In het Duits: Nahsicherung; unmittelbare Sicherung; Nahverteidigung. In het Engels: close protection; close-in security. In het Frans: protection rapprochée.
De beveiliging van de eigen eenheid (CP, HQ, logistieke installatie, opstelling, voertuigen) tegen vijandelijk optreden vanaf de grond of vanuit de lucht met de haar ter beschikking staande organieke middelen. Er wordt onderscheid gemaakt in actieve en passieve maatregelen én in zowel grond- als luchtnabijbeveiliging.
Nabijbeveiliging geldt primair het alarmeren van de rest van de eenheid en zich verdedigen tegen doorgedrongen vijandelijke eenheden. Het is een doorlopende drill die nadrukkelijk niet alleen gevechtseenheden betreft, maar iedereen – ook staven en zich verplaatsende eenheden (colonne, escorte, konvooi).
Bij iedere locatie en inzet van eigen troepen wordt de nabijbeveiliging uitgevoerd. Hoewel elke eenheidscommandant zorg draagt voor de nabijbeveiliging van zijn eenheid, moet elke individuele militair in zijn eigen nabijbeveiliging voorzien en draagt hij verantwoordelijk voor zijn (sector van) nabijbeveiliging. Zo bekommert een chauffeur zich over de nabijbeveiliging van zijn (statisch of stilstaand) voertuig.
Bij de afweging van de te treffen maatregelen in het kader van nabijbeveiliging spelen een aantal factoren een rol:
de aard van de beschikbare (organieke) middelen
de factor tijd
het dreigingsniveau
Nabijbeveiliging wordt onderscheiden in actief en passief:
Ook genaamd: V(ariable)T(ime)-buis of radarbuis. In het Duits: Annäherungszünder. In het Engels: proximity fuze. In het Frans: fusée (-détonateur) de proximité.
Ontstekingsmiddel voor een artilleriegranaat, dat ervoor zorgt dat de granaat detoneert zodra een hard voorwerp door de buis wordt waargenomen. De nabijheidsbuis werkt aan de hand van een ingebouwd zend-/ontvangsysteem dat radarstraling uitzendt. Zodra de door het doel teruggekaatste radargolven de juiste sterkte hebben, detoneert de granaat.
Operatie in de VLET. De nabijoperatie is gericht op het direct aangrijpen van de vijand met gebruikmaking van beweging, vuur en hindernissen. Het oogmerk van de nabijoperatie is het militair vermogen van de vijand te neutraliseren of te vernietigen.
Gevechtsvoerder van de nabijoperatie is de brigadecommandant. In Nederland zijn dat derhalve de commandanten van:
Traditioneel wordt het gevecht aan de VLET gevoerd door de manoeuvre- of gevechtseenheden: infanterie, cavalerie en artillerie. De divisie-commandant – in Nederland de commandant van het OPCO ( Operationele Commando) – geeft de ondercommandanten (zijn brigadecommandanten) een grote vrijheid van handelen, controleert het gevecht en stuurt bij op hoofdlijnen, bijvoorbeeld door de toewijzing van extra reserve-eenheden of reserve-materieel aan een brigadecommandant. Het resultaat van de nabijoperatie is te allen tijde beslissend voor het winnen dan wel verliezen van het gevecht.
In het Duits: Nachtsichtgeräte. In het Engels: night vision goggles; night vision equipment; night vision devices. In het Frans: appareil de noctovision; appareil de vision nocturne; équipement de vision nocturne.
Optro-elektronische middelen (optronica), al dan niet gebonden aan wapensystemen, die het mogelijk maakt om tijdens optreden bij duisternis, nacht en verminderd zicht (night ops) bijna even goed en comfortabel te zien als overdag. Technieken die dit mogelijk maken zijn aan de ene kant de intensivering van het restlicht in de omgeving (image intensification), anderzijds de omzetting van infrarood, niet voor het menselijk oog zichtbaar licht in thermische warmte (thermal imagery). Optronica werden voor het eerst gebruikt in de Tweede Wereldoorlog, in de jaren ’50 doorontwikkeld en in de Vietnamoorlog voor het eerst grootschalig ingezet.
Optimaal gebruik van het gezichtsvermogen is bepalend tijdens night ops, waar géén verlichting kan en mag worden gebruikt: zaklamp, voertuigverlichting, roken, open en smeulend vuur, gevechtsveldverlichting (voor waarneming in gebieden waar de inzet van nachtzichtapparatuur niet mogelijk is), computerschermen en overige lichtbronnen.
Optronica vergoten de operationele mogelijkheden, maar nadelig is het dat ze ruimte op het lichaam opeisen, vragen om extra energievoorziening (batterijen) en het gebruik van de andere, bij nacht eveneens zeer bruikbare zintuigen (gehoor, geur en gevoel) vermindert.
Mensen kunnen alleen goed zien bij daglicht; ze hebben van nature een minder goed nachtzicht dan de meeste dieren. Oorzaak is de afwezigheid van een tapetum lucidum (“tapijt van licht”): een laag van lichtweerkaatsende cellen in het choroidea (vaatvlies) dat achter de retina (netvlies) ligt. De laag schittert als er in het donker licht op valt, vergroot de lichtgevoeligheid van het oog en levert zo extra gezichtsvermogen op. (De aanwezigheid van een tapetum lucidum kan worden aangetoond worden door het oog te spiegelen. Reflecteert het oog groen, dan is dit aanwezig; reflecteert het oog rood, dan is dit afwezig.)
Daarnaast hebben mensen, in tegenstelling tot alle nachtdieren, veel minder staafjes (“rods”) in de retina. Bij een laag verlichtingsniveau domineert de activiteit van de lichtgevoelige staafjes, waardoor contrastverschillen (grijstinten) worden waargenomen, terwijl bij een hoog verlichtingsniveau de kleurgevoelige kegeltjes (“cones”) actief zijn en kleurverschillen waarnemen. De grijstinten bij schemering en in het donker zorgen er dus voor dat mensen bij weinig of geen licht toch enig gezichtsvermogen hebben.
Het duurt 30 à 45 minuten voordat de ogen aan het absolute donker gewend zijn; afhankelijk van de hoeveelheid restlicht en de aanwezigheid van kunstmatige lichtbronnen varieert deze tijd. Na het gebruik van nachtzichtapparatuur vermindert de gewenningstijd van de ogen aan het donker zeer fors: tot 2 (!) minuten. Overigens kan in het donker alleen de directe omgeving van een lichtbron worden bekeken.
ogen hebben ook gewenningstijd nodig bij het overschakelen op kunstlicht
ogen na twee minuten waarnemen tien seconden rust gunnen
Het gebruik van licht tijdens night ops trekt onnodige aandacht, waarna onderkenning een kwestie van tijd is. Militairen wordt aangeleerd om in het donker rood licht te gebruiken, omdat rood in plaats van een andere kleuren licht het best zorgt voor het behoud van het nachtzicht (staafjes zijn het minst gevoelig voor rood licht). Roken is absoluut not done: omdat de gloed van een sigarettip tot wel 4 km ver kan worden waargenomen én omdat het nachtzicht van fervent rokende militairen vermindert met 15 à 40%.
Juist in het donker kan een goed gezichts- en adaptatievermogen het verschil maken. Dit is niet alleen essentieel voor het verrassingseffect tegenover de vijand (zien vs. gezien worden), maar is ook voor eigen troepen niet onbelangrijk tijdens de uitvoering van onder andere nachtelijke patrouilles en waarnemingen.
’s Nachts kunnen troepen worden waargenomen met behulp van vijandelijke nachtzichtapparatuur; dit is de reden waarom de individuele camouflage bij duisternis en nacht hetzelfde dient te zijn als bij daglicht.
Er zijn wapengebonden nachtzichtkijkers, vaak tevens richtmiddelen, waarmee door één oog moet worden gekeken (monoculair) en niet-wapengebonden waarnemingskijkers voor chauffeurs en ondersteunend personeel.
Lichte versies van de laatste categorie kunnen blijvend op het hoofd of op de helm worden gedragen en één of beide ogen (binoculair) permanent of tijdelijk een verbeterd nachtzicht bieden. Ook zijn er handkijkers, zowel mono- als binoculair, die geschikt zijn voor meer kortstondig gebruik. Het gebruik van binoculairs stelt iemand in staat om diepte te zien, wat een groot voordeel is ten opzichte van het gebruik van monoculairs. Warmtebeelduitrusting kan bijvoorbeeld worden voorzien van een laserafstandsmeter.
Er zijn twee soorten nachtzichtapparatuur:
Infrarood- en warmtebeeldcamera’s
(IR en WB)
Restlicht- of helderheidsversterkers
(HV)
Gebaseerd op het gebruik van de infraroodstraling (IR) of warmtereflectie die wordt uitgezonden door de lichaamswarmte van mensen en dieren én alle voorwerpen met een bepaalde omgevingstemperatuur, zoals kampvuur, schietende wapens, sigarettip, uitlaat of warme motor.
Gebruikt een alternatief golflengtebereik, waarin de thermische straling die door voorwerpen wordt uitgezonden kan worden gedetecteerd.
Gebaseerd op de versterking van het minimaal aanwezige hoeveelheid restlicht, afkomstig van maan en/of sterren, die zo efficiënt mogelijk wordt versterkt en weergegeven.
Is onwerkbaar bij volledige duisternis of onder slechte atmosferische condities, omdat HV werkt in dezelfde golflente als het menselijk oog (dat in het donker ook niets ziet).
Eigenschappen van infrarood- en warmtebeeldcamera’s:
De afstand tot het doel is niet goed te zien.
Kan militairen in noodomstandigheden waarnemen (infrarood breaklight).
Maakt gebruik van temperatuurverschillen, waarbij 0,1º Celsius al voldoende is.
Nagenoeg niet op te sporen voor de vijand.
Neemt alleen schaduwbeelden waar.
Onafhankelijk van licht (dus ook niet of nauwelijks beïnvloed door licht op het gevechtsveld, tenzij flares, fosfor en rook).
Schuttersput met bovendekking beperkt de richting van waaruit ontdekking mogelijk is.
Warmte die vrijkomt zoveel mogelijk afschermen met jute (bij voertuigen: cabine, motorruimte, takkenscherm, uitlaat en wielen).
Eigenschappen van restlicht- of helderheidsversterkers:
Afhankelijk van (rest)licht.
Als het lichtniveau plotseling fel wordt (brand, kunstlicht, mondingsvuur), verzadigt de beeldversterkerbuis, vermindert de functionaliteit en kan de waarnemer verblind worden.
Gecamoufleerde objecten zijn (nagenoeg) onzichtbaar.
Werkt slecht of niet bij mist, regen en rook.
Op 17 juli 2009 besloot Defensie tot de aanschaf van nieuwe helderheidsversterkende brillen. De huidige generatie HV-brillen, aangeschaft in 2000 en 2005 heeft een technische levensduur van 10 jaar. Eigenlijk heeft Defensie 7.000 HV-brillen nodig, maar daarvoor is geen budget. Met de investering is een bedrag gemoeid tussen de € 25 en 50 miljoen. De HV-brillen zullen medio 2012/’13 instromen binnen de vier Operationele Commando’s van de krijgsmacht.
Vertaald: regel van Naismith. Regel die in 1892 is opgesteld door de Schotse accountant, bergbeklimmer, schrijver en skiër William Wilson Naismith (1856–1935), in 1899 één van de oprichters van de Scottish Mountaineering Club (SMC). Met de planningstool kan, met behulp van de lengte (afstand) en de elevatie (dalen of stijgen), de tijd worden geschat die nodig is voor een verplaatsing te voet door heuvel- en bergachtig terrein.
De vuistregel houdt in: elke mijl (1,609 km) verplaatsen door het terrein zal 20 minuten in beslag nemen en in één uur zal dus drie mijl (≈ 5 km) worden afgelegd.
Ook zal 3 minuten extra moeten worden opgeteld bij elke 100 feet (≈ 30 meter) die wordt gedaald en/of gestegen. Bij een daling en/of stijging van 1.000 feet (≈ 300 meter) in het terrein zal een half uur bij de totaaltijd moeten worden opgeteld. Dalen en stijgen kan tevoren worden bekeken aan de hand van de hoogtelijnen op een kaart.
Naismith’s Rule geldt voor gezonde mensen op representatief terrein onder normale terrein- en weersomstandigheden. De berekende tijd geldt als de minimale verplaatsingstijd. De regel wordt onder andere gebruikt door militairen, sporters en outdoor- en survivalliefhebbers.
Naismith bedacht de regel naar aanleiding van een solistische verplaatsing in mei 1892 over drie van de Crianlarich Hills (Crianlarich Munros) in de Schotse Hooglanden: van zuidwest naar noordoost over de Cruach Ardrain (1.046 meter), Stob Binnein (1.165 meter) en Ben More (1.174 meter). De drie munro’s – Schotse bergen van minimaal 3.000 feet (≈ 900 meter) – liggen in wat nu Loch Lomond & The Trossachs National Park heet, een natuurgebied ter grootte van 186.500 hectare.
