 Maak uw keuze uit de hieronder getoonde alfabetische lijst |
| | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | |
|
| | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | |

1-15 r.i. de blijvertjes - a.w. reijgwart  | titel | 1-15 R.I. De Blijvertjes | auteur | A.W. (Bert) Reijgwart | ISBN | 9789062896138 | jaar | 2002 | pagina’s | 240 | uitgeverij | Smit van 1876 |
  
| Op 21 mei 1949 bezocht de legercommandant voor Nederlands-Indië, generaal Simon H. Spoor, Djokjakarta. Vijf maanden daarvoor waren de Nederlanders de Tweede Politionele Actie (Operatie Kraai) begonnen om de Republiek te dwingen tot samenwerking met het Nederlands bestuur. Bij die actie werd de historische sultanstad Djokjakarta rechtstreeks aangevallen en de Indonesische regering gevangengenomen. Operatie Kraai begon op 19 december 1948 met een historische luchtlanding. Vóór die tijd hadden Nederlanders nog nooit zo’n actie uitgevoerd. Maar op deze datum werden het 5de Regiment Stoottroepen, het Korps Speciale Troepen – voorloper van het Korps Commandotroepen – en de Paracommando’s naar vliegveld Magoewo bij Djokjakarta gevlogen. Ook 1-15 R.I. werd hierbij ingezet: het 1ste bataljon van het 15de regiment infanterie. Dit was één van de drie zogenoemde ‘Blijvertjes’, eenheden die waren samengesteld uit de overblijfselen van andere eenheden. Nadat de eerste 17 OVW-infanteriebataljons in 1948 waren gerepatrieerd, werden de overblijvende detachementen bijeengeveegd en heringedeeld. Zo ontstonden de Blijvertjes. De twee andere waren 2-15 R.I, (X-Brigade, Pare, Oost-Java) en 3-15 R.I. (Tandjong Poera, Noord-Sumatra). ‘Blijvertjes’ waren reguliere landmachteenheden onder de noemer ‘Oorlogsvrijwilligers’ (OVW). Op 1 juli 1948 werd het voormalige X-bataljon omgedoopt tot 1-15 R.I. De eenheid werd gecommandeerd door majoor – later overste – J.F. Scheers, was ontplooid in het district Bodja op Midden-Java en viel onder de T(ijger-)brigade onder leiding van kolonel D.R.A. van Langen. De op 19 december ingevlogen eenheden waren dus feitelijk “leden van een luchtmobiele brigade, toen die naam nog niet was uitgevonden”. De reeds aangehaalde 21ste mei sprak generaal Spoor de historische woorden: “Indien het Nederlandse leger in de toekomst 10% heeft van jullie taaiheid, moed en moreel, dan ben ik niet bang voor de toekomst van het Nederlandse leger.” Met andere woorden: 1-15 R.I. stond definitief op de kaart. Alleen de geschiedschrijving moest hier nog iets mee. De som van 1-15 R.I. was, onder andere door zijn gevarieerde samenstelling, blijkbaar vele malen groter dan de kwantiteit van zijn eenheden: vier tirailleurcompagnieën (met het dubbele aantal Bren-machinegeweren 7.7 mm én 2-inch-mortieren, in totaal ± 400 man), een staf en een ondersteuningscompagnie. In Operatie Kraai waren zij al na drie uur op het aanvalsdoel: Djokjakarta, noordelijk van de spoorlijn. Hierna hebben zij een even gevaarlijke als roerige periode in Nederlands-Indië meegemaakt, waarbij de core-business van hun werkzaamheden steeds lag in dagelijkse patrouillegang en zgn. stunt-acties: ’s nachts snel te voet naderen om tegen het ochtendgloren achter de verraste vijand te zitten en een strot vuur af te geven (pagina 89). De opmars tegen de Republiek was onderdeel van een groter plan om orde en vrede op de archipel te brengen, dus die ‘strot vuur’ werd alleen bezorgd aan het adres van de terroristische tegenstander. Tot en met de demobilisatie én het vertrek vanuit Tandjong Priok naar Rotterdam, heeft 1-15 R.I. de ellende, (tropen)kolder én schurft, eczeem en infecties (pagina 129) in de Oost mogen ervaren. Mogen, want zij waren vrijwillig. Blijkbaar heeft de combinatie tussen het vrijwillig meedoen, de afkomst uit diverse andere eenheden én het samenspel tussen onverbiddelijkheid tegen terroristische rampokkers en humaniteit tegen de bevolking generaal Spoor indertijd verleid tot die zó welgemeende uitspraak. | Reserve luitenant-kolonel mr. Johan Frederik Scheers had zich - via compagiescommadant bij het 9de Bataljon van het Regiment Stoottroepen (2-1 RI) en plaatsvervangend commandant van 2-7 RI van de B-Divisie (in welke laatste hoedanigheid hij deelnam aan de Eerste Politionele Actie) - opgewerkt tot commandant van 1-15 Regiment Infanterie. Op 15 juli 1948 aanvaardde hij het commando. Met 1-15 RI werd hij ingezet bij de Tweede Politionele Actie: het bataljon werd met tientallen Douglas DC-2’s naar het vliegveld Magoewo bij Djokjakarta verplaatst met als doel de bezetting en zuivering van de hoofdstad van de republiek. Scheers bleef tot 16 juli 1949 bataljonscommandant. De inzet bij Djokjakarta van 1-15 RI staat feitelijk te boek als de eerste luchtmobiele inzet in de Nederlandse krijgsgeschiedenis. In 1950 publiceerde Scheers zijn herdenkingsboek ‘Djokjakarta’ (156 pagina’s) in een oplage van 1.000 exemplaren. |
|
Bert Reijgwart, indertijd dienstplichtig sergeant bij 1-15 R.I., heeft de geschiedenis van het bataljon aan de vergetelheid ontrukt én opgetekend. Mede hierdoor is gerealiseerd dat de tradities van 1-15 R.I. worden voortgezet door de Alfa ‘Java’ Compagnie van 12 Infanteriebataljon Luchtmobiel Air Assault Regiment Van Heutsz, die ongetwijfeld al even taai, moedig en geestkrachtig is. Een mooi motto voor die compagnie. Terug naar Boven 3 PARA. AFGHANISTAN, SUMMER 2006 - PATRICK BISHOP  | titel | 3 Para. Afghanistan, summer 2006. This is war | auteur | Patrick Bishop | ISBN | 9780007257805 | jaar | 2007 | pagina’s | 289 | uitgeverij | HarperCollins |
    
|
Van april tot oktober 2006 werd 3rd Battalion The Parachute Regiment (3 PARA) onder leiding van Lieutenant-Colonel Stuart Tootal ontplooid in de Afghaanse provincie Helmand. Deze grenst aan Pakistan en Uruzgan. 3 Para was ‘opgeblazen’ tot 3 Para Battle Group, 1.200 militairen in totaal. In de hoofdstad Lashkar Gah werd Camp Bastion gebouwd, de basis van waaruit de Britten hun patrouilles zouden gaan uitvoeren. Het liep allemaal anders. De patrouilles werden statische, kwetsbare verdedigingen in de vorm van platoon houses en forward operating bases (FOB´s) met sangars in afgelegen valleien in het noorden van de provincie. Voorkomen moest worden dat de Taliban de hoofdstad onder de voet zouden lopen, de zetel van de gouverneur, die niet toevallig de ‘opdrachtgever’ was van deze koerswijziging aan ISAF. De Taliban had en heeft alle belang bij grip op Helmand, de grootste opiumproducerende regio ter wereld. Zoals uit ´3 Para´ van Patrick Bishop blijkt, wordt de Taliban behoorlijk onderschat. Sinds de ontplooiing van 3 Para in 2006 is het aantal Britse troepen dan ook opgelopen van ruim 3.000 tot bijna 8.000 nu. Stabiliteit moest er komen in Helmand, opdat een begin kon worden gemaakt met de wederopbouw. Dat de Taliban zich niet zonder slag of stoot zouden laten verdrijven, stond vast. Veel paratroopers keken – 24 jaar na dato (d.i. de Falklands) – uit naar hun vuurdoop. Een compagniescommandant verwoordde het gevoel binnen het bataljon treffend: “There’s one test the parachutist wants to take, and that’s how they react under fire. Are you going to flinch (…) or are you going to pass that test?” Die onderschatting werd breed gedragen: de Taliban waren veel meer dan slippers en dish-dash dragende, bebaarde zeloten die de hele dag thee dronken en mandarijntjes aten; in het terrein bleken de mannen van “the black flag of Mullah Omar” wat materieel betreft niet echt in het nadeel met de Russische GPMG-variant PKM, eveneens Russisch 82 mm mortieren (bereik ± 3 km), de Dushka (DSHK) als variatie op de mitrailleur .50 inch, Chinese 107mm raketten, Dragunov-snipergeweren en uiteraard de Kalasjnikov en de RPG. De gedachte om (relatieve) veiligheid te bieden om wederopbouw mogelijk te maken, resulteerde in de destructie van oorden als Kajaki, Musa Qaleh, Now Zad en Sangin. Bijna dagelijks waren er gevechten met “Terry Taliban”, onder vaak Spartaanse omstandigheden en in een allesverzengende hitte van rond de 40 à 50 graden. Zo werden voor de verdediging van Now Zad, naast tienduizenden patronen kleinkalibermunitie, maar liefst 21 handgranaten geworpen! En 91 dagen belegerd worden in Sangin was ook allesbehalve grappig… Soms ondernam 3 Para een ‘cordon and search’ buiten de ommuurde vestingen, maar niet te vaak want “It was ideal ambush country” (p. 73). Dat was één van de grote dilemma’s, want zoals militaire wetten voorschrijven "It is much better to take the advantage rather than trying to be reactive” (p. 94). Toch was reageren op de grillen van de Taliban uiteindelijk het enige dat de Britten konden doen, met nagenoeg alle troepen geïmmobiliseerd op vaste locaties. De historisch-romantische hoofdstukken in ‘3 Para’ geven goede inzage in de kameraadschap, de heroïsche moed en de volharding van de Britse paratroopers. Dat maakt het boek dé aanrader om te lezen voordat je op missie gaat naar Afghanistan. Terug naar Stuart Tootal, de bataljonscommandant van 3 PARA. Een pezige, grijsharige officier die heilig gelooft in leidinggeven vanaf de frontlijn. Hij ontving bij terugkomst de Distinguished Service Order (DSO), was voorbestemd om, als Full Colonel, de eerste Chief of Staff te worden van de nieuwe HQ 6 (UK) Division en werd zelfs getipt om ooit aan het hoofd van de Britse landmacht te staan. Maar, zoals de ontplooiing van het bataljon in koers wijzigde, zo veranderde ook de planning van Tootal: in november 2007 nam hij ontslag met een aanval op het Ministry of Defence zoals "poor pay for soldiers, lack of equipment, the standard of army housing and poor medical treatment afforded to his injured soldiers." Tootal was niet de enige Britse officier die zijn baret aan de wilgen hing. Een van de hoogste 22 SAS commandanten, Lieutenant Colonel Rick Williams, nam in juli 2007 eveneens ontslag, brigadegeneraal Ed Butler stopte er in juni 2008 mee (hij diende met Tootal in Afghanistan en kreeg eveneens de DSO). Hopelijk hebben hun vervangers, hun opvolgers, geleerd van de eindeloze rij lessons learned uit Helmand. Van “the risks of using predictable routes”, het houden van shuras met dorpsoudsten “in open country” op een locatie die je zelf uitkiest, vóór vertrek buiten de kampementen drills herhalen en wapens inschieten, letten op de combat indicators (“the absence of the normal and presence of the abnormal”, p. 156) en dismounted patrolling (uitgestegen patrouilles) dat veruit de voorkeur verdient boven het onder pantser blijven rondrijden - onzichtbaar voor de lokale bevolking. Het echte knelpunt voor 3 Para was de logistiek, zowel de herbevoorrading met klasse I, III en V als de afvoer van de vele gewonden (CASEVAC): 46. Voeg daaraan toe dat 14 collega’s sneuvelden en een neerwaartse spiraal in gevechtsbereidheid en moreel zou helemaal verklaarbaar zijn geweest. Zou, want paratroopers zouden geen paratroopers zijn als zij zich niet overal doorheensloegen en steeds weer doorpakten – “cracking on” noemen zij dat, “screw the nut”. Alsof er in 2006 niets is gebeurd, is 3 Para in maart 2008 opnieuw ontplooid in Helmand. Logisch als je private Peter McKinley’s woorden leest: “We are airborne gods. The whole army hates us because we are fucking mega. They hate us for the way we act, the way we walk and hold our heads high.” (p. 14) Terug naar Boven 48 UUR MEETRAINEN MET DE KRIJGSMACHT - SANDER KOENEN  | titel | 48 uur meetrainen met de krijgsmacht | auteur | Sander Koenen | ISBN | 9789059563148 | jaar | 2010 | pagina’s | 160 | uitgeverij | Fontaine |
  
|
Als je al “tig” jaar bij de landmacht werkt, denk je al een en ander te weten over organisatie en werkwijze. Dat dit niet altijd het geval is, bewijst Sander Koenen met zijn boek. Koenen kende ik al van zijn eigen website met lezenswaardige stukken en zijn artikelen voor de populair-wetenschappelijke tijdschriften Kijk en Quest. Koenen is met nadruk geen Arnold Karskens, Joeri Boom of Peter ter Velde, maar ‘gewoon’ oprecht geinteresseerd in en gefascineerd door de wondere wereld die Defensie is, door “de manier waarop militairen met hun vak en met elkaar omgaan. En hun bereidheid om een buitenstaander daarin mee te nemen.” Die ‘way of life’ is geweldig, zeer populair bij de jeugd en er is niets wetenschappelijks aan. De krijgsmacht is één groot bolwerk vol kennis en kunde, skills en drills, waarbij ‘één voor allen, allen voor één’ voorop staat: samen behaalt iedereen meer resultaat. Mij is geen organisatie bekend die zo kan boeien als de krijgsmacht: afwijkende werktijden en –locaties (denk aan Afghanistan), aan het werk moeten als gevolg van gewapende conflicten, crises en natuurgeweld, de omgang met wapens en met elkaar, een eigen taaltje met een woud aan afkortingen. Als pleun was ik in de eerste plaats geinteresseerd in zijn landmachtonderwerpen: paraspringen, de genie, geleide wapens en de Luchtmobiele Brigade. Bij die laatste beginnnen is erg verleidelijk, omdat ik daar – als ik dit schrijf – geplaatst ben. Opvallend is dat een woordvoerder over deze brigade zegt: “De brigade is opgericht om snel en over de hele wereld te kunnen opereren.” Dat laatste is niet zo. Organiek zou de eenheid worden ingedeeld bij de (rapid) reaction forces van de NAVO, eenheden in het kader van het concept Mobile Counter Concentration Defence. Aan het eind van het bestaan van de Sovjet-Unie en het Warschaupact ging de strategie uit van een aanval met mobiele eenheden op de vijandelijke zwaartepunten, waarbij eenheden snel naar plaatsen moesten worden gedirigeerd waar de tegenstander een doorbraak wilde forceren. De vereiste mobiliteit en flexibiliteit om snel troepen naar vooraf onbekende locaties binnen het NAVO-territoir te sturen ontbraken met name bij de landstrijdkrachten. Daarin moest een Luchtmobiele Brigade verandering brengen. De brigade is dus in grote mate een mooi overblijfsel uit de nadagen van de Koude Oorlog. Terug naar Koenen’s boek, want ook het kadertje over ersatzinfanterie is interessant, hoewel ook geneeskundige functies van deze regel zijn uitgezonderd. Als laatste opmerking aangaand luchtmobiel is dat één klik op het inregelwiel met een schaal van 6400 mils “op zeven kilometer afstand een meter naar rechts of naar links is”. Dat is toch echt precies 6,4 km, wat een behoorlijk verschil kan zijn als je met mortieren met een maximale effectieve dracht van 5,7 km (81 mm) of 8,1 km (120 mm) in het voorterrein vuurt. Tot zover mijn gemakkelijke muggenzifterij. Want Koenen’s boek is natuurlijk vooral zeer lezens- en bezienswaardig, zowel op het informatieve als fotografische vlak (het oog wil zeker ook wat). De lay-out is modern opgezet, zodat ook de cola-patat-Nikes-generatie geboeid blijft. Alleen... tsja, het is nogal kort, 48 uur meetrainen met de krijgsmacht. Van mij had Koenen ook een jaar lang mogen meedoen... Terug naar Boven AAN DE POORTEN VAN DE RWANDESE HEL - LUC MARCHAL  | titel | Aan de poorten van de Rwandese hel. Getuigenis van een peacekeeper | auteur | kolonel Luc Marchal | ISBN | 9056173642 | jaar | 2001 | pagina’s | 263 | uitgeverij | Van Halewyck |
   
|
Vijf jaar na zijn vrijspraak van nalatigheid bij de moord op tien Belgische collega’s in Rwanda, heeft kolonel Luc Marchal met ‘Aan de poorten van de Rwandese hel. Getuigenis van een peacekeeper’ een memorabel en ontnuchterend boek het licht laten zien. Het zeer koeltjes, bijna zakelijk, geschreven boek gaat over de tekortkomingen van de United Nations Assistance Mission in Rwanda (UNAMIR), haar zeer beperkende regels voor het gebruik van wapens en haar volledige falen na de moord op tien Belgische paracommando’s. De tien para’s van het mortierpeloton onder leiding van luitenant Thierry Lotin slaagden er niet in premier Agathe Uwilingyimana op 7 april 1994 – één dag na de moord op de presidenten van Rwanda en Burundi – in een escorte naar haar huis te beschermen en werden gelyncht. In de drie maanden na deze aanslag liep de situatie in Rwanda volledig uit de klauwen en kwamen 800.000 Tutsi's en Hutu’s om het leven in een genocide die alleen vergeleken kan worden met de holocaust. Marchal – commandant van de Belgische VN-troepen, second-in-command van de Force Commander, de Canadese generaal Romeo Dallaire (die in 2004 ‘ Shake hands with the devil: the failure of humanity in Rwanda’ publiceerde) én sector-commandant voor de hoofdstad Kigali – rapporteerde vaak aan het Belgische operatiecentrum in Evere, maar kreeg zelden instructies om iets aan de problemen ter plaatse te mogen doen. Er gebeurde dus niets. Volgens weekblad De Groene Amsterdammer van 15 januari 1997: ”Een Belgisch Srebrenica”. Terug naar Boven ALLEEN KINDEREN HUILEN - RON DE VOS  | titel | Alleen kinderen huilen | auteur | Ron de Vos | ISBN | 9080234869 | jaar | 1997 | pagina’s | | uitgeverij | Début |
  
|
Het boek ‘Alleen kinderen huilen’ verhaalt de belevenissen van de bemanning van post 7-12 in de periode juni 1980 tot en met januari 1981, gezien door de ogen van de dienstplichtige Ron de Vos. Hij was de postcommandant. Tijdens de missie United Nations Interim Force in Lebanon (UNIFIL) worden angst, humor en kameraadschap met elkaar gedeeld. Velen raakten na terugkomst in Nederland in conflict met zichzelf en de rest van de maatschappij. De Vos beschrijft de opleiding in Nederland, de geuren en kleuren van het thuisfornt, de patrouilles door de wadi’s, de omgang met de lokale bevolking, de beschietingen. In Libanon, in het bergachtige gebied aan de noordgrens met Israël, stelden de Verenigde Naties een bufferzone in tussen de strijdende partijen. Terug naar Boven ALS EEN NACHT MET DUIZEND STERREN - JOERI BOOM  | titel | Als een nacht met duizend sterren. Oorlogsjournalistiek in Uruzgan. | auteur | Joeri Boom | ISBN | 9789057593710 | jaar | 2010 | pagina’s | 352 | uitgeverij | Podium |
    
|
| | | Neil McCauley (Robert de Niro) speelt in ‘Heat’ (1995) een gangster die jaren achter de tralies heeft gezeten en nu de kost verdient met bankovervallen. Na zo’n overval wordt de übercrimineel met zijn maten op heterdaad betrapt door de politie. In de straten van Los Angeles breekt een onvergelijkelijk, spectaculair vuurgevecht uit. Dat is de sfeer die kapitein Larry beschrijft in het boek van Joeri Boom. Plaats van handeling is dan echter Chora, een ogenschijnlijk onbetekenend oord in de Afghaanse provincie Uruzgan: “Ik moest me schietend een weg door het dorp banen. Knallend door de straten, net als in Heat.” (p. 114) Anno 2010 heeft Nederland zich formeel teruggetrokken uit Uruzgan. De Slag om Chora is encyclopedisch geworden: compagniescommandant Larry was met zestig Stoters in de White Compound in Ali Shirzai (Chora), waar de zwaarste strijd sinds Wonju (Korea, 1951) werd gevoerd. Nederland kon het hoogste geweldsspectrum aan: ruim 500 Nederlandse ISAF-militairen, ondersteund door Afghanen met rood-witte linten om hun arm en de loop van hun geweer, dreven de Taliban terug nadat die politieposten onder de voet hadden gelopen en de White Compound hadden omsingeld. Het was diezelfde Larry die Joeri de titel aanreikte voor zijn boek, naar hoe het er ’s nachts tijdens de gevechten uitzag in de vallei van Chora (p. 113). Chora is één van de namen die in Uruzgan nu net zo gewoon zijn als Aalsmeer of Zwolle. Politieposten, oorden en inktvlekken waar de Nederlanders jaren achtereen patrouilleerden en vochten. Maar officieel voerde Nederland in Uruzgan lange tijd geen ‘oorlog’ omdat de communicatiestrategie van Defensie – uitvoerder van de politiek – niet toestond dat de missie anders werd verkocht dan in de zin van opbouw, harten winnen, waterputten slaan, daken van moskeeën repareren. Een public relations-oorlog in de marge van een echte oorlog (die geen “vechtmissie” mocht heten omdat de Nederlandse regering hardnekkig de term "oorlog" probeerde de vermijden). Iedereen kende Arnold Karskens al, de éminence grise die principieel nooit embedded wil gaan en niet met mij naar de vergeten oorlog in Kashmir wilde afreizen (De Pers, oktober 2009). Maar slechts weinigen kenden Joeri Boom, in dienst van het kleinste opinieweekblad van Nederland, De Groene Amsterdammer, en beheerder van Web(oor)log. | |
Dat kan door dit boek als een donderslag bij heldere hemel veranderen, want Nederland heeft nog weinig notie van wie nu eigenlijk de vijand is in Uruzgan. Als je het embednieuws uit Uruzgan kort (door de bocht) samenvat, zijn de Taliban de ‘bad guys’, hoewel Defensie de term OMF prefereert. Terwijl die ‘militanten’ – strijders dus – in Uruzgan juist worden ingedeeld naar een onderliggende, zeer complexe stammenstrijd (zie ook: Expeditie Uruzgan van Bette Dam). Een keihard en al eeuwenlang voortkabbelend gevecht tussen de Popolzai-substam van de Pashtun (van president Karzai, ex-gouverneur Jan Mohammed Khan (JMK) en ‘Heer van de Weg’ Mathiullah Khan) en al die andere stammen die onderling met elkaar verstrikt zijn als vliegen, libellen en bijen in een spinnenweb. Binnen al die onnavolgbare heisa over stamtwisten, welke zelden worden geduid in de media, ben je als journalist in de eerste plaats de waakhond van de democratie, “[...] in het bijzonder in tijden van oorlog, als de moraal gevaarlijk rekbaar is. Het is uiterst onverstandig de leiband van die waakhond willens en wetens uit handen te geven. Want dan ziet hij alleen wat het baasje wíl dat hij ziet” (p. 318). Zijn de (sub)stammen al een wirwar van ellende en een voedingsbodem voor de grip van de Taliban op Uruzgan, de falende - want incompetente, corrupte en analfabete - overheid staat zeker ook in de top drie. En al die westerlingen, hoe goed hun bedoelingen ook zijn, worden hooguit tijdelijk en plaatselijk door de Uruzgani’s gedoogd. Laat dat duidelijk zijn. Die rekbaarheid blijkt in medialand ook niet zo elastisch, zeker als je embedded en dus gecontroleerd verslag moet doen, omdat het solo buiten de compound vaak te gevaarlijk is. Bovendien faciliteert Defensie je heen- en terugvlucht, huisvesting en voeding. Logisch toch dat de media zich inzetten voor haar bedrijfsbelang? “De werkelijkheid is amper te vatten. Zwaar gewapende Nederlandse militairen in een ver land, die zeggen dat ze niet komen om te vechten maar om te helpen, ook al worden ze beschoten met raketten.” (p. 77 en 78). Een contradictio in terminis, evengoed als het bijstaan van de Afghanen bij veiligheidsvraagstukken (International Security Assistance Force) die feitelijk het bestrijden van een insurgency is. Vanwege de gevaren laat het grootste deel van de pers haar berichtgeving, ingebed door de veiligheid van de krijgsmacht, graag manipuleren door de regie van militaire voorlichters, de PIO's. Die zien echter, volgens Joeri Boom, overal een (OPSEC-)probleem in en belijden slechts met de mond openheid en transparantie. Intussen zetten ze stelselmatig de zaken in een kader dat alleen rooskleurig is voor de ander (framing), verdraaien ze incidenten tot iets positiefs (spinning), doen ze een beroep op je gemoed en hanteren ze de tactieken van “nuancering, dosering en timing”. Beproefde communicatietrucs, waar je als journalist in Uruzgan blijkbaar constant op bedacht moet zijn. Het elastiekje van “de infanterie van de geschiedschrijving” past zich naadloos aan de wensen van Defensie aan, waardoor slechts één op de tien journalisten in Uruzgan non-embedded, zonder pleisters op de ogen, werkelijk heeft kunnen en willen waarnemen what was going on. Succes is het resultaat van willen en doen... En de haarscheurtjes in het elastiekje zijn zeer kwetsbaar gebleken. Operational Security (OPSEC) of niet, je afvragen of de pantserfabs een overbodige aanschaf van 18 miljoen zijn… is en blijft journalistiek verantwoord, zeker als je dit afzet tegen het aantal raketbeschietingen op Kamp Holland in Tarin Kowt in relatie tot die op Kandahar Airfield. Zonder de dood van de dan 20-jarige soldaat der eerste klasse Azdin Chadli op 6 april 2008 te bagatelliseren. Joeri Boom heeft het in al die jaren Uruzgan allemaal meegemaakt en kent het dilemma van counter-insurgency: “jagen op de vijand, met het risico dat je de bevolking van je vervreemdt, of de vijand laten lopen en hopen dat het je lukt de bevolking voor je te winnen” (p. 93). Hij maakte de directe nasleep van de Slag om Chora mee; de openheid van Battle Group-commandant Rob Querido die als eerste hoge officier werkelijk zei waar het op stond; de burgerslachtoffers bij de gevechten rond Chora; de politieke onderbouwing van de missie die als sneeuw voor de zon verdween ten voordele van het vechten voor elkaar; het onophoudelijk patrouilleren (als les uit Nederlands-Indië) om nog enige kans te maken tegen een tegenstander die het terrein veel beter kent… Wat mij betreft is Joeri Boom’s page-turner hiermee de ideale aanvulling voor ‘Pleisters op de ogen’, Karskens’ geschiedenis van de Nederlandse oorlogsverslaggeving. Het ideale hoofdstuk over Uruzgan. Terug naar Boven BALKAN. WIJ Noemen het rozen - serge van duijnhoven  | titel | Balkan. Wij noemen het rozen | auteur | Serge van Duijnhoven | ISBN | 9057591235 | jaar | 1999 | pagina’s | 226 | uitgeverij | Podium |
  
|
De misère van het voormalig Joegoslavië laat zich het best omschrijven in trefwoorden als genocide, haat, Srebrenica, of… in indringend en bijtend geschreven reisverslagen. In ‘Balkan. Wij noemen het rozen’ schrijft de Vlaamse Nederlander Serge van Duijnhoven over zijn reizen in Bosnië, Kroatië, Macedonië en Servië in de periode 1995-‘98. De titel van zijn boek verwijst naar de roosvormige gaten op straat in Sarajevo, nagelaten door de inslagen van uiteengespatte mortiergranaten. “We call them roses, but they don’t smell like it”, vertelt een meisje hem met typische Bosnische zwarte humor. Het is een beetje dezelfde humor die door hem in zijn verhalen naar voren komt: “Oorlogen zijn de rosse buurten van deze aarde. Ze wemelen, behalve van het viriele krijgsvolk, van de pottenkijkers: ruige of minder ruige lieden die zich op de hoogte komen stellen van het vlees in de kuip. Bovendien bezitten ze voor buitenstaanders, in al hun smerigheid, een schemerachtige aantrekkelijkheid.” Aldus één van de reisverhalen, 'Kolonel Kurtz in Sarajevo'. Die "schemerigachtige aantrekkelijkheid" in de reisreportages van Van Duijnhoven is prachtig opgeschreven en doet daardoor zeer literair aan. In de verhalen worden de clichés en vooroordelen die over de Balkan leven bevestigd noch ontkracht. Dat is alleen mogelijk als je, letterlijk van binnenuit, als een gretig waarnemer graaft naar de ware aard van een onder het juk van oorlog gebukt gaand Joegoslavische volk, dat sinds de jaren ’90 van de 20ste eeuw niet meer onder één noemer kan worden samengebald. Terug naar Boven BATAAFSE TERREUR - NIEK VAN SAS  | titel | Bataafse terreur. De betekenis van 1798 (Daendels-lezing, 21 januari 2011) | auteur | Niek van Sas | ISBN | 9789460040849 | jaar | 2011 | pagina’s | 48 | uitgeverij | Van Tilt |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven B.D. - A.J. VAN VUREN  | titel | B.D. | auteur | A.J. van Vuren (generaal-majoor b.d. Adriaan van Vuren) | ISBN | 9789051795172 | jaar | 2007 | pagina’s | 660 | uitgeverij | Gopher |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven BESTE OUDERS, LIEVE INE, IK SCHRIJF DIT UIT LA COURTINE - HENK POVÉe  | titel | Beste ouders, lieve Ine, ik schrijf dit uit La Courtine. Het Nederlandse leger in Frankrijk 1959-1971 | auteur | Henk Povée | ISBN | 9789068685039 | jaar | 2009 | pagina’s | 111 | uitgeverij | Thoth |
  
|
Tienduizenden dienstplichtigen maakten via Oirschot, Hasselt, Namen, Mourmelon, Châlons, Troyes, Auxerre en Bourges de driedaagse reis van ruim 900 km naar een Franse kazerne op het Plateau de Millevaches: La Courtine. Eenmaal in La Douce France begonnen de nostalgie en de ‘ontberingen’ van het Franse legerkampement. Dat tempo doeloe van de jaren ’60 en ’70 is definitief op de kaart gezet door Henk Povée. Op 4 juni 1959 vertrok de eerste colonne met militairen uit Nederland om er te oefenen. Oefenterreinen met dergelijke afmetingen waren in Nederland niet voorhanden én Duitsland had het tot dan toe gebruikte terrein in Sennelager (bij Paderborn) voortaan zelf nodig. De oefeningen in La Courtine werden de meest bekende oefeningen van de Nederlandse krijgmacht… en bezongen door Rijk de Gooijer. Voor het eerst werd door tienduizenden dienstplichtigen zo ver van huis en wekenlang geoefend, van statische gevechtsvormen volgens de traditie van de Koude Oorlog tot het nabootsen van de totale oorlog zoals die in de Tweede Wereldoorlog werd gevoerd. Compleet met oefenvijand, krijgsgevangenen, psychologische oorlogvoering, bombardementen met meel en een heuse NBC-aanval. In 1964 kwam aan het grootschalig oefenen in La Courtine een einde, waar de Koninklijke Landmacht zo´n vier maanden per jaar oefende met parate eenheden en herhalers. In totaal hebben zeker 100.000 dienstplichtigen er geoefend. De Nederlandse verdedigingslinie (forward combat zone) kwam te liggen in de Noord-Duitse laagvlakte, waardoor oefenen tot aan de Elbe en het Elbe-Seitenkanal meer voor de hand lag. Bovendien was de operationele inzetbaarheid in het geding. De Russen zouden wel eens kunnen aanvallen op het moment dat een groot deel van de Nederlanders in Frankrijk bivakkeerden. Terug naar Boven BOMBERJACK - CLIFFORD C. CREMER  | titel | Bomberjack | auteur | Clifford C. Cremer | ISBN | 9075323778 | jaar | 2000 | pagina’s | 368 | uitgeverij | Aspekt |
    
|
Oud-marinier en freelance journalist Clifford C. Cremer – onder andere voor militaire bladen, Penthouse, HP/De Tijd en Nieuwe Revu - is mateloos gefascineerd door militarisme en oorlog. Zijn autobiografie ‘Bomberjack’ beschrijft onder meer zijn tijd bij het Korps Mariniers, zijn bezoeken aan Zuidoost-Azië en Kenia, waar zijn broer Clint een nachtclub runt en zijn ongeluk dat een einde maakt aan zijn loopbaan als marinier. In 1994 trok Cremer met Nederlandse oorlogsvrijwilligers naar het Kroatische front om tussen huurlingen en sluipschutters wapeninstructeur te worden. Uiteindelijk ging dat niet door, maar hij was tijdens de burgeroorlog in voormalig Joegoslavië wel degelijk actief in Sarajevo, Mostar en de Medak-vallei. Tijdens de aanval op de Kroatische Medak-vallei (onder andere in Gospic) zijn misdaden tegen de menselijkheid en schendingen van het oorlogsrecht begaan tegen de Serviërs, waarschijnlijk ook door de Nederlandse oorlogsvrijwilligers. Voor wie in ‘Bomberjack’ zoekt naar uitsluitsel over de aanwezigheid van “een groepje lange, blonde jongens die een taal spraken die leek op Duits” (citaat van journalist Rob Siebelink) komt van een koude kermis thuis. De rauwe en ontnuchterende werkelijkheid over de Medak-vallei is terug te vinden in de boeken van de Kroatische generaal Janko Bobetko, ‘Sve moje bitke’ (‘All my battles’, Zagbreb, 1996) en de Servische generaal Milisav Sekulic ‘Knin je pao u Beogradu’(‘Knin fell in Belgrade’, Belgrado, 2000). Cremer beschrijft zijn avonturen beeldend. Zijn niet-politiek-correcte enbloemrijke manier van schrijven dwingt respect af. Typerend is bijvoorbeeld zijn opmerking over de Nederlandse krijgsmacht (pagina 130/131): “Het Nederlandse leger was en is in de eerste en voornaamste plaats een oefenleger. Een leger vol losse-flodder-helden. Een leger vol vakbonden, geestelijke verzorgers en belangenorganisaties. Het zijn – op de commando’s en de mariniers na – geen soldaten, maar ‘militaire ambtenaren’.” Boven alles geldt ‘Bomberjack’ als verplicht leesvoer voor lieden die denken dat het “cool” en “kicken” is om als een would-be vernederlandsing van John Rambo in een oorlogsgebied rond te stampen. Terug naar Boven BORN SURVIVOR - BEAR GRYLLS  | titel | Born Survivor. Survival Techniques from the Most Dangerous Places on Earth | auteur | Bear Grylls | ISBN | 9781905026371 | jaar | 2007 | pagina’s | 256 | uitgeverij | Transworld Publishers & Channel 4 |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven BRAVO TWO ZERO - ANDY McNAB  | titel | Bravo Two Zero | auteur | Andy McNab | ISBN | 9789026973284 | jaar | 1993 | pagina’s | 318 | uitgeverij | Unieboek |
   
|
Hoewel ‘Bravo Two Zero. The true story of an SAS Patrol behind enemy lines in Iray’ wordt verkocht als ‘militaire fictie' handelt het over een waar gebeurd verhaal. Tijdens de Eerste Golfoorlog (januari 1991) opereerde sergeant Andy McNab – een pseudoniem – in een team van acht man van B-Squadron 22 Special Air Service achter de Iraakse linies. In de nacht van 22 januari 1991 werd het team door een helikopter gedropt in Irak. De patrouille verbleef overdag onder andere in wadi’s maar werd op de derde dag van de missie, 24 januari, gecompromitteerd Per radio verzochten ze vergeefs om een exfiltratie per heli. Hoewel er, dankzij contact per TACBE, vanaf de 25ste steeds een CH-47 in Al Jouf (Saoedi-Arabië) op stand-by stond voor een emergency pick-up, gebeurde dit niet. En omdat ze niet werden opgepikt, exfiltreerden ze zelf… te voet. Een escape & evasion van bijna 300 km naar de Syrische grens volgde. Alleen korporaal Chris Ryan – de latere auteur van ‘The One That Got Away’ – slaagde erin de rivier Eufraat over te steken en na acht dagen de Syrische grens te bereiken; drie dagen werd op de overigen jacht gemaakt voordat ze werden gepakt. Ze werden gevangengezet in de Abu Ghraib-gevangenis bij Bagdad. McNab zelf werd 6 weken vastgehouden en gemarteld. De missie met als callsign “B20” had als opdracht om de lanceerplatforms van Scud-raketten te vernietigen welke Saddam Hoessein afvuurde op Saoedi-Arabië en Israël, een belangrijke glasvezelcommunicatielijn te saboteren en de Main Supply Route tussen Bagdad en het noordwesten van Irak te observeren. | |
Van het achttal van “B20” keerden er slechts vijf terug: één werd gedood (Bob Consiglio), twee overleden als gevolg van hypothermie (Steve Lane en Vincent Phillips). Naast sneeuwstormen en vrieskou was er sprake van zandstormen die al het zicht ontnamen. Hoewel de patrouilleleden erin slaagden ongeveer 200 Irakese militairen om het leven te brengen, werd de opdracht in het geheel niet gehaald. Het was op z’n zachtst gezegd naïef om een longe range recce patrol te voet uit te voeren in een woestijn zonder noemenswaardige schuilmogelijkheden. Niet werkende radio’s, verkeerde radiofrequenties, slechte inlichtingen over de doellocaties, het terrein en het weer… de missie was vanaf het begin een mislukking. Alleen al om de imperfectie van de uitvoering is ‘Bravo Two Zero’ een klassieker onder de gouwe ouwen. Voor zijn aandeel in “B20” is Andy McNab onderscheiden met zowel de Distinguished Conduct Medal (DCM) als de Military Medal (MM). Toen hij in februari ’93 zijn baret definitief aan de kapstok hing, was hij de hoogst gedecoreerde militair van de SAS en “B20” de meest gedecoreerde patrouille sinds de Anglo-Boer War (1899-1902). Terug naar Boven BROTHERS IN ARMS, BROTHERS ON BIKES - MOELKER & SCHUT  | titel | Brothers in arms, brothers on bikes. Veteranencultuur op wielen! | auteur | René Moelker & Michelle Schut | ISBN | 9789460360152 | jaar | 2011 | pagina’s | 144 | uitgeverij | Damon |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt derhalve niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven BURGERZIN EN SOLDATENGEEST - BEN SCHOENMAKER  | titel | Burgerzin en soldatengeest. De relatie tussen volk, leger en vloot 1832-1914 | auteur | Ben Schoenmaker | ISBN | 9789085067085 | jaar | 2009 | pagina’s | 505 | uitgeverij | Boom |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt derhalve niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven BYE BYE BULLSHIT - MARIELLE VAN UITERT  | titel | Bye bye bullshit. 29.868 minutes with the last Dutch patrols in Afghanistan 2010 | auteur | Marielle van Uitert | ISBN | 9789089102737 | jaar | 2011 | pagina’s | 112 | uitgeverij | d'jongeHond |
   
