Inhoudsopgave O
Terug naar de homepage
 

Maak uw keuze uit de hieronder getoonde lijst

 

O & O

Voluit: Ontwikkeling & Ontspanning. Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1915) verscheen de ‘Zangbundel voor het Nederlandsche Leger' op last van het Ministerie van Oorlog. Het zangboek ging in de mottenballen en tijdens de mobilisatie van de Tweede Wereldoorlog werd de afdeling ‘Ontwikkeling & Ontspanning' (O&O) opgericht om de Nederlandse militairen te vermaken.

De gezellige morele ondersteuning steun én polonaisestemming voor de troepen verliep vervolgens van de schlager ‘Rats, kuch en bonen' van ene Lou Bandy uit 1939 naar Centerfold, Erik Hulzebosch, Harry Slinger en T-Spoon in voormalig Joegoslavië en Cyprus e.v.a. missiegebieden.

In februari 2004 gaf cabaretier Freek de Jonge in Irak vijf optredens voor het daar gelegerde Defensiepersoneel en in diezelfde maand presenteerde Veronica-deejay Adam Curry een week lang zijn ochtendprogramma 'Ook Goeiemorgen' in het kader van ‘ Operation Iraqi Sunrise' vanuit het Iraakse As-Samawah. In augustus 2005 trad zanger Albert West op voor de Nederlandse militairen in Afghanistan.

Terug naar Boven

 

O.A.T.D.O.E.M.

De stappen van de verkorte analyse in het operationele besluitvormingsproces (OBP) die het O.T.V.O.E.M. hebben vervangen. Het toepassen van O.A.T.D.O.E.M. in plaats van O.T.V.O.E.M. lijkt geen wezenlijke veranderingen tot gevolg te hebben.

O

Oriëntatie op de opdracht

A

Analyse van de opdracht

T

Terrein& Weer

D

Dreiging & Vijandanalyse

O

Overige (f)actoren

E

Eigen middelen

M

Mogelijke wijze van optreden / ontwikkelen eigen mogelijkheden

 

Zie ook: bevel, leidinggeven en O.T.V.O.E.M.

Terug naar Boven

 

OBSERVATIEPOST

Afgekort: OP. Duits: Beobachtungspunkt. Engels: observation post. Voorbeeld van een perimeter defence. Een OP heeft een taak in het beveiligen als vooruitgeschoven waarschuwingselement ten behoeve van de eenheid. Een OP wordt op een zodanige locatie ingericht dat een voortdurende waarneming mogelijk is op aanwezige vijandelijke opstellingen of gebieden van vijandelijke groeperingen.

Links een observatiepost tijdens de missie UNFICYP op Cyprus, rechts de OP 'Tango 2' zoals die in gebruik was bij Dutchbat (UNPROFOR) in Bosnië-Hercegovina.

Waarnemingstaken vanaf een OP kunnen inhouden:

signaleren en rapporteren van militaire incidenten in het operatiegebied

signaleren en rapporteren van schendingen van internationale overeenkomsten

waarnemen op lijnen van wapenstilstand (cease-fire) of staakt-het-vuren

waarnemen van lokale afspraken en overeenkomsten

Een OP moet tenminste een (deel van de) area of operations (AOR) kunnen overzien. De primaire taakstelling in de waarnemingssector – met name bij blauw optreden: het tijdig signaleren vana activiteiten om calamiteiten te voorkomen ter vergroting van de veiligheid van de eenheid – vereist een breed gezichts- en schootsveld.

Een OP wordt normaliter door minimaal twee personen bezet.

Een OP moet minimaal voldoende bescherming bieden tegen vlakbaan-, artillerie- en mortiervuur (versterkt onderkomen met tenminste drie rijen zandzakken rondom en bovenop, met een dikte van ± 75 cm). Daarnaast moet rondom de OP een rondombeveiliging gecreëerd zijn (bijvoorbeeld m.b.v. concertina’s en Friese ruiter), moet het observatieraam voorzien zijn van kippengaas (tegen handgranaten e.d.) en dient de OP een zigzag-ingang te hebben tegen vuur van kleinkaliberwapens.

Op de OP behoren de volgende zaken aanwezig te zijn:

afstandsregistratiekaart gemaakt vanaf de OP

geweldsinstructie

lijst met corveewerkzaamheden

overgave/overname-lijst (inventaris OP)

panoramaschets gemaakt vanaf de OP

radio-logboek

rapportageformulieren: firing close report, incident report, overflight report, shooting report en situation report

roulatieschema van de wacht

stafkaart van het operatiegebied

verbindingsmiddelen (minimaal 2)

Een OP kan ook mobiel zijn, d.w.z. met de mogelijkheid om snel te verplaatsen. Een dergelijke OP wordt ook wel mobiele observatiepost (Engels: roving OP) genoemd.

