldaten’ leest snap je al snel dat schrijver Arnon Grunberg niet zo’n war diarist is. Als je zijn eerste zin leest, “De oorlog als stormachtige prelude tot het geluk”, snap je onmiddellijk dat hier geen ingewijde van de krijgsmacht maar van de muzen aan het woord is. Veel te romantisch, te uitvoerig ook. Een beetje militair werkt met afkortingen (afko’s) en staccato neergeschreven ervaringsdeskundigheid. Niets van dat alles bij artistiek inspirator Grunberg, die in augustus 2006 voor NRC Handelsblad embedded naar Kabul en Kandahar reisde. Over die ervaring schreef hij een 3-delige serie in het Cultureel Supplement van die krant, verschenen op 4, 11 en 18 augustus. Als dank kregen de eerste lichtingen Uruzgan-gangers de geboekstaafde versie van de Directie Voorlichting en Communicatie van het Ministerie van Defensie als relatiegeschenk.
Grunberg is een goed waarnemer, die dingen optekent die de journalisten die naar Uruzgan afreizen niet zien. Bijvoorbeeld over de ‘doodgewone’ kaasschaaf, die een van de militairen meeneemt, in Uruzgan een collectors’ item omdat de collega’s anders enorme hompen kaas afsnijden: "Ben je al eens eerder in Afghanistan geweest?' informeerde ik. 'Al twee keer', zei de sergeant, 'maar dit keer heb ik een kaasschaaf bij me.' En er verscheen en triomfantelijke lach op zijn gezicht. (...) Ik voelde genegenheid voor sergeant Jordy, die Afghanistan niet onvoorbereid zou betreden."
‘Onder de soldaten’ is voor alles hilarisch. Een verraste Grunberg probeert de eigenaardigheden van de Nederlandse krijgsmacht in Uruzgan te doorgronden: "Zelden heb ik zo veel afkortingen geleerd als gedurende mijn korte tijd in Afghanistan. Lupa lunchpakket, kobro korte broek, detco detachement commandant. De tijdwinst die dat oplevert ontroert. Vanaf nu heet geluk ge."
Gelukkig is ‘Onder de soldaten’ ronduit positief over de militairen: een verslag van lang wachten, zoals bekend een vast onderdeel van iedere oorlog. Deelgenoot zijn van een raketaanval in Kandahar vervult Grunberg met genoegen: “Ze willen me doden, dus ik besta.” Over een andere raketaanval schrijft hij: “Vorige week landde een raket in de slabak in de andere eettent. Eigenlijk zou je daar nu moeten gaan eten. En als het luchtalarm gaat tijdens het eten, staat iedereen op en rent naar de bunker, maar tegen de tijd dat je dan weer terug bent, bestaat de kans dat het warme eten voorbij is. Daarom eten Roemenen eerst hun warme eten op als het luchtalarm gaat.”
Op andere momenten is Afghanistan net een grote camping, bijvoorbeeld als Grunberg zich gekleed in thermo-ondergoed op slippers zich naar de douche begeeft. En in de gehele linie geeft Grunberg’s verslaglegging vooral goed het gevoel weer hoe het daar is en waar een militair (niet) over denkt. Zijn messcherpe observatievermogen spreekt boekdelen.
Voor velen is het leven van een geharde huurling in écht oorlogsgebied een droom. Die droom wordt het hele leven met enthousiasme nagejaagd; aan het einde van een arbeidzaam bestaan kijk je terug op wat je had kunnen doen. “Happy are those who dream dreams and are willing to pay the price to see them come true.”
Dromen bewaardheid zien worden deed Rende van de Kamp. Waar menigeen blijft steken in een abonnement op het blad Soldier of Fortune voegt Van de Kamp de daad bij het woord. Sinds 1978, toen hij als dienstplichtige opkwam om tankschutter bij 103 Verkenningsbataljon te worden, diende hij maar liefst in vier verschillende krijgsmachten. Eerst ging hij naar Libanon, waar hij op post 7.7 bij Zibqine diende voor UNIFIL.
Eenmaal terug in Nederland wilde hij commando worden, maar dat pakte niet goed uit. Daarom ging Van der Kamp terug naar Libanon om huurling in de pro-Israëlische militie van majoor Saad Haddad te worden. Vervolgens ging hij in ’82 voor de Multinational Force (MFO) naar de Sinaï, maar al na een paar maanden keerde hij terug: ontslagen na een vechtpartij.
Vervolgens was hij als "engagé volontaire" (vrijwillig aangemelde) onderofficier bij de para’s in het Franse Vreemdelingenlegioen. Hij zat in de 4de compagnie – scherpschutters en sabotagespecialisten – van het 2ème Régiment étranger de parachutistes (2ème Rep), onder andere in Djibouti en Tsjaad. In het Legioen ontmoette hij een aantal Balkenlegionairs die het later tot hoge rangen zouden brengen in de oorlogen in voormalig Joegoslavië. Na 7 jaar de ‘képi blanc’ te hebben gedragen vetrok hij in ’92 naar Joegoslavië om dienst te nemen bij de Kroatische HOS-militie.
Rende van de Kamp als legionair
In Kroatische dienst vochten veel meer huurlingen: niet alleen oud-legionairs maar ook een groepje Nederlandse vrijwilligers. Tot slot diende hij als kapitein bij de Special Forces in Kroatië. Overigens passeren in ‘Onder vreemde vlag’ legio Nederlanders de revue, zoals Nico Boontjes, Max Kroes, Erwin van der Mast, Johan Tilder en Woody Woortmans. Ook zij zagen hun dromen bewaarheid, ofschoon sommigen dat met de dood hebben moeten bekopen. Als alles anders was gelopen, had Van de Kamp zelfs (ook nog?) in Angola, Suriname of Zuid-Afrika kunnen knokken. Als, want hij heeft hoe dan ook nooit afgewacht maar bewust écht meegedaan aan vele conflicten. De geschiedschrijving van zijn droom is een boeiend boek dat in één ruk uitleest, vergelijkbaar met ‘Bomberjack’, ‘Naar eer en geweten’ en ‘Soldaat in de woestijn’.
De carrière van Nathaniel Fick begint met een martelende zomer op de Marine Corps Base Quantico in Virginia, VS, de wereld van “Honor, Courage, Commitment”. Vervolgens leidt hij, in de nadagen van 11 september een peloton tijdens de invasie van Afghanistan. Maar het hoogtepunt van de apenrots van het U.S. Marine Corps is terechtkomen bij een Recon Battalion, wat Fick en zijn peloton aan de vooravond van de Tweede Golfoorlog overkomt. Zijn peloton is de voorste eenheid van een Task Force, maar hij belooft om zijn mensen heelhuids thuis te brengen. Een belofte die hij waarmaakt: alle 65 mannen keren behouden terug naar de VS.
Fick komt hardhandig achter de discrepantie tussen militaire idealen en de (op het opleidingscentrum geleerde) militaire praktijk, die deze idealen soms bespottelijk maakt. Waardoor het doden van de vijand tot steeds minder vragen leidt. Het wordt min of meer als een vanzelfsprekendheid ervaren, terwijl “split-second decisions” toch echt (inter)nationale gevolgen kunnen hebben. Volgens Fick verschilt Irak van de Tweede Wereldoorlog: “In World War Two, when Marines hit the beaches, a surprisingly high percentage of them didn’t fire their weapons. (...) Not these guys. (...) These guys have no problem with killing.”
Fick’s peloton is voortdurend in oorlog, levert steeds weer gevechten, en komt uiteindelijk terecht in Bagdad. De pretenties van heldendom zijn weggeëbt, maar blijven onderhuids sluimeren: “I’d never been hunting and had no desire to go. Now, shooting grenades at strangers in an unnamed town, I was kind of enjoying myself.”
Wat heel veel mensen niet weten is dat na de bevrijding van het zuiden van Nederland nog een luchtlandingsoperatie plaatsvond in het noorden onder de codenaam Amherst. Het zou de laatste luchtlandingsoperatie van W.O. II worden. Het is de verdienst van luitenant-kolonel b.d. der infanterie Jaap H. Jansen dat deze operatie in 2002 ruimere bekend kreeg in Nederland, dankzij zijn vertaling uit het Frans van ‘Amherst. Les parachutistes de la France Libre 3e et 4e SAS Hollande 1945’ (1998) van oud-para Roger Flamand.
De operatie startte op 7 april ’45 vanaf de luchtmachtbases Dunmow, Shepgrove en Rivenhall in Engeland: 702 tot de Britse SAS-Brigade behorende Franse para’s werden boven Noord-Nederland gedropt. Bij de daaropvolgende gevechtsacties verloren 33 van hen het leven.
Operatie Amherst werd uitgevoerd door de Fransen van het 2ième (4 SAS) en 3ième (3 SAS) Régiment de Chasseurs Parachutistes onder commando van respectievelijk majoor Pierre Puech-Samson en luitenant-kolonel Jacques Pâris de Bollardière. De Franse SAS-bataljons bestonden elk uit drie gevechtscompagnieën en een stafcompagnie. 4 SAS werd gedropt ten oosten van de spoorlijn Assen-Hoogeveen en het verlengde daarvan in noordelijke en zuidelijke richting, 3 SAS ten westen daarvan. De operatiesector lag tussen Assen, Emmen en Meppel. De acties van de geparachuteerde rode baretten van weleer worden jaarlijks herdacht, onder andere in Assen in aanwezigheid van de militairen van 13 Infanteriebataljon Luchtmobiel (Air Assault).
De primaire opdracht van de twee bataljons was chaos scheppen in de Duitse gelederen en de voorhoedes van de oprukkende eenheden gidsen én van informatie voorzien. Als afgeleide nevenopdracht gold de verovering van de vliegvelden bij Eelde en Steenwijk en het veiligstellen en vasthouden tot de komst van de grondtroepen van achttien al dan niet vernielde of ondermijnde (spoor)bruggen op de opmarsroute. Besloten werd het Nederlandse verzet pas twaalf uur na het begin van de operatie te informeren door middel van de boodschap “De boot is omgeslagen” (p. 212), omdat men bang was voor infiltratie door de Duitsers.
Een zware taak voor twee bataljons lichte infanterie, verdeeld over tientallen teams van vijftien man (de maximale capaciteit van de vliegtuigen) in een ongewis vijandelijk achtergebied waar de Duitsers zich veilig waanden. Hoewel de kracht “is gelegen in verspreid optreden en gezamenlijke inspanning van kleine groepen over een groot gebied” (p. 211), kwamen veel van de uit de – voor troepentransport geschikt gemaakte – viermotorige Stirling-bommenwerpers neergelaten sticks zeer verspreid neer en konden elkaar in de bos- en kanaalrijke omgeving met verspreid bewoonde gebieden moeizaam terugvinden.
Enkele teams waren wél succesvol. Zo raakte in Westerbork, overigens min of meer bij toeval, de opperbevelhebber van de Feldgendarmerie in Nederland – generaal-majoor Karl Böttger – in zijn hoofdkwartier gewond bij een bestorming door Franse parachutisten.
Operatie Amherst was zeer bijzonder. In slechts zes dagen tijd opgezet door generaal Calvert, commandant van de SAS-Brigade, “met instemming” (p. 138) van het 2de Canadese Legerkorps – de subeenheid van de 1st Canadian Army onder leiding van generaal Henri Crerar die intussen tot Coevorden was opgerukt: “Uit de beschikbare inlichtingen blijkt dat de Duitse troepen die het noorden van Nederland bezet houden, gering in aantal zijn en men vermoedt dat ze niet al te strijdlustig zijn. Het inzetten van de para’s in dit gebied zou hen zodanig moeten binden dat ze zouden afzien van een actie op de geallieerde flank; en hun wellicht de gelegenheid bieden zich zonder al te veel strijd over te geven.“ (p. 28). Het was de eerste maal in de krijgsgeschiedenis dat op deze manier de weg werd vrijgemaakt voor naderende grondtroepen.