|
Het is nogal wat: je fotoboek ‘Bye Bye Bullshit’ noemen, terwijl je drie weken op pad bent geweest met de laatste patrouilles van Nederlandse militairen in Uruzgan! Die patrouilles zijn natuurlijk allesbehalve onzinnig, maar ze hielden aan het einde van de Nederlandse missie in deze vorm op te bestaan. De Nederlands-militaire ‘way of life’, de 'Dutch Approach', verschilt nu eenmaal blijkbaar hemelsbreed van die van de Amerikaanse opvolgers. Het boek is een emotioneel monument: een afscheid. Afscheid nemen “sucks”, om in Engelse termen te blijven. Zeker als je niet weet hoe het met de mensen zal vergaan die je gaat verlaten. Mensen die dag in, dag uit lijden onder de terreur in het in alle opzichten achtergebleven Afghanistan. Terreur die bij mij - soms - tot in m'n poriën voelbaar, als je je via de lens van de camera tussen de mensen begeeft, als je in de ogen kijkt van de meest kwetsbaren: ouden-van-dagen en kinderen. Zo’n kindje staat ook op de cover van dit boek, met sprekende ogen: een kind dat – angstig?, niet gelovend in een verbetering van haar lot?, wantrouwend in de toekomst? – zijn blik afwendt van de camera – zo’n nieuwerwets ding waarvan zij niet weet wat het doet. Afghanistan is er nog niet klaar voor. Zwart-witfoto’s spreken meer dan kleur, zeker als er emoties als teleurstelling, verdriet en wanhoop op worden vastgelegd. Dat is het voordeel van dit boek: het pakt je. En dat is niet zo raar: ellende pakt je, zeker als het ellende is die je zelf hebt mogen meemaken. Misère die allesbehalve ‘onzin’ genoemd mag worden - en op die manier bedoelde de fotografe het zeker niet. Nee hoor: Mariëlle van Uitert heeft een fraai fotoboek gemaakt, dat bovendien nuttig is: het bewijst dat al die jaren Uruzgan voor niets zijn geweest als de internationale gemeenschap niet blijvend investeert in het lot van de Afghaanse ‘man in the street’. Terug naar Boven CANONGEBULDER - KEES M. PALING  | titel | Canongebulder | auteur | Kees M. Paling | ISBN | 9789087500016 | jaar | 2006 | pagina’s | 68 | uitgeverij | Legermuseum |
  
|
Kees M. Paling schreef een boekje met een originele titel. Geen kanonnengebulder dit keer, maar canongebulder. Synchroon aan de toegenomen belangstelling voor (vak)literatuur onder militairen èn aansluitend bij het militaire gezichtspunt dat in veel canons ontbreekt, schreef Paling over de hoogte- en dieptepunten uit de vaderlandse krijgsgeschiedenis. De toegenomen belangstelling komt onder andere tot uiting in van Defensiewege geproduceerde leeswijzers over Afghanistan en Afrika èn de leeswijzer op deze website, maar in dit boekje staan de need-to-knows. Een lijstje dat als leidraad kan dienen als je op zoek bent? Nee, dat is niet het geval voor ‘Canongebulder’. Dat boekwerkje begint in 1555. Bij dat jaartal hoort de regeringsovername van de Nederlanden door Filips II. Ook Paling beschrijft deze wetenswaardigheid en vele andere faits divers, op chronologische volgorde. |Maar het boekje heeft helaas geen lekkere (zoek)index, dus de jaartallen rollen als een ware tsunami over je heen. Terug naar Boven CHARLIE WILSON'S WAR - GEORGE CRILE  | titel | Charlie Wilson's War (De geheime oorlog van Charlie Wilson) | auteur | George Crile (vertaling: Jacques Meerman) | ISBN | 9022988422 | jaar | 2004 | pagina's | 500 | uitgeverij | A.W. Bruna Uitgevers BV |
  
|
| | Charlie Wilson (1933-2010) De flamboyante Texaan, een oud-marineman, zorgde er in de jaren ’80 in het Amerikaanse Congres in zijn eentje voor dat de CIA in het geheim steun gaf aan de Afghaanse mujahideen die de Sovjettroepen bevochten. In nauwe samenwerking met de CIA-agenten Gust Avrakatos en Mike Vickers slaagde hij erin het budget voor geheime CIA-operaties in Afghanistan almaar te verhogen. 
Als progressief Democratisch lid van het Huis van Afgevaardigden speelde hij hierdoor een sleutelrol bij de beslissing die de CIA toeliet om de troepen van de Afghaanse mujahideen te steunen na de invasie van de Sovjet-Unie in 1979. Het levensverhaal van Wilson werd in 2007 verfilmd door regisseur Mike Nichols in ‘Charlie Wilson's War'. De rol van Wilson wordt er gespeeld door Tom Hanks, met Julia Roberts en Philip Seymour Hoffman in de andere hoofdrollen. |
Terug naar Boven CHIRURG IN OORLOGSGEBIED - BEN MAK  | titel | Chirurg in oorlogsgebied | auteur | Ben Mak | ISBN | 9038916582 | jaar | 2005 | pagina’s | 176 | uitgeverij | Elmar |
   
|
Sinds de Eerste Wereldoorlog is oorlogschirurgie in opmars geraakt als een apart specialisme. Oorlogswonden zijn besmet en vuil en mogen niet worden gesloten. Van de specialisten die zich aan het begin van de 21ste eeuw oorlogschirurg mogen noemen, kan het aantal wereldwijd op 2 handen worden geteld. De Afghaan Khaled Menapal is zo’n chirurg en, dichter bij huis, Ben Mak. Opgeleid in Leiden en gespecialiseerd in Bottrop, raakte hij verslaafd aan snijden onder hoogspanning. In conflictgebieden als Afghanistan, Kenia, Libanon, Liberia, Pakistan, Rwanda, Sierra Leone en Sudan. Benen amputeren, keizersneden uitvoeren en nog veel meer. Hoewel de omstandigheden vaak abominabel en levensgevaarlijk waren, bleef de bevlogen oorlogschirurg voor het International Red Cross zijn vak uitoefenen. Zijn verhaal is even onwerkelijk als bijna-zakelijk, maar zonder een moment saai te worden. Terug naar Boven COMMANDO'S VAN DE SPECIALE TROEPEN - JEF DRESENS  | titel | Commando's van de Speciale Troepen | | auteur | kapitein der infanterie b.d. Jef Dresens | | ISBN | 9077764410 | jaar | 2006 | pagina’s | 164 | uitgeverij | Kirja Boek |
  
|
Dit is weer zo’n herinneringsboek dat je je lezers niet wilt onthouden: kapitein b.d. Jef Dresens, voormalig lid van No. 2 (Dutch) Troop en het Korps Speciale Troepen, schrijft over de gevaren die hij als commando zelf aan den lijve heeft ondervonden. Het boek werd in 2006 uitgegeven, toen het zestig jaar geleden was dat de Speciale Troepen, op 23 augustus 1946 in Batavia, werden opgericht. De commando’s van de Speciale Troepen waren de elite-militairen van de Nederlandse krijgsmacht in Nederlands-Indië, die onder extreme omstandigheden het “vuile werk” in zeer onrustige gebieden moesten opknappen. Met de Speciale Troepen is Dresens ook op Zuid-Celebes geweest. Er heerste daar een enorme chaos. Onder toepassing van de staat van oorlog had kapitein Raymond Westerling van de hogere legerleiding de expliciete opdracht gekregen de rampokkers – bendes die systematisch overvallen pleegden op de inlanders en de Nederlanders – coûte que coûte te elimineren. Terug naar Boven DAT WAS JIJ, MARINIER! - WIM DUSSEL  | titel | Dat was jij marinier! De geschiedenis van de Mariniersbrigade, 1945-1949 | | auteur | Wim Dussel | | ISBN | 9065230521 | jaar | 1990 (eerste druk: 1950) | pagina’s | 336 | uitgeverij | Stubeg (eerste druk: C. de Boer Jr.) |
   
|
Ben je de biografie van generaal S.H. Spoor aan het lezen, kom je op de boekenmarkt eindelijk dit boek van Wim Dussel tegen. Wat mij betreft is dit de mooiste manier van boeken kopen. Een tweedehands boek, goedkoper dan nieuw, dat zijn leeswaarde al heeft bewezen. Dit exemplaar was, volgens het voorblad, ooit in het bezit van de korporaal der mariniers D. ten Hoeve (1949 tot ‘52) en dat maakt het nog authentieker. Toen Ten Hoeve marinier was, verkeerde de Mariniersbrigade waar Wim Dussel over schrijft, al in zijn nadagen. De brigade werd na de bevrijding van Nederland klaargestoomd in de Amerikaanse kampementen Lejeune en Davis, beiden in North Carolina. Na de bevrijding had hij zich aangemeld bij de Mariniersbrigade, opgericht om tegen Japan te strijden. De brigade belandde in november 1945 in Soerabaja op Oost-Java, waar Dussels journalistieke talenten snel werden snel opgemerkt. Behalve dat hij schreef voor bladen als Wapenbroeders en Ik zal handhaven. Weekblad van de Mariniersbrigade, maakte hij ook uitvoerig notities en fotografeerde hij. Hij noemde zichzelf “de man van de vrolijke stukjes”, aldus Arnold Karskens in Pleisters op de ogen (2001, p. 113) en ontwikkelde zich gaandeweg tot een “Nederlandse Ernie Pyle”, de beroemde Amerikaanse oorlogscorrespondent uit WO II. Dussel was als correspondent ingedeeld bij de Mariniersvoorlichtingsdienst (Marvo) van de Mariniersbrigade. “Een goede voorlichting van de troep zelve is een der machtigste stimulansen voor het op peil houden, het opvoeren van het moreel”, aldus generaal-majoor der mariniers De Bruyne in het voorwoord. Het ging evengoed om interne als externe communicatie. Volgens De Bruyne begreep de tijdelijk sergeant oorlogsvrijwilliger Dussel “de juiste begrenzing tussen de noodzaak tot strikste geheimhouding enerzijds om hen […] zo goed en zo ruim mogelijk in te lichten en voor te lichten anderzijds.” Hij was geen bureauklerk maar een marinier die met de maten meeging, vooraan, in de strijd, embedded avant-la-lettre: niet onder de hoede van de mariniers, maar als marinier hiervan deel uitmakend. Dussel vergezelde niet de mariniers, hij ‘was’ marinier. Het ultieme van wat men tegenwoordig zegt: every soldier a spokesperson. Alleen al hierdoor is zijn boek een voorbeeld van voortreffelijke herinneringsliteratuur geworden. Human interest van binnenuit, zoals Anton P. de Graaff dat ook zo mooi kon. De ontberingen en alledaagse onbelangrijkheden uit het leven van Nederlandse mariniers in oorlogsgebied komen treffend van zijn notitieblok en uit zijn typemachine. ‘Dat was jij, marinier!’ sluit af met een opsomming van alle gesneuvelden van de Mariniersbrigade. Dit is een indrukwekkende lijst - om stil van te worden. Voor hen, de veteranen en alle belangstellenden is dit een uniek stuk historie van het oudste korps van de Nederlandse krijgsmacht. De Mariniersbrigade legde het bijltje er nooit bij neer, liep bijvoorbeeld de door Dussel beschreven 78 km van Tjepoe naar Madioen in onbeschrijflijk hondenweer, liet zich niet van de wijs brengen door de pemoeda’s, bestreed de vuurhaard met alles wat ze had, heeft een demarcatielijn, een perimeter en tot slot een status-quolijn meegemaakt, ervoer geen vrijheidsdrang en zeker geen gevoel van onderdrukking bij de bevolking, terwijl de vijand zich nooit iets heeft aangetrokken van wat er aan afspraken werd gemaakt. In januari 1949, net na de 2de Politionele Actie, raakte Dussel gewond, vlakbij Madioen. Op een smalle weg, voor een opgeblazen brug, keerde de chauffeur van de truck waar hij in zat en reed op een mijn. De chauffeur overleed, Dussel raakte ernstig gewond aan zijn benen en moest noodgedwongen repatriëren. De Mariniersbrigade, die officieel alleen tussen 1943 en ’48 heeft bestaan, werd overigens feitelijk opgericht omdat “in het Verre Oosten ‘amphibious warfare’ op de voorgrond stond”. De taak van de brigade werd het bevrijden van Nederlands-Indië. Het werd geen bevrijding noch amfibische oorlogvoering, de landingen tijdens de Politionele Acties daargelaten. Aanvankelijk alleen de verdediging van buitenlinie van Soerabaja, maar na het bestand van Linggadjati (1946) vooral patrouillegang langs de demarcatielijn en het tegengaan van vijandelijke infiltraties vanuit kampongs buiten de frontlinie. Tijdens beide Politionele Acties was er voor de Mariniersbrigade op Oost-Java een belangrijke rol weggelegd. Als je dit soort boeken leest, kun je niet anders dan grenzeloos respect opbrengen voor wat deze mannen hebben gedaan. Gelukkig heeft Wim Dussel dit alles op prachtige wijze aan het papier kunnen toevertrouwen. Een heel lang, doorgaans vrolijk stuk ondanks talloze niet zo vrolijke – belangrijke en minder belangrijke – wapenfeiten, één lange voorgeschiedenis van het voor Nederland onvermijdelijke en o zo pijnlijke dekolonisatieproces. Terug naar Boven DE AFGHANISTAN MISSIE - ANDY McNAB & KYM JORDAN Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven DE BLIKSEM SLOEG IN - POL VAN OIJEN  | titel | De bliksem sloeg in | | auteur | luitenant-kolonel der infanterie b.d. Pol van Oijen | | ISBN | 9069490226 | jaar | 2005 | pagina’s | 150 | uitgeverij | PDP Peeters Druk & Print (Waalre) |
  
|
Pol van Oijen is oud-paracommando officier, is 40 jaar (1946-1986) beroepsmilitair geweest en heeft 4 combat jumps op zijn naam. Uit de verhalen van de Indië-, Korea- en Nieuw-Guineaveteraan blijkt dat hij een scherp oog heeft voor schijnbaar kleine details, dat hij lol in het leven heeft en dat er zelfs op de allerbelabberdste momenten altijd een moment is waarop lachen overheerst. In zijn diensttijd is veel gebeurd. In zijn boek doemt een hele rits mannen en vrouwen op die hij heeft gekend, vanaf de Stormschool Bloemendaal, via Nederlands-Indië, NDVN in Korea, Nieuw-Guinea tot en met de vele oefeningen bij het Korps Commandotroepen en in het Franse La Courtine. Verhalen en anekdotes te over. Om die reden is zijn boekproductie hoog: | 
De auteur van 'De bliksem sloeg in', luitenant-kolonel der infanterie b.d. Pol van Oijen |
‘Alle stations bedankt! ...uit’ | ‘Er stond een skelet op wacht’ | ‘Het is waar, maar je moet het niet geloven’ | ‘Met de maan in de rug’ | ‘Met de para's in Indië en andere verhalen’ | ‘Vrouwen schuwen het gevaar niet’ |
Terug naar Boven DE BLOEDIGSTE OORLOG - ROBERT STIPHOUT  | titel | De bloedigste oorlog. Het vergeten bataljon Nederlandse militairen in Korea | auteur | Robert Stiphout | ISBN | 9789020407204 | jaar | 2009 | pagina’s | 253 | uitgeverij | L.J. Veen |
  
|
Hoewel er al veel geschreven is over de eerste VN-vredesmissie waaraan Nederland ooit deelnam – de Koreaoorlog – heeft het tot 2009 geduurd voordat er een lijvig boekwerk uitkwam dat de oorlog opnieuw op de kaart zette. De oogst Korea-boeken beperkte zich tot nu toe tot de human interest van de oorlogscorrespondenten Wim Dussel (‘Tjot. Nederlanders in Korea’) en Wim Hornman (‘Ik wil leven. De onmenselijke strijd in Korea’), de gedetailleerde stafstudie ‘Het Nederlands Detachement Verenigde Naties in Korea 1950-1954’ (1960, heruitgegeven door de Vereniging Oud Korea-strijders in 2000) van luitenant-kolonel M.D. Schaafsma, tussen 1985 en ’87 de 20-delige serie van de adjudant b.d. R.K. Meijer in het vakblad De Onderofficier en, in 2000, het herinneringsboek ‘Focus op Korea’ van drie auteurs van de Sectie Militaire Geschiedenis van de Koninklijke Landmacht. Historicus en Elsevier-redacteur Robert Stiphout vulde die leemte op. De Koreaoorlog mag niet in de vergetelheid raken. Een oorlog waarin meer dan 3.600 militairen van het Nederlands Detachement Verenigde Naties (NDVN) aan de kant van de Amerikaanse 2nd U.S. Infantry Division tegen de Noord-Koreanen en Chinezen vochten; 124 Nederlanders kwamen hierbij om het leven. Met weinig enthousiasme maar met gevoel voor de mondiale verhoudingen op één van de eerste hoogtepunten van de Koude Oorlog, voelde Nederland zich aan de Amerikanen verplicht het NDVN te leveren. Het werd een bloedige oorlog. Of het ‘de bloedigste oorlog’ aller tijden was, is de vraag. Feit is wel dat van de eerste lichting Korea-gangers één op de drie militairen gewond raakte of sneuvelde. Hoengsong en Heuvel 325 werden legendarisch, evenals overigens Heartbreak Ridge, de IJzeren Driehoek, Heuvel 347, Nudae en Heuvel 340. De militairen werden ondergedompeld in de ellende van het helse, winterkoude Koreaanse weer en de, aanvankelijk, zwaar onderschatte en gezichtsloze Chinese en Noord-Koreaanse opponent, die almaar bleef oprukken en doorvechten. Cohortsgewijs stootte de tegenstander door in het zwaar geaccidenteerde landschap, waarbij de boventallige vijand ervoor zorgde dat het eerder regel dan uitzondering was dat de VN-eenheden letterlijk werden overlopen. | |
Dat leidde herhaaldelijk tot man-tot-mangevechten, tot en met gebruikmaking van de geplaatste bajonet. Uiteindelijk verzandde de zware strijd in een stellingenoorlog die tot de wapenstilstand voortduurde. Triest genoeg was het halfbakken eindresultaat dat de grens tussen de beide Korea’s, rond de 38ste breedtegraad, werd gerehabiliteerd. Robert Stiphout is erin geslaagd uit deze belligerente poel des verderfs – toen het ‘Land van de Morgenstilte’ de hel op aarde werd waarin de Nederlanders jarenlang moesten vertoeven – een leesbaar, jongensboekachtig requiem te schrijven. De lotgevallen van de eerste lichting Korea-gangers worden knap gereconstrueerd, waarbij het persoonlijke relaas integraal deel uitmaakt van het krijgsverloop. Daarbij mag niet worden vergeten dat de Nederlanders aan de frontlinie vaak de rottigste klussen moesten opknappen: als er een bres in de Amerikaanse linies viel, werd het NDVN linea recta voorwaarts gestuurd. Terug naar Boven DE CRISISKRAVAAN - LINDA POLMAN  | titel | De crisiskaravaan. Achter de schermen van de noodhulpindustrie | auteur | Linda Polman | ISBN | 9789050189736 | jaar | 2008 | pagina’s | 230 | uitgeverij | Balans |
    
|
De mooiste karavaan die ik ken is zonder enige twijfel de reclamekaravaan uit de Tour de France, het commerciële circus dat voor de renners uitrijdt. Sinds ik dit boek heb gelezen is de crisiskaravaan met stip de slechtste. De crisiskaravaan, die in een onuitputtelijke ratrace achter 's werelds ellende aancrosst, vindt plaats aan de rand van het optreden van blauwhelmen en is alomtegenwoordig, ook bij natuurrampen, crises, hongersnoden of combinaties hiervan. NGO’s racen jaar in, jaar uit achter alle ellende aan, als vliegen op een pot stroop. De vraag is alleen of ze het doen uit onpartijdigheid, neutraliteit en onafhankelijkheid? Of uit pure menslievendheid? De twee eerste internationale humanitaire hulpverleners uit de geschiedenis, Florence Nightingale en Henri Dunant, worstelden hier al mee. Nightingale “was ervan overtuigd dat hulp het doel voorbijschiet als oorlogvoerende partijen er hun voordeel mee doen”, Dunant niet. NGO’s zijn anno 21ste eeuw nog zelden alleen met humaniteit en ethiek bezig. Eerder draait het hulpverleningscircus om dirty cash: hulpverleningsdollars en –euro’s die moeten worden uitgegeven. Om het eigen geweten af te kopen en om te zorgen dat ze bij de volgende ellende weer voor een dubbeltje op de eerste rang mogen zitten. Een onder NGO’s en My Own NGO’s gevoerde, harde strijd om donorcontracten is het trieste gevolg. Resultaat: een beleid van verdeel en heers, een puur zakelijke rivaliteit op het scherpst van de snede. Met als inzet hongerende mensen. Niet opdraven bij ellende betekent het ontberen van donorfondsen. Wanneer dit het geval is, gaan de NGO’s zich zorgen maken over hun eigen (financiële) positie. Die houding is onzeker, niet in de laatste plaats omdat hulpverleners zich ook in de mondiale vluchtelingenkampen financieel een plekje moeten bevechten: ze schudden zelfs voor de camera handen met de duivel (strijdende partijen) om überhaupt hulp te mogen verlenen. Die camera is vaak van het 16de lid van de VN-Veiligheidsraad, CNN. Op de juiste plaats en tijd gecoverde internationale media-aandacht voor ellende wekt letterlijk de broodnodige belangstelling van donorregeringen. Is de interesse eenmaal gewekt, kan het gulgevige doneren beginnen, waarna het hele circus in het beste geval doorreist naar de volgende ellende. Sommige hulporganisaties gaan zelfs zover om journalisten embedded mee te nemen om de ellende naar eigen genoegdoening en zo mediageniek mogelijk te kunnen verslaan. Zo is de overdrijving in de hulpverleningsindustrie een tweede natuur geworden. Want voor een aardbeving met minder dan 1.000 slachtoffers of een genocide zonder smerige details komt geen enkele zichzelf respecterende ontwikkelingswerker zijn bed meer uit. De doe-het-zelf-hulpverleningsorganisaties - de MONGO’s - rijzen onder andere hierdoor de pan uit. Deze hedendaagse missionarissen en zendelingen proberen na het wapengekletter, het uitgedoofde vulkaangeweld en de tot rust gekomen tsunami’s bij welke partij dan ook hearts & minds te winnen. Een van de grote uitdagingen van deze eeuw is dat internationale hulpverlening in de Derde Wereld een goedlopende, full-time industrie is geworden. Een onderneming waarbij de regels van het Rode Kruis nog altijd niet afdwingbaar en al even vaak niet uitvoerbaar zijn, de ‘survival of the fittest’ van de NGO’s hun eerste prioriteit is en de humanitaire hulp soms juist crises in stand houdt. Een onderneming die er soms voor zorgt dat refugee warriors in vluchtelingenkampen op adem komen en dankzij diezelfde NGO’s wapentuig en munitie aankopen – want: pecunia non olet. Dit boek bewaarheid mijn ergste vermoeden: hoeveel goedgeefs gedoneerd hulpverleningsgeld er dag in, dag uit aan de strijkstok blijft hangen bij het op winst belust doorspelen van al die miljoenen. Waarbij de grote NGO’s zelfs te laf zijn om zelf in de ellende te gaan zitten en lokale onderaannemers de poep van de ventilator laten poetsen, zonder gevaar voor hun eigen levens. Als iets bewijst dat hulp het doel voorbijschiet als oorlogvoerende partijen er hun voordeel mee doen en het merkbare effect van ontwikkelingshulp op veel fronten faalt, is het ‘De crisiskaravaan’ van Linda Polman. Wat nou ethiek? Terug naar Boven DE DAG VAN MORGEN - NICKY DE WIT  | titel | De dag van morgen | | auteur | Nicky de Wit (pseudoniem van Gilles Faas) | | ISBN | 9789077490108 | jaar | 2005 | pagina’s | 192 | uitgeverij | Lemmens |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven DE DUIVELJAGER - RON SLUIK & REINIER KURPERSHOEK  | titel | De duiveljager | auteur | Ron Sluik & Reinier Kurpershoek | ISBN | 9066172444 | jaar | 2000 | pagina’s | 62 | uitgeverij | De Balie |
  
|
Het kunstenaarsduo Ron Sluik en Reinier Kurpershoek publiceerde in 2000 het boekje ‘De Duiveljager’. Dit is met nadruk géén spannend jongensboek. Het onderwerp is de 40-daagse gevangenschap van de Nederlandse huurling Johan Tilder (1963-1994), meer specifiek de uitvoerige militaire ondervragingen. Één van deze verhoren is indertijd op VHS-videotape vastgelegd; via-via kwam de band bij de kunstenaars, die integraal de vertaling van één band in dit boekwerkje hebben opgeschreven. Nobel en broodnodig, want er zijn maar heel weinig mensen die ooit een militaire verhoorsessie hebben ondergaan, laat staan dat zij er beeld en geluid bij hebben. ‘De Duiveljager’ is in de eerste plaats gebaseerd op de reportage ‘Het bloedbad van Medak’ van journalist Rob Siebelink, zoals die op 16 januari 1997 over vier volle krantenpagina’s is verschenen in de Drents Groningse Dagbladen. “Tilder jaagt niet alleen op de duivel, hij is ook een verzoeker van diezelfde duivel: de duivel van de etnische haat”, aldus de achterflap. Johan Tilder werd onder meer door minder briljante privéomstandigheden verleid tot het oorlogvoeren in Kroatië. Hij nam dienst in de 9de Gardijska Brigada (“Vukovi” of “Wolven”) van het Kroatische leger. Zijn operatiegebied was het door de Verenigde Naties gecontroleerde niemandsland in de aanvankelijk door de Serviërs geproclameerde Republiek Servisch Krajina (Knin). De hamvraag die uit het boekje naar voren komt is: had hij als pelotonscommandant een rol in de etnische zuiveringen in de Medak-enclave? (De enclave – feitelijk een saillant rondom het oord Medak – ligt ingesloten tussen de berg Velebit in het zuiden en de noordelijker gelegen stad Mostar.) In elk geval wordt Tilder over de acties in de zuidwest-hoek van Kroatië onophoudelijk en systematisch ondervraagd door de Serviërs, omdat ook zijn eenheid er met name tijdens operatie 'Spržen Zemlja' ('Verschroeide Aarde') huishield. Die vond plaats in september 1993. In totaal zijn bij de etnische zuiveringen in de Medak-enclave 29 Servische inwoners vermoord en 11 oorden met de grond gelijkgemaakt. Hoewel de door het International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia (ICTY) veroordeelde Kroatische generaal Rahim Ademi als het brein achter de operaties dient te worden beschouwd, is de rol van de “Wolven” blijkbaar onweerlegbaar. Het snelle leven van de vakidioot Tilder (huurling tegen wil en dank?) eindigde na 40 dagen ondervraging met zijn nog altijd onopgehelderde dood. Het boek werpt – bij mijn weten – als enige in zijn soort een licht op het soort vragen dat wordt gesteld tijdens een militaire ondervraging door de vijand, op het volhardingsvermogen van de ondervragers én op de consequentie in de antwoorden van Johan Tilder. (Met dank aan: Zeljko Peratovic) Terug naar Boven DE FRIESE WATERLINIE - MEINDERT SCHROOR Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. In dit fraai uitgegeven boek beschrijft historicus Meindert Schroor een belangrijke periode uit de geschiedenis van het noorden van ons land. Schroor verrichtte in 2007 in opdracht van de provincie Friesland onderzoek naar de historie van de Friese Waterlinie. Op basis hiervan schreef de historicus een lezenswaardig boek met, behalve veel foto’s, ook een aantal nog niet eerder gepubliceerde kaarten.
Lende en Kuunder, in de ondertitel, zijn de rivieren Linde en Tjonger (Kuunder) in het zuiden van Friesland. De Friese Waterlinie moest Leeuwarden in en rond het rampjaar 1672 uit de greep houden van het invasieleger van de bisschop van Münster. Deze bisschop is dan al berucht en gevreesd onder de naam ‘Bommen Berend’. Het boek vertelt het verhaal van de aanval door de troepen van de bisschop en van de verdediging door graaf Johan Maurits van Nassau en zijn mannen. De dappere strijders op de schansen in de Stellingwarven, het water over de landerijen en de woeste gronden vormden het toneel van een bittere oorlog. Terug naar Boven DE GEEST IN DE FLES - HERMAN ROOZENBEEK & JEOFFREY VAN WOENSEL  | titel | De geest in de fles. De omgang van de Nederlandse defensieorganisatie met chemische strijdmiddelen 1915-1997 | auteur | Herman Roozenbeek & Jeoffrey van Woensel (Nederlands Instituut voor Militaire Historie) | ISBN | 9789461051028 | jaar | 2010 | pagina’s | 438 | uitgeverij | Boom |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven DE GROENE BARET - PHILIPPE KIEFFER  | titel | De groene baret. Franse commando's in de Tweede Wereldoorlog | auteur | Philippe Kieffer (Commadant Kieffer); met een voorwoord van Cornelius Ryan, schrijver van ‘The Longest Day’ | ISBN | n.v.t. | jaar | 1969 | pagina’s | 144 | uitgeverij | Het Spectrum/Prisma (Prisma-pocket 1214) |
    
|
Ik ben niet snel onder de indruk van de boeken die ik lees, maar soms word je blij verrast. Een juweeltje van eenvoud – enkel door de omvang – is het verhaal van Commandant Kieffer. Het origineel van zijn memoires heet ‘Béret Vert. Le Héros Francais du Jour le Plus Long’, verscheen in 1948 en geldt als een klassieker. De vertaling dateert uit 1969. Op de originele omslag uit ’48 zie je – zo stel ik me voor – enkele van de 177 Fransen onder leiding van Kieffer, getooid met de bijna mythische “béret vert”, onder spervuur vanuit een landingsvaartuig en gewapend met Lee Enfield of Bren landen op het strand van Colleville-Montgomerry (‘Sword Beach’). Alleen het omslag al! Hierin moest wel een heldhaftig verhaal schuilen. De mariniercommando’s grijpen Riva-Ouistreham, Bénouville (Pegasus Bridge), Amfréville, het door mijnen verpeste Bois de Bavent en alle daartussen gelegen oorden aan om verbinding te maken met de 6th Airborne Division om de bruggen over de rivier Orne in handen te krijgen: “Zo zou de vijand [...] geen enkele mogelijkheid meer zien, versterkingen ten westen van de Orne te zenden, waar het gros van de landing zou plaatshebben.” (p. 61) Kieffer is de legendarische Philippe Kieffer, commandant van de Franse Troops in het Frans-Britse No. 4 Commando onder leiding van Colonel Robert Dawson. De eerlijkheid gebiedt dat ik van Kieffer nog nooit had gehoord. Schandalig natuurlijk. In 1939 nam Kieffer dienst bij de Franse marine; in juni 1940 wist hij naar Engeland te ontkomen, waar hij de Franse commandotroepen oprichtte, het 1er Bataillon de Fusiliers Marins Commandos. Kieffer, de man die in maart ’41 nog in de krant las over de eerste commandoraid op de Lofoten-eilanden en daarvan zeer onder de indruk was (zie kader), werd zelf commando. “In de brigade worden die nachtelijke patrouilles een soort competitie voor de commando. Daar hij gespecialiseerd is in het nachtelijk gevecht worden al zijn zintuigen, zodra het begint te schemeren, buitengewoon verscherpt. De Duitser daarentegen vreest de nacht en verafschuwt de strijd tegen deze mannen, die met hun zwart gezicht altijd ergens opduiken, waar je ze niet verwacht. Dit soort expedities herinnert de commando ook aan zijn reden van bestaan. Hij is bang als een doodgewone infanterist beschouwd te worden.” (p. 78) 
Het succes van de commando’s in het verloop van W.O. II was klip en klaar en Hitler had schoon genoeg van de covert acties van hen: in september 1942, na de raids op Dieppe en Sark, verordonneerde hij in zijn beruchte ‘Kommandobefehl’ dat iedere gevangen genomen commando onmiddellijk moest worden gefusilleerd. Hitler ’s order ten spijt, was Kieffer na een helse commando-opleiding van tien weken in het Schotse Achnacarry één van de Fransen (iets meer dan 0,1% van alle geallieerden) die vanaf de stranden van Normandië het nazi-juk bevochten. Nog aan de vooravond, op 5 juni ’44, hield Lord Lovat, de commandant van alle commando’s, in Bexhill een korte toespraak voor No. 3, 4 en 6 Commando en 45 Royal Marine. Lovat, gekend francofiel, eindigde onder luid applaus in het Frans: “Demain, on les aura!” (“Morgen, zullen we ze krijgen!”). De volgende dag vertrok No. 4 Commando vanuit Warsash: D-Day (Jour-J) was eindelijk daar! Uren later gingen Kieffer’s Troops 1 en 8 – compagnieën ter sterkte van ongeveer 75 man – en een sectie met voor het eerst bij deze landing gebruikte K-guns duchtig tekeer op het strand, zij aan zij met hun Britse brothers in arms. “Snelheid werd de voornaamste factor” (p. 64), maar de gevolgen waren immens: aan het einde van de landingsdag was 45% van de Franse Troops gewond! Zelf raakte hij tot tweemaal toe gewond (granaatsplinter in bovenbeen en verwonding aan onderarm); op de vierde dag moest Lord Lovat zelf het bevel geven dat Kieffer zich met een ernstig geïnfecteerde beenwond in Engeland liet opereren, maar op 13 juni was hij alweer terug bij zijn bataljon en op de 15de kreeg hij uit handen van Montgomery himself het Military Cross. Kieffer is dan ook alles, behalve een “doodgewone infanterist”. Hij is een edelmansoldaat, een troepencommandant die altijd voorgaat en zijn troepen nooit in de steek laat. De imposante biografie van Kieffer, overleden in 1962, spreekt boekdelen. Zoals de hoofdinstructeur in Achnacarry het zei: “Iedereen kan commando worden mits hij de spierkracht en vooral de wilskracht heeft om de vreselijke, dagelijkse training vol te houden.” (p. 23) Een training, die een pagina eerder nog wordt beschreven als eentje “waarbij een paard nog zou creperen”. Je bent een sufferd als je dat met een emmer zout neemt. Uithoudingsvermogen heb je nodig, niet alleen fysiek maar zeker ook tegen honger, kou en slaap; een mars van 32 km door geaccidenteerd terrein in de Schotse Hooglanden moet je in vijf uur kunnen afleggen met volle bepakking en persoonlijk wapen; je moet het doorzettingsvermogen van een jonge puber kunnen combineren met de energie van een atleet en de wil dit alles vol te houden. Daarna waren ze in staat verkenningsraids op de Europese kusten uit te voeren: Scheveningen, Biville, Jersey. Met als motto “je vastbijten, blijven of sterven” (p. 59). Dat uithoudingsvermogen is bij iedereen zwaar op de proef gesteld, niet alleen op D-Day. Ook op de daaropvolgende dagen, zoals tijdens de stormaanval op de haven van Vlissingen, die na een zeven uur durende strijd is heroverd op de Duitsers, of de nachtelijke raids op Schouwen. Bij beide acties was Kieffer ook Kieffer van de partij. ‘De groene baret’ is schitterend leesvoer. Een must voor iedereen die van heroïsche verhalen houdt, voor (oud-)militairen en iedereen die de commando’s een warm hart toedraagt. Bovendien draagt het zijn steentje bij aan de geschiedschrijving van die commando’s, onder welke No. 2 Dutch Troop. En het allermooiste van dit waargebeurde verhaal is dat Kieffer, zijn mannen en nog 130.000 andere, in Normandië gelande geallieerden de Duitsers eronder hebben gekregen. Eind goed, al goed. | OPERATIE CLAYMORE ging de geschiedenis in als de eerste commandoraid. Op 4 maart 1941 vond de raid plaats op de Noorse Lofoten-eilanden. De eilandengroep ligt ongeveer 150 km ten noorden van de Poolcirkel. De ‘Lofotraidet’ werd uitgevoerd door het Operational HQ 1st Special Service Brigade, bestaande uit 250 commando's van No. 3 Commando (geleid door Major John Durnford-Slater, geëmbarkeerd in het troepentransportschip HMS Princess Beatrix en bestemd voor de havenplaatsen Henningsvaer en Stamsund), 250 commando's van No. 4 Commando (geleid door Lieutenant Colonel Dudley Lister, ingescheept in HMS Queen Emma en bestemd voor de havenplaatsen Brettesnes en Svolvaer), 55 Field Squadron Royal Engineers (een sectie demolitieteams geleid door Second Lieutenant H.M. Turner) en 52 man van de Noorse strijdkrachten onder leiding van kapitein Martin Linge. Ondersteuning werd geboden door het Royal Navy 6th Destroyer Flotilla – bestaande uit HMS Tartar, Somali, Legion, Eskimo en Bedouin – en beide troepentransportschepen. De doelen waren visoliefabrieken die glycerine produceerden voor de verwerking in munitie; elf fabrieken werden vernietigd. Ook vijf schepen werden verwoest, waaronder de Duitse trawler Krebs. Vlak voordat de commandant van de sleepnetboot werd gedood, gooide hij de Enigma-codeermachine overboord. Toch slaagden de commando’s erin enkele onderdelen van de Enigma en een codeboek in handen te krijgen. De Duitse marinecodes werden ontcijferd door codebrekers in Bletchley Park, waarna de geallieerde scheepvaart de Duitse U-boten kon omzeilen. Na de succesvolle aanval gingen 314 Noren mee naar Groot-Brittannië om vrijwillig deel te nemen in de oorlog. De raid versterkte de moraal van de commando’s. De wederwaardigheden over de eerste commandoraid zijn onder andere te bezichtigen in het Lofoten Krigsminnemuseum in Svolvaer. |
|
Terug naar Boven DE GROTE TAZELAAR, RIDDER EN REBEL - VICTOR LAURENTIUS  | titel | De grote Tazelaar, ridder en rebel | auteur | Victor Laurentius | ISBN | 9789081397216 | jaar | 2009 | pagina’s | 224 | uitgeverij | Stichting Peter Tazelaar |
   