Afgekort: NAI. In het Nederlands: tactisch belangrijk gebied. Terreinlocaties of –gebieden waarlangs de vijand acties zal ondernemen volgens de gedachte eigen beoordeling van de vijandelijke mogelijkheden. In de regel is dit de veronderstelde naderingsmogelijkheid. Behalve de aan- kan juist ook de afwezigheid van vijandelijke troepen een bevestiging of ontkenning zijn voor een bepaalde vijandelijke actie (elders).
Als NAI kunnen bijvoorbeeld plaatsen worden aangeduid waar:
Acroniem van: NAtriumPALMitaat. Ook genaamd: hellgelly; oil bomb.
Zeer gevreesd brandwapen op het slagveld. Olie of benzine is verdikt met natriumpalmitaat tot een kleverige, gelachtige substantie. Om napalmbommen te ontsteken werd vaak het zelfontbrandende witte fosfor gebruikt.
Napalm werd ontwikkeld door de Amerikaanse organisch chemicus prof. dr. Louis F. Fieser (1899-1977) en zijn team van de Harvard University in 1942. Op 17 juli 1944 dropte een Lockheed P-38 Lightning van de U.S. Army Air Force tijdens Operation Cobra napalm op een brandstofdepot in de buurt van het Franse oord Coutances. Het doel was een beslissende opening te creëren in de Duitse verdediging van Normandië. De eerste inzet van napalm buiten Europa vond plaats één dag voorafgaand aan de Slag om Tinian op Tinian-Stad (nu San Jose): de hoofdstad van het eiland Tinian werd op 23 juli 1944 door de VS bestookt met napalm. Napalmbommen werden vervolgens op grote schaal gebruikt in de Korea- en Vietnamoorlog. In 1980 werd het gebruik van brandwapens zoals fuel-air bombs en napalm in het vierde amendement van de Conventies van Genève beperkt tot het gebruik in gebieden waar zich geen burgers bevinden.
Natriumpalmitaat – voor 85 à 95% het basisbestanddeel van zeep – zorgt ervoor dat ‘napalm’ aan zowel de huid als het maaiveld kleeft en slechts korte tijd brandt. Het laat zeer ernstige brandwonden na.
Bekendste citaat over napalm:"Do you smell that? Napalm, son. I love the smell of napalm in the morning. It smells like... victory." Lieutenant-Colonel William ‘Bill’ Kilgore (Robert Duvall) tegen Captain Benjamin L. Willard (Martin Sheen) in de film 'Apocalypse Now' (1979).
Deze kazerne, gelegen aan de Randweg-Oost in Budel (gemeente Cranendonck), was van 1963 tot 2005 de thuisbasis van opleidingseenheden van de Duitse luchtmacht (Luftwaffenausbildung). Op 25 mei 1988 wijzigde Z.K.H. Prins Bernhard op een feestelijk appèl officieel de naam 'Legerplaats Budel' in 'Nassau-Dietzkazerne'. Op verzoek van de Duitse hoofdgebruikers werd de kazerne vernoemd naar een tak van het huis Nassau die heerste over het gelijknamige hertogdom in Duitsland, met sterke banden met het Nederlandse koningshuis. Voorbeelden van graven en vorsten uit het huis van Nassau-Dietz zijn Ernst Casimir (1573-1632), Hendrik Casimir I (1612-40), Hendrik Casimir II (1657-96) en Willem Frederik (1613-64).
De eerste Duitse eenheid die, in april 1963, de kazerne in gebruik nam was het Luftwaffenausbildungsregiment 2 (LAR 2), onder commando van Oberst Herbert Wittmann; vanaf 1 juli 1963 togen 1.800 rekruten voor een basis militaire opleiding van 18 maanden naar Budel.
De grondslag voor de stationering van Duitse militairen in het garnizoen Budel was het Budel-Seedorf-Abkommen (Budel-Seedorf-Akkoord) dat op 17 januari 1963 tussen de Bondsrepubliek Duitsland en Nederland werd getekend. Legerplaats Budel was in 1955 gereed gekomen en aanvankelijk voorbestemd voor het houden van herhalingsoefeningen; door het akkoord was Nederland de eerste NAVO-bondgenoot die de permanente stationering van Duitse eenheden op zijn grondgebied accepteerde. In 1964 volgde het Heeres-Betriebsstofftransportbataillon 961 het Luftwaffenausbildungsregiments 2 (LAR 2) naar Budel; in oktober 1972 verhuisde Sanitätsbataillon 110 naar Budel.
In juni 2005 nam de bevolking van Budel na 42 jaar officieel afscheid van de Duitse gemeenschap. Met het vertrek van de laatste Duitse militairen, is de toekomst van de Nassau-Dietzkazerne onzeker geworden. De toekomst van de kazerne is onduidelijk: wellicht wordt de kazerne gesloten en krijgen het terrein en de daarop aanwezige voorzieningen een nieuwe bestemming. Momenteel zijn de School voor Leidinggeven en Opleidingskunde (SLO; een dependance van de KMS) en de Lokale Facilitaire Dienst van het RMC Zuid nog op de kazerne gehuisvest.
Op 8 november 2006 tekenden Minister van Defensie Henk Kamp en de Duitse Verteidigungsstaatssekretär Christian Schmidt op het hoofdkwartier van het Duits-Nederlandse Legerkorps in Münster (Duitsland) een nieuw Duits-Nederlands raamverdrag dat het Budel-Seedorf-Abkommen vervangt.
Afkorting: NATRES. Op 3 mei 1948 riep de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken, mr. dr. Petrus Johannes Witteman, in een radiorede een viertal vrijwilligersorganisaties in het leven. Één daarvan was de Nationale Reserve.
Aanleiding voor de oprichting van het vrijwilligersleger was de angst voor de Sovjet-Unie, die blijkbaar zijn communistische invloedssfeer wilde uitbreiden: het was twee maanden na de machtsovername in voormalig Tsjecho-Slowakije. In die tijd zat een aanzienlijk deel van de Nederlandse krijgsmacht in Nederlands-Indië. Volgens de autoriteiten was het daarom zaak zo snel mogelijk een militaire eenheid te vormen ter verdediging en beveiliging van het Nederlands grondgebied.
De taak van de geheel uit vrijwilligers op te bouwen organisatie bestond er niet alleen uit om mogelijke acties van een vijfde colonne de kop in te drukken, maar ook om tegen eventuele landingen van Sovjetparachutisten op te treden.
Tegenwoordig bestaat het korps uit 2.800 à 3.000 actieve reservisten ("deeltijdmilitairen") met als hoofdtaak de bewaking en beveiliging van militaire objecten van zowel de Nederlandse krijgsmacht als bevriende landen op het eigen grondgebied, zoals communicatiecentra, havens, kazernes, legerplaatsen, mobilisatiecomplexen, munitiedepots en vliegvelden.
Wat (potentieel) belangrijk is voor de krijgsmacht kan worden bewaakt en beveiligd door de NATRES.
De Nationale Reserve is te vergelijken met de Amerikaanse National Guard en de Britse Territorial Army. In zijn algemeenheid maken dergelijke reserve-eenheden het mogelijk om voldoende flexibiliteit en voortzettingsvermogen van de krijgsmacht als geheel te waarborgen.
De Britse oud-premier Sir Winston Churchill roemde de reservist na de Tweede Wereldoorlog in zijn uitspraak “To be a reservist is to be twice a citizen” (“Reservist zijn is tweemaal burger zijn” ): met één been in de burgermaatschappij, met het andere in de krijgsmacht.
Overige taakstellingen:
Maatschappelijke dienstverlening: assistentie bij rampenbestrijding, zoals watersnood, ondersteuning van de activiteiten van 4 en 5 mei, steunverlening aan evenementen
Host Nation Support: leveren van diensten aan eenheden van bevriende landen, zoals steun die geleverd wordt als buitenlandse eenheden door Nederland trekken.
Ceremoniële ondersteuning: ere-afzetting op Prinsjesdag, Vierdaagse van Nijmegen e.d.
De NATRES heeft vijf regionaal opererende NATRES-bataljons, genummerd 10 t/m 50, waarbinnen personeel functies vervuld naast een baan in de burgermaatschappij én zoveel mogelijk in de nabijheid van de eigen woonplaats.Er zjin echter ook beroepsmilitairen voor onbepaalde tijd (BOT'ers) werkzaam in de bataljons, onder wie de plaatsvervangend bataljonscommandant (PBC).
10 NATRES-bataljon
Groningen, Friesland en Drente
Assen
20 NATRES-bataljon
Noord-Holland en Zuid-Holland
Den Haag
30 NATRES-bataljon
Zeeland, Brabant en Limburg
Vught
40 NATRES-bataljon
Gelderland en Overijssel
Harskamp (Ede)
50 NATRES-bataljon
Utrecht en Flevoland
Amersfoort
De NATRES oefent minimaal 120 uur per jaar, met een gemiddelde van één zaterdag en één of twee avonden per maand. Incidenteel zijn er meerdaagse oefeningen, bijvoorbeeld voor het spelen van oefenvijand (OPFOR) voor KMS- en KMA-leerlingen.De toelatingseisen voor de Nationale Reserve zijn: in het bezit zijn van de Nederlandse nationaliteit, tussen 19 en 49 jaar, en gezond en fit.
De NATRES is voortgekomen uit de schuttersgilden van de 13de eeuw, die in de 16de eeuw door Willem van Oranje werden georganiseerd in schutterijen.
Vervolgens werd op 4 augustus 1914 de Vrijwillige Landstorm opgericht: hierin konden de oudste dienstplichtigen als reservisten worden gemobiliseerd. Aanvankelijk werd de Vrijwillige Landstorm gevormd met mensen uit patriottische streken in Friesland en Limburg.
Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog telde de Vrijwillige Landstorm ± 6.000 manschappen. In de periode tussen beide wereldoorlogen besloot premier Hendrik Colijn tot uitbreiding van de Vrijwillige Landstorm, waardoor deze aan het begin van de Tweede Wereldoorlog uit bijna 100.000 manschappen bestond.
Tijdens de Koude Oorlog groeide de NATRES tot een volwaardige reservisteneenheid van de Koninklijke Landmacht. Sinds 1984 heeft de NATRES een eigen vaandel en sinds 1986 mogen ook vrouwen reservist worden.
Het korpsblad van de NATRES heet ‘November Romeo’.
De geschiedenis van het Korps Nationale Reserve is na te lezen in de publicatie ‘November Romeo Treed Nader! De Nationale Reserve 1948-1998’ (1998, Sdu Uitgeverij, 212 pagina’s, uitgebracht door het Instituut Militaire Geschiedenis van de Koninklijke Landmacht).
Wervingsfilm ‘Paraat of prikkeldraad’ van de Nationale Reserve uit 1948 in zwart/wit. De film van 8’21”is een productie van Polygoon Profilti.
Afgekort: NSE. Eenheid die uitvoering geeft aan de nationale verantwoordelijkheid voor de logistieke ondersteuning van de combined en joint ingezette Nederlandse eenheden. Ondanks het gegeven dat er tegenwoordig feitelijk alleen nog maar in internationaal verband wordt opgetreden, blijft de logistieke ondersteuning dus een nationale aangelegenheid.
Het NSE maakt geen deel uit van de ingezette eenheid zelf, maar levert vanuit een logbase (logistic base) de externe logistieke ondersteuning aan alle in het missiegebied ontplooide Nederlandse eenheden: dus alle Nederlandse contingenten, eenheden en individuen in het missiegebied.
Typerend voor de natie-specifieke ondersteuning van een NSE is dat deze eenheid, door de vele functionaliteiten, altijd is samengesteld uit vele andere eenheden.
Het NSE kan een ondersteuningscompagnie van de moedereenheid ondersteunen, wat afhankelijk is van onder meer de grootte van het missiegebied. Ook kan het NSE belast zijn met de coördinatie van R.S.O.M.I.
Het 5de en 6de getal uit het 13 getallen tellende NATO Stock Number (NSN) is de NATO Country Code (landencode). Hieraan kan worden afgelezen waar het betreffende artikel, item of product vandaan komt.
In het Duits: NATO-Matratze. In het Engels: NATO-mattress. Denigrerende benaming voor een vrouw, niet per se beroepsmatig van lichte zeden, die zich ophoudt in de nabijheid van kazernes om met iedere gegadigde die normaliter een uniform draagt uit te gaan. Het ‘stappen’ is vaak een middel om het doel – seks – te bereiken. Om deze reden gedragen en kleden dergelijke vrouwen zich in de regel ontuchtig. De NATO-matras was een wijd verbreid fenomeen ten tijde van de Legerplaats Seedorf.
De rapportage ‘Ongewenst gedrag binnen de krijgsmacht’ van de Commissie Onderzoek Ongewenst Gedrag binnen de Krijgsmacht, d.d. 29 september 2006, citeert een tweede betekenis: “Vrouwelijke militairen die meerdere seksuele partners hebben gehad zijn kwetsbaar als het gaat om hun reputatie en krijgen de bijnaam ‘Nato-matras’ of ‘Matras eerste klas’.”
Afgekort: NMRH. Voluit: 1 (NLD) NATO Military Relief Hospital.