Hoewel de luchtoverval gepaard ging met een aantal misleidingsmaatregelen (ruchtbaarheid geven aan de operatie, afwerpen van paradummy's), resulteerde de geboden snelheid van handelen er onder meer in dat de geplande inzet van jeeps aanvankelijk niet doorging, zoals werd bepaald door de Deputy Commander van generaal Mike Calvert, kolonel Guy L. Prendergast. Hij liet de jeeps niet afwerpen omdat er vooraf geen verkenningen waren uitgevoerd voor goede dropzones. Generaal Calvert, pas ruim een maand commandant van de SAS’ers, was ziedend van woede: de jeeps waren één van de fundamenten voor de operatie. Pas drie dagen later kwamen de voor de mobiliteit broodnodige jeeps alsnog in Coevorden aan.
Ook de nieuwe kleinkaliberwapens – Stenguns – zorgden voor problemen, maar gelukkig had het leeuwendeel van de manschappen gekozen voor de Thompson. Tot slot werd tevoren aangegeven dat het Canadese leger hun sector 48 uur na aankomst hoopte te bereiken; uiteindelijk zouden vooruitgesnelde Canadese troepen van 8th Reconnaissance Regiment weken later de geïsoleerde Fransen bevrijden.
Dat de Fransen toch succesvol waren, heeft zeker te maken met de stoutmoedigheid van de para’s met het devies ‘Qui Ose Gagne’ (‘Who Dares Wins’). De instelling van de Franse frontsoldaten was bij voorbaat ronduit groots, getuige een citaat op p. 214: “Zodra bekend was geworden, en niemand weet hoe, dat de operatie voor de deur stond, zag men herstellende patiënten, zieken en mannen die in het ziekenhuis lagen en hun gipsverbanden kapotmaakten, die stilletjes de sticks binnenglipten en ook sommigen die nog nooit een parachutesprong hadden gemaakt.” Ook hieruit blijkt al dat wie moed toont zal winnen.
Al meer dan 20.000 Nederlandse militairen zijn in Uruzgan geweest, meestal jonge mannen en vrouwen van begin twintig. Ze hebben er harder en meer gevochten dan in alle andere militaire missies van de afgelopen vijftig jaren. Wat ze in Afghanistan meemaakten, tekent hun levens.
In 'Op missie' interviewt Jaus Müller (1985), die zelf vijf keer naar Uruzgan reisde, zijn leeftijdsgenoten over de gevolgen van hun besluit om in het leger te gaan. De jonge veteranen zijn uit dienst, en kunnen daardoor openhartig vertellen over hoe zwaar de missie werkelijk is. Ze beschrijven hoe het voelt om op een bermbom te rijden of beschoten te worden door de Taliban, en in het heetst van de strijd een dodelijk gewonde collega te verzorgen. Ze uiten hun angsten en twijfels: was de doodgeschoten ‘vijand’ geen burger? Ze beschrijven de mooie momenten, als ze konden lachen met Afghaanse kinderen. Ook vertellen ze hoe het is om met al deze ervaringen thuis te komen bij familie en vrienden in Nederland.
Op missie is een opzienbarend boek, waarin jonge militairen antwoord geven op de vraag die ons allen intrigeert: waarom zetten zij hun eigen leven op het spel in het stoffige Uruzgan?
Leuk, zo’n boekje van Ingeborg Takken. De uitgave van de Dienst Humanistische Geestelijke Verzorging is een samenraapsel van de nieuwsbrieven die de humanistisch raadsvrouw tussen juli en december 2006 haar familie en vrienden haar vrienden en familie heeft gestuurd. Uit die gebundelde nieuwsbrieven komt het beeld naar voren van “lekkende tenten, minimale sanitaire voorzieningen en zelf in elkaar geknutselde fitnessapparaten als enige bron van vermaak.” De eerste eenheden in Uruzgan hebben het overduidelijk zwaar gehad, in vele opzichten. Sinds het einde van haar missie is er veel veranderd op Kamp Holland.
Overigens was menigeen zeer te spreken over de missie van de geestelijk verzorgster, die ‘gewoon’ meeging op patrouille, zoals ergens op internet valt te lezen: “Uit overtuiging. Omdat ze mee wil maken wat de jongens meemaken. Omdat ze erbij wil zijn.”
'Peukverhalen; 5 maanden Uruzgan' is een leuk boekje geworden met doordringende verhalen over de gevoelens, ervaringen en beleving van de Nederlandse militairen die als eersten naar Uruzgan zijn gegaan. Het prachtig uitgegeven maar veel te dunne boekwerkje laat zien dat de geestelijke verzorging van belang is bij de zware taak die de militairen ter plaatse hebben.
Op 3 maart 2009 begon de Commissie van onderzoek besluitvorming Irak aan haar werkzaamheden. Deze onafhankelijke commissie, ingesteld door premier Balkenende, deed onderzoek naar de voorbereiding en besluitvorming over de politieke steun van Nederland aan de inval in Irak in de periode 2002-’03. Op 12 januari 2010 presenteerde de voorzitter van de onderzoekscommissie, mr. Willibrord Davids, de resultaten.
De Commissie-Davids. Tweede van links de voorzitter en naamgever van de onderzoekscommissie, mr. Willibrord Davids.
De belangrijkste conclusies van de Commissie-Davids zijn:
Er was geen adequaat volkenrechtelijk mandaat voor het Amerikaans-Britse ingrijpen in Irak. Anders dan de Nederlandse regering deed, had de tekst van VN-resolutie 1441 – op 8 november 2002 aangenomen – niet uitgelegd mogen worden als een vrijbrief voor individuele staten om zonder toestemming van de VN-Veiligheidsraad militair geweld af te dwingen. De Nederlandse stelling dat een tweede resolutie politiek zeer wenselijk was maar juridisch niet nodig noemt de commissie “niet goed te verdedigen”. In maart 2003 besloot het demissionaire kabinet-Balkenende I (CDA, VVD en LPF) een actie tegen Irak politiek te steunen.
Premier Jan Peter Balkenende heeft weinig tot geen leiding gegeven aan de debatten over de kwestie-Irak; tot januari 2003 liet hij het Irak-dossier geheel over aan Minister van Buitenlandse Zaken Jaap de Hoop Scheffer, die het beleid naar zich toetrok. Na januari 2003 ging Balkenende zich weliswaar met ‘Irak’ bemoeien, maar het regeringsstandpunt lag toen al vast – in augustus 2002 geformuleerd tijdens een brainstormsessie op het Ministerie van Buitenlandse Zaken die “niet langer dan drie kwartier” duurde. Naast De Hoop Scheffer bestond het ‘kitchen cabinet’ uit secretaris-generaal Frank Majoor, directeur-generaal politieke zaken Hugo Siblesz, zijn plaatsvervanger Herman Schaper en de Nederlandse ambassadeur in Washington, Boudewijn van Eenennaam. De kwestie of een oorlog tegen Irak legitiem zou zijn, alsmede nuanceringen die Nederlandse inlichtingendiensten maakten over de aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak, werden ondergeschikt gemaakt aan de eenmaal ingezette beleidslijn: hoe dan ook politieke steun verlenen aan een inval in Irak.
De twijfels van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) bij de Amerikaanse bewering over massavernietigingswapens (weapons of mass destruction, WMD) in Irak werden door de politiek genegeerd. Hoewel beide diensten nauwelijks eigen informatie inbrachten, waren hun rapporten genuanceerder dan de buitenlandse rapportages. De diensten baseerden zich vooral, doch selectief, op de rapporten van de wapeninspecteurs van de United Nations Monitoring, Verification and Inspection Commission (UNMOVIC) en inspecteurs van de International Atomic Energy Agency (IAEA) op berichten van buitenlandse inlichtingendiensten. Uit de rapporten werden echter slechts die uitspraken gehaald welke pasten in het reeds ingenomen standpunt.
De Tweede Kamer is niet altijd volledig en tijdig geïnformeerd. Dit was onder meer het geval toen de VS Nederland op 15 november ’92 verzocht mee te werken aan de planning en opbouw van een militaire macht. Daarnaast werd de Tweede Kamer pas op de dag dat de Host Nation Support feitelijk begon, op 17 februari 2003, hierover geïnformeerd. De HNS werd verleend in het kader van het beladen en verschepen van Amerikaans materiaal in de havens van Eemshaven en Rotterdam.
Hoewel er altijd geruchten zijn geweest dat de Nederlandse krijgsmacht actief was tijdens de oorlog, zijn er geen bewijzen gevonden dat Nederland de Amerikanen actief militair heeft gesteund. De aanwezigheid van luitenant-kolonel Jan Blom van de Koninklijke Luchtmacht bij een persconferentie van de Amerikaanse generaal Tommy Franks, bevelhebber van het U.S. Central Command (CENTCOM) op 22 maart 2003 - vlak na de inval in Irak - heeft deze geruchtenstroom over militaire steun gevoed. De oorzaak hiervan lag aan Nederlandse kant aan een (communicatie-)misverstand; aan Amerikaanse zijde werd het Nederlandse onderscheid tussen politieke en militaire steun aan de inval in Irak daarentegen niet zo strikt gevoeld.
Er werden door de commissie geen bewijzen gevonden van deelname van de onderzeeër Hr. Ms. Walrus, F-16 gevechtsvliegtuigen en/of leden van het Korps Commandotroepen (KCT). De commissie stelt echter vast dat het Nederlandse fregat Hr. Ms. Van Nes in enkele gevallen is ingezet voor escortediensten ten behoeve van vaartuigen die betrokken waren bij de opbouw van de Amerikaans-Britse invasiemacht (“Nederland wilde hiermee zijn reputatie als betrouwbare partner in internationale militaire operaties gestand doen”).
De commissie vindt het onderscheid dat de Nederlandse regering maakte tussen offensieve en defensieve wapens, waarbij de Patriots (luchtafweerraketten voor de middellange afstand) slechts als verdedigende, preventieve wapens werden gezien, aanvechtbaar. Drie Patriot-systemen werden op verzoek in Turkije gestationeerd ter bescherming van de Turkse bevolking tegen de Al Hussein-raketten van Saddam Hussein. De Al Hussein, een upgrade van de Scud, is een Iraakse ballistische raket met een langer bereik dan de Scud.
De eventuele benoeming van Jaap de Hoop Scheffer tot Secretaris-Generaal van de NAVO heeft geen invloed gehad op de politieke steun aan de VS. Op 5 januari 2004 begon de De Hoop Scheffer als SG van de NAVO.
Handelsbelangen hebben geen rol gespeeld bij de totstandkoming van het Nederlandse Irak-beleid.
Ik heb een haat-liefdeverhouding met Arnold Karskens. Aan de ene kant schrijft hij prachtige boeken over oorlog(sverslaggeving) – zoals zijn geschiedenis van de Nederlandse oorlogsverslaggeving van Heiligerlee tot Kosovo – aan de andere wordt hij (naar mijn mening terecht) neergesabeld door Defensie omdat hij eenzijdig, zonder het toepassen van hoor en wederhoor, bericht uit Uruzgan. Karskens is intussen heilig gaan geloven in de alomtegenwoordige muilkorf van het Ministerie van Defensie en gaat alleen al daarom unembedded op pad in Afghanistan. Ondanks zijn jarenlange ervaring aan de frontlinies van het wereldwijde conflict, gelooft Karskens blijkbaar in het maakbare ideaalbeeld van een oorlog die verloopt in de geijkte sjablonen van goed versus fout – en dat is zijn goed recht.
Gelukkig voor de lezer van ‘Rebellen met een reden’ is Karskens niet alleen de oorlogscorrespondent die op tv rondbazuint hoe slecht de Nederlandse militairen in Afghanistan bezig zijn. In dit boek schetst hij de die-hards, dwarsliggers, extremisten, revolutionairen en strijders voor een of andere na te streven vrijheid. Allen zijn bereid te doden uit idealisme, maar ach… uiteindelijk is iedereen van vlees en bloed geneigd tot het kwaad. Rebel zijn anno 2009 heeft niet altijd meer direct iets te maken met het niet erkennen van een wettige regering.