|
Op 5 mei 2009 verscheen 'De grote Tazelaar, ridder en rebel'. De markante, tegendraadse en eigenzinnige Peter Tazelaar werd op die dag, precies 89 jaar geleden, als zoon van een hoge ambtenaar in Nederlands-Indie geboren. In tegenstelling tot Hazellhoff Roelfzema is hij behoorlijk in de vergetelheid geraakt, terwijl ook hij de hoogste militaire onderscheiding, de Militaire Willemsorde, ontving en ook hij werd ‘gespeeld’ in de beroemde Nederlandse speelfilm ‘Soldaat van Oranje’ (1977), waarin Jeroen Krabbé de rol van Tazelaar vervulde. In de Tweede Wereldoorlog was Tazelaar’s opdracht om voor Koningin Wilhelmina en de Britse militaire inlichtingendienst MI6 in contact te treden met verzetslieden in bezet gebied. Dat gebeurde in het kader van ‘Contact Holland’ (officieus: ‘The Mews’), een organisatie van Hazelhoff Roelfzema die met de officiële van kolonel der mariniers Mattheus de Bruyne ‘concurreerde’ en er tegelijkertijd deel van uitmaakte. In de periode september 1941 tot mei 1942 werden geheim agenten afgezet op dan wel opgepikt van de Nederlandse kust, onder wie Peter Tazelaar… als eerste. Na het uitvoeren van zijn opdracht keerde hij via België en Frankrijk terug naar Engeland. Daarna is hij, opnieuw als geheim agent en na interventie van Prins Bernhard, gedropt in Friesland, waar hij op de hielen werd gezeten door de Sicherheitsdienst (SD) Groningen en Heerenveen. 
Beroemd werd Peter Tazelaar onder andere door deze foto waarin hij (omcirkeld) als Adjudant van Koningin Wilhelmina wacht aan de vliegtuigtrap van de Douglas DC-3 (Dakota) op vliegveld Gilze-Rijen op 2 mei 1945. Hare Majesteit wordt gevolgd door Prinses Juliana (vóór de vliegtuigtrap) en half verborgen achter Wilhelmina staat collega-Engelandvaarder Erik Hazellhoff Roelfzema. In de biografie wordt “de mens Tazelaar” neergezet. De man die, al in zijn Londense jaren, veel kon drinken en dankzij zijn donkere ogen en zwarte haar goed lag bij de vrouwen; op wie Koningin Wilhelmina bijzonder gesteld was. Peter Tazelaar werd, behalve als Ridder 4de klasse der Militaire Willemsorde, onderscheiden met de Bronzen Leeuw, het Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officier, het Oorlogsherinneringskruis, het Verzetsherdenkingskruis en de Britse King's Medal for Courage in the Cause of Freedom. Terug naar Boven DE NEDERLANDSE KRIJGSMACHT IN EEN NOTENDOP - JAN SCHULTEN  | titel | De Nederlandse krijgsmacht in een notendop | auteur | Jan Schulten | ISBN | 9035130324 | jaar | 2006 | pagina’s | 160 | uitgeverij | Bert Bakker |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt derhalve niets over een aan het boek toegekende waardering. Terug naar Boven DE OORLOG VAN 3 BILJOEN- JOSEPH STIGLITZ & linda bilmes  | titel | De oorlog van $ 3 biljoen | auteur | Joseph Stiglitz & Linda Bilmes | ISBN | 9789027479693 | jaar | 2008 (Nederlandse vertaling) | pagina’s | 285 | uitgeverij | Uitgeverij Het Spectrum B.V. |
  
|
Volgens de flaptekst is ‘De oorlog van 3 biljoen’ “een boek dat het internationale debat over Irak en oorlog voorgoed verandert”. Dit is een aanname die ik niet deel, alleen al omdat het eerst dat sneuvelt in een oorlog de waarheid is! De oorlog in Irak lijdt, anno 2008, tot imagoschade voor de Verenigde Staten en het einde is nog niet in zicht. Blaast de VS de aftocht uit Irak, zal het land gebukt gaan onder chaos en nog meer gepolariseerd geweld; blijft de VS, dan vallen er nog meer Amerikaanse slachtoffers en lijkt het Vietnamsyndroom een selffulfilling prophecy te worden. De vooruitzichten zijn zodoende niet mals. De twee economisch auteurs becijferen de schade als gevolg van de Irakoorlog op 3 biljoen dollar: een 3 met 12 nullen. En zelfs dat astronomische bedrag lijkt aan de magere kant, hoewel de schrijvers in hun soms ellenlange en gortdroge uiteenzettingen uit een statistische cijferbrij één groot punt tegen hebben: zij manifesteren zich als fervente tegenstanders van de Irakoorlog. Dat maakt een objectieve lezing moeilijk en kleurt bij voorbaat de gepresenteerde cijfertjes en feitjes. Bovendien, maar dat is persoonlijk, heb ik weinig met de wetenschap die het menselijk streven naar welvaart tot voorwerp heeft (economie). Daarom kies ik een andere insteek: de gezondheidszorgaspecten als gevolg van de Irakoorlog. Overigens is de Irakoorlog nu al duurder dan die in Vietnam (die 12 jaar duurde) en ruim tweemaal zo duur als de oorlog in Korea. Ergens in het boek halen Joseph Stiglitz en Linda Bilmes aan dat meer dan de helft van de Amerikaanse troepen in Irak jonger is dan 24 jaar. Onmiddellijk rinkelde het belletje van ‘19’, de jaren ’80-hit van Paul Hardcastle, met samples van een televisiedocumentaire over veteranen uit de Vietnamoorlog die lijden aan het posttraumatische stresssyndroom: “In World War II the average age of the combat soldier was 26 / In Vietnam he was 19.” Ligt het moeras van de Vietnamoorlog opnieuw op de loer? De Amerikanen hebben veel problemen. De oorlog kost klauwen vol met geld, de regering van George Bush jr. lijkt de Irakoorlog geheel op de pof te hebben gefinancierd, de Iraki’s hebben intussen nagenoeg alle sympathie voor de VS verloren en in de VS is de Irakoorlog impopulairder dan ooit tevoren. Hoewel… het is niet de oorlogvoering an sich die verre van populair is, maar de grote aantallen Amerikaanse slachtoffers die vallen. Vallen er géén slachtoffers door oorloggerelateerde verwondingen (11% van de militairen - 1 op de 9 – raakt in Irak gewond), dan steken min of meer voorspelbare ziekten de kop op: buikloop, luchtweginfecties, leishmaniasis, brucellosis, waterpokken, meningitis, Q-koorts, cholera. Kommer en kwel. De geneeskundige dienst heeft hier zijn handen vol aan, evenals aan de meest kenmerkende verwondingen van de Irakoorlog: traumatisch hersenletsel, PTSS, amputaties en verwondingen aan de rugwervels. Hierbij is PTSS met stip koploper, plus zowel controversieel als kostbaar. Dat is niet zo vreemd: de militairen zijn vaak betrokken bij gevechten, er vinden veel aanslagen met improvised explosive devices plaats, een duidelijke frontlijn is er niet en strijders vermommen zich als burgers (en vrienden zijn niet van vijanden te onderscheiden). De nazorg in het kader van PTSS kan wel eens de druppel zijn die de dollaremmer doet overlopen. De ratio gewonden-staat-tot-doden – anders gezegd: de verhouding draagbaren-bodybags – in Irak is tot nu toe 7 : 1… aan de kant van de Amerikanen. Dat is bijna onvoorstelbaar en maakt de oorlog ‘at home’ alleen maar minder populair. Hierdoor kent elk Amerikaans dorpje zijn ‘helden’ van het slagveld. Een slagveld dat wordt gekenmerkt door rare ziekten, zand, hitte, moeizaam terrein, een ongrijpbare tegenstander en het onzichtbare (lands)belang waarvoor wordt gevochten. Of toch niet? Tot dusver zijn de enige winnaars die uit de Irakoorlog naar voren komen de zich verrijkende oliemaatschappijen (die de controle over de Irakese olievelden hebben) en de private military contractors. Die laatsten leveren alleen al in Irak 100.000 man op het gevechtsveld, de grootste troepenmacht na de reguliere troepen van de VS. Firma’s als Blackwater, Kellogg Brown & Root (KBR) e.d. hebben door dat een leger alleen op een gevulde maag en met een gevulde benzinetank kan marcheren… Schrale troost is dat de VS niet failliet gaat als gevolg van de schrikbarend hoge uitgaven van de Irakoorlog, ondanks de drastisch gestegen olieprijzen sinds de inval in Irak in maart 2003. Het angstwekkende zit ‘m hierin dat de Amerikanen de oorlog volledig op krediet hebben gefinancierd. Als wordt uitgegaan van de conservatieve ramingen van Nobelprijswinnaar Stiglitz (economie 2001) en mevrouw Bilmes in 'The three trillion dollar war: the true cost of the Iraq conflict', bedraagt de kostenberekening van de Irakoorlog nu al éénderde van de huidige staatsschuld van de VS (een ander éénderde is uitstaande leningen bij China en Japan). Maar zo'n duizelingwekkend begrotingstekort is nog niet alles. Ook de al dan niet verborgen gezondheidsvooruitzichten van legio Amerikaanse Irak-veteranen is er niet beter op geworden. Vergelijk het hiermee: “All those who remember the war / They won't forget what they've seen / Destruction of men in their prime / whose average was 19” Terug naar Boven DE KONING VAN TUZLA - ARNOLD JANSEN OP DE HAAR  | titel | De koning van Tuzla | auteur | Arnold Jansen op de Haar | ISBN | 9029522852 | jaar | 1999 | pagina’s | 209 | uitgeverij | De Arbeiderspers |
  
|
De koning van Tuzla heeft nooit bestaan, behalve dan in het hoofd van Arnold Jansen op de Haar. Het is door zijn boek aanlokkelijk om werkelijkheid en fictie met elkaar te vermengen, te meer omdat zijn alter ego Tijmen ook compagniescommandant van de Alfa ‘Konings’-compagnie van 11 Infanteriebataljon Luchtmobiel Garderegiment Grenadiers is. Tijmen noemde zichzelf ‘koning’, maar was koning éénoog onder de blinden. Hij werd niet gehoord, er werd niet naar hem geluisterd, verblind door de in zijn ogen beperkte, verkokerde en in zichzelf gekeerde wereld van Simin Han, Luchtmobiele Brigade en Koninklijke Landmacht. Zijn passie voor het beeldende en realistische wordt in een prachtig vertelde innerlijke tweestrijd uitgevochten, die resulteert in het opstappen van Tijmen-alias-Arnold bij Defensie. Het duel met zichzelf is eigenlijk al aan het begin verloren: “Niemand wist wie hij was. Hij wist het zelf niet eens” (p. 25). De dromende en literair verslingerde Tijmen weet in de oorlog in Bosnië dé vluchtpoging uit een verstikkend militair milieu. De algemene herkenbaarheid voor insiders is groot: “Midden in dit Ardennen-achtige landschap lag het nieuwe kamp, in het lage deel van het dorp, aan de weg van Tuzla naar Zvornik. Daar, aan de rand van de Sapna Duim op een paar kilometer afstand van Tuzla, was de Alfa-compagnie nu gevestigd.” (p. 198). Niet alleen in de landschapsbeschrijving, ook in alledaags militair realisme - “Zijn slaapzak rook nog muf van oude oefeningen” (p. 55) – of de verbasterde namen van bataljons- en brigadecommandant, resp. Verbeek en Brokkel. Nu eens een boek dat gaat over Tuzla en omgeving in plaats van Srebrenica, over Dutchbat-I in plaats van Dutchbat-III. De waarheid die boven water komt in ‘De koning van Tuzla’ is niet het soort waarheidsvinding dat we kennen uit parlementaire enquêtes, maar het soort dat er géén belang in stelt om uitgezonden militairen als oud vuil te behandelen. Wat mij betreft heeft oud-Dutchbatter Arnold Jansen op de Haar een realistisch boek het licht laten zien. Het is echter de vraag of de meerderheid van ’s lands militairen brood ziet in zijn romandebuut, dat niet voor niets “een levendig testament op de grens tussen fictie en werkelijkheid” (Dubbel Accent, juli 1999) is genoemd. Hopelijk een vooroordeel. Terug naar Boven DE KRIMOORLOG – ORLANDO FIGES  | titel | De Krimoorlog. Of de vernedering van Rusland. | auteur | Orlando Figes | ISBN | 9789046810248 | jaar | 2011 | pagina’s | 672 | uitgeverij | Nieuw Amsterdam |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven DE MANNEN VAN PEGASUS - JIM VAN GEELKERKEN  | titel | De mannen van Pegasus. Waargebeurde verhalen | auteur | Jim van Geelkerken | ISBN | n.v.t. | jaar | 2010 | pagina’s | 160 | uitgeverij | DM Impressions |
   
|
Iemand die het over “Pegasus” heeft, moet haast militair zijn: het gevleugelde paard uit de Griekse mythologie, leeft immers voort in de krijgsgeschiedenis. Zo vond in oktober 1944 de operatie Pegasus plaats na de mislukte Slag om Arnhem: het was de bedoeling ondergedoken militairen van de 1st British Airborne Division tijdens operatie Market-Garden, evenals piloten en verzetsstrijders, door bezet gebied naar de overkant van de Rijn te brengen. De eerste poging werd een groot succes, de tweede en laatste een jammerlijke mislukking. In Uruzgan geen Rijn maar een Tiri Rud en een Helmand, die in Deh Rawod samenkomen. Ook kent de Luchtmobiele Brigade haar eigen Pegasus-eenheid: de Bravo-Compagnie (Bcie) van 13 Infanteriebataljon Luchtmobiel uit Assen draagt de (bij)naam ‘Pegasus’. De compagnie was in 2007 als Bravo-team uitgezonden naar de Zuid-Afghaanse provincie Uruzgan. Het boek van opperwachtmeester der artillerie b.d. Jim van Geelkerken, die in 2009 de actieve dienst verliet, beschrijft de missie van het team onder leiding van toenmalig kapitein Brakert. Het Bravo-team diende tussen augustus en december 2007 in Deh Rawod als deel van de ISAF Battle Group-4. Het boek is geschreven met medewerking van leden van diezelfde Bravo-Compagnie. Als ik dit schrijf is het zomer 2010: de missie in Uruzgan is 24 doden en 140 gewonden verder, van wie ruim veertig zwaargewond. De missie is bijna ten einde. Eind 2007 kreeg de Bcie de opdracht naar Camp Hadrian in Deh Rawod in het zuidwesten van Uruzgan te gaan. Rustig gebied, vreedzaam, geen troebelen... “Rust roest”, moet de Taliban hebben gedacht. Al snel kwamen de Nederlanders erachter dat rust in elk geval relatief is. Bijna dagelijks werden ze geconfronteerd met hinderlagen en improvised explosive devices. En eind oktober 2007, toen het sneuvelen van Martijn Rosier en Tim Hoogland al diepe wonden had geslagen, was bijna de gehele inktvlek om Deh Rawod in handen van de Taliban. “Een [...] nadeel van de inktvlekmethode is dat je wel over voldoende inkt dient te beschikken. Wanneer je alleen maar inkt hebt om lijntjes te trekken en niet voldoende om het vlak in te kleuren dan kun je jezelf afvragen wat de kracht van de tekening is.” (p. 12) Toch blijft het één voor allen, allen voor één, niet alleen uit het inzicht dat de Bcie op enig moment moest terugslaan. Ook door het afscheid van Martijn en Tim ontstond voor altijd en eeuwig een band. De waarheidsgetrouwe verhalen (“Niets in dit boek zal overdreven worden”, p. 6) inspireren, omdat ‘De mannen van Pegasus’ niet het zoveelste human interest-verhaal uit Uruzgan is, maar eentje dat vanuit het kloppend hart van de militaire actie de missie het ware gezicht geeft. Dat gezicht is vaak getekend door het klimaat en van pijn vertrokken vanwege doden of gewonden, maar er zijn zeker ook momenten “[...] dat er ook prachtige dingen kunnen gebeuren, misschien wel juist in deze moeilijke omstandigheden.” (p. 80) – aldus aalmoezenier Tako na de herdenkingsbijeenkomst voor Tim. Het aanzien van de missie in Uruzgan wordt, in elk geval eind 2007,bepaald door de aanwezigheid van helikopters en vliegtuigen die lowpasses uitvoeren en 500-ponders droppen om de grondtroepen te ondersteunen; vanaf een overwatch dekkingsvuur geven om een gedekte locatie te bereiken; indirect vuur op de vooruitgeschoven post Volendam krijgen, die blijkbaar ook ongezien kan worden genaderd door de gecoördineerd werkende Taliban; maïs- en wietvelden en quala’s die bescherming bieden aan de Opposing Military Forces; het soms ondoorzichtige handelen van het hoger niveau en ontwikkelingen die in het voorterrein die “veel sneller gaan” (p. 61) dan aan het hoger niveau kan worden duidelijk gemaakt; almaar problemen met de veiligheid die mede ontstaan door de lokale bevolking en een gebrek aan samenwerking tussen de verschillende stammen; al dan niet toestemming krijgen om met de pantserhouwitser (PZH) met brisantgranaten te mogen schieten. Ziehier in een miniscule notendop ‘De mannen van Pegasus’... Baret af voor Jim van Geelkerken en zijn collega’s, die dit verhaal niet alleen voor zichzelf hebben opgeschreven: “Thuis kunnen ze niets zeggen en als ze een collega tegenkomen hoeven ze niets te zeggen. Het is dit isolement dat in mijn optiek voor problemen kan zorgen.” (p. 6) Terug naar Boven DE MILITAIRE OPERATIES VAN DE TWEEDE WERELDOORLOG – G.J.M. KELLNER  | titel | De militaire operaties van de Tweede Wereldoorlog. Van Anzio tot Zitadelle | auteur | G.J.M. Kellner | ISBN | 9789059114975 | jaar | 2009 | pagina’s | 640 | uitgeverij | Aspekt |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven DE NEUS - HANS VAN DER BEEK  | titel | De neus. Het macabere vak van Harry Jongen | auteur | Hans van der Beek | ISBN | 9789053339590 | jaar | 2000 | pagina’s | 156 | uitgeverij | Prometheus |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven DE ORANJES IN DE TWEEDE WERELDOORLOG - CAREL BRENDEL  | titel | De Oranjes in de Tweede Wereldoorlog. Het dagelijkse leven, de verhalen en anekdotes (inclusief DVD met uniek beeldmateriaal) | | auteur | Carel Brendel | | ISBN | 9789021549842 | jaar | 2011 | pagina’s | 160 | uitgeverij | Kosmos |
   
|
‘De Oranjes in de Tweede Wereldoorlog’ bevat geen nieuwe inzichten of opvattingen. Dat is ook nauwelijks mogelijk, gezien de werkwijze van de auteur. Brendel heeft zijn boek gebloemlezen uit talloze boeken over het Koninklijk Huis en dan in het bijzonder over Z.K.H. Prins Bernhard. In het verleden waagden onder andere Alden Hatch, Gerard Aalders, Harry van Wijnen, Sefton Delmer en Wim Klinkenberg zich van overdreven criticaster tot idolaat vereerder aan de Koninklijke hoofdpersoon. Dit resumé van die biografieën maakt dit boek, onder meer, interessant als leesvoer voor militair geïnteresseerden, daar de Prins zich in de oorlogsjaren uiteindelijk als militair liet gelden. Maar eerst naar het begin… Brendel’s boek staat vol prachtige zwart/wit en sepia foto’s van de Koninklijke familie. Gekiekt in Huis ten Bosch, Londen, Ottawa. Verspreid over de vrije wereld. Koningin Wilhelmina verbleef in totaal 1.765 dagen in Londen, waar ze met het kabinet – eerst onder leiding van De Geer, later onder Gerbrandy – de regering vormde. Een regering zonder parlementaire controle, omdat de Tweede Kamer in Nederland was achtergebleven. Die controle kwam, na de oorlog, in de vorm van de Parlementaire enquête regeringsbeleid 1940-1945. Het beeld dat in die jaren van Wilhelmina ontstaat, is dat ze zoekt naar vernieuwers die ze, voor het grootste deel, niet kan vinden in de meegevluchte kabinetsleden. Wel, deels, in de door haar bijna aanbeden Engelandvaarders. Die kwamen haar, opportunistisch gezien, ook het best van pas. Zij brachten informatie uit het vaderland en slechts weinigen onder hen gedroegen zich als ‘ongeleide projectielen’. Dit, zonder dat Wilhelmina dat wist, in tegenstelling tot haar ‘modelschoonzoon’ Bernhard. Die zocht naar een deugdzame invulling van een te verwerven overzeese positie, niet per se met de statuur van prins-gemaal. Niet zo deugdzaam echter waren de (al dan niet vermeende) buitenechtelijke zijsprongetjes met zijn vriendinnen Ann Lady Orr-Lewis en Penelope Aitken. Die werden later keurig weggemasseerd of onvermeld gelaten door de geautoriseerde biografen Delmer en Hatch. Ook waren zowel Bernhard als Wilhelmina in het begin van de oorlog het onderwerp van hoon en spot, vanwege hun als verraderlijk geïnterpreteerde vlucht naar Londen. Maar na een bezoek aan Parijs was Bernhard’s Nederlandliefde gewonnen; nu beschouwde zijn vaderland hem als ‘vuile verrader’. In die Londense jaren was Bernhard nauwelijks in te tomen. Zeker niet door Wilhelmina, die door permanente onenigheid met diverse kabinetsleden, dwangmatige schoonmaakneurose (smetvrees) en naar het einde van de oorlog toe zwaar onder de medicatie vanwege reuma, al meer dan genoeg met zichzelf te stellen had om onwankelbaar te blijven. Deels naïef had Wilhelmina het volste vertrouwen in Bernhard, die het - wellicht dankzij zijn schoonmoeder - voor elkaar kreeg om al in november 1940 als hoofdliaison tussen de Britse en Nederlandse strijdkrachten te worden aangesteld. Daarna behaalde hij zijn RAF-vliegbrevet en vloog onder andere bombardementssorties boven bezet Europa, waarna de prins bij de Britten niet meer stuk kon. Niet bij alle Britten overigens, want Bernard Montgomery had ronduit een hekel aan Bernhard. Niet getreurd: Dwight D. Eisenhower – als opperbevelhebber uiteindelijk ook Monty’s baas en niet zijn beste vriend – keurde op 3 september 1944 goed dat de prins als bevelhebber der Binnenlandse Strijdkrachten werd geïnstalleerd. Let wel: naar het door Wilhelmina geopperde voorbeeld van generaal Marie Pierre Kœnig, commandant van de Maquis. Hierdoor hadden de Nederlandse strijdmakkers voortaan, net als alle andere geallieerden, de status van combattant in plaats van franc-tireur of partizaan. Bernhard – “mijn kleine pasja” (p. 69), volgens echtgenote Juliana – had zijn koosnaampje waargemaakt en kon nu ‘uit het zadel’ slagvaardig het verzet organiseren. Met deze onverwachte climax in het Huis van Oranje konden Bernhard’s lidmaatschap van het SS-motorkorps (niet van de NSDAP), zijn vermeende (?) belangenbehartiging van chemiegigant I.G. Farben en een al spookachtige stadhoudersbrief worden verstopt in het rariteitenkabinet van de (voor)oorlogse geschiedenis van het Koninklijk huis. De regie lag nu bij de Prins, die zich na de terugkeer van Juliana uit Canada, kon wijden aan wat belangrijker was: zijn gezin. Hoewel hij allesbehalve een modelechtgenoot was geweest. Dat heeft Juliana, ogenschijnlijk zonder één moment te wanhopen, niet anders dan kunnen accepteren zonder een schandaal te veroorzaken. Carel Brendel heeft met zijn gebloemleesde snipperbiografie over de Oranjes in de laatste wereldoorlog een vermakelijk en vlot leesbaar boek afgeleverd. Gezien de hoeveelheid citaten, waarvan het uitvlooien niet mijn hobby is, ga ik uit van het waarheidsgetrouwe. Daarmee is dit boek een aantrekkelijke opmaat, niet meer dan dat, voor wie geïnteresseerd is in het wel en wee van het Koninklijk huis in de oorlog. Aanvullende kennis over het toegespitste deelonderwerp, Prins Bernhard, vergt uit de aard hiervan veel meer literatuur. Terug naar Boven DE RUSSEN KOMEN! - MARK TRAA  | titel | De Russen komen! Nederland in de Koude Oorlog | auteur | Mark Traa | ISBN | 9789025366995 | jaar | 2009 | pagina’s | 250 | uitgeverij | Athenaeum - Polak & Van Gennep |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt derhalve niets over een aan het boek toegekende waardering. Terug naar Boven DE SOLDAAT ACHTERNA - CAREL ERASMUS  | titel | De Soldaat achterna. Op avontuur met Soldaat van Oranje Erik Hazelhoff Roelfzema | auteur | Carel Erasmus | ISBN | 9789048411320 | jaar | 2010 | pagina’s | 206 | uitgeverij | Free Musketeers |
    
|
| | “Ook in een zuivere democratie is de waarheid lang niet altijd de waarheid.” (‘De Soldaat achterna’, pagina 177) |
De strijd van het Molukse volk duurt nu al 60 jaar. Een strijd die wordt (of werd?) gevoerd met de leus “Door de eeuwen trouw”, omdat de Molukkers de reputatie hadden altijd loyaal en trouw te zijn aan het Koninkrijk en het Koninklijk Huis. Aanvankelijk leek het er inderdaad op dat de Molukken, na de Indonesische onafhankelijkheid, hun eigen identiteit en zelfbestuur mochten houden. Dat was schijn, want op 17 augustus 1950 riep Indonesië de eenheidsstaat uit en begon, na onderhandelingen en een blokkade, ruim een maand later met de invasie van Ambon. Langs officiële weg, via Nederlands Nieuw-Guinea, zochten de Ambezen militaire steun bij Nederland. Vergeefs, want Nederland was in de Molukse kwestie van het zelfbeschikkingsrecht doodsbenauwd dat haar opstelling de belangen in het nabijgelegen Nieuw-Guinea zou schaden en, erger nog, dat de Verenigde Staten de Marshallhulp tot herstel van de naoorlogse economie aan Nederland zou stoppen. Er was echter ook een officieuze weg, een verhaal dat begon na de proclamatie voor onafhankelijkheid van de Republik Maluku Selatan (RMS). Met in de hoofdrol: de Soldaat van Oranje, met een optreden à la Secret Agent 007. Het was Erik’s geheime missie om de Molukken te hulp te schieten in hun strijd voor onafhankelijkheid. Weliswaar heeft hij die acties in zijn latere boeken beschreven, maar ze blijken veel gelaagder en grootschaliger dan Erik ooit wilde toegeven, inclusief infiltratie door de BVD (en officieren die ook wapens naar Ambon wilde smokkelen), verbazingwekkende ontsnappingen en internationale wapensmokkel. Zoals zijn grootvader al zei: “Als je in iets gelooft, dan moet je ervoor vechten. Altijd.” Carel Erasmus komt de eer toe dat hij als één der laatsten Erik Hazelhoff Roelfzema en zijn vechtmentaliteit mocht interviewen. Erik, fanatiek tegenstander van Soekarno, was zeer begaan met de Molukse zaak. In opdracht van en met 17.000 dollar van de RMS en de Stichting ‘Door De Eeuwen Heen’ begon hij, in juni 1950, “met het aanbieden van het gebruik van de zee- en luchthavens in RMS-gebied aan de Verenigde Staten. [...] De VS gingen echter niet verder in op het aanbod.” (p. 80). Langs semi-officiele weg schoot het ook al niet op, reden waarom hij zelf die kant op ging. Solo vloog hij met een Republic Seabee-watervliegtuig vanuit Manilla naar het door de Indonesische marine – met door Nederland gedoneerde schepen! - omsingelde Ambon, 2.500 km verderop, slechts toegerust met kompas en kaart. 
De ook in het boek van Erasmus niet objectief beantwoorde hamvraag blijft vervolgens: heeft Erik Hazelhoff Roelfzema op Ceram dr. Chris Soumokil, de leider van het Zuidmolukse verzet, ontmoet of ging hij er inderdaad ‘slechts’ heen om bewijsmateriaal (foto’s van Indonesische landingen, ooggetuigenverslagen) van de invasie op de Molukken te verzamelen die Karel Vigeleyn Nikijuluw vervolgens moest aanbieden aan de Verenigde Naties? Een door Erasmus opgevoerde vertrouwelijke nota van Hoge Commissaris Lamping aan Minister van Overzeese Rijksdelen J.H. van Maarseveen d.d. 29 september 1950 suggereert dat hij Somoukil in veiligheid moest brengen: “Men hoopt op mogelijkheid van Somoukils uitwijken naar het buitenland.” Terwijl Erik in een e-mail op 14 november 2006 aan Erasmus juist schrijft: “Van niemand die ik daar [op Ceram] ontmoet heb weet ik de naam, of heb ik die ooit geweten.” Vraagteken? Anders gezegd: is het denkbaar dat de Nederlandse regering, in het uiterste geheim – om, politiek correct, niet tegen Indonesische en Amerikaanse schenen te schoppen – Erik heeft verzocht deze klus te klaren, zoals Erik, mutatis mutandis, schijnbaar aan Charak heeft gevraagd om Westerling – die uitlevering aan Indonesië boven het hoofd hing, totdat het Singapore Supreme Court deze eis verwierp – vanuit Singapore in veiligheid te brengen? Het heeft niet mogen baten: Chris Somoukil werd in ’63 gearresteerd en drie jaar later geëxecuteerd. Vragen, vragen en nog eens vragen. Velen worden in dit boek uit en te na beantwoord, anderen blijven irritant open. Één getuigenis is géén getuigenis. En dan nog: ontboezemingen worden zoveel jaren na dato overschaduwd door één van de onoverkomelijke ongerieven van ouderdom: geheugenverlies. En Erik? “Om begrijpelijke redenen heeft hij vele aspecten lang, zelfs een leven lang, geheim willen en kunnen houden. Gevoelige en vaak militaire feiten zoals wapensmokkel, landingen in bezet gebied, of betrokkenheid van bepaalde personen bij illegale zaakjes.” (p.200), aldus Carel Erasmus. Op mij maakt ‘De Soldaat achterna’ een betrouwbare onderzoeksjournalistieke indruk. Het heeft er alle schijn van dat Erik ‘Contact Holland’, dat de beroemde nachtelijke landingsexpedities op het strand van Scheveningen inleidde, opnieuw had willen laten slagen op de stranden van Ambon en Ceram. Wat onder meer ook duidelijk wordt uit Erasmus’ boek is dat het Nederlands verraad aan de Molukkers dus flauwekul is. Nederland heeft zich zowel officieel (via de Binnenlandse Veiligheidsdienst als, kennelijk ook, geestelijk en financieel ondersteund door Z.K.H. Prins Bernhard) als officieus (Erik Hazelhoff Roelfzema e.a.) ingespannen om Ambon van wapens te voorzien teneinde de strijd tegen de Indonesische agressor op te nemen. Opmerkelijker is wellicht dat de Stichting ‘Door De Eeuwen Heen’ (DDET) na de mislukte missie van Erik nogmaals met een vliegtuig de Indonesische blokkade van Ambon wilde doorbreken. Hiervoor werd Raymond Westerling benaderd – de oud-KNIL-kapitein die in 1950 met een militaire actie, gesteund door Molukse oud-commando’s (sic!), had geprobeerd de steden Bandoeng en Jakarta te bezetten, de regering omver te werpen en de leden daarvan te executeren om te voorkomen dat de deelstaat Pasundan onder gezag van de Republik Indonesia kwam. Vanaf augustus 1950, bij terugkomst uit Nederlands-Indië, verbleef Westerling in België. Politiek naïef en geldbehoevend als hij was, stemde hij in met het verzoek van DDET om op de Molukken de leiding van het gewapend verzet tegen Indonesië op zich te nemen. Het plan strandde omdat Westerling de ter beschikking gestelde financiën in het Brusselse uitgaansleven had verkwanseld en door de ontmaskering van een medestander van DDET als de bij verstek ter dood veroordeelde Belgische oud-SS’er Pierre Sweerts. Hoewel Erik Hazelhoff Roelfzema uiteraard geen enkele associatie met de SS wenste, lieerde hij zich volgens de toenmalige Amerikaanse geheim agent Allan P. Charak (p. 169) wél met Westerling. Erik zou Charak hebben gevraagd Westerling vanuit het Raffles Hotel Singapore naar Nederland te ontvoeren – wat ook is geschied. Bien étonnés de se trouver ensemble... Veel blijft in mysterieën gehuld, maar het is Erasmus’ prestatie dat hij veel van de sleutelfiguren van toen heeft opgezocht en geconfronteerd met de ‘waarheid’ over Hazelhoff Roelfzema, zoals voormalig SAS-commando en geheim agent ‘Bob Zalm’, Charak, kapitein-ter-zee b.d. Zalmann, luitenant-ter-zee Kika Canters, geheim agent en Ridder MWO Pierre-Louis baron d’Aulnis de Bourouill en vele anderen. Door alle primeurs en wereldwijde naspeuringen is ‘De Soldaat achterna’ een zeer lezenswaardig jongensboek met sterallures geworden. Terug naar Boven DE VERGETEN VERPLEEGSTER - MARTIN KING  | titel |
De vergeten verpleegster. De onbekende heldin van Band of Brothers |
auteur | Martin King | ISBN | 9789020998672 | jaar | 2011 | pagina's | 262 | uitgeverij | Lannoo |
    
|
Op 16 december 1944 openden drie Duitse legers met in totaal zeven divisies over een frontbreedte van 140 km een verrassingsoffensief op de geallieerden, waardoor Bastogne spoedig één van de grootste ‘gekkenhuizen’ in WO II zou worden. De Duitsers omsingelden de stad, die met haar zeven toenaderingswegen van groot strategisch belang was voor de aanvoer van de geallieerden.
Generaal MacAuliffe weigerde zich over te geven, zodat de “kruispuntstad” ingesloten bleef en 101st Airborne Division – opgerukt vanuit Mourmelon – coûte que coûte moest standhouden om uiteindelijk door de 3th Army van Patton te worden ontzet. Netto uitkomst: zeer veel krijgsgevangenen, vermisten, doden en gewonden.
Die gewonden waren binnen de belegerde stad overgeleverd aan goede zorgen van Captain John 'Jack' Prior, Medical Corps. In een verlaten supermarkt met drie verdiepingen aan de Rue de Neufchâteau gaf de arts leiding aan het geïmproviseerd noodhospitaal van het 20th Armored Infantry Battalion van de 10th Armored Division. Via via konden vanaf 21 december uiteindelijk twee lokale verpleegsters aan zijn team worden toegevoegd: Renée Lemaire en Augusta Chiwy. Augusta was een Belgisch-Congolese verpleegster. Toen Renée – de “Engel van Bastogne” – bij het Luftwaffe-bombardement op kerstnacht 1944 om het leven kwam, vloog Chiwy door de keukenmuur en overleefde miraculeus. Dit verhaal, 'De vergeten verpleegster', draait om Augusta, de donkergekleurde verpleegster die vergeten werd. Omdat men dacht dat ze allang dood was. Omdat Renée blank was. Omdat… 
Van links naar rechts: verpleegster Augusta Chiwy, Rebecca Okot speelt Augusta (Anna) in 'Band of Brothers', kapitein-arts John “Jack” Prior en verpleegster Renée Lemaire. |
Onder erbarmelijke omstandigheden, in de koudste winter sinds mensenheugenis (-25 tot -28 graden), rolde ‘Anna’ - zo heette Augusta, gespeeld door Rebecca Okot, in aflevering zes van ‘Band of Brothers’ – in een verhaal dat bolstaat van de duivelse hoofdstukken. Voor de 1 meter 50 lange verpleegster begint dit relaas in Leuven. WO II is in volle gang, maar het tij in de Ardennen lijkt gekeerd. Lijkt, want de Duitse focus verplaatst toch opnieuw naar Noville, Marvie, Marche-Bastogne, Mageret, Longvilly, Champs, Barrière Hinck en Bastogne zelf. De stad is een chaos, waarin Augusta niet alleen de helse omstandigheden verduurt, ook haar demonische surrogaatvader, een bijna-verkrachting, ontluikende liefdes en alle denkbare en ondenkbare oorlogsellende. De hel van Bastogne vlecht zich ineen met die van Augusta. De artilleriegranaten blijven op de stad vallen, waardoor die spookachtig aandoet, zeker in de zeer dichte, dagelijks tergende mist. Bastogne lijkt op Alamo en Verdun, Augusta op Renée – ware het niet dat op de achtergrond van de tragedie het raciale onderscheid een belangrijke bijrol speelt.
“Gewetensvol, professioneel, toegewijd” (p. 117), dat is Augusta, die zich evenals de 'Schreeuwende Engelen' van 101 en de niet gevluchte burgers staande houdt in een wereld die zich afspeelt tussen afgerukte ledematen en bloedverlies, horrorscenario’s en leven in ijskoude kelders.
‘De vergeten verpleegster’ is een terecht eerbetoon aan Augusta Chiwy. Dat nog specialer wordt doordat Martin King ervoor koos zijn boek eerst in het Nederlands en Frans en pas daarna in het Engels ('Talking to Augusta') uit te brengen. Een hommage aan één van de vele karaktervolle en temperamentvolle personen die door haar handelende, moedige optreden het helse van oorlogstijd verzachtte. |
Terug naar Boven DE WONSSTELLING - JACOB TOPPER  | titel | De Wonsstelling. Wanhoopslinie voor Kornwerderzand | auteur | Jacob Topper | ISBN | 9789033009037 | jaar | 2010 | pagina’s | 192 | uitgeverij | Friese Pers Boekerij |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven DE ZAAK VAN SERGEANT MEIJER - JAN F.A. BOER  | titel | De zaak van sergeant Meijer | auteur | Jan F.A. Boer | ISBN | niet van toepassing | jaar | 1970 | pagina’s | 294 | uitgeverij | N.V. Het Parool |
   