De Pakistaanse stad Bagh
Nadat Pakistan op 8 oktober 2005 werd getroffen door een aardbeving met de kracht van 7.6 op de Schaal van Richter, overleden ± 80.000 mensen, raakten er zo'n 100.000 gewond en werden ± 3 miljoen mensen dakloos. De NAVO zegde humanitaire noodhulp toe. Nederland droeg in eerste instantie bij met een field dressing station (FDS) van het Korps Mariniers, dat aanwezig was in het noorden van Afghanistan. Het FDS had onder andere de beschikking over 2 Intensive Care-bedden.
In november 2005 nam de Koninklijke Landmacht de missie over: 1 (NLD) NATO Military Relief Hospital is in de stad Bagh operationeel geweest tussen 9 november 2005 en 10 januari 2006. Het was de eerste NAVO-operatie op Pakistaanse grondgebied.
Het hospitaal heeft in die tijd ruim 4.600 mensen behandeld. Bij de dagelijkse bezoeken met de Mobiele Medische Teams, die per voertuig of ezelpatrouille werden afgelegd aan afgelegen oorden in de wijde omgeving, nog eens 3.300. In totaal zijn in Pakistan 8.314 patiënten geholpen.
Het patiëntenaanbod varieerde van verwondingen als gevolg van de aardbeving, zoals (verwaarloosde) fracturen en brandwonden, tot verheugende zaken als geboorten (in totaal 11). Er werden 159 operaties uitgevoerd. Het aanzienlijke patiëntenaanbod werd onder meer veroorzaakt doordat lokale ziekenhuizen door de aardbeving volledig waren vernield.
Het personeel bestond uit militairen van 400 Geneeskundig Bataljon, Centraal Militair Hospitaal en Civiel Medisch Personeel (CMP’ers), maar ook Britten, Fransen, Macedoniërs, Portugezen en Tsjechen. Senior Medical Officer van het detachement was luitenant-kolonel Johan de Graaf, Clinical Director luitenant-kolonel chirurg Ignace Janssen. De militairen die in het NMRH in Pakistan hebben gewerkt, ontvingen de Herinneringsmedaille voor Humanitaire Hulpverlening bij Rampen met de gesp 'Pakistan 2005'.
Afgekort: NRF. Duits: Schnelle Interventionstruppe der NATO.
Feitelijk is de NRF het gestructureerde antwoord van de NAVO op nieuwe uitdagingen en bedreigingen, zoals het terrorisme.
Hoewel het initiatief tot de NRF op 24 en 25 september 2002 in Warschau is gelanceerd tijdens een informele ontmoeting van de Ministers van Defensie van de NAVO-lidstaten, is het eigenlijke concept van de NRF geboren op 21 en 22 november 2002 tijdens de NAVO-topconferentie in Praag. Al in juni 2003 is in Brussel het NRF-concept geaccordeerd door de gezamenlijke Ministers van Defensie van de NAVO met de presentatie van Military Committee Directive MC-477 ('Military Concept for the NATO Response Force').
De rol van de NRF is het leveren van geïntegreerde en volledig interoperabele land-, lucht- en zeestrijdkrachten, onder één commando, waar ook ter wereld om een conflict of escalatiedreiging te voorkomen.
Het principe van de NRF is een snelle interventiemacht die met een korte notice to move (vertrektijd) van 5 tot 30 dagen kan worden ingezet. De NRF is joint en combined , wordt voor iedere missie tailor-made samengesteld, is geschikt voor het optreden in het hoge geweldsspectrum (worst case-scenario) en heeft een voortzettingsvermogen dat een logistieke onafhankelijkheid garandeert van 30 dagen.
Support Counter Terrorism (acties tegen terroristische activiteiten)
Embargo Operations
Ook kan de NRF met of zonder instemming van de partijen ter plaatseworden ingezet als zgn. Initial Entry Force (ontplooid als eerste eenheid in het inzetgebied), bijvoorbeeld ter voorbereiding van een missie van de zgn. follow-on force.
De halfjaarlijkse rotaties van de NRF zijn gebaseerd op een periode van eenheidstraining, vervolgens zes maanden systeem- en interoperabiliteitstraining en tot slot zes maanden onmiddellijke beschikbaarheid ("on call").
De NRF-samenstelling is gebaseerd op:
landelement van brigade-grootte, incl. speciale eenheden (commando's e.a.)
marine-element dat bestaat uit een joint (gezamenlijke) Task Force
luchtelement dat geschikt is om 200 combat missions per dag te vliegen
Het op 19 mei 2004 officieel opgerichte Allied Command Operations (ACO) op het Supreme Headquarters Allied Powers Europe (SHAPE) in Mons (België) heeft de leiding over de NRF, inbegrepen:
standaardisering
certificering
oefening
Wat zijn en worden de wapenfeiten van de NRF, m.n. gericht op de inbreng van Nederland in de NRF:
15 oktober 2003
Tijdens een ceremonie op HQ AFNORTH in Brunssum is de NRF officieel geactiveerd door de generaals J. Deverell (CINC-AFNORTH) en J. Jones (SACEUR)
15 november 2003
Generaal J. Deverell heeft het eerste commando op zich genomen van de NRF, die in totaal 9.000 militairen telt
20 november 2003
In het Turkse Doganbey vindt de eerste NRF-demonstratie plaats onder de naam 'Allied Response 03'
juni/juli 2004
NRF-certificeringsoefening 'Bison Medic Response' (FTX) vindt plaats voor de eenheden van de Medical Task Force NRF-4
oktober 2004
Oefening 'Heroic Sword' (CPX/FTX) vindt plaats voor de eenheden van NRF-4
november 2004
NRF-certificeringsoefening 'Allied Warrior' vindt plaats ten behoeve van 1GNC
januari t/m juni 2005
Eerste "on call" -fase voor Nederland: 1GNC voert Land Component Command (LCC) over NRF-4 aan met onder andere 3.100 Nederlanders (exclusief nationale logistieke ondersteuning); daadwerkelijke i nzet van (een deel van) NRF-4 wordt zeer waarschijnlijk geacht.
oktober 2006
De NRF zal de status van Full Operational Capability (FOC) bereiken met een gepland totaal van 21.000 militairen
januari t/m juni 2008
Tweede "on call" -fase voor Nederland: 1GNC voert NRF-10 aan.
Zowel voorbereidings- als "on call" -fase komen wat de Nederlandse krijgsmacht betreft bovenop de lopende verplichtingen, zoals de missies in Afghanistan (ISAF), Bosnië (SFOR) en Irak (SFIR).
43 Gemechaniseerde Brigade uit Havelte levert het leeuwendeel van de eenheden en dus ook van het personeel binnen de Land Component Command van NRF-4.
Afgekort: NSN. Dertiencijferig getal dat door de lidstaten van de NAVO aan een uniek artikel in de ruimste zin van het woord wordt toegewezen. Een voorbeeld is de zaklamp MX-991/U, onder andere in gebruik bij de Koninklijke Landmacht, die als NSN 6230-00-264-8261/0 heeft.
Het NSN kan worden ontleed in vier groepen van getallen, onderbroken door een plat streepje, met achter de schuine streep het controlegetal:
6230
Groepsnummer
NATO Supply Classification Code (NSC)
00
Landenkengetal
NATO Code for National Classification (NCB)
264
8261
Artikelidentificatienummer
Non-Significant Number
0
Controlegetal
Het landenkengetal geeft in welk land het unieke artikel is geproduceerd: in dit geval staat de tweecijferige combinatie 00 voor de Verenigde Staten. Indien geproduceerd in Nederland is het landenkengetal 17.
De laatste negen cijfers van het NSN (NSN minus groepsnummer) is het NATO Item Identification Number (NIIN).
Om het controlegetal, indien niet gegeven, te berekenen moeten de laatste drie cijfergroepen bij elkaar worden opgeteld en gedeeld door 11.
In dit voorbeeld: (00 + 264 + 8261) : 11 = (8525 : 11) = 775,0.
Het restgetal van de uitkomst (m.a.w. het getal dat niet meer gedeeld kan worden zonder dat het een breuk wordt) is het controlegetal. Het controlegetal is onder andere terug te vinden in de Organisatie Tabel en Autorisatie Staat (OTAS), de lijst van alle personeel en materieel binnen een eenheid.
Binnen de NAVO houdt het Allied Committee 135 (AC 135) zich bezig met het toekennen én catalogiseren van NATO Stock Numbers. Het zgn. NATO Codification System is gebaseerd op twee NATO-Standardization Agreement (STANAGS):
3150 (Uniform System of Supply Classification)
3151 (Uniform System of Item Identification)
BInnen de NAVO zijn heden ten dage ongeveer 16 miljoen actieve NSN's, waarvan alleen al zeven miljoen aan de Verenigde Staten zijn toegewezen. De artikelen lopen uiteen van handgranaten tot geleide projectielen, van stukken zeep tot wasmachines, van zaklampen tot bouwlampen.
Bad- en wasfaciliteit, met name geloceerd in een Porta Cabin of andere gecontaineriseerde of geprefabriceerde ruimte. De ruimte is uitgerust met airconditioning, boilers, douches, spiegels, toiletten, urinoirs, ventilators en/of wasbakken met kranen.
In Uruzgan bestaat een natte groep uit 2 containers met 2 douches, 2 toiletten, 2 urinoirs en 4 wasbakken. Verder is elke container voorzien van airconditioning en verwarming. Per stuk kosten de containers € 30.000.
In plaats van de astronomische schemering (een zonsdiepte van precies 18 graden onder de horizon) en de ‘burgerlijke schemering’ (als de zon 6 graden onder de horizon is) hanteert de krijgsmacht het begrip ‘astronomische schemering’. Dit is het moment dat de zon 12 graden onder de horizon gezonken is. Dit is hetzelfde als ± 210 duizendste. De term is afkomstig uit de scheepvaart en watersport.
De tijd tussen het moment dat de zon 12 graden onder de horizon staat en zonsopkomst, wordt BNMS genoemd: Begin Nautische Morgen Schemering. Normaliter valt dit tijdstip ± 1 uur vóór zonsopkomst. Het is dus een periode van daglicht, evenals ENAS, die begint bij praktisch volledige duisternis en eindigt bij vol daglicht (zonsopkomst).
De tijd tussen zonsondergang en het moment dat de zon 12 graden onder de horizon staat, wordt ENAS genoemd: Einde Nautische Avond Schemering. Normaliter valt dit tijdstip ± 1 uur na zonsondergang. Het is dus een periode van daglicht, evenals BNMS, die begint bij zonsondergang en eindigt bij volledige duisternis.
BNMS en ENAS zijn belangrijk om te weten of militair optreden onder verduisterde cq. donkere omstandigheden zal plaatsvinden.
Tijdens de nautische avondschemering zijn de omtrekken van objecten nog herkenbaar, althans bij de afwezigheid van verlichting (dus niet in verstedelijkte gebieden).
De tijd van zonsopkomst of -ondergang kan afwijken door de opbouw van de atmosfeer (‘optisch bedrog’), topografie (natuurlijk, door geaccidenteerd terrein, of kunstmatig, door obstakels) of de hoogte van de waarnemer.
Afkorting van Noord-Atlantische Verdrags Organisatie.
In het Duits: Nordatlantikvertrag-Organisation. In het Engels: North Atlantic Treaty Organisation (NATO). In het Frans: Organisation du Traité de l’Atlantique Nord (OTAN).
De NAVO is opgericht na de Tweede Wereldoorlog door België, Canada, Denemarken, Frankrijk, Groot-Brittannië, IJsland, Italië, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, Portugal en de Verenigde Staten; het verdrag is getekend op 4 april 1949 in Washington D.C.
In 1963 kwam er van Franse zijde kritiek op de Amerikaans-Britse plannen inzake de NAVO; in ’65 ontvingen alle Franse troepencontingenten van de regering de order verdere deelname aan de gemeenschappelijke manoeuvres van het bondgenootschap op te schorten. Frankrijk maakte in het vervolg geen deel meer uit van de militaire organen van de NAVO en in ’66 werden de militaire instanties uit Parijs verhuisd. Het geallieerde opperbevel (Supreme Allied Commander, SACEUR) trok naar Bergen (Mons) en Casteau in België. De SACEUR is altijd een Amerikaanse generaal.
In 2000 bestond de NAVO al meer dan 50 jaar.
De Secretaris-Generaal, de hoogste civiele functionaris binnen de NAVO, was tot op heden driemaal een Nederlander: Dirk Stikker (1961-1964), Joseph Luns (1971-1984) en Jaap de Hoop Scheffer (2004-2009).
Het NAVO-verdrag regelt onder andere de wederzijdse verdediging en supranationale samenwerking van de krijgsmachten van de meeste westerse landen. De kern van het NAVO-verdrag staat in artikel 5, dat aangeeft dat in geval van een aanval op één van de lidstaten deze aanval door de andere lidstaten zal worden opgevat als een aanval op alle lidstaten; vervolgens zullen alle lidstaten samenwerken om de aanval af te slaan.
Op 1 april 2009 zijn Albanië en Kroatië toegetreden tot de NAVO. Door de uitbreiding bestaat het bondgenootschap nu uit 28 landen.
Op 3 augustus 2009 is bekendgemaakt dat de voormalige Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken, Madeleine Albright, voorzitter wordt van een expertgroep van de NAVO die moet komen tot een nieuw Strategisch Concept. De expertgroep is opgericht op verzoek van de nieuwe Secretaris-generaal van de NAVO, Anders Fogh Ramussen.