Het idealisme van rebelse personen ontstaat vaak na indringende confrontaties met de andere kant van de waarheid in oorlogssituaties, bijvoorbeeld na desertie (Poncke Princen), de avontuurlijke noodzaak om de onderdrukten der aarde te behoeden voor het kapitalisme (Tanja Nijmeijer) of vrijheidsidealen van volkeren die een steuntje in de rug nodig hebben (Johan Tilder en Rob van Veen). Vaak worden ze hierbij een handje geholpen door een relatie die op de klippen is gelopen, twaalf ambachten en dertien ongelukken en/of de idee dat alles beter is dan thuis werkeloos te blijven toezien.
De tien ‘rebellen’ die door Karskens zijn geboekstaafd vallen allen in deze categorieën. Voeg daarbij nog de romantische verering van het leven als rebel. In de verantwoording van zijn boek schrijft hij profetisch: “De kans dat u als lezer overigens ooit zelf de stoute schoenen aantrekt, de schepen achter u verbrandt en bewust kiest voor een gevaarlijk bestaan aan het front, valt alleen in promillen uit te drukken.” Als dat zo is – en éénduizendste deel van de Nederlandse bevolking tot deze niet al te lucide stap in staat moet worden gesteld – zullen nog altijd duizenden Nederlanders de oversteek naar de frontlijnen maken. Ik doe het ze niet na. Niet omdat ik niet zou durven, maar omdat het lot anders heeft bepaald. Mijn bestemming werd die van echtgenoot, papa en onderofficier. Nijmeijer, Tilder en Princen deden het wel...
Het ambitieuze reisdoel van Tanja Nijmeijer – “een meisje met grote tieten en een mooi snuitje” – werd Colombia, overigens zonder de persoonlijke noodzaak de wapens op te pakken. In gedachten iets te willen doen voor de ' verworpenen der aarde' werd de gesjeesde studente een gedreven pseudo-guerrillastrijdster bij de Fuerzas Armadas Revolucionarias de Colombia (FARC)… en werd tolk-vertaalster. Ze kwam erachter dat “de revolutionaire theorie vaak niet strookt met de praktijk” Dat had je ook in Nederland nog kunnen beseffen.
Johan Tilder werd in Kroatië één van de Dutch Dirty Dozen, zoals de Amerikaanse medestrijder Tom Chittum de Nederlandse vrijwilligers omschreef in Soldier of Fortune. Tilder (“Wild Bill”) ging helemaal op in zijn huurlingenbestaan, huwde een Kroatische schone, maar door verraad kon hij zijn avontuur niet overleven. Ook dat stond niet in de folder van het rebellenschap.
Zijn desertie kwam ook Poncke Princen duur te staan. Weliswaar werd hij niet meteen gedood en in een volgende levensfase zelfs een hartstochtelijk mensenrechtenactivist in Indonesië, het overlopen in oorlogstijd zal hem altijd kwalijk worden genomen door zijn kameraden van toen. In Nederland was hij persona non grata. Ook dat had hij kunnen weten.
Uit bovenstaande drie voorbeelden blijkt wel dat het beeld van oorlogvoering door rebelse idealisten zéér realistisch is. Het wordt bepaald door en omgeven met leiders met dubbele agenda’s, warlords, terroristische motieven, ordinaire criminaliteit en pathologische leugens. Als klap op de vuurpijl raakten de rebellen uiteindelijk ‘gevangen’ in het web van hun eigen ideaalbeeld. Of ze kwamen erdoor om het leven. Hoe idyllisch, mythisch of romantisch ook, dat maakt het op rationele gronden verruilen van een alledaags huis-, tuin- en keukenbestaan voor het rebellenleven bij voorbaat redenloos. Helaas zagen de rebellen dat pas achteraf in … of in het geheel niet meer.
Een boek met een enorme aanloop. Het begin is taai en zelfs een beetje vervelend te noemen, maar wie de moeite neemt kan zich daar doorheen worstelen. Hans W. Korsten heeft aan de hand van ware gebeurtenissen, brieven en getuigenissen het levensverhaal verteld van zijn op 15 augustus 1947, tijdens de Eerste Politionele Actie bij Soemowono in de sector Ambarawa op Java, gesneuvelde 21-jarige broer Bart P. Korsten.
Korsten is uitgegaan van de nog door zijn broer zelf vertelde belevenissen. Bart zond uit Indonesië brieven en gedichten waarin hij ook teruggreep op zijn oorlogsjaren in Nederland. Bart hoorde vlak vóór het uitbreken van de oorlog op de padvinderij het verslag van een akela, die aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog haar joodse ouders in Duitsland had bezocht. Dat verhaal greep hem erg aan. Na de Duitse inval weigerde hij op te komen voor de Arbeidsdienst en dook hij onder in Noord-Limburg.
Een bezoek aan zijn zieke vader werd hem bijna noodlottig. Met het doorknippen van telefoonkabels en het in brand steken van goederentreinen met stro werd hij saboteur en opgenomen in een kleine partizanengroep. Bij een vuurgevecht met een Duitse patrouille raakte hij zwaargewond en werd opgenomen in het Sint Annaziekenhuis in Geldrop. De bevrijding van Noord-Nederland stelde hem in staat als vrijwilliger met het Stoottroepen Commando-West deel te nemen aan de laatste gevechten met de Duitsers aan de Waal en in het Reichswald bij het Duitse Kleef.
Op 26 juli 1956, als de Egyptische president Nasser het Suez-kanaal nationaliseert, is het 1er Régiment Étranger de Parachutistes (1 REP) van het Vreemdelingenlegioen gestationeerd in Port Fouad, op de linkerlandtong van het kanaal. Port Saïd ligt aan de overkant. Drie maanden later vallen Israël, Engeland en Frankrijk de havenstad vanaf vliegdekschepen en luchthavens op Cyprus en Malta aan. De internationale status van het Suez-kanaal moet gehandhaafd blijven.
Onder de militairen van 1 REP bevindt zich de Amsterdammer Wilhelmus Adrianus Hermanus Vaal, geboren op 20 maart 1932, Wim Vaal dus. Later bekend geworden als “le sergent Baraka” – de geluksvogel, de onkwetsbare. Het is 5 november 1956 als de dropping wordt uitgevoerd, waarna er wordt opgetrokken naar El Cap en Blida. Vaal blijkt niet onkwetsbaar: hij raakt gewond, later nog tweemaal.
In 1957 gaan Vaal en zijn kameraden stakingen breken in de Franse kolonie Algerije. In Algiers voeren ze politietaken uit tegen het Front Libération National (FLN), houden ze alleszins een ‘schoonmaak’. Een pacificatie, waarbij bescherming en hulp wordt geboden aan de bevolking, de Franse wel-te-verstaan… Algiers wordt het centrum van de onafhankelijkheidsoorlog, de Bataille d’Alger, waar Frankrijk met alle macht haar belangen en die van de pieds noirs verdedigt tegen de rebellen van het FLN. Arrestaties en ondervragingen zijn aan de orde van de dag, ook door een officier die alleen maar geïnteresseerd is in het martelen van de rebellen: Jean-Marie Le Pen.
Over hem schrijft Vaal: “Le Pen is gewelddadig vanuit een racistisch principe. De rotzooi die je hebt op te ruimen als Jean-Marie bezig is geweest is onbeschrijfelijk.” Vaal voelt zich “tachtig kilo vlees met een geweer” - een mitraillette MAS38.
Onder de rauwdouwers, avonturiers en halve criminelen van het legioen is er geen weg meer terug. Allang niet meer. Als hij al had willen deserteren, zou hij worden doorgestuurd naar het strafkamp in de alles en iedereen verzengende woestijnhitte van Colomb Béchar (op 1.000 km van Algiers).
De enige manier, zegt Vaal, om in het Vreemdelingenlegioen te overleven is om zo weinig mogelijk na te denken. Anders draai je door (cafard): “Het besef dat je een fiks deel van je overlevingskansen niet in eigen hand hebt, kan te zwaar gaan wegen.” Het legioen was nu eenmaal de plaats waar ze hem nodig hadden, de 1 meter 90 lange Nederlander. Hij wist ook: “Het ego van de rekruten moet worden gebroken. Voornaamste ingrediënten: eindeloze vernederingen en afmattend corvee.” Om het ongeoefende, dikke, luie lichaam tot vernederens toe te trainen (dégraissage of ontvetting). Een leuke klus voor de instructeurs, waarvan in die tijd de meerderheid Duitser is en sommige oud-SS'er.
Uit Vaal’s boek dampt vanaf elke bladzijde de kameraadschap uit het legioen: “Camaraderie is onontbeerlijk om tot resultaten te komen, om te overleven”. Vriendschappen voor het leven, om de marche forcées altijd te kunnen uitlopen, samen ‘Le boudin’ (over de witte bloedworst) te zingen, gezamenlijk “het belang van discipline, van hygiëne, van presentatie” in te zien.
Peter Dicker en Wim Vaal hebben een prachtboek geschreven over de belevenissen van een legionair. Ik heb ontdekt dat ik een heel klein beetje op Wim Vaal lijk: “Ik vind elke koffie even lekker, koud, lauw, opgewarmd: het ritueel is haast nog belangrijker dan de smaak.”
“Gefährlich ist wer Schmerzen kennt Vom Feuer das den Geist verbrennt”
Rammstein – ‘Feuer Frei!’ (2002)
Gefictionaliseerde non-fictie is een weinig gebruikte term: de schrijver vertaalt de werkelijkheid tot fictie. Gebeurtenissen, karakters, dialogen worden (samengebald) verzonnen, waardoor een werkelijkheid kan ontstaan die niet helemaal zo was maar zo in elkaar is gezet. Dit lijkt in ‘Soldaat in Uruzgan’ niet het geval: alleen hebben de karakters een andere naam gekregen, met uitzondering van geestelijk verzorgster Ank en de journalisten Hans en Joeri. Hierdoor heb je weinig verbeeldingskracht nodig om het realisme van een militaire missie als die in Uruzgan te begrijpen.
Toch is het fictief maken van de alledaagse werkelijkheid in Uruzgan pure noodzaak als je bij Defensie werkt, zoals Niels Roelen. De operationele veiligheid van zowel missie als deelnemend personeel mag niet in gevaar komen, noch die van Blossum, Muppet en Binkie – zijn thuisfront.
Kapitein Vik de Wildt vertrekt in juli 2007 voor viereneenhalve maand naar Afghanistan, naar Uruzgan, Tarin Kowt, Kamp Holland. Land van ‘dust devils’, mullahs, maliks, Taliban en bermbommen, om er te werken als plaatsvervangend commandant van een infanteriecompagnie van de Battle Group van de Task Force Uruzgan was.
Als je de ‘exotische’ namen van de karakteristieke terreinkenmerken in Uruzgan leest – o.a. Cemetary Hill, de kruispunten Cheese, Chutu, Irish, Kottwall of Spinketcha, De Twee Tieten, East- en Westbank, Karna Hill en Road, Patria Ditch, Roller Coaster Hill, Wanov Bridge over de rivier Teri Rud, White Compound en de Wrat van Shah Mansur – ziet de kenner de overeenkomst met vroegere conflictgebieden als Nederlands-Indië, Korea en Libanon. Daar deden ze dat ook altijd, overal namen aan geven, voor het tactische gemak, hier ook omdat de namen in het Dari of Pashto onuitspreekbaar zijn. Tot slot worden de quala’s in Uruzgan genummerd in plaats van omschreven: “de vijfde quala links als je vanaf de hoofdweg naar Chora voorbij de White Compound bent gereden”. Eenvoud siert de militaire mens: keep it stupidly simple. De militaire situatie in Uruzgan leer je behoorlijk goed kennen door het bewonderenswaardige observatievermogen van Roelen; hij ‘sponst’ voortdurend. Ritmeester Niels en zijn alter ego Vik zijn niet voor niets verkenners.
De militairen hebben het niet gemakkelijk. Ze hebben in meer of mindere mate last van de zweetdoordrenkende hitte van de dasht, het primitieve op de gepimpte patrouilleposten, soms ook van camel spiders en schorpioen, IED’s, suïciders, onbetrouwbare Afghaanse agenten die hun post verlaten om even naar de bazaar te gaan en/of onder invloed van drugs zijn, maar ook van vuur moeten uitlokken om zo de benodigde luchtsteun te kunnen inzetten, de Taliban die er 2.500 dollar voor over heeft om een tolk te doden, af en toe tactical freezes als zich een incident voordoet, de frustratie als het tijdens een operatie lijkt of iemand ze tipt over de plannen, maar ze weten niet wie en hoe…
“Haast is hier levensgevaarlijk”. Rustig aan, dan breekt het lijntje niet, wat je ook niet wilt bij die temperaturen. Tijd speelt geen rol, mensenlevens des te meer. Daarom worden operaties soms ook op het laatste moment ‘gerolext’ (afgebroken, uitgesteld).