|
Het verhaal is genoegzaam bekend… of toch niet? In 1970, het jaar waarin Jan F.A. Boer zijn boek over de sergeant Meijer publiceerde, was bekend dat 2.067 militairen van de landmacht in de meidagen van 1940 waren gedood. Één van die doden was de sergeant-capitulant Chris Meijer, sectiecommandant van twee stukken van de 19de Compagnie Pantserafweergeschut (PAG). De kanonnen 4,7 cm Böhler (anti-tank) van de Compagnie PAG werden getrokken door een ééntons Ford V-8 of Chevrolet, konden per minuut acht projectielen verschieten en hadden met brisantgranaten een bereik van maar liefst 5,7 km. Ideaal om de oprukkende Duitse vijand op relatief veilige afstand het vuur letterlijk aan de schenen te leggen. De granaten waren echter niet beschikbaar, niet voor de Compagnie PAG, niet voor de rest. Volgens zijn mannen was Meijer “[…] een volbloed militair, niet huiverig om op eigen verantwoordelijkheid actief in te grijpen.” (p. 57), maar ook “de branieschopper met het kleine hart” (p. 9). Onverschrokken en impulsief? De sectie van Meijer, bestaande uit twee Böhler-kanonnen, was onder bevel gesteld van II 8 RI: het tweede bataljon van het 8ste Regiment Infanterie. Commandant was de legendarische majoor Jacometti. Deze bataljonscommandant liet op dezelfde dag als Meijer het leven, maar dan bij een persoonlijk geleide tegenaanval op de Duitsers. De twee kanonnen waren geplaatst in voorposten in de hoofdweerstandsstrook, op de noordelijke helling van de Grebbeberg: de Laarseberg in Rhenen. De opdracht voor de stuksbemanningen was om oprukkende vijandelijke tanks buiten gevecht te stellen. Hiervoor hadden ze pantserbrisantgranaten ter beschikking (die wel!), waarmee op duizend meter 3½ cm dik pantserstaal kon worden geslecht. Maar de tanks kwamen niet. Nadat het eerste Duitse verontrustend vuur de stukken van Meijer had bereikt, werd hij, na verloop van tijd, “zwaar onder druk gezet om terug te gaan. Meijer is voor die druk bezweken.” (p. 109) Dat telde heel zwaar. Behalve zijn individuele verantwoordelijkheid had Meijer, als sectiecommandant, óók zijn commandantenverantwoordelijkheid. Daarvan heeft hij zich niet op voorgeschreven wijze gekweten. Iets na elven die ochtend gaf Meijer zijn mannen de opdracht: “Stuk eruit, achteruit.” Ze verlieten de voorpost en namen de wijk richting de Vesting Holland. Daar zijn ze nooit aangekomen. Hoewel het 'im Frage' blijft of Meijer en de zijnen “in paniek aan de haal gegaan” (p. 129) zijn, de commandant van het IIde Legerkoprs – generaal-majoor Jacob Harberts – dacht er het zijne van. Hij benoemde terstond een krijgsraad te velde en stelde een voorbeeld: Meijer werd op 12 mei 1940 in Doorn gefusilleerd op grond van schending van krijgsplichten. Sergeant Chris Meijer had onnodig zijn post in de stoplijn ontruimd. Jan F.A. Boer heeft over de voorgeschiedenis, de meidagen aan de Grebbelinie en de tijd daarna een keurig feitenrelaas te boek gesteld, met gebruikmaking van alle mogelijke, in die tijd beschikbare bronnen. Daarmee is dit boek meteen ook het standaardwerk over niet de enige, maar wel de meest bekende onbekende Nederlander die in de meidagen van 1940 niet in de strijd maar door doelgericht eigen vuur om het leven is gekomen. Terug naar Boven DE ZOMER VAN 1962 - ANDREAS SCHELFHOUT  | titel | De zomer van 1962. De laatste gevechten om Nederlands Nieuw-Guinea, in het oerwoud en aan de conferentietafel | auteur | Andreas Schelfhout | ISBN | 9789087591960 | jaar | 2010 | pagina’s | 218 | uitgeverij | U2pi |
  
|
1962 was me het jaartje wel: het ernstigste treinongeval uit de Nederlandse geschiedenis, de executie van Eichmann, Algerije’s onafhankelijkheid van Frankrijk, het overlijden van Koningin Wilhelmina, de eerste single van The Beatles, de inzameling ‘Open het Dorp’. En natuurlijk was er Nederlands Nieuw-Guinea. Meteen op 15 januari ging het goed mis. Bij Vlakke Hoek (de ‘Slag in de Etnabaai’ aan de zuidkust) brengt de Nederlandse marine een Indonesische torpedoboot tot zinken, waarmee een landing op Nieuw-Guinea wordt verijdeld. Precies zeven maanden later ‘valt’ de Nederlandse kolonie, Westelijk Nieuw-Guinea met het Akkoord van New York. Nederland zal zich terugtrekken en het bestuur wordt overgedragen aan de VN, hoewel formeel Indonesië het voor het zeggen krijgt. Op 1 januari ’63 wappert de Indonesische vlag op Nieuw-Guinea. De ervaringen uit deze zomer zullen de schrijver van ‘De zomer van 1962’ niet loslaten. Zoals blijkt als hij ’s nachts in zijn tuin dekking zoekt bij onverwacht geluid. Of als hij naast of onder zijn bed wakker wordt, schuilend voor kanongebulder… dat vuurwerk voor de nieuwe Commissaris der Koningin is. Waarna zijn vrouw vraagt: “Was het weer oorlog? Je lag zo te trappen en te zweten.” Nederlands Nieuw-Guinea 1962 of Afghanistan 2010, what’s the difference? Dit boek is niet Schelfhout’s eerste hernieuwde kennismaking met Nieuw-Guinea. Als lay-outredacteur bij regionale krant De Gelderlander maakte hij begin jaren ’90 reportages over een terugkeerreis naar Nederlands-Indië en Nieuw-Guinea. Die publicaties zijn geïntegreerd in dit boek, hoewel de gekozen vorm die van de roman is met Schelfhout in de hij-vorm. Hij hanteert zijn pen “zonder te struikelen over de morele oordelen van de huidige tijd”, aldus Eerste Kamerlid Hans Hillen in het voorwoord. Andreas (‘Appie’) Schelfhout maakt de nadagen van de missie in Nederlands Nieuw-Guinea mee als sergeant-vuurregelaar van het mortierpeloton van de A-Cie van 41 Infanteriebataljon Stoottroepen (uit Ermelo). Hoofdzakelijk in Kaimana. Zijn eenheid wordt danig op de proef gesteld: “De mannen zwoegden zich zwetend door de wildernis in hun op het Europese klimaat afgestemde gevechtskleding (de tropenkleding werd op de terugweg verstrekt), moesten zonder specifieke opleiding luchtdoelgeschut bedienen, maar boekten desondanks tijdens hun jacht op Indonesische parachutisten opmerkelijke resultaten.” (p. 35) Eenmaal ontplooid aan de zuidkust, bewijst het bataljon binnen enkele dagen zijn waarde door bij de eerste actie al 53 Indonesische infiltranten gevangen te nemen, een groep parachutisten waar de mariniers tot dan vergeefs op hebben gejaagd. Schelfhout is erbij als tweede luitenant Charles Moreu tijdens een gevechtspatrouille tegen Indonesische infiltranten, op 16 augustus ondernomen vanuit de tangsi (kazerne) in Fak-Fak, zwaargewond raakt. Een dag later, precies één dag voor de wapenstilstand, overlijdt Moreu, 23 jaar oud, op de operatietafel. De onfortuinlijke Moreu krijgt postuum het Bronzen Kruis, maar volgens Schelfhout had hij een Militaire Willems-Orde verdiend. Hem komt de dubieuze eer toe als laatste in Nederlands Nieuw-Guinea te sneuvelen. Nieuw-Guinea. Menigeen kan niet eens op de kaart aanwijzen waar het ligt; menigeen weet niet dat er ooit Nederlandse militairen door de vloedbossen van Nieuw-Guinea struinden, op jacht naar Indonesische infiltranten. Het is een periode uit de geschiedenis die aan elkaar hangt van Operatie Zaltbommel (toen de twee bataljons infanterie, twee eenheden luchtafweer en allerlei aanvullende onderdelen naar Nieuw-Guinea werden gestuurd), Operasi Jayawijaya (de grootste amfibische operatie uit de geschiedenis van Indonesië), Anemoon Stuiver en Operasi Garuda Putih. Een periode die gemakkelijk helemaal wordt vergeten. Allemaal in gang gezet om de “hobby van minister Luns” (p. 91) – de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken – te verdedigen, in het oerwoud en aan de conferentietafel. In de jungle lukte dat stukken beter dan in de vergaderzalen van de VN. Dankzij 'Appie' is het verwaarlozen van de geschiedenis van Onze Jongens in Nieuw-Guinea gelukkig opnieuw minder gemakkelijk geworden. Terug naar Boven DIE GOEIE OUWE DIENSTTIJD - JACK BOTERMANS & WIM VAN GRINSVEN  | titel | Die goeie ouwe diensttijd. Hoe ze van vader een man maakten | auteurs | Jack Botermans en Wim van Grinsven | ISBN | 9789089893321 | jaar | 2011 | pagina’s | 192 | uitgeverij | Terra Lannoo |
  
|
De militaire dienstplicht is, samen met het weer, het meest besproken onderwerp op feestjes en partijen. Mogelijk is de overeenkomst hiertussen de nostalgische klaagcultuur. Het weer is nooit goed, tenzij ze precies in je straatje van pas komt. Datzelfde gold die langdurige baalperiode die dienstplicht heette, die uiteindelijk in de meeste gevallen uitmondde in een langgerekt avontuur van HZB’en, kameraadschap en volwassenwording. “En met elke dagmars en stormbaan werd de groepsgeest verder gesmeed.” (p. 15) Nu nog, jaren na het opschorten van de dienstplicht in 1997, is het verschil tussen jongens en mannen blijkbaar ‘de dienstplicht’. Bikkelen, kaarten, schieten, stekkeren, tijgeren. Wie dat nooit gedaan heeft, is geen man en kan o – niet meepraten over die unieke tijd van manwording. Dit boek is een thematische reis over Memory Lane, met heel veel foto’s, (ludieke) teksten en soldatenjargon. 
De dienstplichtige moest zijn bokkentuig, ransel, pukkel en koppelriem blancoën om die waterdicht te houden of maken, werd dag in dag uit sociaal gecontroleerd op persoonlijke hygiëne en moest vooral zijn mond houden tegen zijn militaire meerdere. Toch was de dienstplicht allesbehalve kommer en kwel. Hoewel binnen Defensie alles formeel werd geregeld door bureauhuzaren in het verre Den Haag, op het slagveld eerste hulp bij kogelgaten werd geboden, en de organisatie bol bleef staan van de veldzakboeken, kaarthoekmeters en pioschoppen, heeft menigeen er vrienden voor het leven aan overgehouden. En genoeg gespreksstof voor eindeloos veel verjaardagen… Terug naar Boven DOKTER IN ARNHEM - STUART MAWSON  | titel | Dokter in Arnhem. Vechten voor mensenlevens (origineel: Arnhem Doctor) | auteur | Stuart Mawson | ISBN | 9789045312194 | jaar | 2011 (origineel: 1981) | pagina's | 224 | uitgeverij | BBNC |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven DO SOMETHING GENERAl - francis briquemont  | titel | Do something general | auteur | Francis Briquemont | ISBN | 900220678X | jaar | 1998 | pagina’s | 286 | uitgeverij | Icarus / Standaard Uitgeverij |
   
|
Van juli 1993 tot januari 1994 was Francis Briquemont de commandant van het BIH Command van UNPROFOR. Evenals zijn voorganger, de Fransman Philippe Morillon, en zijn opvolgers, de Britten Sir Michael Rose en Rupert Smith, kampte hij met het probleem dat de moderne grondtroepen van tegenwoordig blijkbaar niet voldoende zijn uitgerust om mogelijke conflicten in de 20ste en 21ste eeuw aan te pakken. Of wel degelijk goed zijn toegerust, maar volgens het mandaat gewoonweg weinig tot niets mogen doen. De Belgische luitenant-generaal worstelde voortdurend om zijn opdracht in Bosnië te kunnen blijven verwezenlijken. De politieke leiding van UNPROFOR, de Verenigde Naties, weigerde hem de middelen te verstrekken die hij nodig had. De vergaande aarzelingen van de politiek verantwoordelijken, een constant gebrek aan troepen (maximaal 12.000 op het hoogtepunt) én de inmenging van lidstaten in de operaties van hun nationale contingenten, deden hem beseffen dat eigenlijk een onmogelijke opdracht was toevertrouwd. In januari ’94 werd het Briquemont te gortig: hij diende zijn ontslag in. Het mandaat van UNPROFOR kon in zijn ogen niet langer veilig worden uitgevoerd. Inmiddels is Briquemont “op rust” (buiten dienst), zijn VN-periode wordt overschaduwd door afschuw, desillusie en machteloosheid. Erger dan een dove die niet wil horen, zijn de Verenigde Naties die te onbekwaam zijn om een situatie te velde op waarde te schatten, praten zonder iets te zeggen en, vooral, consequent inefficiënt optreden. Over dit onderwerp zijn heel veel meer boeken geschreven. Generaal Briquemont maakt rake opmerkingen over de bereidwilligheid van de internationale gemeenschap in de crisis in voormalig Joegoslavië, zoals “Hoe kleiner de risico’s worden, des te meer is men bereid iets te doen.” (p. 144) en “Er was geen beleid bij de Joegoslavische crisis; men heeft haar ondergaan. De politici hebben niet gehandeld, ze hebben zich beperkt tot het reageren naarmate zich min of meer dramatische gebeurtenissen voordeden!” (p. 225). Briquemont's desillusie walmt op van elke pagina… Uit de recent verschenen masterscriptie 'Een verantwoord en aanvaard risico. Een vergelijking tussen de publieke verantwoordelijkheden van de Verenigde Naties en Nederland' van Mirjam van Schalm (Universiteit van Utrecht, 14 september 2006) blijkt eens te meer dat Briquemont het spijtig heeft gevonden “dat het hem niet gelukt was Nederland over te halen zwaarder bewapend het gebied binnen te komen”.Hij doelde op Dutchbat, de zoveelste desillusie, ook voor Briquemont. Terug naar Boven DUTCHBAT III - FRISO KEURIS & AD VAN LIEMPT  | titel | Dutchbat III. Getuigenissen na Srebrenica. | auteurs | Friso Keuris & Ad van Liempt | ISBN | 9789089102686 | jaar | 2011 | pagina’s | 156 (inclusief DVD met video-opnamen door militairen in Srebrenica) | uitgeverij | D’Jonge Hond |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. 
De door Friso Keuris gefotografeerde dames van Dutchbat III uit het boek ‘Dutchbat III. Getuigenissen na Srebrenica’ in een animatie: Stephanie, Petula, Liesbeth, Alice en Bianca. Friso Keuris is portretfotograaf, gespecialiseerd in portretten van schrijvers, musici, acteurs en artiesten. Daarnaast werkt hij aan eigen projecten. Van 2006 tot en met 2010 portretteerde hij de voormalige militairen van Dutchbat III voor. |
Terug naar Boven DYNAMIEK EN ONZEKERHEID ALS KANS - JAN WILLEM BRINKMAN  | titel | Dynamiek en onzekerheid als kans | auteur | Jan Willem Brinkman | ISBN | 9090208755 | jaar | 2006 | pagina’s | 457 | uitgeverij | Universal Press |
  
|
Soms komt uit onverwachte hoek een boek dat speciale aandacht behoeft. Zo’n boek is ‘Dynamiek en onzekerheid als kans. Onderzoek naar de toepasbaarheid van (delen van) het moderne militaire besturingsmodel in het Nederlandse ziekenhuisstelsel’ van Jan Willem Brinkman. Brinkman werd in 1993 de eerste commandant van 11 Luchtmobiele Brigade. Ruurd Reitsma, hij en enkele anderen hadden deze eenheid mede op de kaart gezet. Hoewel de generaals in Den Haag tegen uitzending van de juist opgerichte eenheid waren, gingen zij uiteindelijk wél akkoord. Gevreesd werd dat de Tweede Kamer de aankoop van helikopters voor de brigade anders zou tegenhouden. De bezwaren van de landmachttop tégen uitzending werden door politici weggewuifd als “ongewenste inmenging in de politiek”. In april ’93 kreeg brigadegeneraal Brinkman van de BLS, generaal Hans Couzy, het waarschuwingsbevel voor ontplooiing van het eerste gereedgestelde luchtmobiele bataljon in Bosnië. In november ’93 ging een verkenningsmissie onder leiding van Brinkman naar Bosnië. Srebrenica bleek “een moeilijke, maar niet onmogelijke” opdracht (NIOD-rapport, pagina 1.073). Couzy wees Brinkman op de problemen van logistieke en geneeskundige aard in de enclave. De rest van de geschiedenis is bekend, althans bijna. Hoewel Brinkman intussen allang was gesouffleerd dat hij nooit BLS zou worden – omdat de landmachttop hem te slim en lastig zou vinden – werd hij in 1995 in de rang van generaal-majoor nog even snel commandant van de Multinational Division Central (Airmobile) in Rheindahlen, een luchtlandingseenheid van 20.000 militairen. Brinkman werd door voormalig Minister van Defensie Relus ter Beek een “veranderingsgezinde jonge Turk” genoemd. Zijn daadkracht en progressiviteit had Brinkman op meerdere vlakken getoond: ruim voordat de politiek besloot dat de dienstplicht werd afgeschaft, schreef hij er een notitie over. Hij wees daarin op de mogelijke gevolgen voor de samenstelling van de landmacht. Afschaffing zou volgens hem de opmars van de vrouw in de KL betekenen. De BLS, generaal Rien Wilmink, was woedend. In ’96 stapte Brinkman over naar de burgermaatschappij, waar hij korpschef van de politieregio Rotterdam-Rijnmond werd. Na minder dan een jaar werd hij door burgemeester Bram Peper ontslagen, daartoe aangespoord door de politievakbonden en gemeentebureaucraten die hem geen eerlijke kans gunden. Tot op heden is Brinkman aan het werk als interim-manager in de gezondheidszorg, achtereenvolgens in de IJsselmeerziekenhuizen te Emmeloord en Lelystad én ziekenhuis Gelderse Vallei te Ede. Terug naar Boven EEN DAPPER MAN. KAPITEIN W.L. DE ROOS - GILLES W.B. BORRIE  | titel | Een dapper man. Kapitein W.L. de Roos (1906-1986) | auteur | Gilles W.B. Borrie | ISBN | n.v.t. | jaar | 2011 | pagina's | 48 | uitgeverij | Drukkerij Gianotten (Tilburg) |

|
“Wat is een held? Iemand die straffeloos onvoorzichtig is geweest”, aldus W.F. Hermans. In relatie tot Willem Leonard (Bill) de Roos geldt in elk geval dat hij niet gestraft is de Duitse vijand. De Roos nam in de aprildagen van 1945 als lid van de 1ste Gevechtsgroep van majoor A.A. Paessens deel aan de huis-aan-huis- en straatgevechten om Hedel in handen te krijgen en houden. De aanval op het nagenoeg geheel geëvacueerde dorp was nodig omdat de volhardende Duitsers zowel in de dorpskern als vanaf de noordoever van de Maas – aan de kant van Heusden, in de Bommelerwaard – Hedel bleven bevechten. Bij deze gevechten sneuvelden twaalf mannen van de Prinses Irene Brigade. Dat De Roos in dit ongekende inferno van handgranaat- en stengunvuur niet om het leven kwam, is krijgsmansgeluk… en vakmanschap. De niet bang uitgevallen alleskunner was echter ook vaak roekeloos. Te onvoorzichtig. Voeg daarbij het gegeven, achteraf, dat de geallieerde aanval op Hedel uit militair-tactisch oogpunt krankzinnig was en op een mislukking dreigde uit te lopen, dan mag kapitein De Roos van heel veel geluk spreken dat hij het overleefde. Voor zijn optreden in deze strijd werd aan hem, als enige van de Prinses Irene Brigade, de Militaire Willems-Orde toegekend. Die MWO kwam in de plaats van de twee jaar eerder verleende Bronzen Leeuw; in ’49 kreeg de charismatische Zwollenaar ook nog het Military Cross. Gilles Borrie, zelf oorlogsvrijwilliger bij diezelfde brigade, heeft met dit boekje de dapperheid van De Roos definitief aan de vergetelheid ontrukt. De heroïsche status van De Roos blijkt hieruit zelfs zó groot, dat de vereniging van oud-strijders zich zelfs beijverde een kazerne naar hem te vernoemen. Dit boekje is met recht één van de blijvende kersen op de taart van het Garderegiment Fuseliers Prinses Irene. |
Terug naar Boven EEN LIEFDE IN AFRIKA - SUSAN TRAVERS  | titel | Een liefde in Afrika | auteur | Susan Travers | ISBN | 9789044300369 | jaar | 2000 | pagina’s | 364 | uitgeverij | The House of Books |
  
|
Op 23 september 1909 wordt Susan Travers in Devon, England, geboren. Voor sommige Fransen is haar geschiedenis een lichtelijke smet op de krijgsgeschiedenis van het Vreemdelingenlegioen, waar de machocultuur de boventoon voert. Op 17 juni 1941 werd de verpleegster van het Franse Rode Kruis chauffeur van een getrouwde Franse kolonel. Hij was 42, zei 31. Een heftige relatie volgde. De kolonel, Pierre Koenig, was de commandant van de 1ère Division Française Libre tijdens de Slag om Bir Hakeim. Bir Hakeim (Libië), ± 50 km zuidelijk van de mediterrane kust en ten westen van Tobroek, lag in de geallieerde Gazala-verdedigingslinie. In de Tweede Wereldoorlog werd er zwaar gevochten met de Duits-Italiaanse agressor. Nadat de 1ère Division Française Libre net fel slag had geleverd in Halfaya en Méchili, omsingelde Rommel’s Afrikakorps begin juni 1942 Bir Hakeim en verzocht Koenig zich over te geven. Die antwoordde onverzettelijk: “Nous ne sommes pas ici pour nous rendre” (“We zijn hier niet om ons over te geven”). | Zwaar in de minderheid (10 : 1) bood Koenig ruim 2 weken lang verzet tegen 4 divisies in het gat van de zuidelijke verdediging. Tegen alle verhoudingen in zorgde de strijd voor een ommezwaai in de Noord-Afrikaanse oorlogsarena. Koenig’s actie maakte het mogelijk dat het 8ste Britse leger zich kon terugtrekken, reorganiseren in Alexandrië en de tegenaanval op El Alamein kon inzetten. Verder was ‘Bir Hakeim’ voor De Gaulle doorslaggevend: voor het eerst hadden de Fransen zelfstandig geknokt. | |
Zelfs Churchill moest de heldendom van de Fransen onderkennen: “Holding back for fifteen days Rommel's offensive, the free French of Bir Hakeim had contributed to save Egypt and Suez canal's destinies." Op 10 juni 1942 doorbraken Travers en Koenig de mijnenvelden ("champs de marais") en drie concentrische kordons van Duitse tanks die Bir Hakeim omringden. In deze context was adjudant-chef Susan Travers de enige vrouw die ooit heeft gediend in het Légion d’Étrangère; het legioen werd pas in 2000 formeel opengesteld voor vrouwen. Tussen Travers en Koenig bloeide een heftige relatie, die een jaar later bekend werd. Daarop zette Koenig noodgedwongen – hij was getrouwd – Travers aan de kant. Zij reisde vervolgens met de geallieerden via Italië en Frankrijk naar Duitsland, waar de bevrijding werd gevierd. Tot 1947 is ze bij de 13ème Demi-Brigade de Légion Etrangère (13 DBLE) gebleven, zowel in Marokko als Indo-China. Op haar 37ste trouwde ze met een légionnaire, maar in haar hart bleef ze altijd van generaal Koenig houden. In 1956 ontving ze tijdens een ceremonie in Les Invalides uit handen van haar oude liefde de Médaille Militaire. Ze overleefde Koenig, die in 1954 en ’55 Minister van Defensie was, in ‘70 overleed en in ’71 postuum zijn mémoires ‘Bir-Hakeim: 10 juin 1942’ het licht deed zien. Susan Travers overleed in 2003 op 94-jarige leeftijd. Terug naar Boven EEN MOOI WOORD VOOR OORLOG - AD VAN LIEMPT  | titel | Een mooi woord voor oorlog. Ruzie, roddel en achterdocht op weg naar de Indonesië-oorlog | auteur | Ad van Liempt | ISBN | 9012067014 | jaar | 1994 | pagina’s | 292 | uitgeverij | Sdu uitgeverij |
 
|
Ondanks de acute dreiging dat de stad Saguntum (Sagunto in Valencia, Spanje) kon worden ingenomen, aarzelde, draalde en twijfelde de Romeinse Senaat. Wat volgde was eindeloos overleg en nietsdoen, waarmee het momentum voor ingrijpen verkeken was. Titus Livius dichtte hierover: “Deliberante senatu Saguntum periit.” (“Terwijl de Senaat vergadert, wordt Saguntum veroverd.”) Blijkbaar komt eindeloos beraadslagen de slagvaardigheid niet ten goede. Die klassieke les had Louis Beel in elk geval begrepen (p. 116): er zou op enig moment een knoop doorgehakt moeten worden. Dan heb je als premier met alles rekening te houden: strategische voors en tegens, de publieke opinie, ruim honderdduizend ontplooide militairen in Nederlands-Indië die “drie miljoen per dag” (p. 23) kostten, de legertop. Nederlands-Indië wachtte op daden, er moest een beslissing worden genomen. Een 'frische, fröhliche Krieg' zou misschien uitkomst bieden om de kolonie Nederlands-Indië te behouden als noodzakelijke economische inkomstenbron voor het moederland. Ook wilde men het gebiedsdeel, dat al eeuwen in handen van het Koninkrijk was, niet zomaar opgeven. Ratio en emotie streden om het hardst. Uiteindelijk bleek de strategie van “de politieke generaal”, legercommandant Spoor, onafwendbaar: de toestand in de Oost werd met de dag slechter, ten nadele van de Nederlanders en Nederland-gezinde eilanders. Hoofdrolspeler Spoor heeft gelijk gekregen: het leger kon niet anders dan ingrijpen. Elke politieke pressie mislukte en het leger stond in de startblokken voor een beslissende actie, desnoods eentje met als eindsituatie de inname van Djocjakarta – hoofdstad van de Republikeinen (‘Operatie Amsterdam’). De Politionele Acties verdienen niet op alle fronten de schoonheidsprijs, zeker niet, maar men mag niet uit het oog verliezen dat “politioneel” het enig mogelijke was: “Zoals de KNIL-acties destijds in Atjeh ook altijd politioneel waren genoemd, gericht op het handhaven van de orde op eigen terrein.” (p. 9), d.w.z. “police measures of a strictly limited character”. In de nacht van 20 op 21 juli 1947 werd in Den Haag besloten tot een aanval door “destijds de tiende strijdmacht ter wereld” (p. 10): Nederland. Het boek van Van Liempt is de reconstructie van de besluitvorming hiertoe: “Hoe kon het [...] tot die aanval komen?” Een offensief dat zich beperkte tot het veiligstellen van de belangrijkste wingewesten (Operatie Product) en een opmars naar Djocjakarta. Niet, zoals voorbereid, tot en met de verovering van de Republikeinse hoofdstad (Operatie Amsterdam). Het is nog steeds een nauwelijks verwerkte periode uit de Nederlandse geschiedenis, waarvan de kiem tot alle rampspoed lag bij de naoorlogse opsplitsing van Nederlands-Indië onder de Australiërs en Britten. De politiek georienteerde generaal Spoor zou de revolutie een halt kunnen toeroepen en de kurk waar de Nederlandse economie op dreef redden. Slechts enkelen bleven waarschuwen tegen oorlog in de Oost. Zo ook minister zonder portefeuille Eelco van Kleffens en jonkheer Alidius Tjarda van Starkenborgh Stachouwer, de ambassadeur in Parijs en oud-landvoogd in Indië: “De geschiedenis leert [...] dat niet door de natuur bij elkaar gevoegde volkeren onherroepelijk uiteendrijven indien tussen hen op grotere schaal bloed wordt vergoten.” Opnieuw een klassieke les. Toch gebeurde het. Alleen al op Zuid-Celebes vielen 3 à 4.000 doden, maar de mateloos populaire Spoor maakte met de Politionele Acties, weliswaar tijdelijk en plaatselijk, een einde aan de aanslagen, bestandsschendingen en het verder vernielen en ondermijnen van bruggen en weggedeelten door de Indonesiërs. Wanneer de strateeg Spoor zijn ontslag indient in een parallel lopende kwestie, is landvoogd Van Mook niet meer ontvankelijk voor welk vredesinitiatief dan ook: zes dagen later begint de Eerste Politionele Actie. Het onderwerp waarop alle onderhandelingen of opbouwwerkzaamheden naar een federaal Indonesië spaak lopen, is de door Nederland voorgestelde gemeenschappelijke gendarmerie: de Republiek ziet de handhaving van orde en rust op Republikeins gebied als een exclusief Republikeinse taak. De maat is vol. De gereconstrueerde besluitvorming door Van Liempt is interessant wat de motieven betreft die uiteindelijk hebben geleid tot beide Politionele Acties, maar de gortdroge opsomming van feiten en vergaderingen is voor de lezer een last. Bovendien is het, vanuit het perspectief waarin het geschreven is (eind 20ste eeuw), een leunstoelstrategische versimpeling – hoezeer ook de auteur de lezer anderszins wil laten geloven. Terug naar Boven EEN OPEN ZENUW - MADELON DE KEIZER & MARIJE PLOMP (red.)  | titel | Een open zenuw. Hoe wij ons de Tweede Wereldoorlog herinneren | auteur | Madelon de Keizer & Marije Plomp (redactie) | ISBN | 9789035133686 | jaar | 2010 | pagina’s | 558 | uitgeverij | Bert Bakker / Prometheus |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven EEN STEM UIT HET VELD - ROB SMULDERS  | titel | Een stem uit het veld. Herinneringen van de ritmeester-adjudant van generaal S.H. Spoor | auteur | Rob Smulders | ISBN | 9067071900 | jaar | 1988 | pagina’s | 144 | uitgeverij | De Bataafsche Leeuw |
  
|
Zo pluriform als de belevenissen en herinneringen van de adjudant-ritmeester Rob Smulders zonder twijfel zijn, zo zijn diens memoires voor het grootste deel in onbegrijpelijke flarden neergepend. Het lijkt een allegaartje van dagboekachtige aantekeningen, in een even hakkelend als staccato Nederlands, zonder goed leesbare volzinnen. Hierdoor noopt Smulders’ boek helaas veelvuldig tot voortijdig afhaken. Zonde, want dat Smulders wat te vertellen heeft, staat als een paal boven water: als persoonlijk assistent (adjudant) van generaal Spoor; als voormalig eskadronscommandant; als mens. Gelukkig blijft het boek, ondanks de genoemde handicaps, aantrekkelijk. Dat komt deels door de toon, die feitelijk wordt gezet door aan wie hij zijn boek opdraagt: “Aan hen die in de jaren 1945-1950 in Indië waren en palstonden. Het was niet tevergeefs”. Een woordkeus die min of meer gelijk is aan “wij, de Nederlandse militairen in Indië, waren onwankelbaar, weken niet.” Een toonzetting ook met betrekking tot de dood van generaal Spoor: “Hij stierf of sneuvelde, onverwacht” (p. 7) Dit boek gaat dan ook niet over Smulders, maar over de mensen rondom de commandant van het leger in Indonesië, generaal Simon Hendrik Spoor, commandeur Militaire Willems-Orde, begraven op de erebegraafplaats Menteng Poeloe in Djakarta (het vroegere Batavia). Af en toe neigt het hierdoor naar het hagiografische, zoals op p. 31: “Was er een grotere soldaat in de Nederlandse geschiedenis sinds de dagen dat Nederland zich onder de Oranje’s vrijvocht van de Spaanse tyrannie?” De vraag stellen is haar beantwoorden, dus op p. 94 vervolgt Smulders: “In het begin wist ik niet waar de pose begon of ophield. Was hij een groot acteur? Nee hij was commandant van een leger die van haveloze soldaten, ondervoede en ongetrainde soldaten, zó uit de Japanse kampen, een steeds perfecter gevechtsinstrument maakt. Die ook het Haagse politieke spel doorziet en bijna per dag het leger weet in te zetten. Nu wel, dan niet. Aan zijn troepen laat hij weten dat hij begrijpt waar het om gaat. Hij geeft hun het vertrouwen en het uithoudingsvermogen om deze onmogelijke opdracht toch uit te voeren.” Gelet op het bovenstaande is het verwonderlijk dat in het tussenhoofdstuk ‘Oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid’ – waarin Smulders de Nederlandse jurist prof. dr. Christiaan F. Rüter uitgebreid citeert – juist ook een niet voor de hand liggend statement wordt gemaakt: “Een misdrijf tegen de menselijkheid is [...] in de jaren 1945-1950 door Nederlandse soldaten en hun meerderen niet gepleegd. Er zijn oorlogsmisdaden gepleegd. Dat ontkent niemand die erbij was.” (p. 88). Het verhaal begint als Spoor kapitein is, 40 jaar jong. Het ademt vervolgens de sfeer van Erasmus’ adagium ‘Dulce bellum inexpertis’ (‘Oorlog is aangenaam voor wie hem niet heeft meegemaakt’). Nederlands-Indië was allesbehalve leuk en comfortabel; oorlogsmisdaden kwamen blijkbaar voor... Dan ineens is Spoor kolonel, directeur van de Netherlands Forces Intelligence Service (NEFIS). De kroniek verspringt nu veel en snel, met soms prachtige citaten uit de Indische bushbush, zoals “Drie-vierde verveling, één-vierde angst” (p. 85). De realiteit van contra-guerrilla; de realiteit van het leven in dienst tijdens de Politionele Acties. Als tweede luitenant gaat Smulders als Spoor’s adjudant werken. Een leven dat nauwelijks ‘in de marge’ genoemd kan worden. In het ingewikkelde machtsspel in Nederlands-Indië zit hij bovenop de laatste nieuwtjes en leert hij bijvoorbeeld wat de invloed (niet macht) van Shell Koninklijke Olie – voorheen de Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM) – in de archipel is: met generaal Spoor is Van Diermen, de grote BPM-baas in Oost-Indië, één van de invloedrijkste mannen. Maar Spoor heeft geen enkele moeite om zich te handhaven in een wereldje dat niet primair bestaat uit strategie, tactiek en leger en niet enkel wordt omgeven door dessa’s, pasars en warongs... Tot de lunch in de Jacht Club, die zoals algemeen wordt verondersteld zijn overlijden heeft bespoedigd. Smulders’ boek is zeker géén must-have, hoewel de aangereikte foto’s en de faits-divers meerwaarde hebben voor hen die ingewijd zijn in leven en werk van generaal S.H. Spoor. Terug naar Boven EINDE OEFENING - GERARD J. FELIUS  | titel | Einde oefening. Infanterist tijdens de Koude Oorlog | auteur | kolonel der infanterie b.d. Gerard J. Felius | ISBN | 9080740012 | jaar | 2002 | pagina’s | 347 | uitgeverij | Uitgeverij Quintijn |
    
|
December 2007: zoon Marnix komt terug uit Uruzgan, een missie die in de verste verte niet te vergelijken is met enige andere opdracht die de Nederlands krijgsmacht sinds de Korea-oorlog is aangegaan. Laat staan met de dienstplichtperiode binnen de Koude Oorlog, toen vader Gerard binnen de infanterie opgroeide met de idee van tot op de meter nauwkeurig ingemeten en vastgestelde stellingen in het frontgebied vanaf de rivier de Elbe tot het Elbe-Seitenkanal. De 'gouden glans' van de Koude Oorlog is terug te vinden in zijn autobiografie, waarin het wemelt van de nostalgie in de trant van Norit tot poeder stampen, met Nivea mengen en op de blote huid smeren. Over oefeningen in La Courtine en Mourmelon-le-Grand, niet meer bestaande vetermarsen, kikkeren bij het Korps Commandotroepen, de feuttijd en het klossen op de KMA, de verarming van het verdwijnen van de aparte messes op de kazernes, treinenbataljons die niets met de spoorwegen te maken hebben, een zware opleiding en een strakke discipline die zich terugbetalen... Gerard J. Felius, die als dienstplichtig soldaat opkwam bij de lichting 58-6, beroepsofficier werd en in 1994 met functioneel leeftijdsontslag ging, heeft de wetenswaardigheden en (miskende?) nostalgie van een vervlogen tijd prachtig vastgelegd in zijn autobiografie. Het is niet voor niets dat alle media lovend over 'Einde oefening' zijn geweest. Opmerkingen als “een aanrader voor iedereen die in de naoorlogse jaren zelf in dienst is geweest” (Checkpoint), “een boek dat de militaire wereld in de tijd van de Koude Oorlog in al zijn facetten laat zien” (Defensiekrant), “feest van herkenning” (November Romeo) en “gemakkelijk en vlot geschreven, zeer openhartig, met de nodige humor en veel anekdotes” (Carré). Voor de liefhebbers van een snel uit te lezen verhaal over hoe de landmacht er nog niet zo heel lang geleden uitzag, is het boek voor € 10,00 direct bij de auteur te bestellen. Terug naar Boven EMERGING MEMORY - PAULUS BIJL  | titel | Emerging memory. Photographs of colonial atrocity in Dutch cultural remembrance. | auteur | Paulus Bijl | ISBN | 9789039354957 | jaar | 2011 | pagina’s | 247 | uitgeverij | Universiteit Utrecht |
  