Zie ook: afstandsregistratiekaart, perimeter defences, sangar en waarnemen.

Terug naar Boven

 

OBSERVER/TRAINER

Afgekort: O/T. Militair die vakkundig is in een specifiek functiegebied, in die hoedanigheid oefenende militairen observeert en coacht en hiertoe idealiter een opleiding heeft gevolgd. O/T’en is een randvoorwaarde voor trainingsondersteuning (TROST) aan zowel de operationele commandant als Exercise Control (EXCON). O/T wordt in het bijzonder ingezet in de opwerkperiode voor uitzendingen, inclusief de eindoefeningen.

EXCON bestaat hierbij uit de oefenleiding, analisten en role-play. EXCON stuurt de te oefenen eenheden aan en coördineert de gesimuleerde acties. Het O/T-deel zorgt ervoor dat eenheden goed voorbereid kunnen worden uitgezonden.
De inzet van O/T’s gebeurt om de volgende redenen:

  • Middel voor de commandant om de praktijk te toetsen aan doctrine en tactiek.
  • Middel voor de commandant om informatie te vergaren over het niveau van opleiding en training (O&T) van zijn eenheid en staf, in het bijzonder over het bereiken van de status van operationele en inzetgereedheid.
  • Gebruik van specifieke onderwijsleermiddelen (OLM) vereist de inzet van daaraan gerelateerde O/T’s.
  • Evaluatie van O&T op effectiviteit (wordt het doel bereikt?) en efficiency (wordt veel gedaan in weinig tijd?) ter verhoging van het trainingsrendement.

De O/T, de verprofessionaliseerde opvolger van de hulpleider (HL), staat de oefenende troepen met raad en daad terzijde en levert daartoe advies en assistentie (A&A). Na afloop van een gesimuleerde actie wordt de deelnemende militairen een spiegel voorgehouden. De feedback uit de evaluaties levert leermomenten op, waarmee het leermoment wordt verhoogd. Herhaalde simulaties verhogen daarnaast het leerrendement.

De O/T bewaakt de doorlopende leerlijn van de te oefenen militairen. Naast de algemene oefenlijn wordt per specialisme geobserveerd en, indien nodig, getraind. Zo wordt de oefening van militair geneeskundig personeel ondersteund door de beschikbaarheid van geneeskundige Training Support Packages (TSP) – onder andere in de vorm van een oefengewondenspel – en geneeskundig opgeleide O/T’s.

Voor de O/T is doctrine, zoals die is vastgelegd in doctrinedocumenten (voorschriften, leidraden en handboeken), een (hulp)middel, géén (trainings)doel. Hiertoe biedt onder meer de LD 8 (Opleiding en Training) een handvat.

Het feitenmateriaal dat tijdens een oefening door O/T’s wordt verzameld, vormt de kern van een After Action Review (AAR). De AAR wordt door een O/T uitgevoerd in een open, vertrouwelijke sfeer, in een daartoe geschikte omgeving of ruimte, waarbij de oefening en/of operatie tijdelijk wordt stilgelegd.

De inzet van O/T’s, analisten, instructeurs, oefenleiders en scenarioschrijvers van events moet leiden tot het doelmatig en doeltreffend organiseren van oefeningen en een verbetering van de geoefendheid van de te oefenen eenheden.

Zie ook: Mobile Combat Training Centre (MCTC).

Terug naar Boven

 

OBSTACLE BELT

Vertaald: hindernisgordel. Duits: Sperrgürtel. Frans: ceinture d’obstacles.

Gebied, in de regel op brigadeniveau bepaald, waarin tussen het voorste gevecht en de hoofdverdediging hindernissen ten behoeve van de manoeuvre worden geconcentreerd.

De reeks hindernissen is onderling samenhangend en aaneengesloten en heeft als doel vijandelijk optreden tegen te gaan, te belemmeren of te beïnvloeden.

 

Obstacle belt (hindernisgordel), in dit geval gecontroleerd door 13 (NLD) Infbat Lumbl AASLT.

Terug naar Boven

 

OCIO

Het OCIO is verantwoordelijk voor de Algemene Militaire Opleiding (AMO) voor soldaten en korporaals bij de reguliere eenheden van de Koninklijke Landmacht én voor de Algemene Militaire Opleiding Luchtmobiel (AMOL) voor soldaten en korporaals bij de landmachtcomponent van 11 Air Manoeuvre Brigade.