Volgens Ramussen is dit nodig vanwege de opkomst van dreigingen als internationaal terrorisme, cybercrime en piraterij. Het huidige Strategisch Concept dateert van 1999, voordat op 11 september 2001 zo’n drieduizend mensen om het leven kwamen bij de terroristische aanvallen op New York, het ontstaan van cybercrime, de neergang én opkomst van de Taliban in Afghanistan en de golf piratenaanvallen in de Golf van Aden.
Vice-voorzitter van de twaalf man sterke expertgroep wordt de voormalige bestuursvoorzitter van Royal Dutch Shell, Jeroen van der Veer. Onder de overige tien experts bevinden zich de Britse oud-Minister van Defensie Geoff Hoon, de voormalig gezant bij de NAVO voor Turkije, Umit Pamir, de president van de Franse nationale bibliotheek en tevens strategie-expert, Bruno Racine, de Poolse oud-Minister van Buitenlandse Zaken Adam Daniel Rotfeld en een aantal carrièrediplomaten.
Het plan van de expertgroep zal op de NAVO-topconferentie in Lissabon in 2010 ter goedkeuring aan de leiders van de NAVO-lidstaten worden voorgelegd.
Alle NAVO-uitbreidingen in één kaart: 1949 (oprichting van het Noordatlantisch bondgenootschap), 1952, 1955, 1982, 1990, 1999, 2004 en 2009.
(Bron: Armex. Onafhankelijk Defensiemagazine, 94ste jaargang, augustus 2010, nummer 4).
Verouderde benaming voor wat tegenwoordig NAVO-breed C.B.R.N. wordt genoemd: Chemisch, Biologisch, Radiologisch en Nucleair.
NBC werd ook wel ABC genoemd: Atomair, Biologisch, Chemisch. Zowel NBC, ABC als CBRN duiden op onconventionele wapens cq. strijdmiddelen die kunnen worden gebruikt.
Ook wel aangeduid als massavernietigingswapens. Van de verspreiding van massavernietigingswapens gaat een groeiende bedreiging uit, zoals bij internationaal terrorisme.
Het huidige NBC-pak dateert van 1978 (M78) of 1982 (M82). Het nieuwe NBC-pak M2000 voor de 21ste eeuw is een aangepaste versie van het Amerikaanse NBC-pak.
Rechtsboven de nieuwe NBC-parka, rechtsonder de nieuwe NBC-broek en links een militair die volledig in een nieuw NBC-pak is gestoken
Het nieuwe NBC-pak M2000 beschermt minimaal 6 uur bij een vloeistofbesmetting en maximaal 24 uur in een gas- of dampconcentratie. De concentraties waarbij het NBC-pak nog wél bescherming biedt zijn NAVO-geheim.
Het in het Latijn gestelde motto van 11 Air Manoeuvre Brigade Air Assault - voorheen 11 Luchtmobiele Brigade - is ‘Nec Temere, Nec Timide’. Deze kreet betekent in het Nederlands: “Noch Roekeloos, Noch Vreesachtig”.
De wapenspreuk geeft aan dat een lid van de Luchtmobiele Brigade zich wel degelijk zorgen maakt met betrekking tot de gevolgen van een handeling of het daaraan verbonden gevaar, maar hij is niet bang uitgevallen.
in het Duits luidt het devies “Weder Furchtsam Noch Unbesonnen”, in het Engels “Neither rashly nor timidly”.
In Duitsland is dit tevens de zinspreuk van de Hansestadt Danzig. Ook is dit het motto van het Amerikaanse 12th Field Artillery Battalion uit Fort Meyer, Virginia, dat in de Eerste Wereldoorlog, als een integraal onderdeel van de 2nd (US) Division, slag voerde in Frankrijk. Na ‘La Grande Guerre’ werd het veldartilleriebataljon gestationeerd in Fort Sam Houston, Texas.
Op 15 oktober 1950 werd het Nederlands Detachement Verenigde Naties opgericht, ook wel Van Heutsz Bataljon genoemd, omdat alle leden registratief onder het Regiment Van Heutsz vielen. Sinds 1 juli 1950 had het regiment bij Koninklijk Besluit de tradities van het KNIL overgenomen.
Vanaf december 1950 nam het NDVN, ter sterkte van een bataljon, deel aan de peace-enforcement-operatie in Korea, nadat op 25 juni 1950 zeven volledig door de Sovjet-Unie uitgeruste Noordkoreaanse (NKA) infanterie-divisies, aangevoerd door 230 Russische T-34 tanks, de 38ste breedtegraad overtrokken naar het Westers-georiënteerde Zuid-Korea.
Op 27 juni nam de VN-Veiligheidsraad, dankzij een boycot van haar vergaderingen door de Sovjet-Unie, het besluit om een VN-macht naar Zuid-Korea te sturen, en al op 30 juni arriveerde druppelsgewijs de eerste Amerikaanse troepen. De Amerikaanse 7de Vloot (met de F-9 Panther als eerste straalvliegtuig van de nieuwe generatie) kwam in actie en vanuit Japan werden B-29 bommenwerpers tegen de Noordkoreaanse agressor ingezet.
Generaal Douglas MacArthur werd opperbevelhebber over de VN-macht, terwijl het 8ste Amerikaanse leger onder commando stond van generaal Walton Walker (later: Matthew Ridgway). De Zuidkoreaanse hoofdstad Seoul viel al na 3 dagen en in september 1950 had Noord-Korea 90% van het Zuidkoreaanse grondgebied in handen. Later bleek dat China aan Noordkoreaanse zijde meevocht.
Het NDVN, uiteindelijk bestaande uit een staf, een staf-compagnie, drie tirailleur (infanterie)-compagnieën (tir-cie) en een ondersteuningscompagnie (ost-cie), werd ter plaatse ingedeeld in het 38ste Regiment van de 2de Divisie van het 8ste Amerikaanse Leger. Het NDVN werd, gesteund door Zuidkoreaanse hulpkrachten (Katusa's), onmiddellijk aan het front ingezet en leverde aan vele acties hun belangrijke bijdrage. Meest in het oog springend waren de acties bij Hoengsong, Inje en Wonju.
De eerste commandant van het NDVN, luitenant-kolonel M.P.A. den Ouden, sneuvelde met 16 anderen bij de gevechten om Hoengsong (op 12 februari 1951) en werd postuum tot ridder der vierde klasse in de Militaire Willems-Orde benoemd, de hoogste dapperheidsonderscheiding van Nederland. Hetzelfde eerbewijs ontvingen soldaat J.F. Ketting Olivier en kapitein J. Anemaet voor hun bijdrage aan de gevechten om heuvel 325 bij Wonju.
De marine was daarnaast constant met een oorlogsbodem, de torpedobootjager Hr. Ms. Evertsen, vanuit de haven van Soerabaja in de Koreaanse wateren aanwezig.
Na de op 27 juli 1953 in Panmoendjon overeengekomen wapenstilstand tussen Noord- en Zuid-Korea, vertrokken de Nederlanders in oktober 1954 weer naar Nederland. Van de ruim 16.000 gegadigden voor het NDVN in 1950, vochten gedurende 4 jaar bijna 4.000 landmacht-militairen in Korea. In totaal 120 Nederlandse militairen sneuvelden of overleden door ziekte en ongevallen.
De meeste doden liggen begraven op het ereveld Tanggok. Op de Engelbrecht van Nassau-kazerne in Roosendaal is in 1982 een monument, geschonken door het Koreaanse volk, onthuld ter nagedachtenis aan de Korea-veteranen. De Korea-veteranen zijn verenigd in de VOKS: Vereniging van Oud-Korea Strijders (VOKS), die onder andere jaarlijkse herdenkingen houdt op de Oranjekazerne in Schaarsbergen (bakermat van het Regiment Van Heutsz).
Na de Korea-oorlog is de Nederlandse deelname aan vredesoperaties (Peace Support Operations) toegenomen, zoals te lezen is in:
'Van Korea tot Kosovo. De Nederlandse militaire deelname aan vredesoperaties sinds 1945'
Sdu Uitgevers, Den Haag, 1999
ISBN 901208766X
'Van Korea tot Kabul. De Nederlandse militaire deelname aan vredesoperaties sinds 1945'
Een van de drie militaire vakbladen voor de leden van het Regiment Geneeskundige Troepen.
Verschijnt tweemaandelijks, is een uitgave van het Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf en hoofdredacteur is de kapitein ter zee-arts M .J.J. Hoejenbos.
Het redactieadres is Postbus 20701, 2500 ES Den Haag en het ISSN 0369-4844.
Volledig: regel van negen volgens Wallace. In 1951 introduceerde dr. "Alister" (Alexander Burns) Wallace (1906-1974) de Regel van Negen (‘Rule of Nines’) in een artikel in het gezaghebbende Britse medisch tijdschrift The Lancet. Wallace, een Schots plastisch chirurg die in Bangour General Hospital bij Edinburgh werkte, voerde de regel in voor patiënten die ouder zijn dan 16 jaar, d.w.z. volwassenen.
De Regel van Negen genereert een bruikbaar – maar geschat – percentage van de Total Body Surface Area (TBSA) van het lichaamsoppervlak dat verbrand is. Overleven is sterk afhankelijk van het brandwondoppervlak: een brandwond met een oppervlakte groter dan 9% moet altijd worden beoordeeld door een arts.
Het totaalpercentage van de verbrande huid geeft de ernst van de brandwond aan: hoe groter de oppervlakte van de brandwond, des te groter het gevaar van warmteverlies (hypothermie), vochtverlies (dehydratie) en infectie.
Officiële benaming: Jeep, M 38A1, 1/4 ton, 4x4, 24V. De naam Nekaf is een samentrekking van de Nederlandse Kaiser-Frazer Fabrieken N.V., oorspronkelijk de Europese vestiging van het Amerikaanse Kaiser Frazer dat in 1953 de productie van de jeep had overgenomen van Willys-Overland. In 1970 zou Kaiser door American Motors worden overgenomen.
Het assemblagebedrijf was aan de Sluisjesdijk in Rotterdam gevestigd. Het bedrijf stelde in licentie grote aantallen voertuigen voor de Nederlandse krijgsmacht samen. De voor de M38A1 Nekaf benodigde onderdelen werden geleverd door de Willys Overland fabrieken in Toledo, Ohio, VS.
Ondanks concurrentie van de destijds speciaal voor de Nederlandse landmacht ontwikkelde lichte terreinwagen DAF YA 054, werd in januari 1955 het eerste contact getekend voor de levering aan het toenmalige Ministerie van Oorlog. De eerste M38A1 Nekaf werd uitgeleverd op 28 mei 1955. In totaal werden er 5.676 Nekafs gebouwd, waarvan de laatste in 1958 van de band rolde. Nadat in dat jaar de firma Kemper & Van Twist Diesel uit Dordrecht de productie had overgenomen, werden nog eens 2.000 jeeps gebouwd. Hiermee zijn in totaal 7.676 exemplaren geproduceerd.
De M38A1 werd geassembleerd en gebruikt in een Algemene Dienst (AD) uitvoering, gewondentransport, met terugstootloze vuurmond 106 mm, met een 30 inch mitrailleur, als verkenningsvoertuig en zelfs als brandweervoertuig.
In zijn standaard uitvoering biedt de Nekaf plaats aan vier personen, inclusief de bestuurder.
Helaas brak in 2004 het woord ‘nepveteraan’ definitief door in de Nederlandse vocabulaire. Het gaat hier om een zeer fout, absoluut niet vermakelijk fenomeen: een man of vrouw die zich met een uitgestreken gezicht – in vol ornaat, blazer of colbertjasje behangen met medailles en overige onderscheidingen – tijdens defilés, herdenkingsbijeenkomsten en reünies militaire eer laat welgevallen die hij/zij in het geheel niet verdient.
Voor de echte veteraan - een militair die heeft gediend onder oorlogsomstandigheden of tijdens vredesoperaties, en intussen de actieve dienst heeft verlaten - is de nepveteraan een belediging en plaaggeest. De nepveteraan doet immers afbreuk aan de inzet en offers van echte veteranen. Soms worden deze nepveteranen bij herdenkingen nota bene met de meeste egards behandeld.
Nepveteraan Henk Lenting in De Telegraaf na de nepoverval...
Meest in het oog springende pseudo-oud-strijders – tevens helden-op-sokken en pathologische leugenaars – zijn Anton den Harder, Henk Lenting, Will Weyenberg en de Canadese Nederlander Dick Wille.
Weyenberg verklaarde in 1998 te handelen vanuit een sterke betrokkenheid bij de strijders uit W.O. II. Tijdens de jaren 1940-’45 was hij echter geen militair maar grafdelver. Hij werd uiteindelijk ontmaskerd door de Vereniging van Oud-Korea Strijders (VOKS). Voor de in Canada woonachtige Dick Wille, die tot 2006 jaarlijks een grote veteranenbijeenkomst organiseerde in het Lady Luck Hotel in Las Vegas (VS), werd gewaarschuwd door het Veteranenplatform.