|
Op 14 januari 2011 promoveerde cultuurwetenschapper Paulus Bijl aan de Universiteit Utrecht op de functie van foto's van koloniale wreedheden in de Nederlandse culturele herinnering. Bijl heeft die 'koloniale wreedheid' goed gekozen: een gebeurtenis van bijna een eeuw oud. Dat moest ook wel, gezien het koepelonderwerp ‘herinnering’. Zijn proefschrift heet ‘Emerging Memory’ en “this study seeks to change thinking about memory and forgetting”. Achterliggende gedachte is, wat mij betreft, onder andere dat het geheugen blijkbaar in staat is om lege of opengevallen plekken op te vullen, met fantasie of non-fictie. De gebeurtenis waar alles om draait in Bijl’s dissertatie is een expeditie onder leiding van luitenant-kolonel G.C.E. van Daalen en zijn Korps Marechaussee in 1904. Plaats van handeling (“scene of the crime”) zijn de geïsoleerde, afgelegen Gajo- en Alaslanden op Atjeh, het onafhankelijk sultanaat in het noorden van Sumatra in het toenmalig Nederlands-Indië. Van Daalen’s opdrachtgever was generaal Van Heutsz, wellicht de meest controversiële houwdegen die Nederland ooit heeft gekend. Op 24 juni 1904 keerde de overste terug van zijn veldtocht door de Gajo- en Alaslanden. Met een troepenmacht van maximaal 467 marechaussees en autochtone dwangarbeiders had de expeditie een verwoestend spoor getrokken. Het trieste resultaat was uitgebrande bentengs en kampongs, en ruim 3.000 doden onder de bevolking. De gebeurtenissen zorgden voor grote politieke commotie in Nederland. Het dieptepunt was een massaslachting in de versterkte kampong Koeto Reh in de Alaslanden, “the place where the marechaussees penetrated.” (p. 69) Op 14 juni 1904 werd daar op bevel van Van Heutsz het verzet gebroken. Eufemisme voor het afslachten van 561 inwoners in anderhalf uur tijd: 313 mannen, 189 vrouwen en 59 kinderen. Een oorlogsmisdaad, vergelijkbaar met het Vietnamese My Lai of Franse Oradour-sur-Glane. De Atjese dorpsbewoners waren in het bezit van tientallen donderbussen en voorladergeweren en maakten aanvullend nog gebruik van lombokwater – water vermengd met Spaanse pepers, de voorloper van de pepperspray – stokken en stenen. Maar daarmee waren ze kansloos tegen de automatische wapens waarmee de Nederlanders het vuur openden. Bij de actie in Koeto Reh vielen dan ook slechts twee doden onder de Nederlandse aanvallers. 
Groepsportret van het Korps Marechaussee met de overste Van Daalen nadat op 14 juni 1904 de inwoners van de versterkte kampong Koeto Reh in de Alaslanden op Sumatra zijn uitgemoord (© foto: dissertatie Paulus Bijl & Collectie Tropenmuseum). De buitenwereld zou nooit van Koeto Reh hebben gehoord als de Nederlanders niet als ware moraalridders conform de in 1901 afgekondigde ‘ethische politiek’ (die Nederlands-Indië moest beschaven naar westers model) de expeditie waren gestart: zowel militair als wetenschappelijk. In alle behoefte aan verbreiding van het koloniale imperialisme werden van de expeditie en dus ook van de actie in Koeto Reh foto’s gemaakt. Het leger wilde de foto’s tentoonstellen én publiceren om te laten zien dat het gewoon zijn werk deed. De bewuste foto die is gemaakt na de aanval op Koeto Reh was een anticlimax: de zegevierende militairen staan op de vestingwal, de lijken van hun tegenstanders liggen beneden op de grond. Maar liefst negen dwangarbeiders zorgden ervoor dat officier van gezondheid der 2de klasse Hendricus Marinus Neeb, als fotograaf aangewezen, een uitneembare donkere kamer en alle mogelijke fotografiespullen tot zijn beschikking had. Zijn foto’s zijn onder andere verschenen in een ooggetuigenverslag van eerste luitenant der artillerie J. C. J. Kempees, adjudant van Van Daalen. Kempees schreef zijn boek in opdracht van de overste onmiddellijk na zijn terugkeer in de Atjese hoofdstad Kota Radja in 1904. Er was toen nog geen kritiek op het expeditionaire optreden geuit. In 1905 verscheen zijn boek. Van Daalen was absoluut niet beschaamd over de gevolgen van zijn expeditionaire contraguerrilla. Er werd dus volop gefotografeerd, in totaal 173 kiekjes. Na afloop van de bestormingen liet hij Neeb de stapels lijken in de bentengs en kampongs fotograferen, liefst met de trotse marechaussees ernaast. Neeb (1870-1933), geboren in Muntok op het eiland Bangka aan de kust van Sumatra, was inheems genoeg om de noden van de burgers in te zien. Hoewel hij als legerarts in de eerste plaats voor zijn eigen mannen moest zorgen, gaf de overste Van Daalen hem – naast het schieten van foto’s – alle ruimte om herhaaldelijk gewonde Gajo’s en Alassers te verplegen. Zelfs in het eigen bivak. De expeditie van Van Daalen – volgens een latere schatting het uitroeien van 20 tot ruim 25% van de totale bevolking van de schaars bewoonde Gajo- en Alaslanden – markeerde het einde van de grootschalige inlandse verzet tegen de Pax Neerlandica. In eerste instantie trok deze expeditie nauwelijks de aandacht, niet in de Oost noch in Nederland. De details van de gruweldaden kwamen in eerste instantie aan het licht door een verslaggever van de Deli Courant die een reportage schreef over de gruwelijke veldtocht door Atjeh. Het geweld bleek zich ook te hebben gekeerd tegen ongewapende oudere mannen, vrouwen en kinderen, waarna de Nederlandse publieke opinie en (de socialisten in) het parlement zich teweer stelden tegen het militaire beleid in Atjeh. De regering verdedigde het beleid van Van Heutsz en Van Daalen. De Atjeeërs zouden zich voortaan wel bedenken voordat ze weer dwars gingen liggen, meende minister-president Abraham Kuyper. Hij noemde het doodschieten van ongewapende vrouwen en kinderen betreurenswaardig, maar de Atjese strijders hadden nu eenmaal de onhebbelijke gewoonte om zich tussen de burgers te verschuilen. Toch leidde het brute geweld van de Nederlanders in de Oost en het grote aantal burgerslachtoffers tot felle discussies, ook zonder dat het leeuwendeel van het publiek de – uit esthetisch oogpunt – excellente, fameuze foto’s van Neeb had gezien. De socialist Van Kol vergeleek het gewelddadige en machtsbeluste optreden van Van Daalen met de wreedheden van de Hertog van Alva tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Koningin Wilhelmina wilde van de kritiek op de overste niet weten en onderscheidde hem met het Commandeurskruis van de Militaire Willems-Orde. Terug naar Boven ENDSTATION KABUL - ACHIM WOHLGETHAN  | titel | Endstation Kabul. Als deutscher Soldat in Afghanistan - ein Insiderbericht | auteur | Achim Wohlgethan | ISBN | 9783430200431 | jaar | 2008 | pagina’s | 302 | uitgeverij | Econ |
   
|
Begin 2008 verscheen ‘Endstation Kabul’ van Achim Wohlgethan. Naar eigen zeggen lid van de Duitse Special Forces, die in “Grossraum Kabul” enige maanden met team 4.11 van het KCT heeft samengewerkt - evenals zijn buddy Alex. Daarmee verkrijgt hij de afkorting z.b.V. achter zijn naam: "zur besonderen Verfügung". Dat wil zoveel zeggen als "nur für Sonderaufgaben". Het is 2002.Die onthulling kwam zowat tegelijkertijd met een tweeluik aan ontdekkingen van het VPRO-radioprogramma Argos. Het draaide er allemaal om dat Nederland, in die tijd en op die plaats, buiten ISAF-mandaatgebied taken in het kader van Operation Enduring Freedom (OEF) zou hebben uitgevoerd. Niet mals, maar de Minister van Defensie deed de beweringen af als UFO-journalistiek. Het is, achteraf gezien, duidelijk dat Wohlgethan in Kabul en ruime omgeving géén UFO’s heeft gezien. Dat hij een groot waarnemingsvermogen en een vaardige pen heeft, maakt zijn boek er in elk geval duidelijker op. Hij heeft het onder meer over de Duitse gewoonte om ’s avonds laat in de bar ‘Lili Marleen’ uit volle borst mee te zingen en een hartgrondige hekel aan het “gevechtsveldtoerisme” (“Affenzirkus”) van politici en VIP’s. Waar zijn onduidelijkheid niet stopt, is bij de passages over zijn onderbevelstelling bij het KCT, waar de Nederlanders zijn “nieuwe familie” werden. Ouwe jongens krentenbrood; blijkbaar kennen en waarderen Special Forces elkaar. Hij schrijft over “zeer geheime opdrachten” van de Kabul Multi-National Brigade (KMNB); over verkenningseenheden die tot tweemaal toe op Route Crimson – ver buiten Kabul – oog in oog kwamen te staan met mujahideen-leider Gulbuddin Hekmatyar; dat hij zelf “minstens een dozijn keer” buiten de Area of Responsibility (van west naar oost 40 km, van noord naar zuid 70 km) is geweest; dat begin augustus 2002 zuidelijk van Kabul onder onopgehelderde omstandigheden 12 Afghanen om het leven kwamen; hoe hij werd ingezet voor de Militärischer Abschirmdienst (MAD) – één van de drie Duitse inlichtingendiensten. En dan hebben we het nog niet gehad over de speelgoedwapens waarmee kinderen in Kabul de westerse militairen de stuipen op het lijf joegen, de onfortuinlijke Duitse majoor die met naam wordt genoemd en hoofd van J2 was, en Hotel Interconti - uitvalslokatie van vele acties en gesprekken... Zijn verhaal vertoont zo nu en dan James Bond-achtige trekjes, maar de feiten zijn controleerbaar. Ondanks de 'threat warnings' die regelmatig vanuit het hoofdkwartier van ISAF de ether werden ingestuurd, was Kabul relatief veilig. Die relatieve veiligheid was onder andere te danken aan het proactieve optreden van de Special Forces. | 
Opmerkelijk: het boek van Achim Wohlgethan verscheen in de Nederlandse vertaling onder twee verschillende titels: ‘Legerkamp Kabul. Als soldaat in Afghanistan, een insiderbericht’ en ‘Soldaat in Afghanistan. Bericht van een insider’ |
Als Stabsunteroffizier Wohlgethan “top secret” op het boekomslag zet, is dit niet omdat er zeer geheime informatie uit zijn verhaal kan worden gedistilleerd. Het is een eyecatcher die weer eens duidelijk maakt dat de politieke controle op militaire activiteiten niet altijd even goed is geregeld. Wat die 3 tot 5 Duitsers precies bij het KCT hebben uitgevreten zullen we dan ook niet te weten te komen. Eerlijk gezegd wil ik dat ook niet: ik vertrouw er blind op dat Special Forces aller landen in de ommelanden van Kabul dingen hebben gedaan om acute dreigingen tegen reguliere eenheden te voorkomen cq. teniet te doen. Als Wohlgethan dat met ‘Endstation Kabul’ voor het voetlicht probeert te krijgen, is hij daarin geslaagd. Terug naar Boven ENIGMA EN DE STRIJD OM DE WESTERSCHELDE - HANS SAKKERS  | titel | Engima en de strijd om de Westerschelde. Het falen van de geallieerde opmars in september 1944 | auteur | Hans Sakkers | ISBN | 9789461530011 | jaar | 2011 | pagina's | 432 | uitgeverij | Aspekt |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven ERGER DAN OORLOG - DANIEL JONAH GOLDHAGEN  | titel | Erger dan oorlog (origineel: Worse Than War) | auteur | Daniel Jonah Goldhagen | ISBN | 9789022324189 | jaar | 2009 | pagina's | 720 | uitgeverij | De Bezige Bij |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven EXPEDITIE URUZGAN - BETTE DAM  | titel | Expeditie Uruzgan. De weg van Hamid Karzai naar het paleis. | auteur | Bette Dam | ISBN | 9789029567213 | jaar | verwacht augustus 2009 | pagina’s | 208 | uitgeverij | De Arbeiderspers |
    
|
Het was Wereldomroep-collega Hans de Vreij die Bette Dam eind 2006 op het spoor zette met zijn artikel 2001: de Slag om Tarin Kowt. Na het instorten van de Twin Towers en de daaropvolgende ‘war on terror’ had in Uruzgan een beslissende maar onbekende opstand tegen de Taliban plaatsgevonden. Geleid door Hamid Karzai, toen een relatief onbekende, nu de president van Afghanistan. Het kantelmoment na 9/11 begon voor Uruzgan in de nacht van 7 op 8 oktober 2001 met operatie Enduring Freedom: tientallen doelen werden bestookt, vooral in Kabul en Kandahar. De Amerikanen komen in actie en Dam kenschetst het probleem dat voor Karzai opdoemt: hoe kan hij twee heren dienen, of beter: hoe overtuigt hij zijn medestanders van het nut daarvan? Amerikanen versus stam- en clangenoten? Hoewel Karzai – “van de invloedrijke Popolzai-clan uit de Pashtun-bevolking” – ook de eerzucht heeft om als eerste in Uruzgan te zijn wanneer ‘zijn volk’ hem nodig heeft, hebben juist de Amerikanen daarvoor alle militaire middelen en knowhow. Wat ontstaat, is een bijna absurdistische win-winsituatie: “Wie doet er mee en wie niet? Wie gelooft zijn woorden? En wie laat zich niet overtuigen? Wie gaat naar welke stamleider om de nieuwe tijd aan te kondigen? Wie durft?”. Als de Amerikanen op 20 oktober 2001 Tarin Kowt bombarderen, ontsteekt Karzai in woede. Volgens Dam denkt hij dat de Amerikanen hem zijn vergeten. Twaalf dagen later droppen die alsnog wapens en munitie. En, veel belangrijker: op een basis in het Pakistaanse Jacobabad wacht intussen een Special Forces Operational Detachment-Alpha, in dit geval ODA-574. De wapendropping wordt niet helemaal een succes: de in het nauw gedreven Karzai c.s. worden haastje-repje door de CIA afgevoerd naar Jacobabad. Daar verbaast Capt. Jason Amerine, commandant van het twaalf man sterke ODA-574, zich over de locatie die Karzai – ondanks het recente fiasco – onverstoorbaar wil blijven gebruiken. Als springplank voor zijn expeditie, hoewel het niet zeker is dat Karzai in Tarin Kowt triomfantelijk zal worden verwelkomd. Precies een dag nadat Kabul in handen is gevallen van de Noordelijke Alliantie worden Karzai en zijn medestrijders, ODA-574 en een zestal CIA’ers in de buurt van Tarin Kowt afgezet door helikopters. Het wonder lijkt geschiedt: de Taliban zijn al uit het stadje verdreven! De euforie slaat om als honderden Taliban-strijders onderweg zijn die Karzai willen, dood of levend. Vanaf een plateau zien de Amerikaanse en Afghaanse strijders de Taliban komen aanrijden, die dankzij de Amerikaanse luchtstrijdkrachten massaal worden uitgeschakeld. De Karzai-getrouwen – onder de indruk van “de precisie, de efficiëntie en de snelheid, alles wat de Amerikanen hebben laten zien in die paar uur” – rukken vervolgens op naar Kandahar, bestuurscentrum van de Taliban. Onderweg wordt de strijdmacht nog getroffen door een foutief afgeworpen bom, waardoor twee Special Forces van ODA-574 worden gedood. Ook Karzai en Amerine raken hierbij gewond. Als de veldslagen gevoerd zijn gaat het in dit boek mijns inziens allemaal veel te snel: Dam beschrijft dat Karzai door de Amerikanen naar Kabul wordt gevlogen om de eerste president van Afghanistan te worden. De rest is geschiedenis, maar graag had ik in een extra hoofdstuk diepgaander de rol van Karzai tussen 2002 en nu gelezen, omdat zijn verzoeningpolitiek en diplomatie zich daarna voor een groot deel tegen hem hebben gekeerd. Dat valt althans tussen de regels door op te maken. Zo heeft Karzai na de ‘Slag om Tarin Kowt’ de Taliban in het zuiden “allemaal vrij baan” gegeven in plaats van gevangenisstraf. En ondanks de initiële inzet van alleen Amerikanen in de eerste fase van de oorlog, is het zuiden nog steeds vergeven van de rebellen. Bijna dagelijks maken ze slachtoffers door met IED’s, in hinderlagen en TIC’s, waardoor het wantrouwen van de westerse troepen tegenover de Afghanen groot blijft, in elk geval buiten de relatieve veiligheid van de hesco-forten en niet alleen in Uruzgan. Ze geeft aan hoe in Uruzgan, na Karzai’s triomf, het verzet tegen Jan Mohammed – de enige man die volgens Karzai sterk genoeg was voor het gouverneurschap – alleen maar is gegroeid. Het heeft er alle schijn van dat diens aanstelling tot Karzai’s grootste misrekeningen in de nasleep van 9/11 moet worden beschouwd. Maar dan nog is het zoals ze schrijft: “De band tussen Karzai en Jan Mohammed is sterker dan welke wet of institutie dan ook.” Voor zijn troonopvolgers, Munib en Hamdam, maakt het weinig uit dat Mohammed het veld moest ruimen, want vanuit Kabul heeft hij de touwtjes nog steeds strak in handen. De Slag bij Tarin Kowt in 2001 is een keerpunt geweest in de oorlog tegen de Taliban, ook psychologisch: ze overtuigde de mullahs en maliks dat de Taliban kon worden overwonnen én dat terdege met ‘ene’ Karzai rekening moest worden gehouden. Hoezeer Karzai ook loyaliteit met zijn familiale en tribale banden bedong en de provinciehoofdstad behoedde voor plunderingen en verkrachtingen, in Afghanistan, dus ook in Uruzgan, krijgt de internationale strijdmacht volgens haar pas echt iets voor elkaar als “experts die de taal spreken […] naar de gastenkamers [komen] om te praten.” De vraagtekens staan, zo vermoed ik, voor experts in cultuur en identiteit, gedragscodes, ideologie en religie, normen en waarden; professionals die bijvoorbeeld snappen dat vrouwen juist vanwege hun vrouwelijkheid van de Taliban een burqa moesten dragen en inzien dat de benadering van vrouwelijkheid in Afghanistan volkomen verschilt met die in het westen. Zoals ze zelf schrijft in haar dankwoord: “Het vergt tijd je westerse denkkader over een samenleving als deze resoluut aan de kant te zetten.” Dat is mij ook opgevallen. Anders gezegd: krijgsmacht en antropologie staan soms op gespannen voet. Hoe het ook zij, de tijd voor de Afghanen is te kostbaar om de ‘westerse’ kennis over zaken als gekrenkte eer en karakteristieke plattelandspolitiek op zijn beloop te laten. Dat is iets anders dan regeren via de loop van een geweer. Dan zal het zonder twijfel ook gemakkelijker zakendoen zijn onder het genot van een kop thee in de gastenkamer van een quala… Terug naar Boven FANNY SCHOONHEYT - YVONNE SCHOLTEN  | titel | Fanny Schoonheyt. Een Nederlands meisje strijdt in de Spaanse Burgeroorlog | auteur | Yvonne Scholten | ISBN | 9789029087797 | jaar | 2011 | pagina's | 304 | uitgeverij | Meulenhoff |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven FIRST-IN - ERIK JELLEMA  | titel | First-in | auteur | Erik Jellema | ISBN | 9012083524 | jaar | 1996 | pagina’s | 204 | uitgeverij | Sdu Uitgevers |
   
|
Op 3 maart 1994 nam kapitein Erik Jellema, de compagniescommandant van de Bravo ‘Stieren’ Compagnie van 11 Infanteriebataljon Luchtmobiel, het commando over de ‘safe area’ Srebrenica over van de Canadese mahoor Yvan Bouchard, één van de compagniescommandanten van het 2nd Battalion of the Royal 22nd Regiment (CANBAT). Jellema’s compagnie loste de 155 Canadese militairen weliswaar af in Srebrenica-Stad, maar de enclave bestreek in totaal 10 bij 15 km. Helemaal ‘safe’ was dit gebied niet, zo zou blijken… Maar zijn stierencompagnie was de eerste infanteriecompagnie van de Koninklijke Landmacht die sinds UNIFIL een blauwgehelmde taak mocht uitvoeren. Zowaar een hele eer. De eer om “als eerste binnen” te zijn heeft Jellema er in elk geval mede toe gebracht uitgebreid inzicht te geven in de voorbereiding, planning, uitvoering en overdracht van de operatie van Dutchbat-I. De operaties van Dutchbat-I hebben de basis gelegd voor het vredesoptreden in Bosnië. Voeg aan de uitvoerigheid van ‘First-in’ de passie toe die uit vele bladzijden opborrelt voor krijgsgeschiedenis, en het is duidelijk dat alles wat de commandant in meer of mindere mate is opgevallen én waar anderen lering uit zouden kunnen trekken aan het papier is toevertrouwd. Vaak dus met een historische connotatie, zoals een prachtig citaat van Sosabowski (“Let other people praise you, not you yourselves”), commandant van de Poolse 1ste Onafhankelijke Parachutisten Brigade tijdens operatie Market Garden. Ook is zijn boek gelukkig geen opsomming van droge feitjes en bijdehante weetjes, maar een vakidiote kennismaking met de praktijk van een vredesoperatie. Hoewel de uitvoering van peacekeeping volgens mij voor 99,9% bestaat uit stress, teleurstellingen en dilemma’s, komen die alleen – en dan nog hoogst zelden – onderhuids aan bod. De belevingswereld van compagniescommandant Jellema, die tot en met juli 1994 in Srebrenica was gelegerd, is hierdoor met name gefocust op het oplossen van de ‘uitdagingen’ die de moeilijke omstandigheden in Srebrenica met zich meebrachten. Dat is de enorme pré die dit boek meekrijgt. Niets dan lof voor Erik Jellema. Terug naar Boven FRIEDRICH KNOLLE - PERRY PIERIK  | titel | Friedrich Knolle. Bekentenissen van een SD-officier | auteur | Perry Pierik | ISBN | 9789059119123 | jaar | 2011 | pagina’s | 308 | uitgeverij | Aspekt |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven FRONTDIENST - DICK ENGELEN  | titel | Frontdienst. De BVD in de Koude Oorlog | auteur | Dick Engelen | ISBN | 9789085065135 | jaar | 2007 | pagina's | 316 | uitgeverij | Boom |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven GEEN OORLOG, GEEN MUNITIE - HEINZ NÄGELE & DICK SCHAAP  | titel | Geen oorlog, geen munitie. De geschiedenis van 300 jaar militaire produktie | auteurs | Heinz Nägele & Dick Schaap | ISBN | 9789022838778 | jaar | 1979 | pagina’s | 112 | uitgeverij | Fibula-Van Dishoeck (ter gelegenheid van het 300-jarig bestaan van Eurometaal NV, het voormalige staatsbedrijf Artillerie-Inrichtingen in Zaandam) |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven GEHEIME OORLOGEN - GORDON THOMAS  | titel | Geheime oorlogen. Een onthullend beeld van honderd jaar Britse geheime dienst (origineel: Secret Wars) | auteur | Gordon Thomas | ISBN | 9789027466709 | jaar | 2009 | pagina’s | 494 | uitgeverij | Spectrum |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven GENERAAL H.G. WINKELMAN - TEO VAN MIDDELDORP  | titel | Generaal H.G. Winkelman. Standvastig strijder, 1876-1952 | auteur | Teo van Middelkoop | ISBN | 9789059941038 | jaar | 2006 | pagina’s | 416 | uitgeverij | Aprilis Zaltbommel |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven GENERAAL REYNDERS - E.H. BRONGERS  | titel | Generaal Reynders. Een miskend bevelhebber, 1939-1940 | auteur | Luitenant-kolonel b.d. E.H. Brongers | ISBN | 9789059116030 | jaar | 2007 | pagina’s | 166 | uitgeverij | Aspekt |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven GENERAAL SPOOR - JAAP DE MOOR  | titel | Generaal Spoor. Triomf en tragiek van een legercommandant | auteur | Jaap de Moor | ISBN | 9789085067092 | jaar | 2011 | pagina’s | 488 | uitgeverij | Boom |

|
Op 9 mei 2011 is de biografie van generaal Spoor verschenen. Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering.
Hoe zat het nu eigenlijk met de ideeën van Spoor over politiek en militair leiderschap? Wat is waar van de geruchten over zijn niet-natuurlijke dood? Deze biografie vertelt het verhaal van een intellectueel begaafde, artistiek aangelegde en toegewijde militair, die zich vóór alles heeft ingezet voor de belangen van zijn vaderland. Generaal Spoor was tot zijn plotselinge dood in 1949 bevelhebber van de Nederlandse troepen in Nederlands-Indië. Voor de een was hij een conservatieve houwdegen, voor de ander een inspirerende aanvoerder, maar hij was hoe dan ook een uitzonderlijk legerofficier.
De rol van generaal Simon H. Spoor tijdens de dekolonisatie van Nederlands-Indië, 1945-1949, is omstreden. Hij probeerde de besluitvorming in kabinet en parlement naar zijn hand te zetten, waartoe hij als militair niet gerechtigd was. Veteranen herdenken deze echte 'troepengeneraal' daarentegen nog altijd met bewondering. Hoe zat het nu eigenlijk met de ideeën van Spoor over politiek en militair leiderschap? En wat is er waar van de geruchten over zijn niet-natuurlijke dood? Deze biografie vertelt het verhaal van een intellectueel begaafde, artistiek aangelegde en toegewijde militair, die zich vóór alles heeft ingezet voor de belangen van zijn vaderland.
Terug naar Boven GESCHIEDENIS VAN DE PARACOMMANDO-EENHEDEN - EMILE GENOT Het is geen Belgenmop: in 2004 is de Brigade Paracommando opgeheven. Sindsdien gaan de zuiderburen mee in de vaart der Engelstalige volkeren en is de brigade omgedoopt tot een Immediate Reaction Capability Command (ICRR). Oude wijn in nieuwe zakken. Over de Belgen echter geen kwaad woord, ook niet over hun militaire capaciteit. Julius Caesar schreef in ‘Commentarii de bello Gallico’ niet voor niets: "Horum omnium fortissimi sunt Belgae". Vrij vertaald: “De dappersten onder de Galliërs zijn de Belgen”. Verkijk je niet op de zelfbewuste Belgen. En dapper of niet, de (ontstaans)geschiedenis van de paracommando’s is uitgebreid en kan gemakkelijk verkeerd worden uitgelegd. Honorair luitenant-kolonel Emile Genot brengt de geschiedenis van de elite-eenheden van de Belgische krijgsmacht. In de Tweede Wereldoorlog werden Belgische militairen in Engeland getraind, waarbij onder andere parachutisten waren die hun opleiding kregen van de Special Air Service (SAS). Het kenteken van de SAS en de maroonrode baret van de para’s worden nog altijd gedragen door de leden van 1 Para. Een andere Belgische eenheid werd getraind als commando en verkreeg logischerwijs de groene baret: 2 Cdo. Na de Koreaanse oorlog kwam er een derde bataljon bij: 3 Para. Resumerend: 1 Para, gelegerd in Diest, is tweetalig en draagt de rode baret; 2 Bataillon de Commando (2 Cdo) uit Flawinne (Namen) is Franstalig en draagt de groene baret en 3 Para, gehuisvest in Tielen, is Nederlandstalig en draagt eveneens een rode baret. Terug naar schrijver Emile Genot. Hij is sinds 2005 de nationaal voorzitter van de Amicale Nationale Para-Commando Vriendenkring (ANPCV) en heeft, behalve ‘Geschiedenis van de Para-Commando eenheden van hun oorsprong tot heden’, verschillende boeken op zijn naam staan: ‘Bérets rouges, bérets verts ... 50.000 Paracommandos’ (1986), ‘Le piège humanitaire? Un an d'opérations militaires belges en Somalie’ (1996) en ‘Chesty George..., Captain Blunt..., deux personnages hors du commun!’ (2000). Gepokt en gemazeld in het regiment zorgt ereluitenant-kolonel Emile Genot ervoor dat het boek een heldere uiteenzetting is van feitelijkheden over de paracommando’s, zoals de oprichting, de talloze operaties in koloniaal Afrika, het dieptepunt tijdens de missie UNAMIR met tien doden in 1994 en de naamsverandering in 2004. Alle jaartallen, feiten en opsommingen maken het boek niet zozeer super lezenswaardig maar wel uitermate geschikt als introductie tot en naslagwerk over de paracommando’s. Terug naar Boven GEWETEN ONDER SCHOT - DÉSIRÉE VERWEIJ  | titel | Geweten onder schot. Ethiek en de militaire praktijk | auteur | Désirée Verweij | ISBN | 9789085068327 | jaar | 2010 | pagina’s | 232 | uitgeverij | Boom |
  
|
My Lai, Halabja en Abu Ghraib hebben aangetoond dat de grens tussen goed en kwaad gemakkelijk kan worden overschreden. De geconditioneerd-gederailleerde mens is blijkbaar relatief eenvoudig bereid tot en in staat om andere mensen pijn te doen en zelfs te doden. Hiermee verdwijnt het gevoel voor wat goed en kwaad is - tijdelijk en plaatselijk – ver naar de achtergrond en regeert de belligerente gemoedstoestand. Had de Romeinse dichter Plautus gelijk toen hij stelde “De ene mens is voor de andere mens een wolf, zijn grootste vijand” (“Homo homini lupus”)? Of mag (of moet?) je uitgaan van positievere definities over de mens, zoals die van Aristoteles: “Het dier dat kan spreken en denken”. Als denk- en spraakvermogen de mens werkelijk onderscheiden van het dier, zou consciëntieus handelen meer regel dan uitzondering moeten zijn. De praktijk is echter weerbarstig en herhaalt zichzelf. Hoewel de mens er meestal in slaagt om kwade driften in toom te houden of zelfs geheel uit te bannen, komt het onder bepaalde omstandigheden voor dat het geweten danig wordt getergd. Dat gegeven moet selectie- en keuringscentra van krijgsmachten zorgen baren. Hoe neem je immers een gewetensvolle rekruut aan? Wie is het minst tot het kwaad geneigd in de ‘survival of the fittest? En hoe leer je ze later, als ze op het gevechtsveld “dingen doen”, om in een fractie van een seconde, uit innerlijk normen- en waardenbesef, de juiste keuzes te maken? Het gaat er natuurlijk niet om dat een krijgsmacht engeltjes binnenhaalt. De infanterist moet een can do-mentaliteit hebben, een vechter zijn, waarbij het moreel beoordelingsvermogen (en daarnaar handelen) secundair is en in beginsel zo is aangelegd dat hij niet als een gewetenloze Rambo zijn eigen oorlogje gaat uitvechten. De militair, kortom, moet onbewust bekwaam gemaakt worden in militair optreden waarbij hij het geweten probeert te volgen. Door de eeuwen heen droegen militairen altijd al een gewetensvolle verantwoordelijkheid in vaak dubbelzinnige situaties, maar aan de professionaliteit van de moderne militair worden anno 2010 zo mogelijk nog hogere eisen gesteld. De moderne militair opereert op een zeer gecompliceerd gevechtsveld, dat niet uitsluitend meer bestaat uit het aanwenden van geweld maar evenzeer uit diplomatie, humanitaire hulpverlening, wederopbouwwerkzaamheden e.d. Een gevechtsveld waar militairen en burgers door elkaar lopen. Zoals luitenant-kolonel arts Gert-Jan Gort in 1999 in Carré schreef: “Enkele specifieke kenmerken van de militaire organisatie zijn de geweldsuitoefening die deel uitmaakt van de primaire taak en het groepsbelang dat boven het individuele belang gaat: in de operationele setting bestaat een grote mate van afhankelijkheid van de militair ten opzichte van zijn collega’s. Het niet goed functioneren van één militair kan leiden tot gevaar voor het gehele systeem.” Dit is precies het wezenskenmerk van het militaire métier dat tegen de achtergrond van het militaire ethos in ‘Geweten onder schot’ onder de loep wordt genomen. Complicerende factor in deze is de scheidslijn tussen leven en dood. Die kan flinterdun zijn, zeker in situaties waarin het geweer populairder is dan het woord. Hoewel van een wapen een fascinatie voor macht uitgaat, is ze ook onbetrouwbaar: de trekker wordt overgehaald door de mens die het wapen hanteert. Een handeling die onomkeerbaar is... Voor militairen is daarom een hulpmiddel ontwikkeld om, op grond van eigen waarden en normen, keuzes te maken. Dat middel is het Ethisch Besluitvormingsmodel, op grond waarvan een militair in een ethisch dilemma kan handelen. Het model staat natuurlijk niet op een instructiekaartje dat de militair in een prangende situatie uit z’n borstzakje trekt! Het handelt rond klassieke militaire deugden (zingevingsproblemen?) als verantwoordelijkheidsgevoel, moed, kameraadschap, integriteit en gehoorzaamheid. Deugden die ethische en filosofische vragen oproepen over wanneer je oorlog mag voeren (ius ad bellum) en hoe je je vervolgens in zo’n oorlog moet gedragen (ius in bello). Moraal van Verweij’s verhaal is dat een militair nooit een gewetenloze machine mag zijn die dankzij kadaverdiscipline commando’s uitvoert à la Befehl ist Befehl, maar die in de uitvoering van zijn taken in elk geval probeert om steeds een afweging te maken tussen goed en fout – meestal onbewust, soms heel bewust. De militaire ethiek is “een van de meest complexe vormen van toegepaste ethiek” Wanneer je éénmaal met je ogen hebt geknipperd, moet je een beslissing hebben genomen. Anders gezegd: “De aandacht voor militaire ethiek is cruciaal omdat de uitoefening van geweld zelden onomstreden is en omdat een democratische samenleving eist van haar krijgsmacht dat zij op moreel verantwoorde wijze omgaat met het geweldsmonopolie dat de krijgsmacht van haar samenleving heeft gekregen.” (Désirée Verweij in ‘Het belang van militaire ethiek voor de krijgsmacht’). Terug naar Boven GIOVANNI HAKKENBERG -JEANETTE BOSMAN & ROB ESCHER  | titel | Giovanni Hakkenberg. Mens en marinier | auteur | Jeanette Bosman & Rob Escher | ISBN | n.v.t. | jaar | 2010 | pagina’s | 236 | uitgeverij | JouwBoek |
 
|
Jammer, dat is mijn eerste reactie. Een “zeer bijzondere levensloop” als die van de Ridder Militaire Willems-Orde Giovanni Hakkenberg verdient een degelijke biografie zonder allerhande irrelevante uitweidingen en encyclopedisch opzoekbare weetjes. Dit boek is hier echter van vergeven en doet mede daardoor geen recht aan de mens en marinier Hakkenberg. Daarnaast is de schrijfstijl er eentje van dertien in een dozijn. Moed, beleid en trouw van een heroïsche krijgsman als Hakkenberg vragen ongevraagd om een gedegen, mooi uitgegeven boek. Ook hiervan is helaas géén sprake. Giovanni Hakkenberg, ‘Geo’ voor intimi, zag op 6 december 1923 het levenslicht in Soerabaja, Nederlands-Indië. Zijn memorabele loopbaan ving aan als 17-jarige lichtmatroos bij de marine (marinekazerne Goebeng in zijn geboorteplaats), in het kielzog van zijn broer en acht neven. Het hoogtepunt was dat hij in 1951, in de rang van korporaal der mariniers, tot Ridder 4e klasse der Militaire Willems-Orde werd geslagen. Hij had zich in de strijd door uitstekende daden van moed, beleid en trouw onderscheiden als commandant van een detachement van de VDMB (Veiligheidsdienst Mariniersbrigade) van september 1947 tot mei 1949 bij de bestrijding van terroristische benden op Oost-Java. Een jaar eerder had hij ook al, uit handen van Z.K.H. Prins Bernhard, de Bronzen Leeuw mogen ontvangen - een andere dapperheidonderscheiding. Als jongste matroos vond Hakkenbergs eerste wapenfeit plaats aan boord van de torpedobootjager Hr. Ms. Kortenaer, die met in totaal achttien schepen was opgestoomd om de Japanse oorlogsvloot tegen te houden. Tijdens de Slag in de Javazee werd het schip getroffen door een Japanse torpedo, brak midscheeps in twee stukken en zonk binnen twee minuten. Hakkenberg, die gewond raakte aan zijn been, was één van de 104 overlevenden. Dat was het begin van omzwervingen via de beruchte Birma-Siam Spoorweg, waaraan hij negen maanden onder barre omstandigheden als krijgsgevangene werd tewerkgesteld vanuit een kamp in Thailand. Vervolgens volgde vierhonderd meter onder de grond arbeidsinzet in een Japanse steenkoolmijn. Na zijn vrijlating, na de Japanse capitulatie, zag hij op doorreis in Nagasaki onderweg naar zijn geboorteland, de onbeschrijflijke gevolgen van de atoombom. In Nederlands-Indië bleef het na de oorlog onrustig: sommige Indonesiërs kwamen in verzet tegen de Nederlanders en wilden niet dat Nederland de macht weer zou overnemen. Het land was veranderd, hoewel het merendeel van de Indonesiërs blij was met de aanwezigheid van de Nederlanders. Nederland stuurde meer dan 135.000 Nederlandse militairen om samen met 70.000 militairen van het Koninklijk Nederlands-Indische Leger (KNIL) de orde te herstellen. Want orde was er niet: de bevolking werd geterroriseerd door lokale bendeleiders. Hakkenberg arresteerde als tolk (Javaans, Madoerees en Maleis), tevens lid van de veiligheidsdienst van de Mariniersbrigade, in nachtelijke operaties diverse leiders. Gekleed in traditionele kledij, veelal ongewapend en dus met gevaar voor eigen leven. Bij deze stoutmoedige acties, soms in kleine groepjes, soms alleen, leed Hakkenberg geen verliezen. Hij bond een bijna persoonlijke strijd aan met de zichzelf verrijkende bendes en zag erop toe dat de Nederlandse militairen de bevolking goed bleven behandelen. Bescheiden en zelfverzekerd was hij, nooit onbezonnen. Dat hoefde ook niet, want hij begreep de gebruiken en gevoelens van de kampongbewoners. Met zijn kennis van het gebied en de bevolking vond hij een juiste balans tussen het gebruik van de kracht van het woord en fysiek geweld. Zijn medemenselijkheid had tot gevolg dat hij het leven van de vijand in de eerste plaats spaarde en slechts uitschakelde in het geval van noodzakelijke zelfverdediging. Zijn mond was bijna altijd een doeltreffender wapen dan zijn karabijn. Eind 1949 kwam er een einde aan een in alle opzichten bewogen periode; Hakkenberg vertrok naar Nederland, waar hij verder carrière maakte bij het Korps Mariniers. In de periode 1958-'62 verbleef hij nog in Manokwari op Nieuw-Guinea, waar hij als commandant van een Papoea-eenheid was belast met het inrekenen van infiltrerende Indonesische para’s op Nieuw-Guinea. In 1974 verliet Giovanni Hakkenberg de dienst als luitenant ter zee van vakdiensten der tweede klasse oudste categorie; later werd hij bevorderd tot kapitein der mariniers. De laatste jaren woont hij samen met zijn vrouw Olga in een Indisch woonzorgcomplex in Wageningen, waar de echtelieden in 2011 hun diamanten huwelijk (65 jaar!) mochten vieren. Ondanks de vele irrelevante uitweidingen en encyclopedisch opzoekbare weetjes, maakt de aaneenschakeling van verbazingwekkende feiten in het leven van Giovanni Hakkenberg dit boek - maar zeker niet dankzij de schrijvers - tot een stukje herinneringsliteratuur dat bewaard moet blijven. De schrijvers zouden een voorbeeld kunnen nemen aan hoe Wim Dussel (Dat was jij, marinier!, p. 177) de mannen van de VDMB beschreef: “Men moet bewondering hebben voor deze veelal Indische jongens, die er in het holst van de nacht in pikdonker met slechts enkelen tegelijk – en soms wel alleen! – op uittrokken en die uit duizend-en-één onschuldige gezichten precies het schuldige wisten te halen!” Terug naar Boven GOEDE SOLDATEN - DAVID FINKEL  | titel | Goede soldaten (The good soldier) | auteur | David Finkel (vertaling: Anke ten Doeschate) | ISBN | 9789023456933 | jaar | 2010 | pagina’s | 352 | uitgeverij | De Bezige Bij |
    