De opleidingen worden verzorgd bij de schoolbataljons:

Schoolbataljon Noord

(Sbat Noord)

Johan Willem Frisokazerne

Assen

Schoolbataljon Centraal

(Sbat Centraal)

Jan van Schaffelaarkazerne

Ermelo

Schoolbataljon Zuid

(Sbat Zuid)

Generaal-majoor De Ruyter-Van Steveninckkazerne

Oirschot

Schoolbataljon Luchtmobiel

(Sbat Lumbl)

Oranjekazerne

Schaarsbergen

Tijdens de AMO(L) worden de militaire basisvaardigheden ten behoeve van de militaire basiseisen aangeleerd.

Na met succes de AMO(L) te hebben volbracht, vervolgt de rekruut zijn functie-opleiding, voor het vervullen van zijn toekomstige functie bij een parate eenheid, bij één van de specifieke opleidings- en trainingscentra.

De AMO duurt 4 maanden, de AMOL 5 maanden. Slagen voor de AMOL betekent dat de geëxamineerde rekruut gerechtigd is tot het dragen van de rode baret. Aan het einde van de AMO(L) heeft de geëxamineerde rekruut in de regel de stand van soldaat der eerste klasse.

Voorbeelden van functie-opleidingen zijn die van genist op het Opleidings- en Trainingscentrum Genie, radiobedienaar op het Opleidingscentrum Ede, rupschauffeur op het Opleidings- en Trainingscentrum Manoeuvre en artillerist op het Opleidings- en Trainingscentrum Vuursteun. In de regel ressorteren deze opleidings- en trainingscentra onder het Opleidings- en Trainingscommando (OTCO), dat is voortgekomen uit het toenmalige Commando Opleidingen Koninklijke Landmacht (COKL). Een uitzonderingspositie geldt echter de functie-opleiding voor geneeskundig (hulp)personeel aan het Opleidingscentrum Militair Geneeskundige Diensten (OCMGD), dat niet onder het OTCO valt. Het ‘paarse', joint opleidingscentrum valt onder het Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf (MGFB), dat op zijn beurt deel uitmaakt van het Commando Diensten Centra (CDC).

Naast een taakstelling in het kader van opleiding & training, verzorgt het OCIO oriëntatietrajecten op scholen in de burgermaatschappij; ook organiseert het OCIO kennismakingsweken. Het einddoel van beide activiteiten is het werven van personeel om vacatures bij de parate eenheden op te vullen.

Organogram van het Opleidings Centrum Initiële Opleidingen

OT&R

Overige Taken & Remedial. In deze opleidingscompagnie krijgen uitvallers een tweede kans. Het gaat hier met name om rekruten die zijn uitgevallen met blessures, rekruten die preventief in deze subeenheid worden opgenomen bij een onvoldoende tussentijdse score.

 

IFO
Initiële & Functie Opleidingen.

Sinds 27 juni 2007 heeft het Schoolbataljon Centraal opgehouden te bestaan. Sindsdien resteren er dus drie schoolbataljons.

Zie ook: drillkruid.

Terug naar Boven

 

O.C.O.K.A.

Binnen de U.S. Army (Field Manual 34-130, ‘Intelligence Preparation of the Battlefield’, 1993), een algemeen gebruikt acroniem en ezelsbruggetje waarin de militaire aspecten van het terrein worden geëvalueerd:

O

Observation & Fields of Fire

waarnemingsmogelijkheden en schootsvelden

C

Cover & Concealment

vuur- en zichtdekking

A

Obstacles

hindernissen

K

Key or Decisive Terrain

belangrijke en essentiële gebieden

A

Avenues of Approach

naderingsmogelijkheden

De genoemde factoren worden gewogen in het kader van:

mee te nemen wapens en materieel

missie van de eenheid

niveau van commandovoering

samenstelling van de deelnemende strijdmacht

soort operatie

O.C.O.K.A. is vergelijkbaar met het Nederlandse H.N.B.W.V., het terrein- en weeraspect van het O.T.V.O.E.M.

Terug naar Boven

 

O.C.O.S.D.

Voluit: Opleidingscentrum Officieren van Speciale Diensten. Van 1974 tot 1 juli 1996 bestaand centrum voor de verkorte officiersopleiding, gevestigd op de Seeligkazerne en de Trip van Zoudtlandtkazerne in Breda. Als zodanig tegenhanger van de KMA.