In de maandenlange uitzending voelt De Wildt zich “een soort jehova voor vrijheid van meningsuiting en democratie” (p. 125). Zo’n bovenmenselijk streven heb je wel nodig bij een expeditionaire opdracht als deze, waarin de werkelijkheid bestaat uit hostile intents en hostile acts. Hiertussen is het verschil flinterdun: “Bij een hostile act (vijandige actie) mag je direct terugschieten. Hostile intent (vijandig voornemen) geeft aan dat ze een bom of zo maken.” (Uruzgan: militair, mens, missie, Riekelt Pasterkamp, p. 79)
Dat een missie – zoals die opdoemt uit ‘Soldaat in Uruzgan’: vechten, vechten en nog eens vechten – onervaren jongens als bij toverslag verandert in wereldwijze volwassenen, wordt duidelijk. Dat velen zelfs verlangen naar gevaar, omdat ze willen weten hoe ze reageren. Vik’s ontlading na een TIC is kenmerkend: “Eigenlijk heb ik me nog nooit zo springlevend gevoeld als op het moment dat ik dacht dat ik doodging”. Toch zijn het geen adrenalinejunkies of thrill-seekers.
Ik vind zijn boek een succes, zeker voor een debuut: zonder literaire pretenties of tierelantijntjes, zonder schoolmeesterachtige voors en tegens geeft Niels Roelen een supersnel te lezen, meeslepende en vooral open kijk op het dagelijks leven van Onze Militairen in Uruzgan. Dat hij dit voor elkaar heeft gekregen binnen de hectiek van zijn functie en met gebruikmaking van de speelruimte die het communicatiebeleid van Defensie biedt, slaat bij mij in als een Bunkerfaust. Chapeau!
Het kriebelt… maar de verantwoordelijkheden die je vandaag de dag hebt, houden je tegen. Dan zie je het voor je… een kruising tussen de geflipte kolonel Kurtz uit ‘Apocalypse Now’, een dollars cashende huurling voor een private military company in donker Afrika en Johan Tilder in Kroatië. Dat is zo'n beetje het beeld dat ik had van de overdreven ‘romantiek’ van mensen die vrijwillig oorlog voeren. Een nieuwsgierige blik ook, want oorlog spreekt nu eenmaal tot de verbeelding. En van reizen, avontuur en sensatie. Maar ook van jongens met een gedegen militaire opleiding die het zat zijn om in het keurslijf geperst te blijven van de benauwende hokjesgeestmentaliteit van Nederland.
Rende van de Kamp is zo’n vrijwilliger. Hij heeft gedaan waar ik toen en nu niet het lef voor had… en nu kan het niet meer vanwege al die alledaagse besognes en verantwoordelijkheden. Des te beter dat je er zeer prettig over kan lezen in ‘Soldaat voor een ander’, nota bene het eerste boek van twee delen.
Als je alleen al de inleiding in te opneemt, bekruipt je het prettige gevoel dat er nog veel meer braakliggend terrein is in huurlingenland. Okay dan, de Zoeaven kende ik al, net als Jef Last en Poncke Princen. Maar voor de rest was dit eerste deel al een behoorlijke openbaring, van de Batavier Soranus in Romeinse dienst tot en met Frans Veltien, die van 1981 tot ’87 als legionair diende in het 2ème Régiment Étranger de Parachutistes.
Krijgshaftig zijn ze overigens zonder twijfel allemaal. Bij de pauselijke Zoeaven gaan de gedachten terug naar de vermaarde Pieter Janszoon Jong; bij Henri Slegtkamp denk ik aan de Slag bij Elandslaagte (de enige veldslag in de Boerenoorlog waarbij het zojuist opgerichte Hollanderkorps optrad en gruwelijk in de pan werd gehakt); bij Poncke Princen krijg ik niets dan braakneigingen en betrap ik mezelf erop dat ik de verhalen van de Groep “Erik”, die jacht maakte op deze overloper en landverrader, liefst uitgediept had gezien. Eenzelfde negatieve connotatie heb ik bij Klaas de Jonge.
Het verhaal van Jan Hagen, de Amsterdammer die vanuit Nieuw-Zeeland krijgshaftige dingen meemaakte, geeft wellicht het antwoord: “Oorlog is meer psychologie dan schieten.” Blijkbaar is het ook een filosofisch vraagstuk…
Dan: bij de oud-commando Da(a)n Ketting Olivier vraag ik me af of er een (mogelijke) familiale band is met Johan Frans Ketting Olivier, de soldaat van het Nederlands Detachement Verenigde Naties die in 1951 sneuvelde en postuum werd onderscheiden tot Ridder der 4e klasse Militaire Willemsorde.
Maar de meest interessante hoofdstukken zijn gewijd aan Douwe van der Bos, initiator van de 1st Dutch Volunteer Unit, en één van haar leden, Joost van Dijk. De periode waar het hier om gaat is te behappen: de oorlog in voormalig Joegoslavië. Bekend terrein voor de wat oudere jongere. Voor het overige leest alles over de vrijwilligers in Kroatische dienst als een spannend jongensboek met zeker ook minder charmante kanten – en dan heb ik het niet over het eten van bonensoep of aardappels schillen met een bajonet. Vooral het verhaal van Van Dijk is in al zijn rauwheid een openbaring om te lezen. Ook hij vocht in de jaren ’90 voor de Kroaten tegen de Serviërs in platoon 118 van de 1st Dutch Volunteer Unit.
Joost van Dijk.
Het bevestigt eens te meer dat gewone mensen op ongewone tijdstippen ‘geroepen’ kunnen worden door het lot.
Een x-aantal verhalen in ‘Soldaat voor een ander’ bevestigt het beeld dat bij vreemde krijgdienst niet alleen mag worden gedacht aan huurlingen en andere Rambo-lijkende ijzervreters.
Het relaas over Jeske van Rijthoven, de eerste Nederlandse vrouw sinds de Belgen in 2004 hun deuren openden voor andere EU-burgers, is hiervan een schoolvoorbeeld.
Al met al blijft na lezing van dit boek één beeld hangen en knagen tegelijk: het is maar net aan welke kant van de grens je woont of je aangetrokken wordt tot reizen, avontuur en sensatie.
Eén ding moet gezegd om te overmoedige lezers het gras voor de voeten weg te maaien: bezint eer gij begint. Actief meedoen aan het voeren van oorlog is allesbehalve romantisch.
Jeske van Rijthoven.
Voor het overige geldt: dit boek van Van de Kamp moet je lezen als je geïnteresseerd bent in de militaire avonturen van parachutespringers die echt springen, want: “Happy are those, who dream dreams and are willing to pay the price to see them come true". En anders kun je altijd nog dingen gaan doen in ‘worldwide security solutions’…
Een vredesoperatie loopt ernstig mis: wie is dan verantwoordelijk? In 1993 stierven jonge Somaliërs door toedoen van Canadese militairen. Belgische en Nederlandse VN-blauwhelmen konden in respectievelijk Rwanda (1994) en Srebrenica (1995) een genocide niet voorkomen. Op papier zijn de verantwoordelijkheidsregels van politiek en krijgsmacht sluitend. De praktijk is echter weerbarstig. De inzet is hoog: leven en dood, moed en lafheid. Vooral de slachtoffers riepen om harde sanctionering van de verantwoordelijken.
Onderzoekscommissies bogen zich keer op keer over de gevoelige materie. Journalisten zagen in de drie ontspoorde vredesmissies – Somalië, Rwanda en Srebrenica – een aanleiding om de machinaties van politici en militairen bloot te leggen.
Deze studie analyseert de processen van verantwoording in Canada, België en Nederland. Welke tactieken gebruikten betrokkenen om verantwoordelijkheid te ontwijken of door te schuiven? De complexiteit van de gebeurtenissen en de organisaties (het many hands-fenomeen) bood genoeg argumenten én de ruimte om het spel van verantwoordelijkheidstoedeling jarenlang vol te houden, met een weinig bevredigende afloop.
In 2003 nam cameraman Stan Storimans in Engeland deel aan een overlevingscursus die werd gegeven door leden van de Special Air Service: “Die SAS-instructeurs vertelden onder meer wat de vuistregel is voor een inkomende mortier: als je het geluid hoort, is het goed, want dan valt ie ergens anders. Als je het geluid niet hoort is het ook goed, want dan ben je op slag dood.” Vijf jaar later, op 12 augustus 2008, kwam hij in de verlaten Georgische stad Gori om het leven door een clusterbom van Russische makelij. Hij was op slag dood. Het deed er niets toe of je wel of geen geluid hoorde…
“De derde avond ‘in het veld’ moest ik naar de latrine. Dat klinkt simpeler dan het was, omdat het pikdonker was. Daarom was een lampje bij de latrine opgehangen dat alleen met een nachtkijker te zien was. Die moest je dus eerst opzetten voordat je naar de wc ging. Maar voor ons journalisten was er nog een bijkomende ‘handicap’: we moesten als we móésten eerst onze persoonlijke beveiliger wekken. Die diende ons namelijk op elke stap te begeleiden, dus ook naar de plee. En hij moest dat gewapend doen. Dus schuifelden we met z’n tweeën door het zand, in het grote zwarte niets, langzaam richting het lichtje bij de latrine. Ik arriveerde bij die greppel, liet mijn broek zakken en hurkte. Op dat moment kreeg ik bijna een hartwip: ik belandde op twee harige benen. Bleek er al iemand op de latrine te zitten…”
STAN STORIMANS. OOG OP DE WERELD (pagina 70 en 71)
Stan was in Gori – de geboortestad van Stalin op ± 25 km van de frontlinie in de afvallige provincie Zuid-Ossetië – om met RTL-correspondent Jeroen Akkermans een rapportage over de geëvacueerde stad te maken, maar werd de zevende Nederlandse naoorlogse journalist die tijdens zijn werk in een brandhaard het leven liet.
Tilburger Storimans kwam in 1987, na het behalen van zijn mavo-diploma, in dienst van het lokale Persbureau Van Eijndhoven, waar hij het vak van cameraman leerde. Via de NOS en RTL Nieuws begon hij in 2000 zijn eigen zaak in zijn woonplaats Goirle. Getuige het boek was Stan Storimans het prototype van een cameraman die leefde voor zijn vak. Werk dat hem stuurde naar de meest uiteenlopende gebieden ter wereld.
Met journalisten en militairen hebben cameramensen de overeenkomst dat ze in gebieden komen waar andere mensen nooit komen en worden blootgesteld aan gevaren waar anderen nooit aan blootgesteld worden. Tijdens het ‘schieten van beelden’ is geen tijd voor reflectie. Het overdenken van goed en kwaad doe je achteraf, als alle ellende en rampspoed achter de rug zijn.
Soms is dat werk behoorlijk slopend, maar dat houd je vol door de adrenaline die iedere dag weer door je lijf giert. Dat gebeurt op journalistieke trips naar crisisgebieden, dat gebeurt evengoed tijdens militaire uitzendingen. Weer zo’n overeenkomst. Bart Hettema zegt in het boek ergens: “Sommige mensen zeggen dat wij de ellende op gaan zoeken en daar hebben ze gelijk in. Dat is namelijk ons vak.” Dat opzoeken van de ellende is ook weer inherent aan het werk van militairen. Wij gaan niet naar Afghanistan om katjes uit een boom te halen.
Storimans zou in totaal negenmaal naar Afghanistan reizen. Hoewel dat land veel gevaarlijker was dan – pak ‘m beet – de binnenstad van Tilburg, is hem daar nooit iets overkomen. Hij maakte er onder andere een documentaire met de commando’s, samen met Bart Hettema en George Marlet van het dagblad Trouw. “Pas als je jezelf gaat ruiken, ben je een echte commando”, werd hem gezegd. In Afghanistan werkte hij embedded (dus min of meer in een spagaat), maar daar had hij geen problemen mee. Meer problemen had hij met mensen die op routine gaan varen, nonchalant worden en roekeloos: die overlijden. “Routine stompt af, leidt tot gemakzucht en tot draaien op de automatische piloot”.