|
Het komt niet vaak voor dat ik een boek in één ruk uitlees. Als dat al gebeurt, is dit een gevolg van de spannende verhaallijn en/of het aansprekende onderwerp. In dit geval is het iets wat je – achteraf gezien- eigenlijk niet zou willen lezen, maar wat ik vanaf nu zal aanprijzen als hét boek dat je moet lezen als je wilt weten hoe het worst case scenario van militairen in een inzetgebied eruit kan zien. Vergeleken bij dit boek moet de hel schitterend zijn... The New Way Forward: op 10 januari 2007 besloot de Amerikaanse president George W. Bush het aantal Amerikaanse troepen in de straten van Bagdad en de onrustige provincie Al Anbar uit te breiden. Een tijdelijk offensief, zo was het controversiële vermoeden: “De strategie om een duurzame vrede tot stand te brengen had gefaald. De strategie om het terrorisme te verslaan had gefaald. De strategie om op zijn minst democratie in Irak te realiseren had gefaald” (p. 17). Wat overbleef was Counterinsurgency FM 3-24 revisited onder leiding van generaal Petraeus, want de Iraakse veiligheidstroepen (leger en politie) waren en zijn nog steeds een lachertje. “Deze oorlog vereist het drinken van chai, het schudden van handen en politiek denken” (p. 39). Onder andere thee drinken dus, maar aan de andere kant leerden de soldaten niet te lang stil te staan: “Blijf in beweging. Zorg ervoor dat je geen doelwit wordt” (p. 70). En natuurlijk de bekende militaire dooddoeners: verwacht het onverwachte; beweeg traag, hou je laag. Word, kortom, geen sitting duck. De troepenvermeerdering kreeg de bijnaam surge, vrij vertaald als “de laatste stoot”. Na 2007 zou het geweld inderdaad afnemen, maar de prijs - vooral die in levens - bleef onverminderd hoog. Er vielen en vallen nog steeds Amerikaanse doden en gewonden: sinds 2003 zijn er in Irak alleen al 4.412 Amerikanen om het leven gekomen volgens de teller van de Iraq Coalition Casualty Count – medio juli 2010. Één van de eenheden die volgens de Amerikaanse Defensietop in Irak het verschil moest maken was het 2nd Battalion, 16th Infantry Regiment ‘Rangers’, afgekort 2-16 Rangers, afkomstig uit Fort Riley, Kansas. Het bataljon behoort tot het 4th Brigade Combat Team, op zijn beurt onderdeel van de 1st Infantry Division. Door het lezen van ‘Goede soldaten’ kom je erachter of die ruim 4.400 gedode Amerikanen het verschil hebben gemaakt. Anderhalf jaar lang zitten de Rangers in Irak. De eenheid wordt embedded gevolgd door David Finkel, journalist van The Washington Post en in 2006 winnaar van de prestigieuze Pulitzer Prize voor een casestudy over hoe de Amerikaanse regering democratie in Jemen probeert te brengen. Welk verschil kan dit bataljon maken als er, op het moment dat 2-16 wordt uitgezonden, al 3.000 Amerikanen zijn gesneuveld en 25.000 gewond geraakt? In Irak doen de Rangers een poging – het is aan de lezer of die slaagt – om bepaalde wijken in het oosten van Bagdad veilig te maken door ze langzaamaan te proberen terug te winnen op het sektarisch terrorisme. Het zijn de wijken Rustamiyah, Mashtal, Kamaliyah, Fedaliyah, Al-Amin waar de militairen op zoek gaan naar verborgen wapenvoorraden, huiszoekingen doen, patrouilles lopen en rijden en improvised explosive devices (IED’s) en explosively formed penetrators (EFP’s) ontwijken, opsporen, onschadelijk maken en er slachtoffer van worden. ‘Goede soldaten’ is non-fictie. Een rapportage over het dagelijks leven van de militairen, hun angsten, confrontaties met de milities van de radicale Al-Sadr en twijfels over het “nut en belang” van deze oorlog. Aan het einde van hun missie hebben ze het vuile van oorlog leren kennen, “saffya daffya” (zon en warmte), alles en iedereen penetrerend stof, een almaar hoog dreigingniveau, het isolement van een maandenlange missie in oorlogsgebied en veertien maal het laatste appèl voor gedode collega’s. Commandant ‘Muqaddam’ Ralph Kauzlarich – “Hij had iets van een underdog, waardoor hij anderen meteen voor zich innam, en van een gedrevene, van wie de passie soms in golven afstraalde” (p. 15) – probeerde elke dag een reden te verzinnen om te zeggen: “It's all good” Zelfs vanaf 6 april lukte dat, ofschoon dan het eerste van veertien slachtoffers is gevallen: Jay Cajimat die onherkenbaar verbrand. Het magisch effect is weg, hoewel hij ze er steevast van blijft overtuigen dat ze goede soldaten zijn en vechten voor een goede zaak. Aldus Kauzlarich, militair opgevoed met de idee van de Slag om Ia Drang, ‘We Were Soldiers Once... And Young’, Hal Moore, “[...] toen een bataljon vanuit de lucht werd gedropt te midden van tweeduizend Noord-Vietnamese soldaten. Terwijl ze zwaar in de minderheid waren, vochten ze van man tot man een strijd op leven en dood.” (p. 45) Ruim veertig jaar na '65 vechten de Rangers voor hun leven in Irak. Terwijl Petraeus’ staf bijhoudt hoeveel combat outposts (COP’s) er zijn – als zijn graadmeter van de effectiviteit van de troepenversterking – ziet Kauzlarich een onvolprezen contradictio in terminis: “We zijn aan de winnende hand. Anders zouden ze niet vechten, omdat ze er dan geen reden toe hadden.” (p. 105) Dat blijft de bataljonscommandant tot het einde volhouden, want de missie is het creëren van een evenwichtige, veilige en zelfvoorzienende omgeving voor het Iraakse volk... Die militaire retoriek is echter niet de focus van Finkel’s boek. De journalist legt zich toe op de doden, gewonden, overlevingsdrang in de gevaarlijkste wijken van Bagdad – waar Amerikaanse Congresleden nooit zijn geweest en nimmer zullen komen. Onveranderlijk krijgen de mannen van 2-16 Rangers van de hogere legerleiding te horen dat ze aan de winnende hand zijn, maar daar is in de explosieve waan van alledag niets van te merken. Het ergste komt als 800 – 14 man terugkeren in de Verenigde Staten. Formeel krijgen ze een heroïsch onthaal, maar de meerderheid van hun landgenoten heeft zich intussen tegen de oorlog gekeerd. De kracht van Finkel zit ‘m in het onder woorden brengen van de bittere ongelijkheid tussen wat de Defensietop naar buiten brengt en wat de militairen op het slagveld meemaken – want Oost-Bagdad is een slagveld. Finkel sympathiseert met de militairen onder wie hij zich bevindt: mannen met een gemiddelde leeftijd van negentien jaar die zijn terechtgekomen in Bagdad in het post-Saddam Hussein-tijdperk dat vooral een hel is. Of zoals een van de soldaten, Nate Showman, treffend zegt: “We hebben hier een slang bij zijn staart vast.” (p. 226) De beeldspraak volgend: misschien is het beter te zorgen dat de slang geen bewegingsvrijheid in zijn staart heeft of dat hij zich in zijn eigen staart vastbijt. Dan zou het snel afgelopen zijn met de oorlog in Bagdad en hoeven er geen mensenlevens meer te worden geofferd. Twee zaken zijn verweven met dit boek: Op pagina 120 tot en met 130 in ‘Goede soldaten’ haalt Finkel een Apachebeschieting aan die op 12 juli 2007 in Bagdad, aan de oostkant van de wijk Al-Amin, plaatshad. In april 2010 duikt de footage van de Apache via Wikileaks op. De video-opname bleek te zijn gelekt door de inlichtingenanalist Private First Class Bradley E. Manning. Bij de beschieting kwamen twaalf Iraakse burgers om het leven, onder wie de journalisten Namir Noor-Eldeen en Saaed Chmagh (beiden van Reuters). | Het verhaal rond footballplayer Pat Tillman is verweven met de bataljonscommandant van 2-16. Tillman, die na de aanslagen van 9/11 een loopbaan in het leger verkoos boven een miljoenencontract in de sport, werd uitgezonden naar Afghanistan in het kader van Operation Enduring Freedom. Daar werd hij op 22 april 2004 gedood. Eerst beweerde Defensie op voorspraak van een onderzoek onder leiding van Ralph Kauzlarich, dat “Corporal Tillman’s death was the result of fratricide during an extremely chaotic enemy ambush.” De echte oorzaak bleek friendly fire. Gevolg: drie schotwonden in het voorhoofd van de U.S. Army Corporal. Kauzlarich, Executive Officer van het 75th Ranger Regiment (de eenheid van Tillman), had een cover-up van Tillman’s dood geprobeerd te maken en had hem zelfs “wormenstront” genoemd. In 2008 verscheen 'Boots on the Ground by Dusk' van Tillman's moeder Mary; in 2009 publiceerde Jon Krakauer Tillman’s levensverhaal onder de titel ‘Where Men Win Glory. The Odyssey of Pat Tillman’, in het Nederlands vertaald als ‘De held’. |
Terug naar Boven GROEN, BLAUW - PIO TULP  | titel | Groen, blauw | auteur | Pio Tulp | ISBN | 9076953694 | jaar | 2001 | pagina’s | 216 | uitgeverij | Gopher |
 
|
Pio Tulp, geboren in 1957 en woonachtig in Noordwijk aan Zee, is zelf dienstplichtige geweest bij het Staf- en Stafverzorgingseskadron van 103 Verkenningsbataljon Huzaren van Boreel, in 1988 en ’89 op de Legerplaats Seedorf. Toch is niet de Noord-Duitse laagvlakte maar Apeldoorn het decor van zijn debuutroman ‘Groen, blauw’: de Koning Willem III-kazerne, het Protestants Militair Tehuis (PMT), de zandverstuivingen op de Veluwe. Allemaal locaties die als bekend verondersteld worden voor wie in Apeldoorn gelegerd is geweest. Of opgeleid als marechaussee. ‘Groen, blauw’ is het deels autobiografische verhaal over de dienstplichtig soldaat Peter van Houten, die zich meldt voor zijn dienstplicht. Peter trekt als een groentje met weinig levenservaring Hare Majesteit's wapenrok aan: de eerste twee maanden mag de lezer bij de gratie Tulp meebeleven. Hij komt in contact met zaken die hem zijn gehele leven zullen bijblijven. Niet uitsluitend ten behoeve van de smeuïge en stoere verhalen op feesten en partijen, ook voor de gevoelige en dromerige sfeer die gepaard gaat met het dipli-leven van weleer. Natuurlijk waren er de sportieve en winterse ontberingen, het afzien soms ook, maar zeker ook de kameraadschap en de gein. De roman biedt een zeker niet uniek, maar absoluut wél humoristisch en zeer herkenbaar kijkje in de keuken van de dienstplicht. De vraag is niet of je een kerel wordt door in dienst te gaan, de vraag is of je als wanna-be-soldier niet simpelweg mocht – nee: moest – genieten van de gegarandeerde bestanddelen die een leven lang zouden meegaan. De dienstplicht was niet altijd even spannend maar ook géén absolute rottijd; iedereen leefde immers toe naar zijn afzwaaidatum. De last van het plichtige leven werd in alle gezamenlijkheid vergemakkelijkt door lolbroeken, matennaaiers en even beschaafde als onbeschaafde types, maar leuk was het altijd… achteraf in elk geval. Terug naar Boven HET GROTE S.A.S. SURVIVAL HANDBOEK - JOHN 'LOFTY' WISEMAN  | titel | Het grote SAS survival handboek. Extreme omstandigheden, onmisbare technieken | auteur | John ‘Lofty’ Wiseman | ISBN | 9789021569093 | jaar | 2010 | pagina’s | 400 | uitgeverij | Kosmos |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven HET LAAT JE NIET LOS - REÜNIEVERBAND 5-RS  | titel | Het laat je niet los. Zestig jaar reunieverband 5-RS 1950-2010 | auteur | Reunieverband 5-RS | ISBN | n.v.t. | jaar | 2010 | pagina’s | 120 | uitgeverij | Drukkerij Van Eden |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt derhalve niets over een aan het boek toegekende waardering. Terug naar Boven HET LEGER BOEK - OKKE GROOT & BEN SCHOENMAKER Okke Groot heeft een alleraardigst boek over het Nederlandse dienstplichttijdperk gemaakt. Het is een boek met 370 foto’s geworden, ingedeeld naar thematiek (militaire infrastructuur, materieel, opleiding, operationele inzet, het optreden in de voormalige overzeese gebiedsdelen, militair ceremonieel en soldatenleven) en een bruisend feest der herkenning – en vast niet alleen voor mij als militair in werkelijke dienst! Op 23 maart 2011 overhandigde de Commandant Landstrijdkrachten, luitenant-generaal Rob Bertholee, in de Utrechtse Kromhoutkazerne het eerste exemplaar aan voormalig reserve-eerste luitenant Paul van Vliet. De conferencier speelde in één van zijn onemanshows de onvergetelijke Majoor Kees. In zijn dienstplicht in de jaren ’50 was Van Vliet officier bij de Welzijnszorg op de Westenbergkazerne in Schalkhaar. De Westenbergkazerne is sinds de jaren ’90 in gebruik als asielzoekerscentrum. Daarmee is deze kazerne één van de vele relicten uit de geschiedenis van de dienstplicht. ‘Het Leger Boek’ begint in 1898, als Nederland de persoonlijke dienstplicht invoert en het systeem van de remplaçant afschaft. In die tijd heet de dienstplichtige nog milicien en staan de kazernes nog in een kwade reuk. De laatste foto in het A5-formaat boek dateert van 22 augustus 1996: de laatste afzwaaiers vieren de opschorting van de opkomstplicht. Daarna is de KL verdergegaan als een beroepsleger. Jongemannen werden voortaan niet meer structureel onder de wapenen geroepen. Terug naar Boven HET MIJNENVELD VAN EEN VREDESMACHT - KAROLIEN BAIS  | titel | Het mijnenveld van een vredesmacht. Nederlandse blauwhelmen in Cambodja | auteur | Karolien Bais | ISBN | 9012067138 | jaar | 1994 | pagina’s | 143 | uitgeverij | Sdu Uitgeverij Koninginnegracht |
   
|
In 1994 publiceerde journalist Karolien Bais (1951), gespecialiseerd in internationale betrekkingen, een boek waarin de presentie van de Nederlandse blauwhelmen in Cambodja wordt nabesproken. In 1992 en ’93 verliep deze missie, de United Nations Transitional Authority in Cambodia (UNTAC), voor de drie achtereenvolgens deelnemende bataljons van het Korps Mariniers schijnbaar kalm. Maar schijn bedroog. Nadat de strijdende partijen in april 1991 een staakt-het-vuren waren overeengekomen, lagen de risico’s overal op de loer. Behalve de aanwezigheid van naar schatting 6 miljoen landmijnen, moesten honderdduizenden vluchtelingen in staat worden gesteld vanuit de kampen in Thailand terug te keren naar Cambodja. In het Thais-Cambodjaanse grensgebied was de Rode Khmer echter heer en meester, dus de uitzending liep regelmatig uit op vuurcontact. Belangrijke taken voor UNTAC waren het mijnenvrij maken van vitale gebieden én het kantonneren, ontwapenen en demobiliseren van de militairen van de vier Cambodjaanse partijen. De mariniersbataljons Cambo-I, -II en –III stonden respectievelijk onder leiding van Herman Dukers, Patrick Cammaert en Frederik Hoogeland, allen toenmalig luitenant-kolonel der mariniers. Met bases in Phum Bavel, Phum Nimit, Sisophon en Sok San raakten de mariniers, vooral die van Cambo-II, betrokken bij het voorbereiden, begeleiden en monitoren van de vrije verkiezingen eind mei 1993. Cambo-III had in de Nederlandse pers een ietwat negatiever gesternte: dit werd het “sprokkelbataljon” genoemd, omdat het een tekort zou hebben aan operationele mariniers. Ondanks het risicovolle karakter van UNTAC, kostte de operatie slechts aan twee Nederlanders het leven. Ook vielen er talrijke gewonden. In totaal hebben bijna 2.700 Nederlandse militairen deelgenomen aan UNTAC. Karolien Bais is erin geslaagd een waardevolle kroniek neer te pennen over het alledaagse uitzendleven van mariniers in den vreemde. Terug naar Boven HET MISPLAATSTE ORANJE BOVEN-GEVOEL - MAARTEN C. HOFF  | titel | Het misplaatste Oranje Boven-gevoel. Het falen van het politiek-militaire systeem in Nederland en Nederlands-Indië: 1825-1995 | auteur | Maarten C. Hoff | ISBN | 9067897515 | jaar | 1998 | pagina’s | 312 | uitgeverij | Addison Wesley Longman Nederland BV |
 
|
Hoff was voorheen officier (luitenant-kolonel) bij de artillerie, studeerde bedrijfskunde en promoveerde in 1995 aan de Rijksuniversiteit Groningen op strategische besluitvorming: ‘Militaire misstappen van de Nederlandse Leeuw: een vergelijkende analyse van oorlogsplannen en oorlogvoering in Nederland en Nederlands-Indië, 1825- 1950’ (377 pagina’s, ISBN B0000EB7SP). In 'Het misplaatste Oranje Boven-gevoel’ analyseert Hoff een achttal strijdtonelen waarop de Nederlandse krijgsmacht van de partij is geweest: de diverse oorlogen op Atjeh, Bali, Java en Lombok, de Belgische opstand in 1830, de Duitse inval in 1940, de Politionele Acties in 1947 en '48 en de val van Srebrenica in 1995. Toetsstenen in zijn analyses zijn leiderschap, organisatie en strategie. Zo past volgens Hoff het debacle van Dutchbat-III in Srebrenica in de Nederlandse traditie van militaire wanprestaties. Het besluit aan de oorlog deel te nemen, noemt hij een schoolvoorbeeld van hoe het niet moet. Deze deelname toont een politiek falen in plaats van een krijgsluwe houding van de Nederlandse militairen. Terug naar Boven HET OOSTFRONT - JAAP JAN BROUWER  | titel | Het Oostfront. Hoe het Duizendjarige rijk zijn einde op de steppen vond | auteur | Jaap Jan Brouwer | ISBN | 9789085710318 | jaar | 2006 | pagina’s | 446 | uitgeverij | Veen Magazines |
  
|
Mr. drs. Jaap Jan Brouwer is schrijver van boeken over de architect van de Blitzkrieg, Heinz Guderian, ‘Met Rommel in Noord-Afrika’, ‘Schaduwen over de woestijn’ en ‘Militaire uitvindingen voor dagelijks gebruik. Made by the army’. In het dagelijks leven is hij manager bij een consultantsbureau dat organisaties adviseert op het terrein van strategie, organisatieontwikkeling en implementatievraagstukken. Zijn raadgevende capaciteiten komen goed tot zijn recht bij het schrijven van boeken over militaire historie. Zo is ‘Het Oostfront’ de ongewone analyse van de strijd tussen nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie die haar hoogtepunt bereikte tijdens Operatie Barbarossa. Op 22 juni 1941 ging deze megaoperatie van start, waarbij meer dan drie miljoen Duitse militairen naar het oosten trokken, opgewacht door 4,7 miljoen Sovjetmilitairen. De invasie vond plaats over een front ter breedte van bijna 3.000 km (!), westelijk van de lijn Archangelsk (aan de Witte Zee)-Astrachan (aan de Wolga-delta). Hitler zette bijna honderdvijftig divisies in, waarmee Barbarossa de grootste invasie in de krijgsgeschiedenis zou worden. Hij ging ervan uit dat zijn troepen voor eind-’41 aan de Wolga zouden staan en dat steden als Moskou en Leningrad bezet. Maar de strijd liep anders. Hoewel de Duitsers aanvankelijk glorieus terreinwinst boekten, werden zij uiteindelijk vernietigend verslagen.
Wat voor het tijdperk-Barbarossa frappant mag worden genoemd, is het destijds al opvallende 'lerend vermogen' van beide strijdmachten: elke actie werd uit en te na geanalyseerd. En, hoewel de Russische tanks op alle fronten superieur waren aan die van de Duitsers – grondleggers van Blitzkrieg en Panzerkrieg – leidde de kracht van de Sovjets tot misplaatste superioriteit. Zo werden de gevreesde Sovjet-tankdivisies klakkeloos gecoloceerd bij infanteriedivisies, waarmee zij onmiddellijk broodnodige slagkracht kwijtraakten. Terug naar Boven HET TWEEDE SCHOT - GEERT-JAN ALEXANDER KNOOPS  | titel | Het tweede schot. Het ware verhaal over Eric O. | auteur | Geert-Jan Alexander Knoops | ISBN | 9022992411 | jaar | 2006 | pagina’s | 212 | uitgeverij | A.W. Bruna Uitgevers BV |
   
|
Vechten zou niet passen bij de aard van Nederlandse militairen. Koeltjes kopte HP/De Tijd in de week van 4 augustus 1995: ‘Te lief voor oorlog. De weinig krijgshaftige geschiedenis van het Nederlandse leger’. Wel of niet reëel? Nog in augustus 1992 weigerden de onderofficieren Hermens en Hoppenbrouwer terug te keren naar de Maarschalk Titokazerne in Sarajevo. Een dienstbevel was geweigerd. Oneervol ontslag volgde en, gegeven het plichtsverzuim, werden beide militairen veroordeeld tot 4 maanden cel in Militair Penitentiair Centrum Nieuwersluis. Geert-Jan Knoops - topadvocaat, hoogleraar internationaal- en militair strafrecht én reserveofficier bij het Korps Mariniers - heeft zijn eerste niet-wetenschappelijke boek gewijd aan het lawaaierige proces rondom sergeant-majoor Eric O. van het Korps Mariniers, die vanuit Irak op verdenking van moord, doodslag dan wel dood door schuld in een Nederlandse rechtszaal belandde. ‘Het tweede schot’ is een prettig leesbare en op de realiteit gebaseerde roman geworden. Op 27 december 2003 zou Eric O., marinier sinds 1979, de geweldsinstructie hebben overtreden door een waarschuwingsschot in de grond te lossen. Er zou geen sprake zijn geweest van een dreigende situatie met alibaba’s, maar door de gericocheerde (afgeketste) kogel zou een Irakese plunderaar zijn omgekomen. Eric O. werd aangeklaagd. Het werd een uiterst discutabele zaak, die aan alle kanten rammelde. Het Openbaar Ministerie wilde koste wat kost een veroordeling, waardoor de hele gang van zaken bar weinig meer met waarheidsvinding had te maken. Er was geen lijk, de Koninklijke Marechaussee beging stommiteiten, getuigen werden door de Officier van Justitie onder druk gezet, ontlastend bewijsmateriaal bleek op raadselachtige wijze onvindbaar en Eric O. was én is allesbehalve trigger happy. Door juridische vooringenomenheid werd Eric O., na een veel te lange procesgang, door zowel rechtbank als hof in Arnhem op alle punten vrijgesproken. De affaire-Eric O. is in elk geval voor alle militairen in Nederland historisch én rijp voor de (krijgs)geschiedschrijving: het kan nu alleen maar duidelijker worden wat exact de richtlijnen zijn voor Nederlandse militairen in uitzendgebieden. Knoops concludeert aan het einde van zijn boek dat het militaire strafrecht in Nederland – dat dateert van 1928 – zal moeten worden aangepast aan het karakter van moderne crisisbeheersingsoperaties. Dit is een absolute vereiste, nu op Peace Support Operations allang is gebleken dat vechten wel degelijk deel kan uitmaken van de aard van Nederlandse militairen. Nederlanders zijn niet te lief en als het moet krijgshaftig. De testcase tegen Eric O. was alleen “bedoeld om een principe-uitspraak uit te lokken over de juridische status van geweldsinstructies en geweldsoptreden door Nederlandse militairen in het buitenland.” (blz. 117). Justitie wilde kost wat kost een veroordeling om zijn gezicht te redden (blz. 124). Oliedom van het Openbaar Ministerie.Het befaamde tweede schot uit de titel van Knoops’ boek was uiteraard alleen maar bedoeld om plunderen (‘looting’) door alibaba’s te voorkomen én om eigen mensen te beschermen. Een militair commandant, dus ook een commandant van een Quick Reaction Force als Eric O., moet een zekere ‘discretionaire vrijheid’ hebben om een operationele situatie zelf te beoordelen en ernaar te handelen. M.a.w. zelfstandig mogen oordelen dat wij niet ‘lief’ hoeven te worden gevonden bij het werken in oorlogsgebieden. Op 31 augustus 2006 verscheen de ‘Evaluatie toepassing militair strafprocesrecht bij uitzendingen’ van een commissie onder voorzitterschap van mr. Harry Borghouts, Commissaris van de Koningin in de provincie Noord-Holland. Zonder hierover een oordeel te vellen, wordt in het voorwoord aangegeven: “Uit de commotie rond de rechtszaak tegen Eric O. is onder meer gebleken dat er bij sommigen onduidelijkheid bestond over de vraag welke regels er gelden en op welke wijze zij dienen te worden toegepast.” Bij sommigen??? Bij wie niet… Terug naar Boven HIER EN DAAR EEN CRISIS - TINEKE CEELEN  | titel | Hier en daar een crisis. Achter de schermen van de internationale hulpverlening | auteur | Tineke Ceelen | ISBN | 9789057598999 | jaar | 2009 | pagina’s | 156 | uitgeverij | Podium & campagnebureau BKB |
    
|
Zomer in Nederland: het is 17 augustus 2010. Het regent pijpenstelen. Dochter kleit met neonkleuren en kijkt intussen op HDTV naar Pippi Langkous. Zoon, benauwd door het aanhoudende prutweer, is met mams naar de dokter en krijgt een pufje voorgeschreven. Tante Pos gooide vanochtend het boek van Tineke Ceelen op de deurmat. Vanmiddag kreeg ik op de smartphone een e-mail van de Volkskrant: “Twintig miljoen Pakistani wachten op hulp”. Het noodweer en de daarmee gepaard gaande overstromingen in Pakistan hebben voor een humanitaire tragedie gezorgd. Nog geen week geleden heeft het bestuur van de Samenwerkende Hulporganisaties giro 555 geopend voor Pakistan, vandaag is er € 1 miljoen binnen. Er is vooral behoefte aan schoon drinkwater, onderdak, eten en medische zorg. Cholera en dysenterie liggen op de loer. Terwijl in Pakistan miljoenen mensen noodhulp nodig hebben, lees ik in dit boek over de subtiele verschillen tussen noodhulp, ontwikkelingshulp en wederopbouw. Ik zal proberen een kritisch geluid te laten horen, want mijn centrale vraag is niet of hulp helpt. Daar zie ik het belang absoluut van in. Zolang wij het hier in het überrijke westen goed hebben, kan er structureel worden bijgedragen aan het verminderen van het leed van minderbedeelden. Maar het mag niet alleen ‘palliatieve zorg’ zijn, geen symptoombestrijding. Hulp moet helpen. Niet zomaar geld geven, maar de mensen daar vragen welke middelen ze echt nodig hebben om lokaal geld te verdienen. Geen vis geven, maar hengels. En als die hengels zijn uitgedeeld, ook zorgen dat de bevolking kan blijven vissen: “Water uit een kraan is niet genoeg, je moet het ergens in kunnen vervoeren. Rijst zonder water of een pan is nutteloos, en zelfs rijst met water en een pan is niet eetbaar als er geen hout is om mee te koken.” (p. 149) En natuurlijk zorgen dat er hulpwerkers zijn die structureel aandacht voor de zaak houden. Daar ligt een mogelijke oplossing. Zoals Ceelen opmerkt: “Kapiteins horen op het schip, niet op het kantoor van de rederij.” (p. 88) Erg leuk al die rederijen, maar het echte communiceren moeten de kapiteins op volle zee doen, onder invloed van weer en ontij. Op die manier blijft het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp behouden. Pakistan augustus 2010 is een en al noodkreet om noodhulp. Terwijl ik dit boek lees, denk ik regelmatig terug aan De Crisiskaravaan van Linda Polman, het boek waarin de hulpindustrie nauwkeurig onder het vergrootglas wordt gelegd – voor sommigen misschien op het onaangename af. Polman en Ceelen hebben allebei hart voor de zaak én oog voor de realiteit, alleen is de benadering anders – de toehoorder versus de insider. Ik ben er van overtuigd dat de meeste hulporganisaties meer goed dan kwaad doen, maar die discussie moet hier en nu niet worden gevoerd. Zeker niet nu het tijd is voor actie in Pakistan, voor noodhulp. Ik vind het dan ook indrukwekkend hoe Ceelen dat allemaal gedaan heeft: met haar piepjonge dochtertje wonen in Kameroen; voor het eerst met Memisa naar een oorlogsgebied (Somalië) om de zorg in dorpjes weer werkend te krijgen; voor het eerst met de Stichting Vluchteling naar Liberia; veiligheidstraining moeten volgen als gevolg van de dood van een Nederlands hulpverlenersgezin in Sierra Leone in ’94 met onder andere de gedachte “dat het handiger is om elke ochtend op een ander tijdstip en via wisselende routes naar ons werk te gaan in landen waar hulpverleners het risico lopen ontvoerd te worden”. Soms heb je blijkbaar toch wel wat aan die militairen. Ze lopen niet alleen voor de voeten, hoewel het neutraliteitsbeginsel juist voor militairen een heel moeilijke blijft. De hulpverlening is niet alleen gericht op medische zorg, schoon drinkwater en verbetering van de hygiëne, ook op veiligheid. En dan kunnen militairen best handig zijn, of... nog steeds een duivels dilemma: “Ook ik heb grote twijfels bij vervoer onder gewapende escortes. We zijn hulpverleners, geen partij in de conflicten. Een gewapend escorte kan een overval voorkomen, maar kan ook juist het probleem verergeren: een overval zal veel sneller eindigen in een bloedbad als beide partijen gewapend zijn.” (p. 122) In mijn ogen is het overigens een redeneerfout dat hulpverleners geen partij zouden zijn. Door hulp te verlenen, hoe noodzakelijk ook, meng je je in de aangelegenheden van een land, volk et cetera... Dat heet politiek. En dan deze: journalisten, gecamoufleerd als mediaconsultants, blijken ineens welkom in bananenrepublieken. In Soedan worden ze ondanks die vermomming aangehouden, omdat ze vluchtelingen zouden trainen in het vertellen van leugens over de situatie in Darfur. Hoe verzint een regime het. Juist het hulpverleningscircuit en de media hebben elkaar hard nodig, getuige de eerlijkheid van Ceelen: “Omroepen willen hoge kijkcijfers, en dat kun je met een verhaal uit Soedan of Tsjaad vergeten. Tenzij je een Bekende Nederlander een rol laat spelen in de documentaire. Kijkcijfers schieten omhoog, en wij hulporganisaties bereiken een publiek dat we normaliter nog met geen kanon wakker zouden kunnen krijgen.” (p. 99) Als ellende voor Nederlanders interessant kan worden gemaakt – ondanks dat het ver van je bed is, Nederland er geen directe belangen hebt (olie, zaken) en je niet al te direct met al die ellende wordt geconfronteerd – dan kan het verlenen van hulp werken. Zonder onmiddellijk tot de orde van de dag over te gaan. “De gebruikelijke hulpkaravaan” (p. 116) met journalisten en hulpverleners reist intussen in fourwheeldrives alle gebieden af waar gewapende conflicten en natuurgeweld mensen laten verworden tot een mediagenieke kwantiteit, omdat pas bij (media-)aandacht hulp en een oplossing kunnen beginnen. Dankzij 24/7-nieuwszenders als CNN krijgt humanitaire ellende de uitstraling die het nodig heeft om mensen tot donaties aan te zetten: “Als we geen beelden van de gevolgen van een oorlog op de Nederlandse tv zien, komt er ook nauwelijks of geen geld beschikbaar voor de hulpverlening.” (p. 136).
Omdat dat de harde realiteit is, is het goed dat iemand uit het veld een kijkje achter de schermen biedt. Die laat zien dat bedoelingen altijd tot resultaat leiden; dat het niet anders kan dat hulporganisaties professioneel bedelen; dat als overstromingen enorme verwoestingen en humanitaire ellende veroorzaken in Pakistan – dat je dan het beste kan doneren op giro 555. Of zelf die kant uitgaan en daar later een mooi boek over schrijven... Terug naar Boven HIER ROMEO, WE GAAN RIJDEN! - ARCO SOLKESZ  | titel | Hier romeo, we gaan rijden! Een reisverslag van de laatste konvooien naar Srebrenica. | auteur | Arco Solkesz | ISBN | 9080234885 | jaar | 1998 | pagina’s | 196 | uitgeverij | Début |
   
|
Kapitein Arco Solkesz schreef één van de vele boeken over de periode dat de United Nations Protection Force (UNPROFOR) als VN-macht aanwezig was in voormalig Joegoslavië. Zijn boek gaat over de periode kort vóór, tijdens en vlak na de val van de moslimenclave Srebrenica, maar dan vanuit een logistiek gezichtspunt: dat van het enerverende bestaan van de logistieke eenheden die de troepen in Srebrenica met voorraden ondersteunden. In zijn boek beschrijft hij drie konvooien die hij als Romeo (konvooicommandant) mocht leiden, compleet met alle fuck-ups en hick-ups. Zoals het eindeloos moeten wachten op toestemming om uit en te na gedocumenteerde en van driedubbele stempels voorziene lading te mogen vervoeren, het frustrerende wachten bij ongedefinieerde grensovergangen - waar stomdronken lokale strijders met een doorgeladen kalasjnikov en ad fundum geleegde flessen zelfgestookte slivovitsj de dienst uitmaken - onderhandelen met naast(naast)hogere niveaus, Murphy's wetmatige pech onderweg, en route omgang met de lokale bevolking. De afwegingen en dilemma’s in zijn boek zijn allemaal in de praktijk ondervonden en misstaan zeker niet in een les ‘militaire ethiek’. Het grote pluspunt van dit boek is dat de lezer, gevaarloos achteraf, vanuit zijn comfortabele leunstoel met de konvooien kan meerijden. Maar hiermee krijgt hij wel veel meer begrip voor het zware werk van de logistieke back-up achter de gevechtseenheden én inzicht in de voorbereiding, uitvoering, gereden konvooiroutes, samenwerking met Dutchbat en vele andere aardige kanten van een verhaal dat anders in Bosnië-Hercegovina was blijven liggen. Daarmee heeft Arco Solkesz voor een prettig leesbaar en belangrijk boek gezorgd! Terug naar Boven H.J. KRULS. EEN POLITIEKE GENERAAL - JAAP HOOGENBOEZEM  | titel | H.J. Kruls. Een politieke generaal | auteur | Jaap Hoogenboezem | ISBN | 9789085066415 | jaar | 2009 | pagina’s | ± 300 | uitgeverij | Boom |

|
Medio 2009 (september?) verschijnt de lang verwachte biografie van dr. Jaap A. Hoogenboezem, universitair docent Politieke Wetenschap, Faculteit der Cultuur- en Maatschappijwetenschappen aan de Universiteit Maastricht. Zijn belangrijkste onderzoeksonderwerp is politiek leiderschap; hierover publiceerde hij studies over voormalig premier Louis Beel en de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt. Hierin past ook een (politieke) biografie over generaal H.J. Kruls (1902-1975), die van 1944-'46 Chef Staf van het Militair Gezag (de overgangsorganisatie die direct na de bevrijding civiel gezag zou voorbereiden), en van 1945-'51 Chef Staf van de Generale Staf van de Koninklijke Landmacht was. Hoogenboezem's biografie is interessant vanuit het oogpunt van het onderzoeksgebied politiek-militaire verhoudingen, een in de Europese (maar niet in de Amerikaanse) politieke wetenschap onderbelicht veld van onderzoek. Generaal Kruls heeft als militair in de Militair Gezag periode het civiel gezag over Nederland uitgevoerd, en in zijn periode als Chef Staf van de Generale Staf heeft hij meerdere malen druk uitgeoefend op de civiele leiding van de Nederlandse Defensie. In die zin is de biografie op te vatten als een case-study naar politiek-militaire verhoudingen in Nederland, ook al omdat Kruls de eerste naoorlogse Chef Staf was, en zijn stijl van optreden bepalend geweest lijkt te zijn voor de gehele naoorlogse geschiedenis van de politiek-militaire verhoudingen in Nederland. Deze biografie werpt wellicht een andere blik op Kruls' mémoires uit 1975 (uitgegeven door Fibula-van Dishoeck). Terug naar Boven HUISARTS IN URUZGAN - MARTIEN VAN DER HEIJDEN  | titel | Huisarts in Uruzgan | auteur | Martien van der Heijden | ISBN | 9789057860980 | jaar | 2010 | pagina’s | 132 | uitgeverij | Servo |
  
|
De hausse aan boeken over Uruzgan is niet te stoppen en dat is een prettig gegeven. In die overweldigende hoeveelheid aan boeken is er nu eens een verschenen in een geheel andere categorie: de huisarts. Martien van der Heijden, in het dagelijks leven huisarts op het Gezondheidscentrum op de Johannes Postkazerne in Havelte, was van november 2007 tot april 2008 werkzaam in het Uruzgan Medical Center (UMC) op Kamp Holland in Tarin Kowt – de role 2-geneeskundige inrichting. Voor Van der Heijden was het – na Macedonië (Task Force Fox) en Kosovo (KFOR) – zijn derde uitzending. Behalve als huisarts voor een kampbezetting van ± 2.000 militairen en burgers, draaide hij in het UMC mee op de spoedeisende hulp (SEH). Als er via de poorten van de compound of via een MEDEVAC een gewonde werd binnengebracht, ging de portofoon en spoedde hij zich naar de SEH om medische hulp te verlenen. De wekelijkse verslagen die hij tijdens zijn uitzending naar het thuisfront stuurde zijn gebundeld in dit boek. Terug naar Boven IK BEKEN - ELISE G. LENGKEEK  | titel | Ik beken | auteur | Elise G. Lengkeek | ISBN | 9789049951092 | jaar | 2009 | pagina's | 384 | uitgeverij | Mistral |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven IK BESCHULDIG - WIM D. JAGTENBERG  | titel | ik beschuldig. Vijftien jaar strijd tegen het Ministerie van Defensie over haar boek 'Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied' | auteur | Wim D. Jagtenberg | ISBN | 9789059119093 | jaar | 2010 | pagina’s | 224 | uitgeverij | Aspekt |
   