Henk Lenting is nooit in actieve dienst geweest en staat bij het Veteraneninstituut te bekend als “fantast”; sinds de invalide ‘Bosnië-veteraan’ begin 2009 in Venray zou zijn overvallen, weten ook het Ministerie van Defensie en het Reünieverband Dutchbat III van het bestaan van deze nepveteraan.
Bij de 50ste herdenking van de Slag om Arnhem doken zo’n vijf tot tien nepveteranen op. In 2004 dook tijdens de Airborne Wandeltocht een oude Belg op, getooid met de maroonrode baret, die liet weten veel moeite te hebben met de terugkeer naar de plaats waar hij bijna zestig kameraden van de SAS had verloren. Bij navraag gaf de Belg schoorvoetend toe nooit tijdens de Slag om Arnhem aanwezig te zijn geweest.
Toneelgroep Het Volk maakte in 2006 over nepveteranen de tragikomedie ‘Helden zonder glorie’, geschreven door Don Duyns. Hierin spelen de acteurs Bert Bunschoten, Joep Kruijver en Wigbolt Kruijver drie verknipte oorlogsveteranen die voorlichtingsavonden organiseren waar ze hun heldhaftige, al dan niet waargebeurde oorlogsverhalen vertellen.
Het maandblad voor veteranen Checkpoint besteedde in april 2009 aandacht aan de nepveteraan.
Transnationale, veelal maatschappelijk geëngageerde organisatie die gewoonlijk niet van regeringswege wordt gestuurd, waar de overheid primair géén invloed op heeft en die niet door een overheid wordt vertegenwoordigd.
In principe zijn NGO’s non-profit organisaties, d.w.z. zonder winstoogmerk, die draaien op vrijwilligers die, evenals de hun ter beschikking staande middelen, worden gefinancierd uit fondsenwerving. Het gemeenschappelijke belang van NGO’s ligt veelal op het gebied van conflictpreventie, humanitaire hulpverlening, mensenrechten en ontwikkelingshulp. NGO’s van naam zijn Amnesty International, Artsen Zonder Grenzen (Médecins Sans Frontières), Cordaid, Human Rights Watch en Oxfam Novib.
Zowel de aanwezigheid van NGO’s (locaties, mogelijkheden, omvang en soort) als de onderlinge afstemming van de diverse NGO’s met de lokale autoriteiten én de aanwezige militairen, kan essentieel zijn om een specifieke inzet sneller te laten verlopen. Het lenigen van de acute nood, in het bijzonder bij natuurrampen (aardbeving, droogte, epidemie, hongersnood, overstroming), vindt normaliter het snelste plaats door de al aanwezige NGO’s.
Sommige NGO’s willen niet samenwerken met militairen, omdat zij zelf neutraal willen blijven of vinden dat de krijgsmacht in dezelfde vijver vist als de NGO’s. Defensie voert dan ook in toenemende mate zelf ontwikkelingshulpprojecten uit in het kader van civiel-militaire samenwerking en quick impact projects. Een betere afstemming op én communicatie met militairen is een vereiste. Hiertoe kan in een missiegebied als intermediair tussen NGO’s en militaire hulpverleners een liaison worden aangesteld. Indien de situatie zo gevaarlijk en/of instabiel is dat militairen de enigen zijn die toegang hebben tot een bepaald gebied, blijven de NGO’s wijselijk weg. Hoewel de aanwezigheid van militairen en/of het zich – ongewild – voor het karretje van militairen laten spannen voor de meeste NGO’s dé pijnpunten zijn, blijkt uit het op 29 mei 2006 verschenen onderzoeksrapport 'Principles and Pragmatism, Civil-military action in Afghanistan and Liberia’ van NGO Cordaid dat militairen in missiegebieden juist populairder zijn dan NGO’s.
Aan het Zandpad in Nieuwersluis, aan de Nieuwe Hollandse Waterlinie, liet Koning Willem III in 1876 – in navolging van onder andere Frankrijk en Pruisen – een Pupillenschool bouwen: een militaire school. Wanneer de ouders geen geld hadden om zelf de opvoeding en scholing van hun kroost te betalen, kregen ze hier vanaf hun 12de jaar instructie in aardrijkskunde, exercitie, geschiedenis, godsdienst naar keuze, gymnastiek, militaire reglementen, Nederlandse taal (lezen en schrijven), oefening met geschut en brandspuit, rekenen, schaatsen en zwemmen. Zestien jaar jong gingen de jongens vervolgens in krijgsdienst, bijvoorbeeld bij infanterie of artillerie.
De school werd opgericht bij Koninklijk Besluit van 27 januari 1877 en stond onder beschermheerschap van Koning Willem III zelf. De dagelijkse leiding van de school was in handen van een kapitein der infanterie. Per 1 januari 1896 werd de Pupillenschool opgeheven: in de 18 jaar van haar bestaan hadden bijna tweeduizend jongeren er hun opleiding genoten. (Van 1877 tot ’96 heette de school ook wel School voor zonen van dienende en/of gewezen militairen.)
Vervolgens werden in de Koning Willem III Kazerne, zoals het gebouw zelf werd genoemd, tussen eind 20ste eeuw en het einde van W.O. II nog het Depot voor Discipline van het Korps Politietroepen, de Tuchtklasse voor de Opleidingsschool Marechaussee en het Centraal Bewaringskamp politieke gevangenen gevestigd.
Op 1 september 1946 werd dan het Depot- en Detentiekamp opgericht ten behoeve van weigeraars (met een beroep op de Dienstweigeringwet) van uitzending naar Nederlands-Indië en van wie aanwezigheid bij de troep ongewenst was of een gevaar kon opleveren dan wel schade voor de geest van de troep kon berokkenen.
Vanaf 1 juli 1950 wijzigde de naam in Depot voor Discipline, dat direct onder de Bevelhebber der Landstrijdkrachten ressorteerde. De militaire detentie werd, in tegenstelling tot in de burgermaatschappij, niet expliciet voor bepaalde straffen toegepast, maar veelvuldig opgelegd in plaats van gevangenisstraf, om hechtenis te besparen of te bevorderen dat de militaire geoefendheid kon worden onderhouden. Militaire detentie was dus meer preventief dan reactief. Vóór 1974 werd in Nieuwersluis ook de tuchtrechtelijke straf plaatsing in een tuchtklasse uitgevoerd – een straf die met de wijziging van het tuchtrecht verdween.
In 1979 veranderde de naam in Militair Penitentiair Centrum (MPC) Nieuwersluis, nog altijd ten behoeve van het in detentie houden van militairen die waren veroordeeld tot een vrijheidsstraf.
In 1997 is de Koning Willem III Kazerne overgedragen aan de Dienst Justitiële Inrichtingen, die er een penitentiaire inrichting voor vrouwen vestigde. Defensie huurde er tot maart 1999 celruimte, waarna het MPC verhuisde naar gebouw 283 op de Majoor Mulderkazerne aan de Wolweg in Stroe (gemeente Barneveld).
Ook het MPC Stroe is dus zowel een huis van bewaring, waar een verdachte in voorlopig arrest kan worden gehouden, als een gevangenis, waar een gedetineerde – die rechtens van zijn vrijheid is beroofd - gevangenisstraf, hechtenis of militaire detentie ondergaat.
De bekendste veldslag uit de Nederlandse krijgsgeschiedenis v ond plaats op 1 juli 1600, halverwege de Tachtigjarige Oorlog. Krijgsheer Prins Maurits, zoo n van Willem van Oranje, was eigenlijk op weg naar Duinkerken om de kapers aan te pakken die de zee onveilig maakten en dus de Nederlandse handelsvloot het werken onmogelijk maakten.
Links Prins Maurits, rechts de prins die op zijn paard voorgaat in de strijd
Maurits – opperbevelhebber van het leger van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (Friesland, Gelderland, Groningen, Holland, Overijssel, Utrecht en Zeeland) – ging vanuit Vlissingen met zijn leger op weg in opdracht van de Staten-Generaal.
Over land en ter zee trok hij met 1.300 schepen, 13.000 man voetvolk (musketiers en piekeniers) en 3.000 ruiters op naar Oostende, dat al in Hollandse handen was.
Onderweg naar Duinkerken stuitte hij echter bij het Vlaamse havenplaatsje Nieuwpoort op de gecombineerde troepenmacht van aartshertog Albrecht van Oostenrijk (in opdracht van de Spanjaarden landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden) en de Spaanse generaal Francisco de Mendoza.
Nadat Prins Maurits zijn eerste confrontatie met de Spaanse vijand aan de IJzer drastisch had verloren, liet hij zijn troepen opstellen in de duinen aan de kust. Tijdens het innemen van de opstellingen voor de geplande verrassingsaanval, begon de eigenlijke veldslag.
Maurits had 9.400 man voetvolk en 2.500 man ruiterij, Albrecht van Oostenrijk beschikte over 6.500 man voetvolk en 1.200 man ruiterij. Doordat de Nederlandse en Engelse troepen zich in de duinen en op het strand opstelden, moesten de Spaanse troepen tegen de zon en de wind in vechten. Mede doordat Maurits langer een groep ruiters als reserve achterhield en pas inzette op het moment dat zijn leger verslagen leek, werd de Slag bij Nieuwpoort in minder dan vier uur tijd door de Nederlanders gewonnen.
De Spanjaarden verloren ruim 4.000 man, de Staten-Generaal onder leiding van Prins Maurits 1.700. Albrecht van Oostenrijk sloeg op de vlucht, Francisco de Mendoza werd gevangengenomen. Hoewel Prins Maurits in zijn eerste échte veldslag een klinkende overwinning behaalde, had de veldslag géén militair nut: Nieuwpoort bleef in handen van de Spanjaarden. Bovendien waren er duizenden slachtoffers te betreuren.
Niettemin gold door de overwinning in de Slag bij Nieuwpoort het leger van het genie Maurits als een schoolvoorbeeld voor anderen. Het geheim van de strateeg school erin hoe hij zijn manschappen organiseerde en samenstelde én op het slagveld het principe van de kleinere eenheden herintroduceerde ten voordele van een meer wendbare strijdmacht.
Night operations. In het Duits: Nachtbetrieb. In het Frans: opérations de nuit. In het Nederlands: nachtoperaties.
Nachtelijk optreden – tussen schemering en dageraad, of uitgebreider: tussen ENAS en BNMS – dan wel optreden bij verminderd zicht (mist, nevel, regen, sneeuw, zandstorm) is vanwege het belemmerde vrije zicht op het terrein en de vijand die zich daar ophoudt, gevaarlijker dan overdag. Hoewel de periode van zonsondergang tot –opgang ideaal lijkt om slachtoffers door vijandelijk vuur te mijden, zich aan vijandelijke observatie te onttrekken en tijd te winnen, kunnen de psychologische effecten van de nacht zwaar op het optreden drukken. (De duisternis kan zelfs verhinderen dat het verkregen tactisch voordeel wordt opgemerkt, waardoor het niet wordt uitgebuit.)
Ook stimuleert de duisternis de verbeeldingskracht; dit is hinderlijk, zeker onder omstandigheden waarbij iedereen al zwaar op de proef wordt gesteld door terrein- en weersomstandigheden, vijanddruk en slaapdeprivatie (moeheid en uitputting). Daaraan kan nog worden toegevoegd dat in het donker afstanden en voorwerpen groter lijken, terwijl het gehoor geluiden waarneemt die overdag nauwelijks hoorbaar zijn.
Het effect van nachtelijk optreden neemt af/toe met de mate van duisternis. Operaties tijdens volle maan, in het bijzonder boven woestijn- of besneeuwd terrein, hebben vergelijkbare omstandigheden als overdag. Daarentegen doen operaties tijdens bewolkte, donkere, mistige en regenachtige weersomstandigheden eerder een beroep op het gehoor dan op het zicht; ook worden dan het fysieke uithoudingsvermogen en de mentale weerbaarheid zwaar op de proef gesteld.
Omdat de duisternis het overzicht van werkzaamheden moeilijk maakt, moet personeel op elkaar ingespeeld zijn door opleiding, training, voorbereiding en opwerkingstraject: oriëntatie van en coördinatie tussen de verschillende eenheden en de in te zetten wapensystemen verloopt dan zo correct mogelijk. Door detailplanning en het afvinken van checklists hoeft niets aan het toeval te worden overgelaten om frictie in elk geval planmatig te voorkomen.
Om klokrond (24/7) te kunnen optreden en derhalve ook de nacht door te brengen, moeten de troepen weloverwogen en gedisciplineerd zijn, liefst in een basale formatie worden ontplooid en goed op zichzelf aangewezen kunnen zijn. Alle mogelijke manieren van camouflage, geheimhouding en misleiding dienen tijdens nachtelijke krijgsverrichtingen te worden toegepast. Wanneer dit het geval is, is de eenheid psychologisch en tactisch in het voordeel (force multiplier). Nachtovervallen (camisades), uitvallen en vuurovervallen zijn beproefde tactieken tijdens night ops.
Meer nog dan overdag geldt dat wie het initiatief neemt in het voordeel is. Ook in de 21ste eeuw hangt het welslagen van night ops af van verrassing, niet primair van de mate van hightech.