In de aparte wereld van fixers (lokale assistenten), frames (beeldje ter grootte van 1/24ste van een seconde) e.d. stond Storimans zijn mannetje, met humor om te overleven, grof taalgebruik ook (“Ophoeren!”) en de stelregel: je komt altijd met een verhaal thuis. Hoe dan ook. Na Gori kwam de gehele wereldpers met het verhaal van Stan thuis. Een man die zijn pappenheimers kende binnen het soms gevaarlijke wereldje van shots maken van het wereldnieuws. Een man die het gemaakt had, ook volgens de Grieks-filosofische definitie van een man. Bart Hettema haalde op de uitvaartdienst van Stan aan, dat je pas een man bent als je vier dingen hebt gedaan: “bouw een huis, plant een boom, verwek een zoon en schrijf een boek.” Ter nagedachtenis aan leven en werk van een geëngageerde cameraman die altijd boven op het nieuws zat, is dit boek uitstekend geschreven.
Zoals we in Nederland leunstoelstrategen, generaals buiten dienst en andere talking-heads hebben die zich in allerhande fora en gremia menen te moeten profileren met hun kennis en kunde op het gebied van oorlog, zo kent België professor Luc de Vos (1946). Deze autoriteit met relevante militaire achtergrondkennis (voormalig kolonel) geeft in ‘Strategie en tactiek. Inleiding tot de moderne krijgsgeschiedenis’ een proeve van bekwaamheid die, in elk geval wat leesbaarheid betreft, op punten wint van soortgelijke Nederlandse publicaties.
Strategisch denken is eigen aan de mens, dus vanzelfsprekend eigen aan de militaire mens. Bij de waarlijk militaire mens stroomt gecamoufleerd bloed als het ware door de aderen, hier en daar verstevigd met concertina’s. Gelukkig zijn de strategie en tactiek binnen oorlogvoering zowel deel van de evolutie als zelf aan evolutie onderhevig. Stel je eens voor dat de landingen op Grenada in 1983 – een klein deel van de rivaliteit tussen de VS en Cuba in het Ronald Reagan-tijdperk – op eenzelfde manier zouden zijn verlopen als de geallieerde landingen tijdens D-Day? Of dat de beide Golfoorlogen (1991 en 2003) even berucht om het gebruik van gifgas zouden zijn geworden als de Eerste Wereldoorlog?
Hoewel De Vos een nakomeling is van de Koude Oorlog, strekt zijn bekwaamheid zich uit op heel veel meer terreinen, van prehistorie tot en met hedendaagse krijgsgeschiedenis. De ontwikkelingen in tactisch en strategisch opzicht zijn kundig opgetekend. Termen, principes en regelgeving passeren de revue, doorslaggevende veldslagen, de dominante rol van de media, geraffineerde psychologische strategieën en de alles vernietigende hightech-oorlogvoering zoals die onder andere tijdens beide Golfoorlogen is toegepast. De brug naar de actualiteit is gemakkelijk te slaan. Denk aan Afghanistan, Kosovo, Libanon.
“Wie de geschiedenis niet kent, is gedoemd haar te herhalen” is een veelgehoord adagium. Een relatief onbekend krijgskundig voorbeeld is bijvoorbeeld de Slag bij Sint-Gotthard (1 augustus 1664), door De Vos consequent aangeduid als Szentgotthárd. Deze strijd werd geleverd ten tijde van de Habsburgs-Osmaanse oorlogen. De ene partij werd aangevoerd door de Italiaanse generaal in Oostenrijkse dienst Raimondo Montecuccoli, de andere door de Turkse grootvizier (premier) Ahmed Köprülü. Montecuccoli, wiens leger zegevierde, blijkt dan de man achter de krijgskundige verhandeling ‘Dell'arte militare’. Dat zijn interessante dingen om te weten.
Luc de Vos leert mij, onder veel meer andere dingen, dat geschiedenis interessant is en krijgsgeschiedenis aantrekkelijk. Eigenlijk is geschiedenis zonder enig krijgselement zelden van enig gewicht geweest voor het verloop van de gebeurtenissen op het wereldpodium.
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt derhalve niets over een aan het boek toegekende waardering.
Je kunt zo een aantal groepen in de maatschappij onderkennen die er heel veel mee werken: managers, schakers, voetbaltrainers… en natuurlijk militairen. Tactiek. Draait het bij voetbal om het krijgen en behouden van balbezit om goals te kunnen maken, bij schaken om het vooruitdenken om de tegenspeler mat te zetten en bij management om het behalen van bedrijfsresultaten, binnen het militaire bedrijf – de krijgsmacht – ligt tactiek moeilijker.
Het gezegde “Tactiek is simpel, maar simpele tactiek is moeilijk” is een understatement. Het gaat niet enkel om wat je doet om specifieke militaire einddoelen tegen een bepaalde vijand te bereiken, het gaat er in het bijzonder om hoe je dat doet of denkt te doen. Tactisch optreden wordt voorafgegaan door een strategisch denkwijze. Hoe je die denktrant omzet naar tactisch handelen is de grote kunst: hoe ter plekke, te velde, in het terrein (operatiegebied) militair optreden ten uitvoer te brengen.
Bijvoorbeeld in Uruzgan wordt dat militair optreden 24/7 in de praktijk gebracht. Daar vallen de puzzelstukjes van opleiding en training, talenten en vaardigheden, niet toevallige ervaring en plotseling optredende heldhaftigheid op hun plek. Om de grondbeginselen van het tactisch plaatje dat onder andere in het zuiden van Afghanistan wordt toegepast beter te begrijpen, is er ‘Tactiek om te begrijpen’.
Het boek is door niet de minsten geschreven: brigadegeneraal Otto van Wiggen, luitenant-kolonel b.d. Theo Pollaert en luitenant-kolonel Erik Jellema. Van het drietal werd Van Wiggen bekend als commandant van het Korps Commando Troepen (1998-2002) en kreeg Jellema bekendheid als de compagniescommandant van de Bravo-compagnie van 11 Infanteriebataljon Luchtmobiel in Srebrenica-Stad in 1995, waarover hij het boek First-in schreef.
Woorden wekken, maar voorbeelden trekken, dat bewijzen de voorbeelden in dit boek. De tactische beginselen ‘sterker zijn dan de tegenstander’, ‘vuuroverwicht’, ‘vuur en beweging’ en ‘vrijheid van handelen’ worden verduidelijkt om enige basale kennis te verkrijgen over het interessante deelaspect ‘tactiek’. Irak, Afghanistan en de Falklandoorlog (1982) worden erbij gesleept, maar niet op een irritante of opdringerige manier die afleidt van waar het om gaat. Sterker nog: de beschrijvingen van vuur en beweging voor de slag om Mount Tumbledown en vrijheid van handelen voor de slag om Mount Harriet spreken boekdelen. Na die slagen, waarin op sommige plaatsen de vijand zelfs met de bajonet moest worden verdreven, gaven de Argentijnen zich gewonnen. De krijgshistorische voorbeelden worden verduidelijkt met prachtige tekeningen, gemaakt door Wim Rietkerk en Emile Post.
Eén van de prachtige tekeningen, gemaakt door Wim Rietkerk en Emile Post.
‘Tactiek om te begrijpen’ is een aanvulling op de voorschriften, leidraden en handboeken. Waar in die laatsten de nadruk vooral ligt op procedures en gevechtsexercities, worden in dit boek de complexe beginselen van “waarom hoe te handelen” in acht hoofdstukken in klare taal weergegeven.
En ja: tactiek valt te leren, althans dat is wat de auteurs aangeven in het laatste hoofdstuk. Al is dit niet academische boek vooral bedoeld om het tactische denken van commandanten op alle niveaus te stimuleren. Dat is wat mij betreft gelukt. Al op de eerste bladzijde van het eerste hoofdstuk word ikzelf getriggerd door het opvoeren van Aleksandr Svechin en zijn boek Strategie (1927), die daarin schrijft dat “Tactics form the steps, from which operational leaps are assembled. Strategy points out the path.”
Het boek Strategie van de Russische generaal-majoor der artillerie Aleksandr A. Svechin (1878-1938).
Volgens de auteurs wordt hierin “waarschijnlijk het beste” de samenhang tussen de drie niveaus van militair optreden samengevat. Dan wil ik dus weten: wie was die Svechin. Maar dat is mijn gebrek.
Die Aleksandr A. Svechin (1878-1938) was een Russische artillerie-officier die het bracht tot generaal-majoor. Tussen de beide wereldoorlogen was hij één van de leidende intellectuelen van het Rode Leger, die een hele generatie militairen opleidde die meehielpen aan de overwinning in de Tweede Wereldoorlog. Zijn bijnaam was “Sovjet Clausewitz”. Svechin was een begrip, genshtabist – officier van de generale staf – en voyenspets – militair specialist.
Hij introduceerde als eerste de term “operativnoe iskusstvo” (operational art, operationeel) om te refereren aan een derde categorie krijgskunde tussen strategie en tactiek. En zo kom ik, weliswaar via een omweg, terug op de stellingname van het schrijverstrio in ‘Tactiek om te begrijpen’, want het draait allemaal om het verband tussen strategie, operationeel en tactiek.
Kortom, om de operationele niveaus. En die zijn stuk voor stuk erg interessant. En ja: tactiek valt tot op zekere hoogte te leren.
In 2007 ging de man met de “grijze haardos, dito baardje en klassieke bril”, zoals de Defensiekrant hem noemde, voor precies 100 dagen als Functional Specialist Juridicial naar Uruzgan. “Zonder baard tel je in Uruzgan niet mee.”
Alles heeft jaren in die richting gewezen: de man die ruim 35 jaar als arbeidsrechtadvocaat werkte bij advocatenkantoor Nauta Dutilh, tinnen soldaatjes verzamelt, voorzitter is van de Stichting Vrienden van het Legermuseum en Sun Tzu's ‘De kunst van het oorlogvoeren’ tot een gids voor advocaten bewerkte, trad als reservist toe tot 1 CIMIC-bataljon. Een man van de omgekeerde wereld: dochterlief ging haar vader vóór met een uitzending tijdens SFOR-6. Terwijl iedereen op zijn leeftijd op zijn lauweren zou rusten, niet mr. Gijs Scholtens.
Van februari tot en met mei 2007 ging hij voor de eerste keer naar Uruzgan, waarover hij dit boek schreef. Het is gelardeerd met honderden – helaas – merendeels zwart-witte foto’s. Voor het Provincial Reconstruction Team (PRT) was hem gevraagd een bijdrage te leveren aan het herstel van het Afghaanse rechtssysteem (“the rule of law”) in Uruzgan. Immers, zonder rechtstaat zijn vrede en veiligheid onmogelijk. Het rechtssysteem in Afghanistan zit gecompliceerder in elkaar dan in Nederland: een combinatie van statelijk recht, islamitisch recht (Sharia) en gewoonterecht (Pashtunwali), via conflictoplossing door de stam- en dorpshoofden.
Met het rechtsgevoel en –bewustzijn van de Afghanen moet allereerst worden omgaan volgens de hedendaagse normen en waarden van Afghanistan, niet volgens die van het westen. Behalve uitdagingen in het kader van deze “law-abiding”, kunnen eenvoudige problemen worden opgelost in het kader van werving, training, uitrusting, salaris (!), monitoring en “incentives” (prikkels), zoals het schouderklopje voor het personeel. Dit rechtsgevoel herstellen is misschien wel het moeilijkste karwei, na de noodzakelijke salarisverhogingen: “Een regelmatig gehoorde uitspraak was dat onder het Taliban regime het allemaal zeer streng was, maar iedereen wist waar hij aan toe was, terwijl er nu democratie en rechteloosheid is.” (p. 286).