De verschillen tussen het OCOSD en de KMA:

 

OCOSD

KMA (vóór 1996)

vooropleiding

HAVO

VWO (atheneum/gymnasium)

opleidingsmodus

Meer praktijkgericht dan theoretisch

Meer theoretisch opgeleid dan praktisch

opgeleid tot

troepencommandant

stafofficier

eindrang

overste of kolonel

bij gebleken geschiktheid doorgroei tot opperofficier (generaalsrangen) mogelijk

benaming

B-officieren

A-officieren

Het ponceaurode embleem met witte rand van het OCOSD bestaat uit de klimmende leeuw uit het Nederlandse Rijkswapen, op een rond, gepareld veld. Het geheel is gedekt door de Koninklijke kroon en gelegen op een gestileerde W (Wilhelmina). Aan de onderzijde van het goudkleurig metalen embleem bevindt zich een banderol met het devies “Suscipere Et Finire” (“Ondernemen en voltooien”).

De geschiedenis van het OCOSD is door dr. Willem Bevaart beschreven in nummer 18 van de Brochurereeks Sectie Militaire Geschiedenis S.M.G.: ‘Kort maar krachtig. Een geschiedenis van het OCOSD en het OCO 1974-1996’ (1996).

Terug naar Boven

 

OEfening

Kortst mogelijke definitie: nabootsing van de werkelijkheid, d.w.z.. crisisbeheersings- en/of oorlogsomstandigheden.

Volgens het Algemeen Militair Ambtenaren Reglement (AMAR, artikel 54A, onderdeel M) en het Burgerlijk Ambtenaren Reglement Defensie (BARD, artikel 30A, onderdeel K) is de definitie:

”Elk door defensiepersoneel in praktijk brengen van onderwezen bekwaamheden teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van aan de krijgsmacht opgedragen operationele taken te verwerven, te vergroten of te onderhouden.”

Volgens kolonel der artillerie b.d. Leo J.J. Dorrestijn (‘Vuur geëindigd!', pagina 109) zijn de zaken  die op oefening echt nodig zijn goede verbindingen, tijdige planning, voldoende nachtrust en ingewerkte onderofficieren.

Terug naar Boven

 

OEfenRAMPTERREIN

Afgekort: ORT.

Het ORT is gevestigd aan de Amersfoortsestraatweg in Crailo, gemeente Bussum, op het terrein van de Kolonel Palmkazerne.

Op het ORT oefenen, behalve de krijgsmachtdelen, politie- en brandweereenheden. Hoofdgebruiker is de Instructiegroep Bedrijfshulpverlening/Technische hulpverlening (BHV/THV) van het Opleidingscentrum Logistiek (OCLOG) van de Koninklijke Landmacht.

Zaken die onder andere kunnen worden beoefend zijn:

 

  • aanleren van de spreidmethode om een slachtoffer uit een huis te vervoeren
  • beoefenen van de vaardigheidsbaan
  • opbinden van een slachtoffer op een draagbaar met behulp van 12-meter-lijnen
  • vervoer van oefengewonden in kruipruimten, kelders, huizen zonder trap of lift
  • zelfredding in het kader van basisreddingstechnieken

De vaardigheidsbaan bestaat uit een aantal moeilijk begaanbare hindernissen, die moeten worden genomen zonder gebruik te maken van hulpmiddelen. De hindernissen zijn:

puinbak

ongelijke muren met daartussen balken

dakbeschot

kolenbunker

rioolbuizen

ingestorte vloer

hoge muur met vier kleine ramen

De vaardigheidsbaan wordt genomen door een groep cursisten, waarvan één oefengewonde liggend en opgebonden op een draagbaar. Het nemen van de hindernissen kan worden bemoeilijkt door de opdracht te laten uitvoeren onder tijdsdruk en/of zonder met elkaar te mogen spreken.

Het terrein van het ORT is medio 2006/’07 verkocht aan de gemeente Bussum; op het ORT zal te zijner tijd een bedrijventerrein worden gevestigd.

Terug naar Boven

 

O.E.K.E.

Ezelsbruggetje dat wordt gebruikt voor het fixeren van een slachtoffer op een draagbaar wanneer het slachtoffer in slecht terrein of oorden moet worden vervoerd.

Bij het opbinden van het slachtoffer door middel van de kruismethode, worden ter hoogte van "OEKE" halve steken gemaakt om het touw dat langs de draagbaar loopt:
O Oorhoogte
E Ellebooghoogte
K Kniehoogte
E Enkelhoogte

Terug naar Boven

 

OERLIKON KBA, 25 MM SNELVUURKANON

Na het uitfaseren van de mitrailleur .50 inch Browning M2 HB, medio 1977/'78, is de Oerlikon in de bewapening gekomen.