Essentieel (indien mogelijk/nodig):
gebruik camouflage en natuurlijke bescherming die het terrein biedt (als overdag)
gebruik lineaire en/of kunstmatige terreinkenmerken werken als oriëntatie- en navigatiepunten (bergrand, brug, gebouw, heuvel, rivier, toren, weg)
houd allen hetzelfde doel en dezelfde richting (vermijd friendly fire)
houd u aan de lichtdiscipline: gebruik nachtzichtapparatuur (HV, IR en WB) en alleen in uiterste noodzaak breaklights, flares, lichtpatronen, zaklampen e.d.
verken het terrein bij daglicht; bepaal een (escape-)route die vrij is van hindernissen
zorg ervoor een reserve achter te houden
zorg voor cross-training en een werk-rustschema (bredere inzetbaarheid personeel)
zorg voor een goede voorbereiding op veranderende weersomstandigheden (temperatuurverschillen) en/of duur van de opdracht
9-liner. NAVO-format dat wordt gebruikt voor het aanvragen van luchtgewondentransport op locatie in geval van een MEDEVAC. Het is, zoals de naam aangeeft, een negenregelig standaardbericht. Hierin wordt onder meer aangegeven waar de gewonde zich bevindt, wat de aard van de verwondingen is en of er extra (geneeskundige) middelen op locatie nodig zijn.
De 9-liner is gebaseerd op AJMedP-2 (‘Allied Joint Doctrine for Medical Evacuation’), AMedP-27 (‘Medical Evaluation Manual’) en NATO Stanag 2087 (‘Medical Employment of Air Transport in the Forward Area’).
Afhankelijk van de aard van de MEDEVAC (forward, tactical of strategic aeromedical) wordt het luchttransport uitgevoerd met helikopter (rotary wing) of vliegtuig (fixed wing). Voor het aanvragen van een helikopter kan een nine-liner worden opgemaakt door:
daartoe geautoriseerd en opgeleid geneeskundig personeel
Nadat de nine-liner bij de Med Cell / Med Ops is binnengekomen, wordt daar de beslissing genomen tot het al dan niet uitrukken ten behoeve van een MEDEVAC. De beslissing is een operationele, géén geneeskundige. Logischerwijs wordt de beslissingsautoriteit te allen tijde geadviseerd door een geneeskundig (staf)officier, bijvoorbeeld de Senior Medical Officer (SMO), of onderofficier geneeskundig toegevoegd.
De aanvrager leest de request (aanvraag) langzaam op, voorafgegaan door de regelnummers. De ontvanger dient de gehele aanvraag langzaam terug te lezen (read back). Nadat de aanvraag is opgelezen, dient de aanvragende eenheid de radiofrequentie om te zetten naar die welke is genoemd in de tweede regel (line 2). Het verloop van de feitelijke MEDEVAC zal zo veel mogelijk onder radiostilte worden uitgevoerd.
LINE 1
LOCATION
8-cijfercoordinaat
WT 1234.5678
LINE 2
CALL SIGN
Roepnaam / Frequentie
NE / 54.300
LINE 3
PRECEDENCE
Aantal gewonden naar prioriteit en verwonding (*1)
1 urgent arterial bleeding femur
LINE 4
SPECIAL EQUIPMENT REQUIRED
Benodigde extra geneeskundige uitrusting hoist, extractieapparatuur, ventilator)
Emergency to save life, limbs and/or eye-sight Evacuation required in 4 hours or patient will become urgent Patient not seriously injured
*2
In oorlogstijd en onder vergelijkbare omstandigheden. In vredestijd te vervangen door: “Number and descriptive type of wound, injury or illness” (“Aantal gewonden met beschrijving verwonding of ziekte”)
De hoofdlijnen van het opleidings- en trainingsproces, die is ingedeeld in niveaus die overeenkomen met de grootte van eenheden:
1
individu
militaire basisvaardigheden (skills & drills), zoals schieten, gevechtstechnieken en fysieke vaardigheden; aankweken gevechtsbereidheid én wil om te winnen.
2
groep en wapensysteem
militaire basisvaardigheden (skills & drills), zoals schieten, gevechtstechnieken en fysieke vaardigheden; aankweken gevechtsbereidheid én wil om te winnen.
3
peloton en modules
periodiek beoefenen van skills & drills m.b.t. gevechtstechnieken, gevechtsschieten en vormingsaspecten; moet worden beheerst, ongeacht in welke accentperiode de eenheid zich bevindt
4
compagnie
periodiek beoefenen; belangrijkste bouwsteen in het gevecht van verbonden wapens; laten integreren in tactische training van manoeuvre, vuursteun, gevechtssteun en gevechtsverzorgingssteun.
5
bataljon
integreren van eenheden én afstemmen van (gevechts)acties in ruimte en tijd; eerst staftraining in de vorm van TOOK, TOZT of CPX.
6
brigade
inzet voor een multinationale operaties, logistiek ondersteund door én plaatshebbend in samenwerking met andere krijgsmachtdelen (joint & combined); gemechaniseerde brigade éénmaal in de 36 maanden te velde oefenen, inclusief logistieke ondersteuning.
7
divisie
inzet voor een multinationale operaties, logistiek ondersteund door én plaatshebbend in samenwerking met andere krijgsmachtdelen (joint & combined).
8
legerkorps
inzet voor een multinationale operaties, logistiek ondersteund door én plaatshebbend in samenwerking met andere krijgsmachtdelen (joint & combined).
Op 22 maart 1942 – de datum die volgens het Koninklijk Besluit nummer 41 van 19 oktober 1953 zou gelden als de oprichtingsdatum van het Korps Commandotroepen (KCT) – vertrokken acht officieren, 17 onderofficieren, vier korporaals en 19 soldaten – in totaal 48 man – van de Prinses Irene Brigade naar Schotland om vrijwillig deel te nemen aan een extreem zware Britse commandotraining.
De Britten hadden behoefte aan mannen die afkomstig waren uit door de Duitsers bezet gebied die konden worden ingezet voor speciale operaties (overvallen, raids) op de door de Duitsers bezette kusten.
De achtenveertig mannen kwamen aan op Spean Bridge Railway Station. Op het station kregen ze 60 minuten de tijd om de 7 mijl (ruim 11 km) naar Achnacarry House te voet af te leggen met bepakking. Na een speedmars (snelmars) van precies één uur, waarbij een hoogteverschil van 120 meter was overbrugd, sloot de poort. Iedereen die niet binnen was, kon terug naar zijn onderdeel.
Achnacarry Castle.
De Britten hadden onmiddellijk na het uitbreken van de oorlog een begin gemaakt met het opleiden en trainen van militairen die te zijner tijd achter de Duitse linies in actie moesten komen. Al na de evacuatie van het grootste deel van de British Expeditionary Force in Duinkerken (1940) gaf de Britse premier Winston Churchill op 22 juni 1940 opdracht tot het formeren van een ‘butcher and bolt’ invasiemacht van tenminste 20.000 militairen. Deze militairen moesten worden opgeleid zoals de speciale eenheden uit de Tweede Boerenoorlog (1899-1902): commando’s.
Na een voorselectie, waarvoor de groep werd gesplitst en ingedeeld bij No. 3, No. 4, No. 9 en No. 12 Commando, begon de eigenlijke commandotraining in het Commando Basic Training Depot in Achnacarry in Schotland. Achnacarry ligt in het midwesten van de Crampian Mountains, op de landengte tussen Loch Lochy en Loch Arkaig, op ruim 20 km van Fort William en zo'n 10 km van het dorpje Spean Bridge.
Nederlanders trainen en poseren in de Crampian Mountains.
Uiteindelijk behaalden 25 van de 48 Nederlanders hun felbegeerde groene baret, onder wie Raymond Westerling. In Achnacarry werden niet alleen de Nederlanders opgeleid en getraind. Ook Britse commando’s, Amerikaanse Army Rangers en commando’s uit België, Frankrijk, Noorwegen, Polen en Tsjechoslowakije. Uiteindelijk passeerden bijna 25.000 militairen Achnacarry Castle onder het goedkeurende oog van Lieutenant Colonel Charles E. Vaughan - de Commanding Officer van het trainingscentrum. Een van Vaughan’s bijnamen was ‘Rommel of the North’, vanwege zijn strikte discipline en harde trainingsbewind. Vaughan, een voormalige drillsergeant van de Coldstream Guards en veteraan uit de Eerste Wereldoorlog, deed onder andere mee aan de eerste echte commandoraid op de Noorse Lofoten-eilanden. Een van zijn disciplinekreten was: “A man who keeps his equipment clean, no matter the conditions under which he’s living, will also keep his body and mind tidy and alert”. Daarnaast had Vaughan een vreemd gevoel voor humor: voor de poort van zijn kampement had hij een aantal graven laten aanleggen met de namen van hen die tijdens de commando-opleiding om het leven waren gekomen en de reden waarom ze de training niet hadden overleefd.
De 25 man die de opleiding hadden volbracht werden op 29 juni 1942 overgeplaatst naar No. 4 Commando in Troon, aan de Schotse westkust. Uiteindelijk werd daar No. 2 (Dutch) Troop geformeerd, de oudste stameenheid van het Korps Commandotroepen. De eerste commandant was eerste luitenant, later kapitein, P.J. Mulders. Toegevoegde officieren waren de reserve tweede luitenants Carel Ruysch van Dugteren, Jan Linzel en Maarten Jan Knottenbelt.
Op 16 juli werd No. 2 (Dutch) Troop overgeplaatst naar het vissersplaatsje Portmadoc in het noorden van Wales, waar de eenheid bij No. 10 (Inter Allied) Commando werd ingedeeld – het grootste commando in de Britse landstrijdkrachten. Naar Brits model bestond No. 2 (Dutch) Troop uit een stafsectie, waarin onder meer de ondersteuningswapens en de verbindingsapparatuur waren ondergebracht en twee gevechtssecties, elk onderverdeeld in twee groepen.
No. 10 IA Commando was begin 1942 geformeerd en gehuisvest op Fort William, in Nevin in het zuiden van Wales. De eenheid stond onder Brits commando – Lieutenant Colonel Dudley Lister – en was samengesteld uit militairen uit door de Duitsers bezette landen:
No.1 Troop
Frankrijk
No.2 Troop
Nederland
No.3 Troop
vluchtelingen uit As-landen (‘X Troop’), m.n. Duitsland en Oostenrijk
No.4 Troop
België
No.5 Troop
Noorwegen
No.6 Troop
Polen
No.7 Troop
Joegoslavië
No.8 Troop
Frankrijk
Later werden nog twee Troops uit België toegevoegd. In totaal bestonden er tijdens de Tweede Wereldoorlog twaalf landmacht- en negen marinierscommando's, welke weer waren samengevoegd in vier brigades. Daarnaast zijn er nog zes zelfstandige commando's geweest.
Op 18 december 1942 bracht Prins Bernhard een bezoek aan de Troop en woonde enige oefeningen bij. Op 31 mei 1943 verhuisde No. 2 (Dutch) Troop met andere delen van No. 10 (IA) Commando naar het Engelse Eastbourne. Daar zouden ze gedurende de oorlogsjaren blijven. Vóór het vertrek naar India van delen van de eenheid gaf Prins Bernhard op 6 december 1943 de eenheid een fanion. Dat fanion werd gedurende de gehele oorlog meegevoerd.
Medio 1944 keerde No. 2 (Dutch) Troop terug naar het vasteland van Europa. Hun eerste missie was de grootste en meest gedurfde luchtlandingsoperatie uit de Tweede Wereldoorlog: Operation Market Garden.
De eenheid werd onderverdeeld onder drie parachutistendivisies:
11 commando’s
bij 82nd (US) Airborne Division (Nijmegen)
12 commando’s
bij 1st (UK) Airborne Division (Arnhem)
3 commando’s
bij HQ 1st (UK) Airborne Corps (Nijmegen)
5 commando’s
bij 101st (US) Airborne Division (Eindhoven)
5 commando’s
bij 52nd (Lowland) Division; ingevlogen voor het heroveren van vliegveld Deelen; uiteindelijk beland bij HQ 1st (UK) Airborne Corps
Vóór Operation Market Garden waren bovendien vijf commando’s als bodyguards in dienst getreden van het Bureau Bijzondere Opdrachten (BBO) van de staf van Prins Bernhard.
Op eigen verzoek werden de leden van de eerste Nederlandse commando-eenheid ingezet tegen de versterkte Duitse vesting Walcheren in november 1944. De aanval op Walcheren – Operation Infatuate I en II – vond plaats met de grootste concentratie militairen van No. 10 IA Commando sinds de formatieparade in 1943, en werd ontplooid onder het commando van Lieutenant Colonel Robert Laycock.
In de ochtend van 1 november 1944 vonden amfibische landingen plaats op Vlissingen en Westkapelle, met respectievelijk elf en veertien onder bevel gestelde Nederlandse commando’s. Commando Cornelis de Ruiter was commandant van de elf commando’s die als onderdeel van het Britse No. 4 Commando landde in Vlissingen. Al op 3 november, nadat de commando’s grip op de kustlijn hadden gekregen, was Walcheren bevrijd van de Duitsers.
De Nederlandse commando’s die landde bij Westkapelle waren ingedeeld bij No. 47 (Royal Marine) Commando. Negen Nederlanders raakten bij de zeer zware gevechten gewond. No. 4 Commando en No. 47 (Royal Marine) Commando waren ingedeeld bij de 4th Special Service Brigade, geleid door Brigadier Bernard Leicester. Zowel Vlissingen als Westkapelle sieren het korpsvaandel van het Korps Commandotroepen (KCT).