Scholtens was de “kampoudste”, zo zegt hij zelf; ik zeg liever ‘éminence grise’. Hij legt uit hoe het voelt om in Uruzgan te zijn en alles over zich heen te laten komen; hij zet uiteen waarom de krijgsmacht het wederopbouwwwerk van NGO’s en IO’s aanvult, hoewel de bewegingsvrijheid beperkt is en de communicatie traag. In het begin van zijn boek geeft hij al aan dat de missie, naar nu blijkt, terecht is verlengd, dat ‘Uruzgan’ niet het trekken aan een dood paard is. Uruzgan is niet tot mislukken gedoemd als het aan de militair specialist juridische zaken ligt. Met recht, denk ik!
Het mag een dooddoener zijn “dat verschillen zorgen voor verdeeldheid tussen mensen en dat belangrijker zijn de overeenkomsten die mensen juist binden” (p. 110), maar Scholtens slaat voor de interactie in Uruzgan de spijker op zijn kop. Als Allah het wil (“Insh’allah”) zorgt die gelijkheid tussen Uruzgani ervoor dat Nederland veel verder kan opereren dan het verste punt van de inktvlek (Chenartu, ± 40 km ten oosten van Tarin Kowt) ten tijde van Scholtens’ eerste uitzending.
‘Qazi Gijs Jan’ praat niet overdreven over zijn vak, maar laat precies de ruimte die je als lezer nodig hebt. De shoptalk van Gijs Scholtens verveelt nergens en de boodschap (“Zonder rule of law geen stability of security”) komt goed over.
Een knap staaltje werk van deze gemilitariseerde oud-advocaat.
Het voeren van oorlog kent verschillende clichés. Zo bereiden generaals zich standaard voor op de vorige oorlog en is het eerste slachtoffer van oorlog de waarheid. De titel van het boek is afkomstig uit 1917 in een citaat van de Amerikaanse senator Hiram Johnson (1866-1945): “The first casualty when war comes is truth” (“Het eerste slachtoffer van de oorlog is de waarheid”).
‘The First Casualty. From the Crimea to Vietnam: The War Correspondent as Hero, Propagandist and Myth Maker’ (Quartet Books, London) wordt algemeen beschouwd als het standaardwerk over de geschiedenis van oorlogsverslaggeving en propaganda. Het is geschreven door de Australische historicus Phillip Knightley en voor het eerst gepubliceerd in 1975.
Knightley’s boek leert onder meer dat ook achter ‘objectieve’ oorlogsverslaggeving propaganda kan schuilgaan – niet alleen in dictaturen en niet enkel in propaganda. Ook (zelf)censuur, chantage, leugens, manipulatie en mythevorming liggen in de oorlogsjournalistiek constant op de loer. Overigens geldt dit niet exclusief voor oorlogsjournalistiek, maar haast alle informatie aan de frontlijn is gekleurd en propaganda is een hindernis die slechts moeizaam kan worden geslecht. Daarnaast heeft ze een negatieve – of op z’n minst: bedenkelijke – reputatie: in de regel is propaganda gecamoufleerd als ‘gewone’ informatie. Reden waarom oorlogsberichtgeving altijd met de nodige terughoudendheid moet worden worden betracht. Alle mogelijke feitenbedrog heeft tot doel het draagvlak voor oorlog bij de andere partij in stand te houden of te vergroten.
Tot en met de Eerste Wereldoorlog stelden het leeuwendeel van de journalisten zich ook al onder de hoede van krijgsmachten – embedded journalism avant la lettre dus. Dat bood voldoende bescherming, want de journalist werd (nog) niet gezien als een lastige pottenkijker of een bedreiging voor de oprukkende strijdmacht, laat staan als een doelwit. Oorlogsverslaggevers hoefden enkel rekening te houden met de risico’s van het gevecht: een hoog loodgehalte.
Het lijkt er soms op dat de oorlogsverslaggeving anno 21ste eeuw terug is op het niveau van de Napoleontische tijd, toen generaals de oorlogsberichten naar het achtergebied doorgaven en er geen vrije pers bestond. Die vrije pers is er nog wel, althans in de zich democratisch noemende wereld, maar in tijden van ‘hurry, hype and heave’ zijn het eerst de nuances en daarna de feiten die het loodje leggen. Vanwege de snelheid waarmee het nieuws moet worden gebracht, lijkt kwantiteit – behalve bij kwaliteitskranten als de Volkskrant en NRC Handelsblad – oneindig veel belangrijker dan kwaliteit: een snel op het internet gedropte tweet betekent al dat de wedkamp met een 24/7-televisiestation als CNN (“als het niet op televisie komt, is het niet gebeurd”) is gewonnen, hoe nietszeggend die nieuwsmededeling feitelijk ook kan zijn.
Zelfs het meest futiele nieuwsfeitje uit de gelederen van het Defensieapparaat wordt gereguleerd door eigen voorlichters en PR-mensen die de doelen van hun commandant dienen. Om twee ondubbelzinnige redenen: er is nu eenmaal informatie die de tegenpartij niet in zijn voordeel mag gebruiken en er is informatie die de eigen militairen zou kunnen demoraliseren.
Soms doen commandanten hun uiterste best om journalisten buiten de deur te houden, hun bewegingsvrijheid in te perken en berichtgeving met militair ongepaste of onwelgevallige informatie voor ‘de harde enter’ te zuiveren. Censuur ligt op de loer, ook onder embedded journalisten. Hier keurt de slager immers gemakkelijk zijn eigen vlees: hij kan zich laten meeslepen door vaderlandsliefde en/of zich te veel identificeren met de eigen troepen.
Knightley geeft de Defensievoorlichters het volgende advies (p. 484): “Doe je voor als transparant, open en hulpvaardig; probeer nooit direct controle uit te oefenen of [berichten] zonder meer tegen te houden; probeer onwenselijk nieuws eerder te neutraliseren dan te verbergen; probeer veeleer de nadruk te controleren dan de feiten zelf; probeer slecht nieuws te compenseren met goed nieuws; en lieg alleen rechtstreeks als zeker is dat dit niet meer tijdens de loop van de oorlog zelf zal uitkomen.”
In de herziene en bijgewerkte paperbackversie van zijn standaardwerk (Baltimore 2004) komen ook de Falkland-, Kosovo- en beide Golfoorlogen aan bod. En natuurlijk de geraffineerde manipulatie van de vrije media.
Hoe nieuwbakken is het fenomeen ‘oorlogsverslaggever’ eigenlijk?
Thucydides schreef weliswaar een indrukwekkend werk over de Peloponnesische oorlog (431-404 vóór Christus) tussen Athene en Sparta, maar dat maakte hem eerder een historicus dan een oorlogscorrespondent. De eerste – ook weer volgens Knightley – die er, tegen betaling, ter verslaglegging opuit werd gestuurd was Charles Lewis Gruneisen (1806-1879). Hij werd van maart 1837 tot januari 1838 door de in Londen gevestigde Morning Post naar Spanje gestuurd, waar een Brits Legioen, bestaande uit 10.000 man, gedurende de Eerste Carlistenoorlog enkele jaren vrijwillig aan de zijde van Koningin Isabella II van Spanje meevocht. Juist omdat Gruneisen aan de zijde van de rebellen schreef, bleek zijn pen gevaarlijker dan het zwaard.
Even leek het erop dat de missie van Gruneisen een incident was, maar in 1853 begon het grote werk. In dat jaar brak de Krimoorlog uit tussen Rusland aan de ene en Turkije en diens bondgenoten Engeland en Frankrijk aan de andere kant. Gruneisen, William "Billy" Howard Russell (The Times) en Edwin Lawrence Godkin (London Daily News) versloegen het oorlogsnieuws vanaf het front. Hoewel nog in 1874 de lezing ‘Sketches of Spain and the Spaniards during the Carlist civil war’ van Gruneisen’s hand verscheen, zou hij vooral bekendheid genieten dankzij muziekkritieken en operaboeken...
Na de Krimoorlog volgde de Amerikaanse Burgeroorlog, die woedde van 1861 tot 1865. Ook Howard Russell was weer ter plekke, die zo – althans volgens Knightley – de eer verwierf om de eerste echt gestructureerd werkende oorlogsverslaggever te worden. En zo volgde oorlog na oorlog na oorlog...
Oorlogsverslaggeving – goed voor de zakelijke kant van de journalistiek (ter vergroting van kijkcijfers en oplagen) – draagt sindsdien echter één grote last met zich mee: het kan melding maken van zaken die per se niet gemeld mogen worden. Een constant spanningsveld dat de intentie, het wezen van de oorlogsjournalist dag in dag uit raakt.
Na de Vietnamoorlog beschuldigde Knightley de media ervan direct verantwoordelijk te zijn voor de nederlaag van de Amerikanen in Vietnam. Het ‘Vietnam-syndroom’ was geboren. Een andere oorlog, die rondom de Falklandeilanden in 1982, bewees juist het omgekeerde. Hier accepteerden de media scherpe controle door het Britse Ministrie van Defensie. Het enige alternatief was immers helemaal geen berichtgeving. Het aantal uitsluitend Britse journalisten was volgens Knightley slechts zeventien! De rol van het Ministry of Defence tijdens de Falklandoorlog ging de geschiedenis in als het klassieke voorbeeld hoe met media in oorlogstijd moet worden omgegaan. Het mooie was dat de Britse journalisten niet wakker lagen van het strenge censuursysteem, wat – evenals tijdens de Tweede Wereldoorlog – goeddeels te danken was aan patriottisme en een totaal andere kijk op het Defensieapparaat dan de Amerikanen.
Het publiek verwacht van de media dat ze feiten en realiteit scheiden van aannames en verzinsels. Dat is de grote hick-up voor oorlogsverslaggevers die voor volledige coverage van een oorlog vaak afhankelijk zijn van de krijgsmacht. In het mediacircus rond oorlogvoering zullen de meesten de klaprozen op het slagveld nooit kunnen onderscheiden van de beerput en de doofpot – laat staan de journalisten zelf.
Het is Phillip Knightley’s grote verdienste dat hij inzichtelijk maakt hoe media, marketing en het product ‘oorlog’ nauw met elkaar verweven zijn en de kluit stelselmatig wordt belazerd. Wie het niet doorheeft, ziet in oorlogvoering in de 21ste eeuw het creëren van gevechtsverliezen als het hoogst haalbare.
In april 1983 verscheen het boek 'The Red and Green Life Machine. A Diary of the Falklands Field Hospital' van Rick Jolly . Op grond van zijn ervaringen in de Brits-Argentijnse Falkland-oorlog, die van april tot juni 1982 plaatshad onder de codenaam Operation Corporate, publiceerde hij het waargebeurde en schokkende verhaal van oorlog en oorlogsslachtoffers.
In een voormalige diepvriesfabriek aan Ajax Bay maakte Surgeon Captain Dr Rick Jolly tijdens de Falkland-oorlog zijn functie als Surgeon Commander waar in het hospitaal dat de naam 'The Red and Green Life Machine' droeg. De 'Baai van Ajax' ligt tegenover het oord San Carlos aan San Carlos Water in East Falklands.
"Red" vanwege de dokters/medics van The Parachute Regiment 2nd Battalion (2 Para), die een rode baret dragen; "Green" vanwege de dokters/medics 3 Commando Brigade van de Royal Marines, die een groene baret dragen. Belangrijkste wapenfeit: niemand die hier levend werd binnengebracht - 580 Britse gewonden en 200 Argentijnse gewonden - is gestorven. Uiteindelijk blijken slechts vier gewonden te zijn overleden.
Rick Jolly, die in 1996 vanuit de Royal Navy met pensioen ging, maakte daarnaast tijdens de Falkland-oorlog onder andere naam door te blijven opereren terwijl twee niet-ontplofte bommen van 1.000 Engelse pond in het dak van het hospitaal zaten. In 1983 werd Rick Jolly door de Britse regering onderscheiden als Officer in the Order of the British Empire (OBE), in 1998 ontving hij van de Argentijnse regering de Orden de Mayo (ODM). Jolly is één van de weinigen uit de krijgsgeschiedenis die door beide partijen is gedecoreerd vanwege zijn zorg en toewijding.