|
Als zijn niet aflatende pennenstrijd met de historici van het Ministerie van Defensie niet zo’n schrijnende geschiedenis was, zou het verhaal van de klokkenluider-veteraan Wim Jagtenberg in al zijn tragiek briljant genoemd mogen worden. De in alle opzichten verschrikkelijk historie voorkomt dit echter ten enenmale, maar daarmee verheft ‘Ik beschuldig’ zich wat mij betreft tezelfdertijd tot verplicht leesvoer voor (toekomstige) militairen. Jagtenberg was in mei 1940 als dienstplichtige ingedeeld bij het 8ste Regiment Infanterie (8 R.I.), werd krijgsgevangen gemaakt en door het SS Regiment ‘Der Führer’ bij de Slag om de Grebbeberg als levend schild gebruikt. Een flagrante schending van het oorlogsrecht. Toch beweren de auteurs van 'Mei 1940, De strijd op Nederlands grondgebied', de historici Herman Amersfoort en Piet Kamphuis van de toenmalige Sectie Militaire Geschiedenis (SMG), weinig subtiel iets anders. Zo wekken ze in hun officiële geschiedschrijving meer dan de schijn dat de Nederlanders het oorlogsrecht vrijwel “in gelijke mate” hebben geschonden als hun opponenten – de SS’ers. Behalve schandalige geschiedvervalsing is dit een staaltje niet-wetenschappelijke duimzuigerij en een dolksteek in de rug van alle overleden en nog in leven zijnde veteranen. Dergelijke stellingnamen – bijvoorbeeld om goede verkoopcijfers te genereren of ‘hogere’ prestige die op het spel zou kunnen staan– lijken in het geval van de heren Amersfoort & Kamphuis louter gebaseerd op bedenksels en verzinsels. Deze vorm van geschiedschrijving wordt door Jagtenberg en vele anderen de ‘ontmythologiserende’ genoemd. Die houdt in dat aan nationale sentimenten in de geschiedschrijving een kleinere of totaal geen rol dient te worden toegekend. | |
De geschiedenis moet worden ontdaan van nationalistische stemmingen – zoals de anti-Duitse stemming na W.O. II. Terwijl het voor iedereen zonneklaar is dat na mei 1940 alles wat naar Duits neigde negatief was! De ontmythologisering houdt in dat het verleden daardoor (waarschijnlijk?) een andere betekenis heeft gehad dan die welke er nu aan wordt toegekend. Ik denk echter dat wanneer, volgens het liberale gedachtegoed, aan ieder mens zelf het oordeel wordt vergund over wat goed of fout is – Holocaust, Untermensch, Grebbeberg e.v.a. – de mensheid gedoemd is te mislukken. Die vrijheid kan het leeuwendeel van de mensen niet aan, te meer omdat het de meeste mensen ontbreekt aan kunde, tijd en zin om alle informatie dienaangaande zelf te analyseren en in het juiste perspectief te plaatsen. Daarom mogen in het geval van ‘Mei 1940’ veteranen ervan uitgaan dat een boekwerk over zo’n ‘belaste’ periode alles tegen elkaar afweegt om tot zo objectief mogelijke geschiedschrijving te komen. Welke methodiek de historicus ook hanteert, hij moet maatschappelijk draagvlak hebben voor zijn reflecties. Daarbij kan hij bijvoorbeeld niet, tegen de feiten in, staande houden dat de Nederlandse militairen in de meidagen van 1940 enige kans van slagen hebben gehad! Dat maakt je ongeloofwaardig. Zeker als je, zoals Jagtenberg afdoende aantoont, je stellingnamen baseert op Multatuliaanse ‘spinazieredeneringen’: “Ik houd niet van spinazie, en ik ben er blij om. Want als ik van spinazie hield, zou ik ze eten, en dat deed ik niet graag, want ik houd er niet van.” | Het heeft er alle schijn van dat Amersfoort & Kamphuis zich van dergelijke redeneringen bedienen om hun eigen – gesuggereerde en veronderstelde – beeld van zowel de SS’ers als de Nederlandse militairen kunstmatig in elkaar te flansen. Een prestatie van formaat, ware het niet dat beide historici daarmee ook, zonder gebruikmaking van enig geannoteerd ooggetuigenverslag, ronduit beledigende uitspraken aan het adres van de Grebbeberg-veteranen doen, of althans in sterke mate die suggestie wekken. |
De misdaden van de SS worden gebagatelliseerd of ontkend en de Nederlanders bezondigden zich “in gelijke mate” aan schendingen van het oorlogsrecht. De Nederlanders zouden de misdaden van de SS’ers zelfs hebben uitgelokt... De Defensiehistorici hebben zich hiermee wat mij betreft schuldig gemaakt aan hineininterpretieren: de lezer een interpretatie aansmeren die niets met de historische werkelijkheid te maken heeft. Nu recht praten wat vroeger krom was – of omgekeerd. Des te schandaliger dat de SMG stelselmatig heeft geweigerd, op twee halfslachtige ontmoetingen na, in te gaan op rectificatie of rehabilitatie van de gewraakte passages in ‘Mei 1940’. De hoogbejaarde veteraan Jagtenberg vuurde jarenlang zijn zelfde vragen op de SMG-geschiedschrijvers af, maar die werden systematisch onbeantwoord gelaten. Opnieuw een onmiskenbare schending – ditmaal van het respect voor hen die in die meidagen, onder de moeilijkst denkbare omstandigheden, hun steen(tje) hebben bijgedragen aan de verdediging van het vaderland én het vrijheidsstreven waar wij nu van profiteren. Waar Amersfoort & Kamphuis er niet in slagen hun beweringen te staven, maakt Wim D. Jagtenberg moeiteloos – onder meer met de ‘Getuigenverklaringen over de Duitse schendingen van het oorlogsrecht’ (hoofdstuk 2) – duidelijk dat zijn strijd tegen de geschiedschrijvers van het Ministerie van Defensie geen hetze is noch onderdeel van een complottheorie. ‘Ik beschuldig’ “toont in het beste geval hun grote onkunde over hetgeen er werkelijk gebeurde en toont hun rijkdom aan fantasie” (pagina 177). Daarnaast legt dit boek pijnlijk de onoverbrugbare kloof tussen de frontsoldaat en de historici, tussen een gerespecteerde oud-strijder en angstig zwijgende, eigenwijze deskundologen, en tussen gelijk hebben en krijgen bloot. Op 16 maart 2011 is Grebbeberg-veteraan ingenieur Willem David (‘Wim’) Jagtenberg op 95-jarige leeftijd in zijn woonplaats Doorn overleden. Jagtenberg, drager van het Verzetsherdenkingskruis, gold als de bekendste strijder van de Grebbeberg. Op 13 oktober 1915 geboren, was hij in de meidagen van 1940 gemobiliseerd bij 8 Regiment Infanterie. Op de Grebbeberg raakte hij oorlogsinvalide: als krijgsgevangene werd hij gedwongen een stuk artillerie in de richting van de Grebbeberg voort te trekken, waarbij de nazi’s hem en zijn kameraden als levend schild gebruikten. Ver na de oorlog ging hij de strijd aan met de historici van Defensie. Die stelden in 1990 in hun boek 'Mei 1940 - strijd op Nederlands grondgebied', in 1990 uitgebracht door de Sectie Militaire Geschiedenis (nu NIMH), dat het Nederlandse leger zich op de Grebbeberg, evenals de SS, schuldig zou hebben gemaakt aan schending van het oorlogsrecht. |
Terug naar Boven IK KIES VOOR DE MENSHEID - ANNE WATTS  | titel | Ik kies voor de mensheid. Een verpleegkundige in oorlogstijd (origineel: Always The Children. A Nurse's Story of Home and War) | auteur | Anne Watts (vertaling: Titia Ram) | ISBN | 9789047509981 | jaar | 2010 | pagina’s | 351 | uitgeverij | Unieboek / Het Spectrum |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven IK WIJK VOOR NIETS - WAPENTRADITIERAAD INFANTERIE  | titel | Ik wijk voor niets. Geschiedenis en tradities van het Wapen der Infanterie | auteur | Wapentraditieraad Infanterie | ISBN | 9789051944297 | jaar | 2011 | pagina's | 216 | uitgeverij | Van Wijnen |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven IK VAL AAN, VOLG MIJ - SAUL DAVID & MENNO STEKETEE  | titel | Ik val aan, volg mij | auteur | Saul David & Menno Steketee | ISBN | 9035120612 | jaar | 2001 | pagina’s | 226 | uitgeverij | Bert Bakker / Prometheus |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven IN DIENST VAN DE VREDE - J.C.L. BOLDERMAN  | titel | In dienst van de vrede. Het Nederlandse VN-bataljon in Libanon | auteur | J.C.L. Bolderman | ISBN | 9051940866 | jaar | 1992 | pagina’s | 196 | uitgeverij | Van Wijnen |
   
|
Van maart tot september 1982 zat de toenmalige ritmeester Kees Bolderman (1951) in dienst van de vrede in Libanon. De broze kunstmatige ‘vrede’ in de bufferzone tussen Israël en Libanon moest worden gehandhaafd door UNIFIL. De United Nations Interim Force in Lebanon was én is niet bepaald een missie zonder risico’s. De aanwezigheid van het Nederlandse bataljon werd vaak als “zeer gelegen” ervaren. Zo leverde Dutchbatt – met dubbel T – altijd een bijdrage aan de reserve-eenheid van de Force Commander, de Force Main Reserve (FMR) die bij grotere conflicten en infiltraties in actie kwam. Dat levert in het geval van de ritmeester Bolderman de deelname aan een confrontatie op die nog groter had kunnen uitpakken en heel wat politieke implicaties zou hebben gekend. Voor Bolderman en zijn mannen géén optredens van de "Dutch Blondie" Hansje van Ravesteijn, maar de inzet als FMR in de laatste twee weken van april 1982. Dat levert een spannend verhaal op, dat even vlot wegleest als een roman: patrouilles door een gebied met exotische namen van oorden als Abbasiyah, Bidyas, Burj Rahhal, Dayr Qanun, Jinnata, Marakah, Tayr Dibbah en Tura, het bemannen van roadblocks, veel beschietingen, lokale gedragingen met en zonder vraagtekens enzovoorts. Dat alles in een vak dat werd omsloten door VN-bataljons uit Fiji, Senegal, Ghana en Ierland. Het verhaal is zeer gedetailleerd, schuwt het operationele vlak niet en beschrijft van binnenuit helder de do’s en dont’s binnen een militaire missie. Helaas is pas na UNIFIL het lessons learned-denken goed op gang gekomen, alsmede een betere veteranenzorg. Tientallen jaren na de inzet in de bufferzone dragen tal van UNIFIL-veteranen nog dagelijks de last van het indertijd misschien wel ietwat gekleineerde missie. UNIFIL stond toch gelijk aan vakantievieren in het Midden-Oosten? Aan terugkeren met een supergebruind kleurtje? Dat niets minder waar is, bewijst de inside story van een zeer begaan militair als Bolderman. Absoluut verplicht leesvoer voor oud-Libanon-gangers – naast ‘Blauw baretten tussen twee vuren in Libanon’ en ‘Vredemacht in Libanon: de Nederlandse deelname aan UNIFIL 1979-1985’ - maar niet in de laatste plaats zeker ook voor iedereen deelneemt aan missies bij de Koninklijke Landmacht. Terug naar Boven IN HANDEN VAN DE TALIBAN - joanie de rijke 
| titel | In handen van de Taliban. Het onthullende verhaal van een gegijzelde journalist | auteur | Joanie de Rijke | ISBN | 9789044514964 | jaar | 2009 | pagina’s | 248 | uitgeverij | De Geus |
  
|
Op 14 mei 2009 verscheen ‘In handen van de Taliban’ van de Nederlandse freelance journaliste Joanie de Rijke. Volgens de in België woonachtige Nederlandse is ze tijdens haar ontvoering in november 2008 verkracht door Taliban-commandant Ghazi Gul. Na zes dagen werd ze vrijgelaten tegen een losgeld van 137.000 dollar dat werd betaald door haar werkgever. Volgens haar uitgever is ‘In handen van de Taliban’ “het boek waar niemand omheen kan”. De Rijke was – alweer voor de vierde keer – in Afghanistan voor een reportage voor het Belgische weekblad P-Magazine. Ze wilde in contact komen met de Taliban-strijders die op 19 augustus 2008 verantwoordelijk waren voor de dood van tien, in een hinderlaag gelokte Franse paracommando’s. Toen ze in contact kwam met de groep van Ghazi Gul werden zij en haar tolk echter ontvoerd. Ghazi Gul beschuldigde haar en haar tolk ervan Franse spionnen te zijn. Vervolgens leefde ze zes dagen lang, hoog in de bergen, steeds op verschillende plaatsen in het Afghaanse district Sairobi, zo’n 50 km van Kabul. In ‘In handen van de Taliban’ vertelt Joanie de Rijke over haar ervaringen, het 'respect' van de kidnappers, cultuurkloven, de kwetsbaarheid van alle betrokkenen, haar vrijlating en de rol van de Belgische en Nederlandse regering hierbij. Terug naar Boven IN HET MIJNENVELD - EEF HAAR  | titel | In het mijnenveld. Nederlandse VN-militairen in Mozambique | auteur | Eef Haar | ISBN | 9062654762 | jaar | 2000 | pagina’s | 208 | uitgeverij | In de Knipscheer |
  
|
‘In het mijnenveld’ is niet het eerste en enige én vermoedelijk niet het laatste boek dat de Verenigde Naties verwijten maakt. Bureaucratisch, niet vooruitdenkend, op het grove af ondeskundig, “logistieke VN-procedures van vóór Christus” (p. 61), “zonder verstand van de materie” (p. 91) en log. Zomaar wat kwalificaties die auteur Eef Haar de VN toeschrijft. En niet ten onrechte. Haar en zijn tien detachementsleden zetten tussen februari en augustus 1994, met eigen geld, en meer als bouwvakkers dan als instructeurs, een opleidingsschool voor deminers op in het kader van de missie United Nations Operation in Mozambique (UNOMOZ). Eerst in Beira, de tweede stad van het land, daarna in Tete. De VN werkt echt niet constructief mee om 2 à 7 miljoen landmijnen in het armste Afrikaanse land onschadelijk te laten maken. Met slechte wil kan de VN tegenwerking worden verweten. Zo komen pas in juni 1994 de spullen aan die het elftal Nederlandse militairen nodig heeft om de Mozambiquaanse mijnenruimers klaar te stomen. Met slechts tien mijndetectoren 1.500 deminers opleiden is vechten tegen de bierkaai. Ook is de kwalijke rol van de VN onmiskenbaar. Vanwege de positieve instelling én bijdragen van de bewoners van deze Portugese oud-kolonie noemt Haar UNOMOZ ondanks alles “één van de weinig geslaagde VN-operaties”. De rol van de VN wordt het best verbeeld in Haar’s citaat: “Als iemand niets doet kan dat meerdere oorzaken hebben: hij voelt zich niet betrokken of hij wordt niet betrokken”. Voor de auteur is evident dat de VN niet of in elk geval te weinig betrokken zijn bij de opbouw van een land dat achtereenvolgens is geplaagd door oorlog, orkaan en sprinkhanenplaag. Voor mij toont ‘In het mijnenveld’ eens te meer de pennelikkerachtige mentaliteit van de Verenigde Naties aan. Niet per se daarom is dit boek een absolute aanrader, ook vanwege het predikaat ‘vergeten missie’. Terug naar Boven INLEIDING HUMANITAIR OORLOGSRECHT - PIETERS & VERMEER  | titel | Inleiding humanitair oorlogsrecht | auteur | Boukje Pieters en Arjen Vermeer (m.m.v. P.J.C. Schimmelpenninck van der Oije) | ISBN | 9789067043175 | jaar | 2010 | pagina’s | 226 | uitgeverij | T.M.C. Asser Press & Nederlandse Rode Kruis |
   
|
Humanitair oorlogsrecht. Letterlijk: de regels van het internationale oorlogsrecht die van overal ter wereld (zouden moeten) gelden tijdens gewapend conflicten met de bedoeling de schadelijke gevolgen voor de mens in te perken dan wel te voorkomen. Het recht geldt dus tijdens een oorlog (jus in bello) en de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de mens staat voorop. Dit geeft al aan dat er vaak de hand wordt gelicht met het humanitair oorlogsrecht. Dit heeft niet alleen te maken met gebrek aan kennis of pure onwetendheid, sommige landen nemen het simpelweg niet zo nauw met het navolgen van internationaal gestelde regels. Zodra mensen ergens de wapens tegen elkaar opnemen, wordt het welzijn van grote groepen mensen ingrijpend aangetast, vaak voor lange tijd. In eerste instantie geldt dit de militairen die tegen elkaar ten strijde trekken. Vervolgens ook de burgerbevolking (non-combattanten) die, bedoeld of niet, evenzeer slachtoffer worden van het wapengekletter. Al in 1859 werden de eerste stappen op het pad van het humanitair oorlogsrecht gezet: na een veldslag tussen Franse en Oostenrijkse legers kwam Henri Dunant terecht in het Italiaanse Solferino. Daar constateerde hij dat duizenden gewonde en gedode slachtoffers op het gevechtsveld aan hun lot waren overgelaten. Een inhumane toestand waar iets aan gedaan moest worden. Sindsdien is het HOR in een stroomversnelling gekomen, met name dankzij de oprichting van het neutrale en onafhankelijke Rode Kruis, de Conventies van Genève (1864, ’68 en vervolgens vier stuks in 1949, met Aanvullende Protocollen). Mensen gingen steeds meer nadenken over de onethische kanten van oorlogvoering en hoe, zelfs in een belligerente krijg, menslievender met elkaar om te gaan. In de vaart der volkeren - de wereld is dankzij massacommunicatiemiddelen steeds meer een dorp geworden - bevinden zich in de frontlijn van hedendaagse gewapende conflicten, veel meer dan vroeger, ook hulpverleners van het Rode Kruis en NGO’s en journalisten, die steeds vaker zelf ook worden geconfronteerd met flagrante schendingen van het HOR. Dagelijks zijn vele miljoenen mensen direct afhankelijk van een correcte naleving van de rechtsregels van het HOR en dus zijn ze in toenemende mate relevant. Deze regels worden in dit boek toegankelijk gemaakt. Samenstellers Boukje Pieters en Arjen Vermeer geven inzicht in de toepassing van het HOR. Dit boek is niet alleen een aanrader voor studenten in het (humanitair) oorlogsrecht, maar zeker ook voor militairen die eigenlijk alleen tijdens een missiegerichte opleiding (tijdens het opwerken naar een missie) goed worden geïnstrueerd in deze materie. Eigenlijk draait humanitair oorlogsrecht maar om één ding: het respecteren van elkaars lijf en leden, ongeacht ras, religie en politieke overtuiging. Als dat respect er niet is, is waar de mens in zijn handelen het beste in is gebleken – oorlog voeren – steeds weer gedoemd uit te lopen op een humanitaire tragedie. Met alle gevolgen van dien. Terug naar Boven INLEIDING KRIJGSWETENSCHAPPEN - DIVERSEN Zolang de mensheid oorlog voert, wordt oorlogvoering bestudeerd. Heel vroeger nog niet op wetenschappelijke basis, maar met de intrede van methodieken, systematieken, evoluties in personele en materiële zin en voortschrijdend inzicht in het oorlog voeren zelf, zijn militaire studenten wereldwijd bezig met het onderzoeken van alles wat op oorlog betrekking heeft. Daar gaat het functioneren van krijgsmachten aan vooraf. Tijdens oorlogen “staan alle aspecten van het menselijk bestaan onder druk”, aldus dit boek. Niet zo vreemd dat het bestuderen van de oorzaken en gevolgen van oorlogvoering de hoogste prioriteit kent. Wie denkt dat adelborsten en cadetten zich enkel verlekkeren aan de fysiek-belligerente aspecten van het voeren van oorlog, komt dan ook bedrogen uit. In al haar destructie is oorlog wellicht enigszins attractief - en niet voor niets spelen spellen als Risk en Stratego in op de behoefte om te heersen en krijgsinzicht te tonen - maar "war makes sense" Oorlog is niet enkel meer het solitaire domein van militairen en gaat al decennia niet meer alleen over de (dreiging van de) inzet van militaire macht. Ook buitenlandse betrekkingen, internationaal oorlogsrecht en het instituut krijgsmacht worden uit en te na onderzocht. Waar het (utopische?) ideaal het voorkomen van oorlog is, moet ze, als dit niet lukt, zo effectief en efficiënt mogelijk worden gevoerd. Toch is dit niet het doel van de krijgswetenschappen. Onder andere met het vak krijgswetenschappen leert de toekomstige officier de Defensieorganisatie van binnen en van buiten kennen. In alle mogelijke disciplines: humanitair, diplomatiek, economisch, sociaal, industrieel, zelfs artistiek. Al deze disciplines samen zouden het antwoord moeten kunnen geven op de vraag aller vragen: “Waarom vinden oorlogen plaats?” Ik doe een poging: volgens mij worden ruzies op macroniveau (oorlogen dus) beslecht omdat er sprake is van een niet langer houdbare conflictsituatie over bezit, geloof of machtsuitoefening. Wanneer de ene partij het met de andere niet eens kan worden over het bezit van een bepaald stukje territorium, is Leiden in last; als men de geloofsovertuiging van de ander niet wenst te verkroppen, is de schijnbaar harmonische samenleving ineens totaal van God los; als een minderheid zich niet langer wenst te schikken naar de grillen van de alomtegenwoordige machthebber, slaan plots de stoppen door. Om die ruzies op macroniveau na te bootsen, om krijgsmachten te laten oefenen, worden hele scenario’s geschreven op basis van bovenstaande aannames. Legers worden getraind in het onderkennen van én omgaan met conflictsituaties. Hiertoe bieden de krijgswetenschappen, als bron van lessons learned, gelegenheid. Zo zal een ontplooide vredesmacht zichzelf moeten bedruipen: ENDS = WAYS + MEANS (p. 375). Ofwel: de gewenste eindsituatie van een fictieve vredesmacht is de optelsom van het hoe (methodes, tactieken en procedures, praktijken en strategieën om de doelstellingen te bereiken) en de middelen die nodig zijn om dit te bereiken. Die middelen zijn onder andere financiën, politieke wil, tijd, troepen en wapensystemen. Als in een comprehensive approach moet het geheel maximaal op elkaar zijn afgestemd. “Schaken op vier borden tegelijk”, zoals luitenant-kolonel Wilfred Rietdijk, commandant van het Provincial Reconstruction Team (PRT) in Uruzgan, dat noemde. Bij de karakterisering van simultaan schaken op meerder borden denk ik aan een cartoon die ooit stond in een tijdschrift van de humanistische vorming. Zoals ik het me herinner, liet die de veelzijdigheid van de militair zien: topsporter, maatschappelijk werker, diplomaat, brandweerman etc. Daaraan kan gemakshalve de schaker worden toegevoegd. Maar zelfs voor de schakende militair is het ondoenlijk alle consequenties van mogelijke inzet te overzien. Inzicht, ervaring en moed blijken bepalend voor (strategische) inzet. Elke inzet is anders. De krijgswetenschappen in de breedste zin bieden de gelegenheid kennis te maken met uiteenlopende onderwerpen, zoals het zwaartepunt, de Slag bij Moekden in de Russisch-Japanse oorlog, proportionaliteit, de OODA-loop, de factoren ruimte en tijd, het Department of Peacekeeping Operations van de VN, de Martens-clausule uit 1899, artikel 5 van het Handvest van de NAVO en nog veel, veel meer. Met een natte vinger schat ik dat dit 0,000001 ‰ is van alle geleerdheid die je kunt opdoen in de krijgswetenschappen. Met zijn uitspraak “Hoe meer je weet, hoe minder je weet” had de oude meester Lao Tse gelijk… Terug naar Boven ISAF OPERATIES IN AFGHANISTAN - PAUL DUCHEINE & ERIC POUW  | titel | ISAF operaties in Afghanistan. Oorlogsrecht, doelbestrijding in counterinsurgency, ROE, mensenrechten & ius ad bellum. | auteur | Paul Ducheine & Eric Pouw | ISBN | 9789058505279 | jaar | 2010 | pagina’s | 163 | uitgeverij | Wolf Legal Publishers |

|
Terug naar Boven JE KOMT ANDERS TERUG - GERARD WONDERGEM  | titel | Je komt anders terug. Aantekeningen uit het dagboek van een VN-waarnemer in Sarajevo en Kostajnica | auteur | Gerard Wondergem | ISBN | 906141251X | jaar | 1993 | pagina’s | 128 | uitgeverij | Heuff / Thesis |
   
|
In 1983 werd Gerard Wondergem naar UNIFIL in Libanon uitgezonden als plaatsvervangend compagniescommandant, in 1992 in de rang van majoor als onafhankelijke VN-waarnemer naar voormalig Joegoslavië. Naar aanleiding van deze tweede uitzending schreef hij ‘Je komt anders terug. Aantekeningen uit het dagboek van een VN-waarnemer in Sarajevo en Kostajnica (Sector Noord)’. NRC Handelsblad publiceert op 16 januari 1993 een paginagroot interview met Wondergem onder de kop ‘Waarom zou ik sneuvelen voor ‘warlords’ in Joegoslavië?’. Op 27 april 1998 wijdde generaal der infanterie b.d. Govert Huijser een aantal woorden aan het boek van Wondergem ter gelegenheid van de ondertekening van het convenant ter voorbereiding van de oprichting van het Instituut voor Veteranenzorg: “Een uitzending gaat je niet in de koude kleren zitten. Een oorlog helemaal niet. Veteranen weten dat je anders terugkomt. De ervaringen hoeven overigens niet altijd negatief of belastend te zijn”. Het mooiste citaat uit de pen van Wondergem vind ik: “Je moet roeien met de riemen die in de container in de haven liggen”. Terug naar Boven JIHAD! DE GEHEIME OORLOG IN AFGHANISTAN - TOM CAREW  | titel | Jihad! De geheime oorlog in Afghanistan | auteur | Tom Carew | ISBN | 903891153X | jaar | 2001 | pagina’s | 264 | uitgeverij | Elmar |
  
|
Het tijdstip van publicatie van ‘Jihad!’ had niet beter gekund: de paperback verscheen net vóór de terroristische aanslagen in de VS. En velen houden het relaas van Carew zo niet voor waarheid dan op zijn minst voor zeer wel mogelijk. | Tom Carew was een wannabe-SAS’er, een hoax, een nepperd: op 14 november 2001 werd hij bij BBC’s Newsnight ontmaskerd, waarop hij boos de studio uitliep. Endex Tom Carew. Maar zijn boek is vermakelijke lectuur. Na zijn op niets uitgelopen avontuur bij de SAS had Philip Anthony Sessarego, zijn echte naam, een spannend leven als huurling. Hij schijnt voor private military and security companies te hebben gewerkt in Afghanistan, Sri Lanka, Togo, Angola, op de Balkan en de Maldiven, tot in Zuid-Amerika en Zuid-Afrika. Nog was zijn leven niet spectaculair genoeg. Aan ghost writer Adrian Weale vertelde hij het verhaal van ‘Jihad!’, dat enerverender was dan de werkelijkheid, bijna niet te verzinnen zelfs. Daarbij zag Sessarego/Carew zich, volgens Weale, als een kruising tussen James Bond en Andy McNab, een ego met behoefte aan bewondering en erkenning. Sessarego’s levensverhaal is een boek waard met een hogere bestsellerstatus dan ‘Jihad!’. |
Na zijn schooltijd diende hij twee jaar in The Royal Artillery. Maar hij was geobsedeerd door de Special Air Service (SAS). Later zou hij met zijn gezin zelfs vlakbij Stirling Lines (Hereford) gaan wonen, de thuisbasis van de SAS. Daar kon hij de SAS’ers zien trainen… De SAS bleef knagen. In 1973 was het eindelijk zover: Sessarego begon aan de Selection Course - de zware toelatingsproeven van de SAS – maar een knieblessure gooide roet in het eten. Twee jaar later probeerde hij het opnieuw bij 'R' Squadron van de SAS – het onderdeel van de Territorial Army. Opnieuw faalde hij. Hierna volgde zijn wereldwijde huurlingschap, dat er onder andere toe leidde dat hij in 1991 in Kroatië deed voorkomen te zijn gedood bij een landmijnincident. De wannabe-SAS’er vluchtte almaar in zijn obsessieve pogingen om zich die werkelijkheid eigen te maken. Na de ontmaskering van zijn hoax ‘Jihad!’ leefde hij in België in de anonimiteit. Hij werkte in de Antwerpse haven, gaf in de Ardennen survivalcursussen, handelde in dumpartikelen of ‘beschermde’ nachtclubs, massagesalons en sekssauna’s. Vervolgens leefde hij teruggetrokken in de Belgische bossen. Hij hield zich noodgedwongen rustig, want nadat hij de naam van de SAS had bezoedeld hij had meer vijanden dan Osama bin Laden. Toch liet hij zich ook in België niet onbetuigd (inbraken, valsheid in geschrifte, wapenbezit). Uiteindelijk werd hij op 4 november 2008 in verregaande staat van ontbinding aangetroffen in een garagebox in Ekeren. Doodsoorzaak: koolmonoxidevergiftiging. Tijdstip van overlijden: vier maanden eerder. Carew had slim misbruik gemaakt van de mythe van de SAS. ‘Jihad!’ leek de perfecte cover-up: het Britse Ministerie van Defensie (MOD) zou nooit informatie verschaffen over ex-SAS’ers. Dat pakte anders uit, want de MOD kon natuurlijk wél vertellen dat iemand nooit deel had uitgemaakt van de elite-eenheid! Zo spatte zijn droomwereld uiteen en bleek zijn boek het product van een wijdverbreide fantasie, gevoed door zijn jarenlang werk als huurling. | |
Terug naar Boven KABUL & KAMP HOLLAND - PETER TER VELDE  | titel | Kabul & Kamp Holland. Over de stad en de oorlog | auteur | Peter ter Velde | ISBN | 9789054292739 | jaar | 2008 | pagina’s | 200 | uitgeverij | Conserve |
   
|
Kabul ademt oorlog. Dat deed het al in 2003, toen ik daar m’n eerste Afghanistan-missie doorbracht, dat doet het nu nog. De provincie Uruzgan is niet te vergelijken met Kabul. Met een geschat inwonertal van vier miljoen is Kabul een wereldstad, hoewel ‘wereldstad’ te positief klinkt. Er is niks tot zeer weinig. Betrouwbare, goede hotels voor westerlingen zijn er letterlijk maar een paar: Intercontinental aan Baghe Bala Road en Serena aan Froshgah Street. Die betrouwbaarheid kan even wisselvallig zijn als het weer in Nederland. Vverder bepalen kalasjnikovs, geelwitte taxi’s, stof en uitlaatgassen het chaotische straatbeeld. NOS-verslaggever Peter ter Velde heeft beide uitersten prachtig verbeeld in ‘Kabul & Kamp Holland. Over de stad en de oorlog’. Hij bezocht Kabul, samen met zijn onafscheidelijke cameraman Eric Feijten, voor het eerst in 2004. Zijn boek verhaalt over de mensen achter de oorlog, over de stad Kabul ná de Taliban maar in de wurggreep van de oude Noordelijke Alliantie of mujahedien – die net zo schuldig zijn en even grote oorlogsmisdadiger als de Taliban – en de volgelingen van Hamid Karzai (voor wie de waarden van de stammen, volgens Ter Velde, belangrijker zijn dan een nieuw politiek systeem), over een provincie die in wankel evenwicht is. De opkomst van de Taliban in 1994 voorspelde weinig goeds, maar het lukt Ter Velde in zijn boek om duidelijker te maken wie tot de Taliban behoren en wie niet. Hoewel het onderscheid in de praktijk van counter-insurgency weinig uitmaakt, want militaire uniformen in Afghanistan behoren enkel toe aan de Afghan National Army (ANA) en westerse troepenmachten. 
Ter Velde was vanaf het begin van de Nederlandse missie in Uruzgan. Op 27 november 2008 werd zijn boek gepresenteerd in aanwezigheid van de Commandant der Strijdkrachten, generaal Peter van Uhm, die het eerste exemplaar in ontvangst nam. Over Ter Velde zegt Van Uhm: “Peter heeft zich echt ingevreten in de materie. Hij opereert embedded, maar gaat ook zelf op pad. Ik heb bewondering voor de wijze waarop hij de complexiteit van de missie weet over te brengen.” Punt gescoord! Peter ter Velde heeft geen sensatieboek geschreven en dat is maar goed ook. Uruzgan werd aan het Nederlandse parlement verkocht als een wederopbouwmissie, maar van (weder)opbouw komt relatief weinig terecht. Het dilemma is misschien wel dat elke journalist het nu eenmaal spannender vindt om over troops in contact te schrijven en minder spannend om te berichten over (weder)opbouw en diplomatie. Daar komt bij dat Afghanistan altijd al een slagveld is geweest (hoewel het in beide wereldoorlogen juist neutraal was). In de 19de en 20ste eeuw kwamen de Britten en de Russen nog eens langszij, waardoor de van origine sterk verdeelde Afghanen zich één voelden: the enemy of my enemy is my friend. Het verwachtingspatroon lijkt gericht op geweld… Doordat Ter Velde de complexheid van de missie in Uruzgan goed weet over te brengen, is ‘Kabul & Kamp Holland’ verplichte kost voor elke Uruzgan-ganger. Peter ter Velde – onder meer van ‘96 tot 2001 corespondent in Israël voor het Radio 1 Journaal – geeft een glashelder beeld van Afghanistan, Kabul en Uruzgan dat gemakkelijk leesbaar is en niet in het minst simpel overkomt. Terug naar Boven KAMPONG HOSPIK - HENK EEKHOF E.A.  | titel | Kampong Hospik. Van het Stroesezand naar het Kaimanese strand
| auteur | Henk Eekhof e.a. | ISBN | n.v.t. | jaar | 2006 | pagina’s | 136 | uitgeverij | Stichting Kampong Hospik (Culemborg) |
   
|
Wat Kaimana is voor Nieuw-Guinea is Santici voor Bosnië, Ar Rumaythah voor Irak of Chora voor Afghanistan. Plaatsen in den vreemde waar Nederlandse militairen hebben gediend, maar die de meeste burgers in de regel slechts kennen als ze er zelf zijn geweest. Heeft het nut om op deze plaats een boek te bespreken dat wellicht enkel interessant is voor de mensen die in Kaimana zijn geweest en die weten waar dat oord ligt? Een boek dat bovendien in een beperkte oplage van 250 exemplaren is verschenen? Volmondig zeg ik hierop “ja”. ‘Kampong Hospik’ is typisch zo’n boek waarvan iedereen moet weten hoe een uitzending van een anders-dan-andere eenheid in een anders-dan-ander land in elkaar zit. Omdat het over de inzet van een veldhospitaal op Nieuw-Guinea gaat, waarvan – met een beetje pech – over jaren niemand meer weet dat de Nederlandse krijgsmacht daar überhaupt ooit een geneeskundige installatie ontplooid heeft. Met misschien iets minder pech kennen mensen over 25 jaar nog de helden van toen en daar, zoals sergeant Mauritz Christiaan Kokkelink of Vic de Bruyne (Jungle Pimpernel). Zeer weinigen kennen nu nog de namen Sorong, Seroei, Merauke, Manokwari, Hollandia, Fak-Fak, Biak en Kaimana, laat staan de omstandigheden tijdens de ‘militaire exploratie’ die er, zacht gezegd, niet om loog. Kaimana ligt aan de voet van het schiereiland De Vogelkop in het Fak-Fak-district aan de zuidwestkust van Nieuw-Guinea. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog is het nagenoeg geheel platgebombardeerd, omdat er Japanse marineonderdelen zaten. Ook in de nadagen van de Nederlandse militaire aanwezigheid zat er geneeskundig personeel, want het was reëel dat "de maten" in de jungle gewond konden raken: een aantal compagnieën van 41 Infanteriebataljon Regiment Stoottroepen (A-Cie beveiligde het vliegveld, B-Cie zat als bataljonsreserve in een bosbivak en Ost-Cie beveiligde de kuststrook tussen Kaimana en het vliegveld), de B-Cie van 6 Infanteriebataljon Regiment Infanterie Oranje Gelderland en een detachement van het Korps Mariniers. 
Ligging van Kaimana. In de jungle, tussen Kaimana en het vliegveld Utarom, was een compleet Nederlands tentenkamp ingericht. In dit veldhospitaal in Kaimana, "Kampong Hospik", zaten de Nederlanders van het 1ste Peloton Verzamelcompagnie van 11 Geneeskundig Bataljon in de periode april tot oktober 1962. In datzelfde zogenaamd rustige Kaimana vonden nog datzelfde jaar (april, mei, juli en augustus) infiltraties met vijandelijke luchtlandingstroepen plaats. In het hospitaal heersten ongehoorde toestanden. Geen elektra of stromend water, wél opereren: met een etherkapje en per operatiekamer twee vliegenverjagers (één boven de operatiewond, één boven het steriele instrumentarium). Dat was het 1e Peloton Verzamelcompagnie. ‘Kampong Hospik’ bewijst in alle toonaarden dat de herinneringen aan Nieuw-Guinea nog levend en vol humor zijn. Het is het schoolvoorbeeld van een herinneringsboek dat het verdient om onder de aandacht van een groot publiek te komen. En wie na de lezing van het boek geïnteresseerd is geraakt in de kamponghospikken, kan in het archief van het Legermuseum ± 1.300 foto’s bekijken die gerelateerd zijn aan dit boek. Terug naar Boven KILO TWO - JOHAN GOYVAERTS  | titel | Kilo Two. Belgische troepen infiltreren in burgeroorlogen Somalië | auteur | Kapitein Johan Goyvaerts | ISBN | 9072547934 | jaar | 2000 | pagina’s | 302 | uitgeverij | Boekhandel & Uitgeverij De Krijger (Erpe, België) |
  
|
‘Kilo Two’ is het verhaal van de kapitein Johan Goyvaerts, die als commandant van een 4-koppige GVP (Gespecialiseerde Verkenningsploeg) naar de burgeroorlog in Somalië wordt gezonden om als ogen en oren van de commandant op te treden. Een GVP – daarna Longe Range Recce Patrol (LRRP) geheten en tegenwoordig samengebald in de Special Forces Group van de Belgische krijgsmacht – heeft tijdens gevechtsoperaties als voornaamste opdracht het observeren én verkennen achter de vijandelijke linies. Hoewel de Verenigde Naties in april 1992 besloten tot de United Nations Operation in Somalia (UNOSOM) om toe te zien op de regelmatig geschonden bestanden tussen de vechtende fracties, krijgt de groep, met als call-sign ‘Kilo Two' (K2), in maart 1993 als vooruitgeschoven post (QTH, in radiotelegrafie: positie in breedtegraad en geografische lengte) een opdracht die het midden houdt tussen CIMIC, HUMINT, hearts & minds en missionariswerk. In het dorpje Afmadow in de Somalische middle-of-nowhere houden zij vier maanden achtereen stand tussen rebellen die een burgeroorlog willen blijven uitvechten, schrijnende hongersnood, ongecoördineerde Westerse hulpverlening, meest goedwillende dorpelingen en allesverzengende droogte. Ondanks de rivaliserende clans bouwt het viertal, dankzij robuust en doordacht optreden, een goede band op met de lokale bevolking. Totdat Goyvaerts van zijn superieur hoort dat een bende van acht man hem wil liquideren, een Amerikaanse helikopterarmada de opgebouwde rust in het oord verziekt en hijzelf aan het einde van de missie zwaargewond raakt in een hinderlaag. Door het langdurige herstel was het hem pas na 4 jaar vergund ‘Kilo Two’ te schrijven. Terug naar Boven KLOKKENLUIDER IN BOSNIË - KATHRYN BOLKOVAC  | titel | Klokkenluider in Bosnië. Vrouwenhandel en machtsmisbruik bij de VN (origineel: The Whistleblower) | auteur | Kathryn Bolkovac & Cari Lynn (vertaling: Linda Schouwstra) | ISBN | 9789043519342 | jaar | 2011 (origineel: 2011) | pagina’s | 252 | uitgeverij | Kok |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven KOLONIALE OORLOG 1945-1949 - RENÉ KOK, ERIK SOMERS & LOUIS ZWEERS  | titel | Koloniale oorlog 1945-1949. Van Indië naar Indonesië. | auteur | René Kok, Erik Somers en Louis Zweers | ISBN | 9789048803200 | jaar | 2009 | pagina’s | 224 | uitgeverij | Uitgeverij Carrera |
   