In december 1943 werden – op verzoek van Prins Bernhard en kapitein Jan Linzel, voormalig Engelandvaarder en op dat moment commandant van No. 2 (Dutch) Troop – vijf leden van de eenheid uitgezonden naar het Verre Oosten om samen met No. 44 (Royal Marine) Commando en No. 5 Commando te worden ingezet bij campagnes achter de Japanse linies in Arakan in het westen van Burma.
Na de strijd om Walcheren keerden de commando’s terug naar Eastbourne. Medio november 1944 arriveerden daar ook de eerste in het inmiddels bevrijde Zuid-Nederland geworven vrijwilligers om in Engeland aan hun commandoopleiding te beginnen. Eind januari 1945 werd de opleiding door 72 van de 107 vrijwilligers met succes afgerond. Ze worden toegevoegd met No. 2 Dutch Troop. Op 26 april 1945 wordt de Troop nog ingezet aan het front bij het Brabantse Made, op de lijn Moerdijk-Geertruidenberg. Later werd de eenheid nog belast met het bewaken van een interneringskamp in het Duitse Recklinghausen; na de capitulatie van Duitsland verbleven de mannen nog een maand in Winterswijk.
Op 26 november 1945 werd No. 2 Dutch Troop ontbonden. Hoewel een groot deel van het personeel werd gedemobiliseerd, speelden na deze, naar later bleek: tijdelijke opheffing van het kleine keurkorps, talrijke (onder)officieren een belangrijke rol bij de vorming van (para)commando-eenheden in Nederlands-Indië, waar de feniks uit zijn as herrees. De overigen kwamen als instructeur terecht bij het 6de Koninklijk Nederlands Infanterie Depot (6 KNID) in het trainingskamp 'Wildhoef' in Bloemendaal. Al op 7 mei 1946 wordt de naam van het Depot gewijzigd in Stormschool Bloemendaal.
Commandant kapitein Jan Gualthérie van Weezel voerde in 1948 aan dat de herovering van de Moerdijkbruggen in mei 1940 mogelijk was geweest wanneer de Koninklijke Landmacht de beschikking zou hebben gehad over goed getrainde stormtroepen; hij bleef pleiten voor de vorming van commando-eenheden.
Intussen werden de ongeveer 75 instructeurs bij 6 KNID belast met het geven van kaderopleidingen en gevechtscursussen. Aanvankelijk werden onder leiding van kapitein Gualthérie van Weezel en kapitein De Ruiter voormalige leden van de Binnenlandse Strijdkrachten in OVW-verband opgeleid voor uitzending naar Nederlans-Indië. Het doel is maandelijks 400 BS’ers te trainen onder leiding van kapitein De Ruiter.
Op 30 april 1949 werd de Stormschool Nederland in Roosendaal opgericht; hiermee kwam een einde aan de Stormschool Bloemendaal. De Stormschool en het in Nederlands-Indië ontbonden Regiment Speciale Troepen gingen tot slot samen op in het op 1 juli 1950 opgerichte Korps Commandotroepen.
Meer achtergrondinformatie over No. 2 (Dutch) Troop is te vinden in:
No. 2 (Dutch) Troop is weliswaar de oudste stameenheid van het KCT, maar er is ook een stamlijn vanuit Zuidoost-Azië en Nederlands-Indië. Die loopt via de oprichting van het Korps Insulinde in 1942 in Ceylon, via Depot/Korps Speciale Troepen (DST/KST) en School voor Opleiding van Parachutisten (SOP), naar het Regiment Speciale Troepen.
Afgekort: NFZ. Ook genaamd: no-fly area; air exclusion zone. Duits: Flugverbotszone. Frans: zone d’exclusion aérienne, zone d’interdiction aérienne. Nederlands: zone met vliegverbod.
Deel van het luchtruim boven een land of regio waarin het met name (gespecificeerde types van militaire) vliegtuigen - fixed wing (vastvleugelvliegtuigen) en rotary wing (helikopters) - niet is toegestaan boven een bepaald gebied, bijvoorbeeld tussen twee breedtegraden, te vliegen.
Een no-fly zone wordt in de regel in een militaire context afgedwongen (enforcement) door een mandaat van een internationale organisatie (VN, NAVO, EU) en kan worden vergeleken met een gedemilitariseerde zone. Door de VN wordt een no-fly zone afgekondigd in het kader van hoofdstuk VII van het VN-Handvest (Optreden met betrekking tot bedreiging van de vrede, verbreking van de vrede en daden van agressie).
Concreet beperkt de dwangmaatregel het vrije gebruik van de derde dimensie: het luchtruim is niet langer vrij toegankelijk voor bepaalde vliegbewegingen. Het luchtembargo dwingt het land het internationaal recht na te leven dan wel een resolutie van de VN-Veiligheidsraad na te komen, bijvoorbeeld om een humanitaire hulpoperatie te kunnen uitvoeren, ter bescherming van het grondpersoneel van een alliantie of coalitie of ter voorkoming van aanvallen op de burgerbevolking en -bezit. Het instellen van een no-fly zone kan beginnen met een grootschalige aanval om de luchtmacht en luchtafweer van een land te vernietigen.
Voor het naleven van het vliegverbod in de no-fly zone worden alleen vliegtuigen toegestaan die door de internationale gemeenschap zijn gemandateerd; deze mogen niet worden neergehaald met vijandelijk luchtafweergeschut. Een vliegtuig dat de no-fly zone schendt, zal worden onderschept, aangevallen en neergeschoten. Hiermee kan het militair optreden in het kader van een no-fly zone een openlijke oorlogsverklaring tot gevolg hebben, hoewel het instellen van een no-fly zone als zodanig geen militaire interventie is.
Toezicht op de naleving van de no-fly zone kan bijvoorbeeld plaatshebben met systemen als JSTARS (Joint Surveillance and Target Attack Radar System) en AWACS (Airborne Warning and Control System), respectievelijk voor het monitoren van troepenbewegingen op de grond en vluchtbewegingen.
Bekende no-fly zones waren:
Irak
Bosnië-Hercegovina
1991-2003
1993-1995
Operation Northern Watch & Operation Southern Watch, ter bescherming tegen de repressie van respectievelijk de Koerden in het noorden en de sjiitische opstandelingen in het zuiden. Groot-Brittannië, Frankrijk en de Verenigde Staten voeren luchtpatrouilles en luchtaanvallen uit, in het laatste geval op door de Irakezen geplaatst luchtafweergeschut (surface-to-air missiles).
Operation Deny Flight, ten tijde van de operatie UNPROFOR in voormalig Joegoslavië. Hierbij waren ook Nederlandse F-16’s betrokken, gestationeerd op de Italiaanse vliegbasis Villafranca.
Op 28 februari 1994 werden vier Servische Soko J-21 Jastreb’s die de no-fly zone boven Bosnië-Hercegovina schonden, door Amerikaanse F-16’s neergeschoten in de eerste militaire aanval die ooit door de NAVO is uitgevoerd.
Ook genaamd: Crisis Response Operation (afgekort: CRO). Operatie die niet is gebaseerd op artikel 5 van het NAVO-verdrag (voortvloeiend uit artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties), dat stelt dat in geval van een aanval op één van de NAVO-lidstaten, deze aanval door alle andere lidstaten zal worden opgevat als een aanval op allen; alle lidstaten zullen vervolgens samenwerken om de aanvaller af te weren.
Binnen een non-artikel 5-operatie – dus niet gericht op de collectieve verdediging van het bondgenootschappelijk grondgebied (Collective Defense Operation, CDO) – kan een door de NAVO geleide strijdmacht buiten het verdragsgebied van de NAVO bemiddelen tussen twee partijen dan wel met geweld een einde maken aan conflicten.
Een Peace Support Operation (PSO) kan deel uitmaken van cq. het vervolg zijn op een non-artikel 5-operatie.
Afgekort: NEO. In het Engels: rescue of nationals. In het Frans: évacuation des ressortissants (RESEVAC); opération d'évacuation de non-combattants.
Evacuatie van non-combattanten. Militaire operatie die erop is gericht non-combattanten – in dit verband: landgenoten (staatsburgers), andere rechthebbende burgers (bijvoorbeeld IO’s en NGO’s), vluchtelingen en/of ongewapende militairen, al dan niet van bondgenootschappelijke of bevriende landen waarvoor de Nederlandse regering zich verantwoordelijk voelt – die worden bedreigd op een zo veilig mogelijke manier vanuit (een instabiel gebied in) een vreemd land te evacueren naar een veilige(r) omgeving (moederland).
Vanuit een vreemd land worden de evacués naar een veilig gebied gebracht, waar zij worden hergroepeerd, geteld, administratief ingeboekt en medisch behandeld. De daadwerkelijke evacuatie, vanuit het veilig gebied (al dan niet in het vreemde land), vindt plaats naar het moederland. De eenheid die een NEO uitvoert, realiseert beveiliging, transport, medische hulpverlening, initiële opvang en begeleiding van de evacués.
Een NEO wordt uitgevoerd door het Ministerie van Defensie in nauwe samenwerking met het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De evacuatie (extractie) zal in de regel in gang worden gezet door de chef de poste (ambassadeur, consul) in het vreemde land; hij wijst de te evacueren evacués aan. Tot militaire evacuatie kan worden besloten als de lokale overheid de veiligheid van non-combattanten niet langer kan garanderen, wanneer er ernstige twijfels bestaan of non-combattanten op eigen gelegenheid het land kunnen verlaten of de afwezigheid van beschikbare infrastructuur (haven, vliegveld) noodzaakt tot de inzet van militaire middelen.
De fasering in een NEO bestaat uit een initiële ontplooiing, tactische ontplooiing, veiligheidsoperatie, daadwerkelijke evacuatie en terugtrekking.
Voor de wijze van uitvoering van een NEO is het geweldsniveau bepalend. De NEO wordt uitgevoerd met of zonder geweldsdreiging:
Met geweld(sdreiging)
Zonder geweld(sdreiging)
Non-permissive
Permissive
Houd rekening met gewapende tegenstand
Gastland geeft toestemming voor extractie
Militaire operatie met elementen van verbonden wapens
Militaire operatie met inzet van communicatie, logistiek en transport
Betekenis: Non-Exercise (niet-oefenend, niet met betrekking tot de oefening). Geen NAVO-term. Ook genaamd: no-play.
Algemeen
NONEX houdt in dat activiteiten niet tot het oefenspel van de oefening behoren, maar daadwerkelijk plaatsvinden of van kracht worden verklaard vanwege ondersteuning van de oefening, ongevallen en vredesbeperkingen tijdens vredesomstandigheden, zoals Exercise Supply (EXSUP).
Geneeskundig
Met betrekking tot echte gewonden en zieken. Deze vallen derhalve buiten het bestek van het oefenscenario, m.a.w. wanneer die het gevolg zijn van echte ongevallen, calamiteiten of ziekte. In principe is elke oefenende eenheid altijd zelf verantwoordelijk voor de NONEX-ondersteuning. De 24/7 beschikbare NONEX-ondersteuning wordt gerealiseerd met:
een volledig toegerust, inzetbaar en beschikbaar gewondentransport en/of geneeskundige inrichting (ook voor niet-spoedeisend ziekenrapport)
fysieke aansluiting op de civiele gezondheidszorg (o.a. overlaadpunten)
gegarandeerde verbindingen en bekendheid met meldingsprocedures
Bij het spoedeisend karakter van letsel of verwondingen kan NONEX-ondersteuning gepaard gaan met geneeskundige spoedafvoer.
Vanwege de beschikbaarheid van de AMV’er is er tegenwoordig géén formele scheiding tussen NONEX- en oefentactische zorg. Een AMV’er zal altijd zorg verlenen, of hij/zij nu op ernstmissie, oefening of vredeslocatie is.
Kinetische oorlogvoering is gebaseerd op het gebruik van wapens die chemische of kinetische energie (bewegende massa) afgeven bij inslag en explosie. Vervolgens veroorzaken zij bij de vijand infrastructurele en materiele vernietiging en personeelsverliezen of in elk geval hinder van het vijandelijk optreden. Kinetische oorlogvoering is niets anders dan een andere benaming voor conventionele oorlogvoering. In dit verband wil ‘conventioneel’ zeggen dat de middelen die worden aangewend steeds te maken hebben met wapens en munitie.
In dit verband is het woord ‘kinetisch’ een retroniem: het werd pas gebruikt – bijvoorbeeld in het boek ‘Bush at war’ (2002) van Bob Woodward – toen onderscheid moest worden gemaakt met een begrip dat voorheen ongekend was, ‘non-kinetisch’, ten teken van oorlogvoering die niets of nauwelijks iets met wapens en munitie te maken heeft.
Zo gebruikte de Amerikaanse generaal David Petraeus, commandant van de Multi-National Force Iraq (MNF-I), het woord ‘kinetisch’ tweemaal in de Bagdad-context in zijn Irak-speech voor het Congres op 10 september 2007, overigens zonder een definitie te geven. Wèl gaf hij aan dat kinetische oorlogvoering niet de oplossing is voor wat de Amerikanen in Irak willen.