Het boek 'The Red and Green Life Machine. A Diary of the Falklands Field Hospital' van dr. Rick Jolly is misschien wel het meest lezenswaardige oorlogsdagboek dat ooit is verschenen,
Eind 2003 en begin 2004 verscheen op BBC 2 de zevendelige televisieserie 'S.A.S. Survival Secrets'; in de aflevering over militaire eerstehulpverlening geeft Rick Jolly instructie.
Als je ook boeken hebt geschreven met titels als ‘De asperge’, ‘De magie van de paddenstoel’, ‘Het fijne van olijfolie’ en ‘Sexy chocolade’, houd je dan aan culinaire schrijverij. Ga niet in het kader van een krampachtig l'écrire pour l'écrire ineens capituleren met een bundeling van dagboekfragmenten over de ervaringen van het thuisfront van Uruzgan-gangers. Kookkunst is iets heel anders dan krijgskunst, koken niet te vergelijken met oorlogvoeren. Juist de emoties die met het laatste gepaard gaan waren voor de achterban beter gevangen door de dagboekfragmenten integraal te plaatsen in plaats te laten bewerken.
De achterflap klopt alleen met het “openhartig en moedig verslag” dat wordt beschreven. Voor het overige zal de thuisgebleven relatie van met name de nog uit te zenden militair niet bijster vrolijk worden van ‘Thuisfront Uruzgan’. Al het tweede verhaal, dat over Estella en Jardy, eindigt ermee dat zij 2 maanden na terugkeer van manlief uit Afghanistan uit elkaar gaan. Waarschijnlijk PTSS.
En dan heb ik het nog niet eens gehad over het verhaal van de vader die zijn zoon onbezorgd hoort vertellen dat hij op een bermbom heeft gestaan, “maar die gaat alleen af als er een zwaarder gewicht op staat”; van een 7-jarig meisje dat opeens aan haar vader vraagt “of hij dood gaat in Uruzgan?”; de moeder van militair Vladimir, die zwaargewond raakt bij een zelfmoordaanslag en het steeds weer moeizame acclimatiseren aan de thuisgekomen militair.
Niet bepaald optimistisch dus. Het roept eerder ongerustheid op dan dat het de lezer met een warme deken geruststellend omwikkelt. Daarom is het wat mij betreft een absolute afrader voor het thuisfront van nog uit te zenden militairen…
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt derhalve niets over een aan het boek toegekende waardering.
Tragische helden. Dagboek van twee acteurs in Kamp Holland
auteur
Geert Lageveen & Leopold Witte
ISBN
9789086902101
jaar
2008
pagina’s
168
uitgeverij
Veenman
De acteurs Geert Lageveen en Leopold Witte waren in mei 2008 twee weken te gast bij de Nederlandse militairen in Uruzgan voor hun nieuwste productie, ‘Kamp Holland’ van theatergroep Orkater. Op 6 november 2008 is hun voorstelling in première gegaan.
Tijdens hun verblijf in Kamp Holland in Tarin Kowt hielden zij een dagboek bij op een weblog van de Volkskrant.
Hun observaties in Uruzgan, van de militairen en over zichzelf, zijn beeldend geschreven en getuigen van oprechte interesse. Eerlijk en onbevooroordeeld geven zij hun kijk op de Nederlandse missie in Afghanistan. Voorbeeldje: "De groene vlag is in top. Het sein dat iedereen het vandaag wat rustiger aan mag doen vanwege de warmte (40 graden). Groen betekent meer drinken en extra rust. Zwart betekent een half uur in de schaduw werken en dan twee uur rust in de airco. Sommige militairen die in Irak op missie zijn geweest beweren dat ze bij 75 graden Celsius gewoon hebben doorgewerkt. "Alles went". Dat geldt ook voor ons. We lopen hier rond zonder op te vallen. We zijn erbij gaan horen". Daarnaast zijn er enkele teksten van het toneelstuk 'Kamp Holland' in dit boek opgenomen.
Op 5 september 2007 vond op de kazerne in Wezep de uitreiking van het eerste exemplaar van ‘Uruzgan. Militair, mens, missie’ aan minister Van Middelkoop plaats. Zijn boek verhaalt het wel en wee van een aantal – hooggegradueerde – militairen; de enige uitzondering hierop is de sergeant der eerste klasse én verpleegkundige Anna Boogaard. De meesten zijn vóór, tijdens en na de missie geïnterviewd. Rode draad is de vraagstelling wat een verblijf op één van de gevaarlijkste plaatsen ter wereld doet met een militair.
Voor wie de missie bijhoudt via de media is er weinig nieuws onder de hete Afghaanse zon. Het gepubliceerde is vooral een allegaartje van alles wat allang in de pers heeft gestaan. Op het oog nogal lui. Omdat Defensie inzag dat Uruzgan iets nieuws was, is er een goede media-coverage geregeld. Dat moet ook wel, want in de woorden van oud-Minister van Defensie Henk Kamp: “We beveiligen de Rotterdamse haven het beste in Afghanistan.” Dat geeft de waarde van de missie aan. Of het allemaal binnen de geplande twee jaar kan, is de hamvraag. Kolonel Vermeij treffend: “Wij hebben een horloge, Afghanen hebben de tijd.” (p. 81)
Alles wat wij nu weten, is in het nieuws gekomen. Soms met enige vertraging, soms in een gekuiste versie, maar uiteindelijk stond het staat wel degelijk in de krant. Een soort mini-CNN-effect, dankzij of ondanks de embedded journalistiek.
Pasterkamp is ook embedded in Uruzgan geweest, als Defensiecorrespondent van het Reformatorisch Dagblad. Eenmaal geland op de dirt strip van Tarin Kowt, schrijft hij over de sanctuaries (gebieden waar de Opposing Militant Forces veel steun hebben van de lokale bevolking) en militaire begrippen als three block war, amoebe-model en counter-insurgency. Des Pudels Kern is echter dat Nederlandse militairen huis en haard hebben achtergelaten om in een bijna middeleeuwse omgeving met hightech materieel de lokale bevolking proberen te overtuigen van de verdorvenheid van de Taliban. Daar is blijkbaar heel wat overtuigingskracht voor nodig. Meestal gebeurt dit in dialogen en rechtstreeks overleg, soms ook maken de slechteriken het de Nederlanders oneigenlijk moeilijk in hostile acts, hostile intents en imminent threats. Toch blijven de professionele Nederlanders overeind.
Helaas maakt het mini-CNN-effect dat het boek bijna evenveel nieuwswaarde heeft als de krant waarin aan het einde van de dag de aardappelschillen worden weggegooid. Bijna, want Pasterkamp's staaltjes van scherp opmerkingsvermogen en analyses-tussen-de-regels-door maken van het eerste boek over de missie naar Uruzgan toch een heuse page-turner.
Een beetje googelen leidt ertoe dat de oorsprong van het woord ‘infanterie’ ligt in het woord ‘infante’, wat in het Spaans zoveel betekent als “een kind dat nog niet kan praten”. Het is de vraag of Anton Verhey gelijk heeft met zijn aanname (?) dat ‘infanterie’ is ontstaan bij de Spaanse veldheer Consalvo van Cardova in 1485. Het is zeer aannemelijk dat hij zijn soldaten kinderen noemde. Maar wanneer het om een Spaans veldheer gaat, is zijn naam verhispaniseert tot Gonzalo de Córdoba. Córdoba is hierbij een verwijzing naar zijn geboorteplaats. Feitelijk was dit overigens Montilla, zuidelijk van Córdoba in het Zuid-Spaanse Andalusië. Dat zuidelijke is belangrijk, want Gonzalo de Córdoba – bijgenaamd El Gran Capitán – speelde een rol bij het herveroveren van het koninkrijkje Granada op de Moren (moslims). De alcaide (commandant) behaalde daar zijn grootste overwinning. Tot zover de oorsprong der infanterie.
Dit is de grondslag voor het boek ‘Van Babylon tot Bagdad’ van de schilder Anton Verhey uit het Friese Oldeholtpade. Het boekwerkje is rijk geïllustreerd, wat ook mag worden verwacht van een schilder. De kunstenaar is blijkbaar na zijn dienstplicht bij het Regiment Infanterie Chassé, in 1994 opgeheven, teruggegaan naar zijn wortels. Niet vreemd ook dat de Fries zijn boek begint met de Slag bij Warns in 1345, waarin de Friezen dapper de binnentrekkende ridders van graaf Willem IV van Holland hebben verslagen. Het boek besluit met de Amerikanen – surrogaat Rambo-lookalikes – die in 2003 betrokken waren bij de inval in Bagdad.
De afbeeldingen van Verhey zijn mooi. Zo’n tekening zou je maar al te graag in posterformaat boven je bed hebben hangen. Helaas komen de teksten die deze prachtige illustraties vergezellen beduidend minder goed uit de verf: zelfs de verduidelijkende tekst bij de Slag bij Warns is niet correct. Dat is jammer en misschien een beetje voorspelbaar: laat een schilder zich bij z’n leest (schildersezel) houden en een schrijver schrijven.
Ingo Piepers was in 1995 als majoor van het Korps Mariniers commandant van de Nederlandse bijdrage aan de Brits-Franse Rapid Reaction Force (RRF) van de opeenvolgende operaties ‘Deliberate Force’ en ‘Joint Endeavour’ in Bosnië, de 1ste Mortiercompagnie. Naar aanleiding hiervan publiceerde hij ‘Vechten voor vrede’.
Piepers was aanvankelijk zo trots als een pauw dat zijn eenheid voor de eerste maal sinds 1953 (Korea) werd uitgezonden met het geplande doel geweld aan te wenden, maar al snel ondervond zijn compagnie last van de politisering van de militaire besluitvorming en de verzuiling van de krijgsmachtdelen. Dat laatste, de “stammenstrijd”, was onder andere het gevolg van het meesturen van een mortieropsporingsradarbatterij van de Koninklijke Landmacht (met twee radars van het type AN/TPQ 36) met zijn eenheid. De bevelsrelatie was van meet af aan onduidelijk. Resteerde irritatie over een andere mindset: “En dat waren dus de militairen van de Koninklijke Landmacht: korte broek, VN-petje op, “ge-je” en “ge-jou” ongeacht rangen en standen” (p. 41), “Jan Kaas op safari” (p. 46) en “de nodige culturele complicaties” (p. 53).
Misschien had Piepers frustratie over het feit dat zijn 1ste Mortiercompagnie Dutchbat als UNPROFOR Reinforcement niet hoefde versterken of simpelweg het geïsoleerde Srebrenica van bevoorrading mocht voorzien. Wél mochten vanaf de strategische Mount Igman de kastanjes uit het vuur worden gehaald tijdens de misdadige beschietingen van het Bosnisch-Servische leger (BSA) op Sarajevo, maar dat was dan ook de opdracht. En tóch, de mariniers zouden dat varkentje in de moslimenclave wél gewassen hebben. Er moest tenslotte een politiek-militaire doorbraak worden geforceerd en Piepers wilde dolgraag deel uitmaken van de geschiedschrijving om de moeizame samenwerking tussen VN en NAVO te breken ten gunste van de Bosnische bevolking.
Helaas, zijn ergernis groeide, evenals de frustratie: chauvinistische Fransen die er eigen, niet-NAVO-procedures op nahielden; close air support (CAS) die op zich liet wachten; en hij vond natuurlijk dat Dutchbat het gevecht met de BSA in Srebrenica had moeten aangaan (p. 116).