|
Vier strekkende meters tellen de leggers en mappen van de Legervoorlichtingsdienst (LVD) in het Nationaal Archief. Dat is behoorlijk, omdat het ‘maar’ een periode van zeven jaar beslaat (van 1945 tot ’51), terwijl de Legervoorlichtingsdienst pas in 1973 ophield te bestaan. Toen ging ze op in de Directie Voorlichting, afdeling Legervoorlichting (1973-1993). In die tijd was de intentie van het communicatiebeleid van Defensie al klip en klaar. Eerste luitenant N.D. van Goethem, het eerste hoofd van de LVD, was hier althans helder in. Het doel moest zijn om Nederlanders ‘military-minded’ te maken. In november 1945 creëerde Van Goethem zijn eigen baan door er bij Prins Bernhard op aan te dringen om een centrale voorlichtingsdienst van het leger op te richten. Tot de Tweede Wereldoorlog deden Nederlandse ministeries amper aan voorlichtingsbeleid. Twee factoren waren volgens Van Goethem van belang: “Ten eerste de troepen van de Koninklijke Landmacht in Indië. Hiervan is bij het publiek niets, maar dan ook niets bekend. De berichtgeving over Indië is schaars, verward en tendentieus. Er staat onnoemlijk veel op het spel (…) Ten tweede is er de opbouw der KL in Nederland. Bij het publiek bestaat een honger naar nieuws hierover, zowel ten aanzien van de grote lijn als van de details. Het leger heeft een goodwill zoals het nog nooit heeft gehad. Het is aan de voorlichting om van deze goodwill te profiteren en de Nederlanders voor het eerst in 25 jaar weer military-minded te maken.” Communicatief scoren om het optreden van de krijgsmacht in een goed daglicht te plaatsen. Een goede voorlichting aan het eigen personeel en de buitenwereld – die we tegenwoordig “achterban” en “thuisfront” noemen – was noodzakelijk. Want een goed getraind en verzorgd leger begint weinig zonder steun en daadwerkelijke interesse van de bevolking. De LVD moest dus wel zaken doen in Nederlands-Indië, dat oorlog voerde tegen de Republiek Indonesië. De oorlog-die-geen-oorlog-kon-heten moest goed gecommuniceerd worden met de buitenwereld. Tijdens die Indonesische onafhankelijkheidsoorlog (1945-‘49) of Agressi Militer Belanda – zoals de Indonesiërs haar noemen – vielen aan beide kanten duizenden doden. Gedurende de bedoelde ontknoping van die oorlog, beiden Politionele Acties, werd de media gecensureerd. Om de publiekelijke verspreiding te voorkomen, speelde de LVD in Batavia een actieve rol in het manipuleren van de (foto)berichtgeving over en uit Nederlands-Indië. Daarnaast volgden niet bepaald kritische fotografen en journalisten zonder morren de richtlijnen van de censor en op deze manier beheerste de LVD de tekst- en beeldproductie uit de Gordel van Smaragd bijna volledig. 
Een prachtige foto uit hoofdstuk 3 (‘ In actie 1946-1947’, pagina 74) van het boek: Nederlandse mariniers trekken in 1947 in Surabaya op Oost-Java door een afgelegen kampong (dorp). De dagen worden gevuld met eindeloos patrouilleren. Dit soort neutrale foto’s werden wel vrijgegeven voor publicatie. Deze foto is destijds gemaakt door Hugo Wilmar. | Het leeuwendeel van de foto’s in Nederlands-Indië werd gemaakt door Alfred van Sprang (‘Wij werden geroepen. De geschiedenis van de 7 December Divisie, met zweten en zwoegen geschreven door twintigduizend Nederlandse mannen’), Hugo Wilmar (Katholieke Illustratie en Panorama), Jan Stevens (Panorama), Willem van de Poll (staffotograaf van Prins Bernhard, daarna Pen & Gun – weekblad voor de Nederlandsche Strijdkrachten) en Wim Dussel (Mariniersvoorlichtingsdienst). Voor zover krijgsverrichtingen werden vastgelegd of – onaangenamer – gewonden en/of doden vielen, werden in 99 van de 100 gevallen de foto’s door de censor terzijde geschoven. Dussel zei hierover: “Als fotograaf koos je voor een opbouwende benadering van de politionele acties. Foto's die veel onheil voor de familie van de betrokkenen konden aanrichten, zoals die van eigen mensen afgeslacht door de Indonesische guerrilla's of republikeinse tegenstanders die door onze mortieraanvallen waren omgekomen, werden niet gemaakt. De verwarrende situatie in Indië werd nog op menselijke wijze in beeld gebracht. Foto's van oorlogsslachtoffers die we nu dagelijks in de media zien, waren toen nog niet gebruikelijk.” In de vier strekkende meters van de LVD is gelukkig een behoorlijk aantal indertijd niet vrijgegeven foto’s van krijgsverrichtingen in Nederlands-Indië bewaard gebleven. Een groot aantal van die afbeeldingen is in dit fotoboek terug te vinden. |
De LVD bracht communiqués uit die de Nederlandse militairen erin sterkten dat ze tegen een “onmenselijke tegenstander” streden, die “barbaarse methoden” hanteerde. Als dit de enige taal was die de inlanders verstonden, kon fatsoenshalve van Nederlandse kant eveneens extreem geweld plaatsvinden. Ter onderbouwing een op 22 december 1949 uitgebracht communiqué van de LVD, waarin staat dat “uit de stuw bij Balahar in de Tjitaroem [...] 28 onthoofde lijken gevist [en] in vele kali‟s meer naar de kust werden eveneens talrijke onthoofde lijken aangetroffen.” (doctoraalscriptie ‘Rawahgedeh, 9 december 1947. Een nieuwe Nederlandse versie?’ van Harm Scholtens, Groningen 2007, pagina 27). Behalve dit soort stemmingmakerij deed de LVD het naar Onze Jongens toe overigens prima. Ze produceerden in de jaren 1946/’47 een hele reeks voorlichtingsboekjes met titels als ‘Indië: Waar wij naar toe gaan’, ‘Indië: Waarom wij er heen gaan’, ‘Welkom mannen’, ‘Soldatengids voor Sumatra’, ‘Onze taak overzee’ en niet te vergeten Scheepspraet’. In dit boek geen stemmingmakerij, maar een groot aantal indertijd niet vrijgegeven, ter plaatse gemaakte foto’s. Als je een foto ziet met mariniers die juist vanuit de kampong de sawah zijn ingetrokken, plotseling van alle kanten vuur krijgen en onmiddellijk in een greppel stellingen moeten innemen, begrijp je dat de strijd om Nederlands-Indië een ongewone gewone oorlog was. Terug naar Boven 'K ZAG TWEE BEREN - LINDA POLMAN  | titel | ‘k Zag twee beren. De achterkant van de VN-vredesmissies | auteur | Linda Polman | ISBN | 9051708181 | jaar | 2002 (in 1997 bij Uitgeverij Atlas) | pagina’s | 206 | uitgeverij | Rozenberg Publishers |
   
|
Linda Polman is het prototype van de geëngageerde journalist die in de wijde wereld freelance de strijd beschrijft van wereldproblemen. Ze is in ieder geval één van de weinige Nederlandse journalisten die succes heeft in het buitenland. Haar geruchtmakende boek ‘K zag twee beren’ gaat over het falen van blauwhelmen van de Verenigde Naties. Ze reisde uit nieuwsgierigheid een kennis achterna die de catering ging verzorgen voor de VN-vredesmacht in Somalië, met deze even feil- als peilloze beschrijving als resultaat. In dit boek onder meer óók een verslag van een bezoek aan de VN-missie in Rwanda, waar zij in 1995 getuige was van de moord op duizenden vluchtelingen. De beschreven missies in Bosnië-Hercegovina, Haïti, Rwanda en Somalië typeren zich doordat de VN erbij stond en ernaar keek. Net twee beren dus. Terug naar Boven LAND DOCTRINE PUBLICATIe  | titel | Land Doctrine Publicatie. Militaire Doctrine voor het Landoptreden (LDP-1) | auteur | Opleidings- en Trainingscentrum Operatiën | ISBN | n.v.t. | jaar | 2009 | pagina’s | 148 | uitgeverij | Commandant der Strijdkrachten |
    
|
Doctrine – van het Latijn “doctrina” (instructie, kennis, leren) – is “de formele uitdrukking van het militaire denken, geldig voor een bepaalde tijd”. Dat zegt de Land Doctrine Publicatie, de militaire doctrine voor het landoptreden die in 2009 het licht zag. Het is de standaard waar alle tactisch optreden aan kan worden opgehangen. De tijdelijke geldigheidsduur van de landdoctrine blijkt: zij is de vervanging van de Landmacht Doctrine Publicatie deel I, zoals die in 1996 verscheen. In 1982 vond de laatste grote conventionele oorlog plaats (Falklandoorlog) en in ’89 viel de Berlijnse Muur. Daarmee kon het Koude Oorlog-denken op de vuilnisbelt. Met de uitzendingen van 1 (NL) VN-bataljons, waaronder Dutchbat, in voormalig Joegoslavië was het denken over de inzet van de krijgsmacht al finaal omgeslagen: vredesmissies en al een beetje out-of-area, op de zuidflank van het NAVO-verdragsterritoir. De omgeving, de manieren van optreden en de krijgsmacht veranderden, terwijl de hoofdtaken, het juridisch kader waarbinnen Nederland opereert en de niveaus van optreden (politiek-strategisch tot en met technisch) hetzelfde bleven. Wat die laatste betreft: door de komst van televisiezenders als CNN en het internet, konden acties en uitspraken van individuele militairen voortaan direct strategische gevolgen hebben. In het inzetgebied, maar ook bij de VN en de politiek in Nederland. In de Three Block War deed de metafoor van de ‘strategic corporal’ zijn intrede, in 1999 voor het eerst gebruikt door generaal Charles C. Krulak, commandant van het U.S. Marine Corps (p. 32 en 51). Tot aan het einde van de Koude Oorlog was de Nederlandse krijgsmacht gepositioneerd op comfortabele afstand van de innerdeutsche Grenze op de Noord-Duitse laagvlakte, in tot op de vierkante meter nauwkeurig ingetekende opstellingen. Enkel de weersomstandigheden zouden het verschil maken; de opdracht, het terrein, de vijand, de overige tijd- en ruimteaspecten en de eigen middelen bleven tot in de kleinste details gelijk. Dat alles werd decennia lang op min of meer dezelfde leest onderwezen binnen een kadermilitieleger: beroeps(onder)officieren en dienstplichtige manschappen en korporaals. De militairen werd aangeleerd wat volgens de vergaarde inlichtingen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zou gaan gebeuren als het Warschaupact het op zijn heupen kreeg: een grootscheepse, alles en iedereen overrompelende tankaanval. Zo ging dat met de reguliere vijand in het symmetrisch conflict. Intussen zijn de wereld en het vijandbeeld sinds het laatste decennium van de 20ste eeuw drastisch veranderd. Het zwaartepunt van die veranderingen had plaats toen religieusgeïnspireerden op 11 september 2001 terroristische aanslagen pleegden in de VS. Het wereldbeeld veranderde ingrijpend. Doctrinair is de vijand een ‘opponent’ geworden. De boeven waren niet langer de Hutu’s en Tutsi’s, de Serven en Kroaten of krijgsheer Mohamed Farrah Aidid, maar Al Qaida en de Taliban. Het operatietoneel verschoof van Rwanda, voormalig Joegoslavië en Somalië naar Irak en Afghanistan. En Afrika. De tegenstander bevindt zich tegenwoordig 360 graden rondom, waarmee frontlijnoorlogvoering even vorm- als waardeloos is geworden. Dat vergde aanpassingen in denken en doen, liefst in die volgorde. De aard van de conflicten schenkt echter oude wijn in nieuwe zakken. Zo werd onder meer de Britse doctrine van de Malayan Emergency, in de jaren ’50 en ’60 van de twintigste eeuw, van stal gehaald. Die had tot doel het opzetten van een vrij, democratisch maar vooral niet communistisch Maleisië – het enige conflict dat het westen zou winnen tegen het communisme. Ook het Nederlandse Voorschrift voor de Politiek-Politionele Taak van het Leger (VPTL) werd gereanimeerd: een beknopte en tactische contraguerrilla-instructie die vanaf de Atjeh-oorlog tot en met beide Politionele Acties in Nederlands-Indië de standaard is geweest. Een beetje oppoetsen en aanpassen aan de tijdgeest en ziedaar! Tegen de Irakese en Afghaanse opstandelingen moest de krijgsmacht ineens niet alleen maar geïntegreerd optreden met andere krijgsmachtdelen (joint) en krijgsmachten (combined, multinational), maar ook met niet-militaire actoren (interagency), bijvoorbeeld om de broodnodige hearts and minds te winnen door scholen te restaureren en waterputten te slaan. Civiele, diplomatieke en economische (f)actoren beïnvloeden van nu af aan planmatig het politiek-militaire proces door vanuit een gewenste eindsituatie (end state) terug te denken naar de effecten die moeten worden bereikt. De comprehensive approach – in goed Nederlands: 3D (Defence, Diplomacy and Development) – is geboren. Eenheden moeten in staat zijn verschillende militairen activiteiten gelijktijdig uit te voeren en soms lijken al die acties wellicht in strijd met elkaar – maar zijn het niet. Zo werd de Nederlandse wederopbouwmissie in Uruzgan (ISAF, Phase III) een erg harde counter-insurgency (COIN). Ineens moesten de militairen soep leren eten met een mes: quasi-onmogelijk en een cultuuromslag van jewelste ten opzichte van de Koude Oorlog. Het binden, vinden en slaan uit de ‘oude’ doctrines van de frontale oorlogvoering is intussen contemplair gemaakt aan shaping, decisive and sustaining operations in een veel complexere omgeving: eerst worden de voorwaarden voor succes gecreëerd, daarna wordt de beslissing 'geforceerd' en tot slot wordt ervoor gezorgd dat de geproduceerde gevechtskracht kan worden voortgezet. Dit alles in een brede context, gebruikmakend van alle (f)actoren die zich in én buiten de operationele omgeving ophouden. Zoals na de operaties Product en Kraai counter-insurgency in Nederlandse ernstmissies door menigeen wellicht niet meer voor mogelijk werd gehouden, zo is het in het algemeen eveneens ondoenlijk om – vanuit opgedane ervaringen tot daaruit getrokken lessen voor de toekomst - doctrinematig vooruit te lopen op de aard van de toekomstige conflicten. Wie nu kan vertellen hoe de doctrine landoptreden er in, pak ‘m beet, 2025 uitziet, kan zich meten met een kruising tussen Von Clausewitz en Nostradamus. Nieuwe conflicten worden uitgevochten volgens de doctrine van de laatstgevoerde oorlog… Terug naar Boven LÉGION d'honneur - Harry Luyckx  | titel | Légion d’Honneur. Sergeant Malicien, matricule 107.954, vocht in het vreemdelingenlegioen. | auteur | Harry Luyckx | ISBN | 9789044321609 | jaar | 2008 | pagina’s | 240 | uitgeverij | The House of Books |
  
|
In het begin van de jaren ’50 zat hij in het Belgisch leger. Na de diefstal van een brommer en een dreigende krijgsraad, vluchtte hij als 17-jarige naar Frankrijk. Omdat er in 1954 niet direct een baan op een vrachtschip opengevallen was, schreef Antwerpenaar Harry Luyckx (1937) zich in Marseille in bij het Vreemdelingenlegioen. Een keuze waar hij bijna onmiddellijk spijt van had, en het eerste dat hij probeerde was... te deserteren. Toch werd hij opnieuw ingelijfd en naar Oran in Algerije gezonden, een land in oorlog met de Fransen. Zo vocht hij tussen 1954 en zijn ontslag in 1959 voor het Vreemdelingenlegioen en waren Algerijnse rebellen de vijand. Die werden allemaal gedood, tot de laatste man. Iemand gevangen nemen was er niet bij. Geen erecode. Aldus Luyckx.
In Légion d'Honneur volgen we het leven van Lucky: zijn opleiding in het Légion Etrangère, de confrontaties met de rebellen, de onmenselijkheid van de oorlog, de drang om alleen nog maar te overleven. Het is een schokkend en onthutsend verhaal van Harry Luyckx die de legionair Lucky Malicien werd – zijn zelfverkozen nieuwe naam. Even slim als boosaardig – althans zo lijkt het. Op internetfora is menigmaal de indruk gewekt dat zijn boek aan elkaar zou hangen van nonsens en flauw gezanik. Wie geïnteresseerd is in het Vreemdelingenlegioen in Algerije zou beter ‘La Guerre Cruelle’ (‘De wrede oorlog. Legioensoldaten in Algerije') van Paul Bonnecarrère kunnen lezen: een gewezen Franse para van het 1er Régiment de Chasseurs Parachutistes en oorlogscorrespondent die overal was waar Frankrijk vocht. Terug naar Boven LEIDRAAD MARITIEM OPTREDEN - COMMANDO ZEESTRIJDKRACHTEN  | titel | Leidraad Maritiem Optreden. De Bijdrage van het Commando Zeestrijdkrachten aan de Nederlandse Krijgsmacht | auteur | Commando Zeestrijdkrachten (CZSK) | ISBN | 9077815023 | jaar | 2005 | pagina’s | 224 | uitgeverij | CZSK |
  
|
Waar de Koninklijke Landmacht zes (sic!) boeken nodig heeft om de LDP’s te completeren, overhandigde de Commandant Zeestrijdkrachten - vice-admiraal Jan Willem Kelder - op 9 januari 2006 het eerste exemplaar van de Leidraad Maritiem Optreden (LMO) aan de Commandant der Strijdkrachten. In de begeleidende brief bij het verschijnen van de LMO schrijft Kelder te hopen dat het boek voor de lezer die weinig of niet bekend is met de Zeestrijdkrachten “bijdraagt aan een positieve beeldvorming rond de KM”. De LMO is in elk geval géén luxe-artikel. Dit is klip en klaar wanneer wordt gerealiseerd dat ruim 70% van de wereld uit zee bestaat, ruim 75% van de landen aan zeeën grenst en de Nederlandse marine sinds de gedenkwaardige Tocht naar Chatham (1667) maritiem een hoofdrol op het wereldtoneel speelt. Maar waarom een maritiem boek bespreken op een landmachtwebsite? Het waardevolle van het groeidocument dat als opmaat van een doctrine van de Koninklijke Marine (KM) wordt gezien, is dat de KM er nu blijkbaar voor kiest om onderdeel van een groter geheel te zijn (de synergie van schakel en ketting). De leidraad is het begin van een in- en externe gedachtewisseling over de toekomst van de marine. Ondanks het schilderen van haar operationele koers (inzicht in de rol, de taken en de samenstelling van de Zeestrijdkrachten plus de middelen en de wijze waarop de middelen worden ingezet), laat de KM daarnaast vooral zien wat haar bijdrage is aan én intensieve samenwerking met de andere krijgsmachtdelen. Het boek is helder en bondig geschreven, is “academisch robuust […] zonder wetenschappelijk te zijn” (pagina 215) en is daarmee juist ook buiten de haven van Den Helder het aanbevelen waard. Met name de stukken over het Korps Mariniers, speciale operaties e.d. maken het boek een must voor het nachtkastje van de doorgewinterde pleun die nog niet doorheeft dat de marine je wereld vergroot. De LMO draagt voor ondergetekende absoluut bij aan een positieve beeldvorming rond de Koninklijke Marine. Het boek is doorspekt met historische voorbeelden (evenals de LDP’s), maar opent voornamelijk de ogen wat betreft esprit de corps (breed uitgemeten bij het Korps Mariniers, dat doorheeft dat de mens op het gevechtsveld de bepalende factor is), blauwwater- versus bruinwater-operaties, expeditionair optreden en Effects Based Operations (pagina 41 t/m 45). En zelfs op het gebied van ogenschijnlijk onbenullige vaktermen (operationele omgeving, Ship-To-Objective-Manoeuvre e.v.a.) is de LMO zéér bruikbaar. Terug naar Boven LIEFDE ONDER VUUR - PATRICIA VAN DEN BROEK De interviewbundel 'Liefde onder vuur' brengt voor het eerst interviews van uitgezonden militairen met hun partners. In 13 portretten komen onder meer Jaaike Brandsma uit Almere, de eerste vrouwelijke militair die bij een zelfmoordaanslag in Uruzgan ernstig gewond raakte, Mans Spoor, de weduwe van generaal Spoor die overleed tijdens de politionele acties in Nederlands-Indië ("De meeste kerels vervelen snel. Simon niet"), Claire Rosier, de vrouw van de in Afghanistan gesneuvelde Martijn Rosier (“Iedereen vindt één keer in zijn leven de ware liefde. Ik heb de mijne gehad.”) en marinier Teus Bosch – de man die zijn huis zijn bunker noemt omdat hij daar bescherming tegen de buitenwereld vindt – aan bod. Zowel de militairen als hun geliefden vertellen op welke manier een uitzending hun leven heeft beïnvloed. Sommigen worstelen met de gevolgen van een posttraumatisch stresssyndroom, bij anderen bloeide de liefde op. Het zijn, in elk geval voor mij, even herkenbare als indrukwekkende emoties, want het prachtige beroep van militair is hoe dan ook sterk van invloed op een relatie. De pijn bij het vertrek, het verlangen tijdens de missie en de tranen bij het weerzien zijn gebleven.
Zelf schreef ik eerder over ‘Liefde onder vuur’ onder andere het volgende: “De realiteit heeft het idealisme ingehaald: door die emoties uit te schakelen, raakte ik afgestompt, opvliegerig en onverdraagzaam. Dat afgestompte sla je er niet meer uit, de opvliegerigheid en onverdraagzaamheid komen nog wel eens bovendrijven. Wat vooral overblijft zijn cynisme, hardheid en boosheid. Ik kan zomaar boos worden op de nonsens waarmee sommige mensen – mensen die het simpelweg erg goed hebben en geen enkele reden tot klagen – zich nodeloos druk maken over futiliteiten. In het kalme Nederland aard ik lang niet meer zo goed als voorheen. Ik kan getriggerd worden door de vreemdste dingen, zoals een baby wordt geprikkeld door kleurtjes en geluidjes, waardoor mijn stemming kan omslaan als het weer in de bergen…” Terug naar Boven LOGISTIEK ONDER DE TROPENZON - BOB CATS & HENK VAN DEN BERG  | titel | Logistiek onder de tropenzon. De verzorgende diensten van KNIL en KL in Nederlands-Indië 1946-1950 | auteur | Bob Cats & Henk van den Berg | ISBN | 9067075531 | jaar | 2003 | pagina’s | 208 | uitgeverij | De Bataafsche Leeuw |
  
|
Logistiek is hard werken: de ruggengraat zonder welke een krijgsmacht niet kan functioneren. Het is de ‘tail’ die de operationele inzetbaarheid van de ‘teeth’ bepaalt. In Nederlands-Indië bedroeg de Nederlandse krijgsmacht – landmacht, KNIL en marine – op het hoogtepunt van haar inzet 175.000 (!) militairen. Één op de zeven van hen – in het najaar van 1947 zo’n 16.000 – zorgde ervoor dat voeding, kazernering, BOS en transport werden gerealiseerd. De overkoepelende organisatie die dit alles regelde, was de Kwartiermeester-generaal (KMG), zeg maar: het hoofd materiële voorziening van het Nederlandse leger, van 1947 tot 1950 verantwoordelijk voor aankoop en onderhoud van alle materieel. De KMG was na de oorlog, in ’46, geschoeid op de leest van het Britse legersysteem. De KMG, onder leiding van generaal-majoor J.J. Mojet, was hiervan de logistieke zuil (beide anderen waren Operatiën en Personeel), en die had in de Oost de handen vol. De vele kilometers rijden over schier onbegaanbare wegen en door tropentranspiratie vaker dan normaal te bewassen kleding, zorgden bijvoorbeeld dat voertuigen en gevechtskleding stukken harder sleten dan onder ‘normale’ omstandigheden in Nederland. De tropische omstandigheden maakten het werk van de vele duizenden logistici er dan ook niet gemakkelijker op. Zeker niet als ze het personeel moesten voorzien van zeildoekse schoenen of ‘Japanse sokken’, zachte biscuits en muffe sigaretten. Normaal herstel van voertuigen was er veelal niet bij: reservedelen als accu’s, banden en overige elementaire onderdelen kwamen niet of te laat aan, waardoor de techneuten niet anders konden dan het stilgevallen wagenpark te kannibaliseren. Een hels karwei in een heksenketel, nog eens werd verhevigd door beide Politionele Acties, Product en Kraai. De KMG leverde de “grootste logistieke inspanning die het Koninkrijk ooit overzee ondernam” (p. 11). Zonder logistiek stond, juist onder de tropische omstandigheden in het overzeese gebiedsdeel, alles stil. Niet in het minst omdat de KNIL-militairen, die na het einde van W.O. II uit krijgsgevangenschap waren teruggekeerd, het leger opnieuw hadden moeten opbouwen, herscholen en reorganiseren. Dat de logistieke organisatie zo essentieel was als water voor een zwerver in de woestijn, begrijpt iedereen. Zeker ook de auteurs, majoor titulair b.d. Bob Cats en reserve luitenant-kolonel b.d. Henk van den Berg. Hoewel beiden genoegzaam bekend zijn met de materieelvoorziening, instandhouding en verzorging (verpleging) van de Nederlandse strijdmacht in het tempo doeloe, en hun boek aan vele onderwerpen aandacht besteed, is het wat mij betreft toch te veel in fragmenten geschreven. Dat beeld wordt met name veroorzaakt door de vele kadertjes die zaken uit de hoofdlijn uitlichten. Daarmee is het boek, ondanks de thematische hoofdstukindeling, niet overzichtelijk genoeg om in één ruk uit te lezen. De vele zijwegen kunnen het boek weliswaar interessant maken, maar helder voor de rode lijn van het boek is het niet. Bovendien ontbreekt jammer genoeg een index, waardoor iets snel opzoeken niet tot de mogelijkheden behoort. Toch hoort dit boek in alle boekenkasten thuis van hen die geïnformeerd willen zijn over het wel en wee van de grootste expeditionaire operatie die de Nederlandse krijgsmacht ooit heeft uitgevoerd… en zal uitvoeren. Terug naar Boven MATTERHORN - KARL MARLANTES  | titel | Matterhorn. Roman over de oorlog in Vietnam | auteur | Karl Marlantes (vertaling: Otto Biersma) | ISBN | 9789029087292 | jaar | 2011 (origineel: 2010) | pagina’s | 576 | uitgeverij | Meulenhoff |

|
Binnenkort op deze plek een recensie van bovenstaand boek! De enige nu afgebeelde ster zegt dan ook niets over een aan het boek toe te kennen waardering. Terug naar Boven MAURITS, PRINS VAN ORANJE - J.J.G. BEELAERTS VAN BLOKLAND  | titel | Maurits, Prins van Oranje, Graaf van Nassau, Redder van de Republiek, 1567-1625 | auteur | Jonkheer J.J.G. Beelaerts van Blokland | ISBN | 9090125574 | jaar | 1999 | pagina’s | 210 | uitgeverij | eigen beheer |
  
|
Prins Maurits is de ‘founding father’ van de Nederlandse krijgsmacht. Alleen al daarom is een boekwerk over deze leger-vernieuwer voer voor iedere hedendaagse militair. Brigade-generaal titulair b.d. jonkheer Jan Jacob Gerard Beelaerts van Blokland, zelf gezegend met een uitmuntende staat van dienst – Engelandvaarder, daarna in Londen gestationeerd, strijdmakker en vriend van Z.K.H. Prins Bernhard én in de Tweede Wereldoorlog pelotonscommandant van de Prinses Irene Brigade – schreef een prachtig boek over één van de hoofdpersonen uit de Nederlandse krijgsgeschiedenis. Prins Maurits redde Nederland uit een penibele militaire toestand; uiteindelijk versloeg Nederland grootmacht Spanje dankzij het gevoerde beleid van Maurits en de zijnen. Jonkheer Beelaerts van Blokland is op 14 november 2005 overleden. Terug naar Boven MET STILLE TROM - MARLEEN TEUGELS  | titel | Met stille trom. De naweeën van de nieuwe oorlog | auteur | Marleen Teugels | ISBN | 9038874278 | jaar | 2002 | pagina’s | 348 | uitgeverij | Nijgh & van Ditmar |
  
|
Toevalligerwijs komt de Vlaamse freelance-onderzoeksjournaliste Marleen Teugels - die onder meer werkt voor de Belgische bladen De Morgen en Knack - in aanraking met het leed van zieke Belgische Balkan-veteranen. En... met de Duitse arts Siegwart-Horst Günther, die in 1996 het boek ‘Uran-Geschosse, Schwergeschädigte Soldaten, mißgebildete Neugeborene, sterbende Kinder’ schreef over het gebruik van verarmd uranium (depleted uranium, DU) in Irak. Ook in de oorlogen in voormalig Joegoslavië, Kosovo en Macedonië is DU gebruikt. Overigens komen niet alleen de gevolgen van DU in Teugels’ boek aan bod, ook bijvoorbeeld de (psycho)somatische en (somato)psychische consequenties van stress op het slagveld. In 1½ jaar onderzoek over de medische gevolgen van moderne oorlogvoering, heeft Teugels de ziektebeelden van de blauwhelmen op de Balkan geprojecteerd op het klachtenbeeld van militairen die in de Golfregio hebben gediend. Opmerkelijk veel militairen hebben gelijkluidende klachten: concentratiestoornissen, lichamelijke pijnen en chronische vermoeidheidsklachten. Terug naar Boven mijn jaren als bevelhebber - hans couzy  | titel | Mijn jaren als bevelhebber | auteur | H.A. Couzy | ISBN | 9025408397 | jaar | 1996 | pagina’s | 184 | uitgeverij | L.J. Veen |
  
|
Geen lastpak, geen dwarsligger. Naar mijn mening was luitenant-generaal Hans Couzy juist zo’n generaal die het voor zijn mensen opnam. Maar in Nederland geldt: als je hoofd boven het maaiveld uitsteekt, moet je op het hakblok. In zijn autobiografie ‘Mijn jaren als bevelhebber’ komt Couzy er, in zijn algemeenheid, vanaf als een loyale officier met fair play. Het feit dat hij in discussies buiten het Haagse Plein en de Tweede Kamer “op de militaire praktijk gestoelde” interpretaties had, bracht hem wel eens in conflict met zijn superieuren. Ik geef het je ook te doen: afschaffing van de (opkomstplicht van de) dienstplicht, Prioriteitennota, Task Force Doelmatigheid, Couzy-test, Srebrenica. Dit allemaal gaat je niet in de koude kleren zitten. Het is intussen gesneden koek voor Defensie-watchers, maar Couzy heeft er tijdens zijn aanzitten als Bevelhebber der Landstrijdkrachten onder andere voor gezorgd dat de beleidsmatige en uitvoerende taken in het vervolg strikt werden gescheiden. De Koninklijke Landmacht kreeg een sturingsconcept met dito managementtools dat was gebaseerd op een door hem georganiseerde brainstormsessie tussen topmilitairen en captains of industry. Zo stond de BV Nederland mede aan de wieg van de gedaantewisseling van de KL. Zijn interpretatieverschillen met Gmelich Meijling, Ter Beek en Voorhoeve waren niet talrijk, maar haalden wél consequent de media. Hierin werd de ambtelijk-militaire bonje altijd afgedaan als een communicatiestoornis, geheel in de lijn van het nieuwe sturingsconcept. Maar er was écht een haat-liefdeverhouding tussen de Defensietop en de topambtenarij van het departement. Misschien was het onderliggende probleem dat Couzy van zijn hart geen moordkuil maakte als hem in de praktijk werd ‘gedwongen’ zijn stem te verheffen als buitengewoon deskundige. Gelukkig voor hem zijn de oprichting van het 1ste Duits-Nederlandse legerkorps én de overgang naar het huidige beroepsleger wél van een leien dakje gegaan. Helaas voor Couzy heeft hij tijdens zijn periode als oppercommandant van de KL moeten afsluiten met het debacle-Srebrenica. Waar hij oordeelde dat de 25 mm-snelvuurkanonnen moesten worden vervangen door .50-mitrailleurs, ging één aspect van de benodigde robuustheid van Dutchbat overboord. Ook was tenminste één bataljon van de inderhaast opgebouwde Luchtmobiele Brigade bij lange na niet in zijn geheel inzetbaar was voor de, zo is achteraf gebleken, kans- en vruchteloze ‘verdediging’ van Srebrenica. Het is lariekoek te veronderstellen dat zelfs mét Oerlikons, helikopters en 120 mm-mortieren Dutchbat-III enige kans had gemaakt, gegeven het toenmalige mandaat. Het personeel van de landmacht in het geheel én Dutchbat in het bijzonder is dan ook, voorzover ik dat kán bezien, goed af geweest met een bevelhebber als Couzy. Wat communicatie en timing betrof, kon het bevelhebberschap van Hans Couzy niet gelukkiger – zeker bekeken door de bril van nu én absoluut als afsluiting van een 38-jarige carrière als artillerist. Terug naar Boven mijn MEMOIRES - KAPITEIN RAYMOND WESTERLING ‘Mijn memoires’ is geen gemakkelijk boek. Wèl om te lezen, niet om uit te leggen in relatie tot wat wij NU van Westerling (denken te) weten. Weliswaar geldt elk egodocument als een privaat domein, maar voor memoires geldt bovendien dat zij gericht is op gebeurtenissen waarvan iemand getuige is geweest. Dat maakt Westerling’s memoires natuurlijk zéér interessant. Hoe subjectief zijn boek ook wordt geïnterpreteerd, de voorvallen waaraan hij heeft deelgenomen blijven tot op de dag van vandaag belangwekkend voor de geschiedschrijving van het nog altijd verafgode of juist verguisde leven van ‘De Turk’. Westerling blijkt in alles een geboren commando. Het beeld dat uit zijn memoires opwalmt draagt bij tot de legendevorming, maar of die altijd berust op de waarheid blijft de vraag. In ‘Mijn memoires’ verdedigt hij de zuiveringsoperaties op Zuid-Celebes: terreur bestrijden met contraterreur. Die verdediging is niet vreemd: als rechtgeaard commando met een bijzondere opdracht, in opdracht van generaal Simon H. Spoor, verwacht je niet dat je tijdens die opdracht wordt geconfronteerd met landgenoten of medekrijgers die daar anders over denken. Wat wij NU van Raymond Westerling weten is voor het grootste deel afkomstig uit zijn schrijverij en de overlevering. De weinig milde kritiek uit linkse kringen over 40.000 door hem op Zuid-Celebes over de kling gejaagde inlanders is in elk geval apert onjuist (zie kader). Volgens ‘Mijn mémoires’ was Westerling even ongecompliceerd als pretentieloos. | Luitenant-kolonel dr. Muhammad Natzir Saïd, die aan de Selayang Pandang Universitas Hasanuddin te Ujung Pandang geschiedkundig onderzoek verricht naar de Indonesische strijdkrachten, heeft onderzocht dat het genoemde getal van 40.000 slachtoffers op Zuid-Celebes destijds door Indonesië is gebruikt als propagandamaatregel tegen de Nederlanders. Uit onderzoek van Natzir Saïd is gebleken dat op Zuid-Celebes in de periode december 1946 - februari 1947 in totaal 256 Indonesische doden te betreuren waren. Dit is dus tijdens de acties van kapitein Westerling en het Korps Speciale Troepen. De officiële verklaring is op 13 april 1977 door Natzir Saïd gestuurd aan Raymond Westerling zelf. 
Download hier de verklaring van luitenant-kolonel Muhammad Natzir Saïd aan kapitein Raymond Westerling (1,67 MB) (Met dank aan Gerard de Boer) |
|
Vooruit, beroepsdeformatie en vakidiotie kunnen hem niet ontzegd worden, maar hij was “een rechtvaardige wreker” (p. 95), geleid door “opwinding, activiteit en gevaar” (p. 39). Een man die geen geheim maakte van de beste militaire tactieken: - “[…] boven alles: om zich nooit te laten omsingelen” (p. 118)
| - “[…] geen expeditie ondernemen zonder grondige voorbereiding” (p. 137)
| - “[…] mijn stelregel om steeds het terrein te verkennen, alvorens me erop te wagen” (p. 126)
| - “De executie van één misdadiger zou de redding kunnen betekenen van honderden onschuldige mensenlevens” (p. 130)
| - “Ik meende, dat de beste verdediging tegen een aanval bestond in te trachten niet te worden aangevallen.” (p. 64)
|
Mede hierdoor gebeurde het, in Westerling’s woorden, zelden “dat méér dan drie of vier van de bendeleiders […] ter dood veroordeeld werden.” (p. 141) Tijdens de eigenlijke zuiveringen op Zuid-Celebes, voltooid in precies 2 maanden, leidde Westerling 11 operaties, “waarbij nog geen 600 terroristen tijdens de gevechten sneuvelden of werden geëxecuteerd. Van mijn eigen 123 mannen, verloor ik er 3.” (p. 152). Of het zo gegaan is en niemand door zijn toedoen “nodeloos of ten onrechte” (p. 155) is gestorven, laat ik in het midden. Ik was er niet bij. | Westerling was volgens zijn lezing bepaald niet een “bloeddorstig monster”, destijds beschuldigd van de slachting op 42.000 (sic!) onschuldige burgers. Het is geen vreemde gedachte dat Westerling, zowel door de internationale gemeenschap als Nederland, is misbruikt… voor het ontbreken van gedurfde actie aan gene zijde. De toepassing van contraterreur door het Korps Speciale Troepen (KST) was zowel van hoger hand gevraagd als broodnodig om het machtsvacuüm in “een soort niemandsland” (p. 70) op te vullen. Die afwezigheid van gezag ontstond na de Tweede Wereldoorlog, toen de (voormalige) Japanse bezetter de terroristen heimelijk bewapende, de Britten daaraan weinig konden doen, Soekarno onder die terroristen soldaten rekruteerde voor zijn republikeinse leger en de Nederlandse KNIL daar eerst niets aan MOCHT doen en later niets aan KON doen. |
Dat je dan in Polonia commando’s opleidt, die vervolgens – gebruikmakend van het psychologisch voordeel op de inlander, die bang is voor het duister – ’s nachts bij verrassing terroristen overrompelt en zo de ‘gewone’ inlander, de tani, voor je kunt winnen, omdat deze eindelijk bevrijd is van de terreur – is zeer begrijpelijk. Dat Westerling met deze acties politiek vuur trok is even vanzelfsprekend. Zijn latere acties met de APRA, waarin hij niet meer dan een aangeprate ‘Rechtvaardige Vorst’ was, moeten in ditzelfde licht worden gezien. Westerling, die aan Spoor kenbaar maakte genoeg te hebben “van de nutteloze opdrachten om militaire successen te behalen, die door politieke mislukkingen weer ongedaan werden gemaakt” (p. 189), daarom niet deelnam aan de 2de Politionele Actie en zijn ontslag indiende, pleegde vervolgens met 500 APRA-mannen en een paar secties KNIL op 23 januari 1950 een coup op de stad Bandoeng. Door gebrek aan wapens – omdat het wapenarsenaal van het KNIL niet konden worden bemachtigd – liep de hele actie spaak… Diezelfde Spoor zou Westerling eind 1948, althans volgens de auteur, voor de vierde maal hebben voorgedragen “voor de hoogste Nederlandse onderscheiding”; en diezelfde Spoor zou – volgens kwade tongen – de APRA de totstandkoming van de eenheidsstaat Indonesië hebben laten dwarsbomen. Waarom schrijft Westerling anders dat Spoor zich realiseerde dat APRA “een leidende rol zou kunnen spelen bij de toekomstige vormgeving van dit deel van de wereld” (p. 217)? Westerling als drager van de Militaire Willemsorde gaat menigeen NU misschien te ver, niet ontkend kan worden dat zijn verrichtingen indertijd, in dat tijdsgewicht, in dat perspectief, altijd in het oog hebben gelopen (je wordt nu eenmaal geen kapitein op je 27ste); dat hij als één der wei
|