De verschillen tussen kinetische en non-kinetische oorlogvoering:
Kinetisch
Non-kinetisch
Intentie
Wapens en munitie gebruiken bij gevechtshandelingen tegen de vijand
Handelwijzen om denkproces en ideeëngoed te van de vijand te beïnvloeden
Doel
Zijn wil aan de vijand op te leggen, de vijand aan te vallen of de vijand te vernietigen
Cultuur en gebruiken van de vijand aan te vallen (traditioneel) of te beïnvloeden zonder zijn wil op te leggen (nieuwerwets)
Effecten
dodelijk (lethaal) of tenminste schade en gewonden
(onmiddellijk) zichtbaar
trekt aandacht van de pers (mediacentrisch)
negatief voor lokale bevolking en publieke opinie
niet-dodelijk (non-lethaal)
niet (onmiddellijk) zichtbaar
trekt aandacht van de gemeenschap (maatschappijcentrisch)
in de regel positief voor lokale bevolking en publieke opinie
Non-kinetische oorlogvoering wordt door sommige analisten de overgang genoemd van de War on Terror (na de aanslagen van 11 september 2001 op de Verenigde Staten) naar de War of Ideas – onderdeel van de 5th Generation of Warfare (5GW).
Traditionele voorbeelden van non-kinetische oorlogvoering zijn:
Kinetische en non-kinetische oorlogvoering dienen elkaar aan te vullen dan wel in evenwicht te houden, bijvoorbeeld volgens luitenant-kolonel Mick Ryan (commandant van de Australische RTF in Uruzgan van augustus 2006 tot april 2007): “non-kinetic actions” worden in Uruzgan ondernomen door de Provincial Reconstruction Teams (PRT’s) en de Reconstruction Task Force (RTF). De synergie tussenbeiden kan bijvoorbeeld worden geïncorporeerd in counter-insurgency (COIN) en optreden in verstedelijkte gebieden.
In het Duits: Notration Verpflegung; Verpflegungspaket Ueberleben. In het Engels: emergency ration. In het Frans: ration d’urgence.
NSN 8970-25-139-1695. Wordt vaak verward met het gevechtsrantsoen. Het noodrantsoen is ontworpen om in geval van geen enkele andere beschikbaarheid van normale dagelijkse voeding te worden genuttigd door één militair.
Elke verpakking – 10,5 cm x 8,5 cm x 3,5 cm – weegt 230 gram.
De 4 repen met elk 2 tabletten (vergelijkbaar met sterk samengeperste biscuits) zijn verpakt in vetvrij papier. De repen zijn vacuüm verpakt in een lucht- en waterdicht aluminiumfolie. Het noodrantsoen bestaat uit aangepaste eiwitten, koolhydraten, vetten en suikers die nodig zijn voor een hoog-calorisch energieverbruik. Het noodrantsoen levert 4.200 kilojoules (kJ) energie: 4,2 megajoule (MJ) of 1003 kcal. De tabletten ruiken en smaken neutraal. Er is geen water of verhitting nodig om het noodrantsoen te kunnen consumeren.
In het Duits: Notwehr. In het Engels: self-defence. In het Frans: légitime défense.
Juridische term voor een rechtvaardigings- en strafuitsluitingsgrond.
Letterlijk: het plegen van een strafbaar feit om zichzelf en/of een ander te beschermen tegen een onmiddellijke bedreiging. De verdediging mag niet verder gaan dan noodzakelijk is. Als noodweer (achteraf) is vastgesteld, is er géén sprake van een strafbaar feit (artikel 41, eerste lid, Wetboek van Strafrecht). Mocht iemand de grens van noodweer overschrijden, bijvoorbeeld omdat hij plotselinge erg schrikt of bang is (“hevige gemoedsbeweging”), kan – ook achteraf – sprake zijn van noodweerexces. Ook dan is dader niet strafbaar (artikel 41, tweede lid, WvS).
Omdat noodweer berust op zelf- én rechtsbescherming is zij – als eigenhandig optreden (eigenrichting) tegen daders – aan strenge voorwaarden gebonden. Zo is het alleen toepasselijk bij “ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding”. Ook moet noodweer voldoen aan de eisen van proportionaliteit (het gebruikte middel moet in relatie tot het doel staan) en subsidiariteit (er mag alleen actie worden ondernomen als dat toegevoegde waarde heeft voor de toestand).
Onder andere op militairen rust de zgn. Garantenstellung. Dit is een bijzondere zorgplicht die geldt voor personen die met betrekking tot geweld (professionele) training hebben genoten, zoals gevangenisbewaarders, militairen, politieagenten en beoefenaars van vechtsporten.
Ook een militair bezit een bepaalde verantwoordelijkheid en/of kennis, die hogere eisen kan stellen aan de kwaliteit van de afweging van de botsende plichten of belangen die in het geding zijn. Een militair dient te allen tijde professioneel te handelen; hij moet gepast geweld gebruiken. De bijzondere zorgplicht brengt met zich mee dat een militair zich juist ook door niets te doen strafbaar kan maken, bijvoorbeeld bij het niet verlenen van eerstehulp (EHBO, ZHKH).
Het geografische noorden is het meest noordelijke punt van de aardbol, gesitueerd als de Noordpool. De Poolster - de ster die precies boven de aardas staat - geeft altijd het geografische noorden aan.
Kaartnoorden (KN)
De bovenzijde van elke topografische kaart komt, indien de kaart georiënteerd is, overeen met het magnetisch noorden. Oriënteren naar het noorden gebeurt aan de hand van een kompas. Het kaartnoorden is het noorden volgens de verticale lijnen van het raster op de kaart. Elke verticale lijn wijst naar het kaartnoorden.
Magnetisch noorden (MN)
Ook genoemd: kompasnoorden.
Het magnetisch noorden is het noorden waar de kompasnaald altijd naartoe wijst. Onder invloed van allerlei processen - onder andere magnetische krachtenvelden, bewegingen in de aardkern, draaias van de aarde en wisselend gewicht van de poolijskap - zijn op deze plaats de magnetische krachten zo sterk, dat de kompasnaald daar naartoe wijst. De magnetische afwijking is, dankzij de genoemde invloeden, redelijk te voorspellen.
Vanuit Nederland gezien ligt het magnetische noorden iets ten westen van het geografische of ware noorden. Het verschil tussen het geografische noorden (dat van de Noordpool) en het magnetische noorden (dat wat het kompas aangeeft) wordt declinatie genoemd. De declinatie is niet met het blote oog waar te nemen, omdat de verandering - althans vanuit Nederland - jaarlijkse 2 à 3 duizendsten (± 0,15 graden) naar het oosten bedraagt.
Het magnetisch noorden bevindt zich op de Parry Islands, een eilandengroep die behoort tot de archipel van de Queen Elizabeth Islands ten noorden van Canada, ± 500 km noordelijk van het Noord-Amerikaanse continent. De ligging van de Parry Islands is op 75 graden 80 minuten noorderbreedte en 102 graden 70 minuten westerlengte (75.80º Noorderbreedte 102.70º Westerlengte). De eilanden zijn in 1819/'20 ontdekt door de Britse ontdekkingsreiziger Sir William Edward Parry.
Een van de wijzen van optreden van westerse krijgsmachten, die als de ‘core business' van de dagelijkse gang van zaken van een Peace Support Operation worden gezien. De andere wijzen van optreden zijn KTS, CIMIC en IO:
Het leeuwendeel van de NFO-activiteiten buiten de compounds komt voor rekening van de niveaus 1 t/m III: ploegen, groepen en pelotons. De terminologie ‘NFO' kwam in Nederland in zwang dankzij het optreden van het Korps Mariniers en operatie EUFOR – het vervolg van UNPROFOR / IFOR / SFOR in Bosnië-Hercegovina. Op Dutchbase Bugojno wordt gebruik gemaakt van een NFO -Company met zowel een Over The Horizon Task Force (OTHF) als een Emergency Reaction Force (ERF).
Alle informatie uit de rapportages die het gevolg zijn van dagelijks optreden gaan naar de Sectie 2 (Inlichtingen & Veiligheid), waardoor er een beeld kan worden opgebouwd van wat er zich zoal in de AOR afspeelt. Met name om voldoende eenheden ter beschikking te stellen voor het uitvoeren van gerichte acties (Knock-Talk-Search) worden eenheden soms vrijgemaakt van NFO.
Afgekort: NTM. In het Nederlands: Reactietijd. In het Frans: Préavis de mouvement.
Reactietijd (ook wel ‘readiness time' genaamd), gewoonlijk in de vorm van een operatie- of waarschuwingsbevel, die door een commandant aan ondercommandanten wordt uitgegeven voor het verplaatsen van personeel en/of materiaal in het kader van een operatie.
Scheldwoord van militair personeel voor burgers die al dan niet werkzaam zijn binnen het Ministerie van Defensie.
Natuurlijk is een burger geenszins nutteloos, alleen al omdat hij/zij – evenals de Defensiewerknemer – de belastingcenten toucheert waardoor de krijgsmacht haar werk kan doen. Feit is wél dat de gemiddelde burger die niet werkzaam is binnen het Ministerie van Defensie geen snars snapt van het fenomeen militair. Niettemin is een goede verstandhouding met de burgerij een must, reden waarom de krijgsmacht met Public Relations zoveel mogelijk laat zien waartoe zij in staat is. Dit is het geval op open dagen, voorlichtingsdagen e.d.
Lijfspreuk van de infanterie algemeen, tevens het baretembleem voor militairen in de infanterie-opleiding (vóór 2002 ook van de initiële opleiding bij het schoolbataljon). Betekenis: “Ik wijk voor niemand”. Tevens credo van de Nederlandse humanist Desiderius Erasmus (1469-1536).
Het baretembleem op een gestileerde letter W, gedragen op een poncreaurode ondergrond (patje), bestaat uit een Romaans schild, gelegen op een neerwaarts gericht zwaard en rustend op een banderol. Hierin is de wapenspreuk ‘Nulli Cedo’ vermeld.
Tot 8 november 2002 – toen de schoolbataljons een eigen OCIO-embleem met twee gekruiste sokkelbajonetten kregen – droegen de leerlingen van de schoolbataljons het baretembleem ‘Nulli Cedo’. Bij de oprichting van de schoolbataljons was destijds gekozen voor het ‘Nulli Cedo’-embleem, maar de Wapen- en Traditieraad van de infanterie uitte vanaf het begin bezwaren tegen het oneigenlijk gebruik hiervan: de opleiding bij de schoolbataljons was en is géén infanterie-opleiding, maar een basisopleiding voor alle militairen.
Overigens heeft de Nationale Reserve van 1948 tot 25 augustus 1982 ook het embleem ‘Nulli Cedo’ gedragen. De NATRES bestond oorspronkelijk uit hulpmarechaussee (reservegrensbewaking), luchtdoelartillerie en infanterie, met derhalve drie verschillende baretemblemen. De infanterie, het grootste aandeel in de NATRES, droeg het goudkleurige embleem ‘Nulli Cedo’. Vanaf 1960 werden de marechaussee- en luchtverdedigingstaken afgestoten, waardoor alleen de infanterie en het ‘Nulli Cedo’-embleem overbleven.
Sommige leden van Onze Vrijwilligers Vereniging Korps Nationale Reserve (OVV KNR), de oud-leden van de NATRES, dragen het oude ‘Nulli Cedo’-embleem nog altijd met ere.
Links een militair met het nieuwe OCIO-embleem, rechtsboven het embleem uitgelicht, rechtsonder de kleur van de ondergrond van het baretembleem (patje).
Ook het 8ste Regiment Infanterie, dat in 1950 - zoals alle genummerde regimenten - werd omgedoopt in een naamregiment (in dit geval Regiment Infanterie Oranje Gelderland), droeg hetzelfde baretembleem.
Gekscherend wordt ‘Nulli Cedo’ soms verbasterd tot “Nutteloos lichaam creëert eigen doodsoorzaak” of ingevuld als acroniem: "Nooit Uitgeslapen Luie Lamlendige Infanterist, Commentaar En Dergelijke Overbodig".
De van oorsprong klarinettist en later kapelmeester Joop P. Laro (1927-1975) componeerde de gelijknamige defileermars van het wapen der infanterie, ‘Nulli Cedo’. Laro was achtereenvolgens kapitein-directeur van de Johan Willem Frisokapel (1953-1964), majoor-directeur van de Marinierskapel (1964-1975) en vanaf 1975 als luitenant-kolonel Inspecteur Militaire Muziek Krijgsmacht (IMMK). Hij componeerde verder onder andere de Inspectiemars (Koninklijke Landmacht), Mars 4 Divisie, ‘Qua Patet Orbis’ (Korps Mariniers), Mars 1 Legerkorps, NTC-Mars ‘Hollands Glorie’ (Nationaal Territoriaal Commando), BLS-Mars (Bevelhebber der Landstrijdkrachten) en Mars 1 Divisie ‘7 December’.
Bron onder andere: ‘November Romeo’, Korpsblad voor de Nationale Reserve, april 2008 (speciale editie ter gelegenheid van het 60-jarig bestaan van de Nationale Reserve) en http://marinierskapel.hyves.nl.