Mijn klus is op het dek gevallen bij het lezen van Piepers’ boek – marinetaal voor “extreme verbazing”. In landmachtjargon: mijn broek is er behoorlijk door afgezakt. Het was onnodig Dutchbat zo af te zeiken… Blijkbaar kwam de majoor-auteur zelf ook tot die conclusie, zij het via een omweg. Bij terugkomst in Nederland diende hij zijn ontslag in, omdat hij zich niet langer wilde conformeren aan het establishment binnen Defensie. Over Bosnië zei hij: “Op de verkeerde momenten zijn wij roomser dan de paus, echte moraalridders” (p. 171). Dé moraalridder pur sang was echter Piepers zelf…
De teleurstelling was blijkbaar zó groot dat Piepers zich op 20 februari 2001 in het NRC Handelsblad-artikel ‘Apaches hadden beter thuis kunnen blijven’ mengt in de discussie over de uitzending van zijn voormalige collega’s naar Eritrea/Ethiopië. Hierin zegt hij onder meer: “Een goede beslissing bezit een aantal kenmerken: er wordt een realistisch resultaat mee nagestreefd, doel en middel zijn in balans, de kosten staan in verhouding tot de opbrengsten, en dan bestaat er nog zoiets als tijdigheid.” De ontplooiing van de attaquerende steilbaanwapenbedienaars, van juli 1995 t/m januari 1996, kwam voor de inwoners van Srebrenica en Sarajevo jaren te laat. Dus niet tijdig. Het professionalisme van zijn eenheid én zijn onderbouwde laksheid aan opdrachten van de hogere legerleiding, zorgen er op zijn minst zijdelings voor dat ‘Vechten voor vrede’ een leesbaar boek is geworden met betrekking tot de gevechtsveldgewenning anno 1995. Onmisbaar in de geschiedschrijving over de troebelen op de Balkan.
Ten dele als gevolg van de dramatische gebeurtenissen in Srebrenica in juli 1995 is er een stijging waarneembaar geweest van het aantal human interest-verhalen over vredesmissies. Een goed voorbeeld hiervan is dat van René van der Wolf, maatschappelijk werker binnen de krijgsmacht, die deelnam aan de missies UNIFIL (Libanon) in 1983 en UNPROFOR (Bosnië-Hercegovina) in 1994.
Door zijn functie werd hij tijdens zijn uitzendingen geconfronteerd met de psychologische gevolgen van het deelnemen aan vredesoperaties. Ook zelf leed Van der Wolf aan het posttraumatisch stresssyndroom. Het bijhouden van een dagboek hielp hem de zware gebeurtenissen “uitdrijven”, omdat deze andere een te grote invloed op zijn leven behielden. ‘Vóór Joego was ik al grijs’ is zeker voor uitgezonden militairen zeer herkenbaar.
Vuur geëindigd! Artillerie-officier tijdens de Koude Oorlog
auteur
Leo J.J. Dorrestijn
ISBN
geen
jaar
2006
pagina’s
248
uitgeverij
eigen beheer
In juni 2007 bewees de nieuwe Panzerhaubitze 2000 het nut van inzet bij vredesoperaties. HoewelUruzganniet bepaald een vredesoperatie-oude-stijl is, sorteerden de inspanningen van de 155 mm-pantserhouwitser met een maximaal bereik van 40 km onmiddellijk effect. Zoveel effect dat de langeafstandsbeschietingen op het oord Chora in de provincie Uruzgan de opmars van de Taliban stuitte. De slag die zich rond Chora afspeelde was voor de grondtroepen de heftigste die Nederlandse militairen hebben meegemaakt sinds het begin van de missie in Uruzgan.
Zo heeft de artillerie de laatste 10, 15 jaar aanleiding gegeven tot gepraat. In 1993/’94 waren de aanhoudende Servische artillerie- (en sniper-)beschietingen op Sarajevo de oorzaak van grote internationale woede; uiteindelijk riep de NAVO een halt toe aan de genocide. De artillerie-eenheden vervulden intussen opdrachten waarvoor zij van huis uit niet waren getraind. Zo werd 11 Afdeling Rijdende Artillerie (‘Gele Rijders’) in plaats van een (pantser)infanteriebataljon en onder commandantschap van luitenant-kolonel Tony van Loon uitgezonden naar Kosovo (KFOR).
Traditionele beëdiging van de auteur van 'Vuur geëindigd!" op de Generaal Winkelmankazernete Nunspeet met de hand op de schabrak (zadelkleed) die over de schietbuis is gedrapeerd
Houwitsers, kanonnen en raketten zijn nog steeds onmisbaar. Niet alleen ter ondersteuning van een aanval, ook ter bescherming in de verdediging – zoals in Kosovo het geval was. Kolonel der artillerie b.d. Leo J.J. Dorrestijn heeft zijn persoonlijke egodocument opgehangen aan de Koude Oorlogsjaren van het wapen der artillerie, geboekstaafd aan de hand van schabrak, schietbuizen, Sinte Barbara, vuurmonden en nog veel meer. Zijn zelf uitgegeven boek (100 exemplaren!) – het resultaat van “10% inspiratie en 90% transpiratie” – is uitverkocht. Slechte zaak! Het goede nieuws is dat zijn boek als PDF-document op deze website te downloaden is. Hierdoor gaat een stuk geschiedschrijving niet verloren voor de grote massa.
Want Dorrestijn is een kennisvretende militaire schrijver (niet zo vreemd: hij is onder meer ook auteur van het onovertroffen VS 2-7200, het Militair Woordenboek Koninklijke Landmacht, dat in 2001 in 1.244 bladzijden zijn laatste conceptversie beleefde). Hij schrijft over discipline, gevoelsarmoede, Stierenopstand en de lokale weersomstandigheden die de grootste niet-beheersbare fout in de ligging van artillerie- en mortiervuren veroorzaakten. Weer zo’n lesson learned… Om in zijn sublieme vaart der schrijverij de maximaal-toelaatbare (vijandelijke) penetratie (MTP) voor het voetlicht te halen, de ijzeren (munitie)voorraad, het nodig hebben van ingewerkte onderofficieren en de FH70, een getrokken houwitser die Nederland ooit van Duitsland leende.
Dorrestijn schrijft en vertelt veel. Soms kan hij niet ontsnappen aan frustratie: “Het ondergeschikt maken van operationele belangen aan politieke overwegingen” is er zo een. ‘Vuur geëindigd!’ heeft absoluut mijn interesse opgewekt voor het wapen der artillerie. Hopelijk komt er nog een uitgever op zijn pad om het boek een veel groter publiek te schenken.
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt derhalve niets over een aan het boek toegekende waardering.
Who the fuck is Frans van Es? September 1961-juni 1995. Een greep uit het leven van een marineduiker
auteur
Frans van Es
ISBN
9789077032134
jaar
2002
pagina’s
198
uitgeverij
De Nieuwe Haagsche
Frans van Es: hij is bekend, kleurrijk, legendarisch, veelzijdig, misschien ook wel een tikkeltje controversieel. Met zijn tatoeages en piercings is hij een opvallende verschijning, zeker binnen een organisatie die bekend staat om haar gewenste uniformiteit. Eén ding staat als een paal boven water: hij kan praten als Brugman en met zijn schrijverij is ook al niks mis.
Met ‘Who the fuck…’ schreef de marineduiker die in mei 1995 – na 34 dienstjaren – met functioneel leeftijdsontslag ging, een anekdotische autobiografie over een loopbaan bij de Koninklijke Marine… over een marineduiker die het tot adjudant-onderofficier schopte. Zijn laatste functie was die van chef duikbedrijf (Duik- en Demonteergroep), opperschipper-annex-duikmeester.
Frans van Es
Zijn soms wat grove, ongekuiste, stoere en zelfs ronduit vulgaire taalgebruik is ronduit poëtisch en emotioneel. De taal is die van de zeestrijdkrachten (stoere bolster, blanke pit) en die uit het Haagse, waar Van Es respectievelijk zijn loopbaan uitdiende en zijn wieg stond. Door de jaren heen achtervolgen even opzienbarende als schokkende gebeurtenissen Van Es, tot en met zijn tweede carrière als Tattoo Frans op Curaçao. Hij werd ooit voorwaardelijk veroordeeld voor het vanuit Cambodja opsturen van vijf veiliggestelde antipersoneelsmijnen voor lesdoeleinden, die door de douane werden onderschept.
Helaas werden van zijn boek maar 2.300 exemplaren gedrukt. Wie nu een exemplaar heeft, bezit dus een collector's item dat een geheel ander licht op het reilen en zeilen van de zeestrijdkrachten werpt dan welk ander boek ook.
Ziek van Defensie. Hoe een ministerie zijn militairen in de steek laat
auteur
Oscar van der Kroon
ISBN
9020459759
jaar
1998
pagina’s
255
uitgeverij
L.J. Veen
Onderzoeks- en televisiejournalist Oscar van der Kroon vertelt in ‘Ziek van Defensie. Hoe een ministerie zijn militairen in de steek laat’ het verhaal van de nazorg, die het ambtelijke apparaat van het Ministerie van Defensie individuele militairen onthoudt na uitzendingen.
Het boek is opgedragen aan Klazien van Brandwijk, die als humanistisch raadsvrouw mee op missie ging met het Korps Mariniers naar Cambodja.
Naar aanleiding van Van der Kroon’s boek én van ‘Met stille trom. De naweeën van de nieuwe oorlog’ van Marleen Teugels deed gezondheidswetenschapper Maaike de Vries onderzoek naar lichamelijk onverklaarde klachten bij in 1992 en ’93 naar de vredesmissie UNTAC in Cambodja uitgezonden Nederlandse militairen. Op 16 april 2002 promoveerde zij op dit onderwerp aan de Katholieke Universiteit Nijmegen met haar proefschrift Post-Deployment Syndrome in Cambodia Veterans (Uitgeverij Ponsen & Looijen, 112 pagina’s); in het blad Civiel/Militair (nummer 4, 2002) van de Stichting Maatschappij & Krijgsmacht publiceerde zij een samenvatting onder de titel ‘Zieke militairen: kijken naar de wereld achter de dingen’.
Journalist Jort Kelder en historicus Harry Veenendaal bezorgen in dit boek de dagboeken van mr. dr. Gerrie van Maasdijk (1906-1997). Journalist en hoveling Van Maasdijk was – als diplomatiek correspondent en grootaandeelhouder van De Telegraaf, president-directeur van de Rotatiedrukkerij (onder andere De Telegraaf), zijn huwelijk met baronesse P.H.L. van Tuyll van Serooskerken en zijn functies als algemeen secretaris van de hofhouding en kamerheer in buitengewone dienst van Juliana en haar adviseur in publiciteitszaken (1950-1956) – zeer goed op de hoogte van de situatie ten huize van wijlen Juliana en Bernhard. Van Maasdijk werd ontslagen nadat hij de Greet Hofmans-affaire van Prins Bernhard naar buiten had gebracht.
In zijn nu gepubliceerde dagboeken beschrijft Van Maasdijk een geheime geschiedenis in de periode 1949-1956. Vóór 1956 en 1976 (Lockheed) blijkt ook 1950 een cruciaal jaar voor de Nederlandse monarchie: Prins Bernhard en zijn stafleden zouden betrokken zijn geweest bij een couppoging tegen de nieuwe Indonesische regering van Soekarno. Soekarno had vermoord moeten worden, zodat Indonesië voor het Koninkrijk der Nederlanden behouden kon worden. Hoewel de formele betrokkenheid van Prins Bernard onduidelijk blijft, duikt zijn naam in allerlei documenten op als de spil van het complot, zo schrijven Kelder en Veenendaal.
Bij de couppoging waren verder kapitein Raymond Westerling en de Leidse hoogleraar Jan Willem Duyff betrokken. De prins wilde viceroy (onderkoning) van Indonesië worden, naar het voorbeeld van zijn goede vriend Lord Mountbatten. Die was eind jaren ‘40 de laatste Britse onderkoning van India. Een en ander blijkt onder meer uit correspondentie van de prins met de Amerikaanse generaal Douglas MacArthur.
Uit onderzoek van de Koninklijke Marechaussee uit die tijd blijkt dat er aanwijzingen voor contacten waren tussen stafleden van de prins met Westerling. In 1946 had Westerling roem vergaard met bloedige contraterreurcampagnes op Zuid-Celebes.
De auteurs spraken ook met studenten van prof. dr. Jan Willem Duyff. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog was Duyff hoofd van het Sabotagebureau van de Binnenlandse Strijdkrachten onder Prins Bernhard; later maakte hij zich hard voor het behoud van de kolonie in de Oost. Volgens ooggetuigen sprak hij geregeld over zijn plannen om de regering van Soekarno omver te werpen.
De coup van Westerling in 1950 op Java mislukte omdat Van Maasdijk deze zou hebben verraden. Van Maasdijk, die het verhaal toevallig ter ore kwam, tipte premier Willem Drees, die de couppoging een halt toeriep en een onderzoek door de marechaussee gelastte.