YPR-PRI met in de geschutskoepel het snelvuurkanon Oerlikon KBA (© website 42 Pantserinfanteriebataljon Regiment Limburgse Jagers)

Het (lucht)verdedigingswapen van de Zwitserse fabrikant Oerlikon Contraves doet dienst op de YPR-Pantser Rups Infanterie (PRI), waar het in de geschutskoepel is aangebracht. Met de Oerlikon kan automatisch worden gevuurd op zowel grond- als luchtdoelen.

Specificaties:

effectieve dracht

1500 meter

kaliber

25 x 137 mm

vuursnelheid

550 schoten per minuut

Terug naar Boven

 

OFFICIER

Militair met de rang van tweede luitenant of hoger. Binnen de Koninklijke Landmacht worden de volgende officiersrangen onderscheiden:

(Subalterne) officieren

Tweede luitenant

Eerste luitenant

Kapitein

Hoofdofficieren

Majoor

Luitenant-kolonel

Kolonel

Generaalofficieren

Brigadegeneraal

Generaal-majoor

Luitenant-generaal

Generaal

Zie ook onderofficier en titulatuur.

Terug naar Boven

 

OFFICIER VAN KAZERNEPIKET

Afgekort: OKP. Duits: Dienstaufsichtsbeamter. Frans: officier de permanence. Engels: duty officer. Ook genaamd: officier van kazernedienst; officier van piket; officier van (de) wacht. Bijgenaamd: paniekboer, waakhond.

Militair die buiten de diensturen het directe toezicht uitoefent op de naleving van de handhaving van de orde en rust in de kazerne. In een aanwezigheidsdienst (piket) op de kazerne is hij bijvoorbeeld verantwoordelijk voor het handhaven van het in 2004 ingevoerde Reglement ORD (Orde, Rust en Discipline). Voor zijn taakstelling kan de kazernedienst van de OKP de beschikking hebben over een op afroep beschikbare troep. De OKP is verantwoording verschuldigd aan de commandant van de Lokale Facilitaire Dienst (LFD).

Voorheen rustte op de schouders van de OKP ook de verantwoordelijkheid voor de veiligheid op de kazerne; hij moest zich afvragen wat de zwakke plekken in de vredesbewaking waren en wat er mis zou kunnen gaan. De OKP moest genomen veiligheidsmaatregelen regelmatig in twijfel stellen om na te gaan of zij nog afdoende waren en moest zich afvragen wat te doen als zich een calamiteit voordeed.

Ringkraag van de OKP

Het onderscheidingsteken van de OKP is de ringkraag.

Van oorsprong is dit een metalen kraag die boven het harnas om de hals werd gedragen en voornamelijk tot de wapenrusting van de 17 de-eeuwse cavalerie behoorde. De huidige ringkraag – een maanvormige, verzilverde en met het Rijkswapen versierde plaat met een grootste breedte van 16,3 cm - wordt onder andere door de Nederlandse OKP tijdens het uitoefenen van zijn dienst om de hals en vóór de borst gedragen.

De ringkraag is in 1933 ingevoerd door luitenant-generaal Jonkheer Willem Roëll, de toenmalige Commandant van het Veldleger en van de Vesting Holland. Het ontwerp is van de Haagse zilversmid Frans Zwollo.

Het verhaal gaat dat de toenmalige Minister van Defensie Hendrik van Boeijen, die geen enkele kennis had van de militaire organisatie, dacht dat met de “officier van piket” iemand werd bedoeld, die als achternaam ‘Van Piket’ had (Lou de Jong, ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’, deel IX).

Terug naar Boven

 

O.F.S.S.L.A.

Ezelsbruggetje dat wordt gebruikt voor de handelingen die achtereenvolgens moeten worden toegepast bij het maken van krijgsgevangenen:

O

Ontwapenen

Afnemen van wapen en uitrusting en deze voorzien van het krijgsgevangenenlabel (df 73)

F

Fouilleren

Lichaam, kleding en uitrustingsstukken doorzoeken; documenten samen met krijgsgevangenen afvoeren; boeien en blinddoeken.

S

Scheiden

Belangrijke en vrouwelijke krijgsgevangenen onmiddellijk scheiden.

S

Stilte en discipline handhaven

Geef krijgsgevangenen één zekerheid: de onzekerheid.

L

Labelen

Voorzie documenten en materieel van het krijgsgevangenenlabel (df 73).

A

Afvoeren

Zo spoedig mogelijk, liefst geboeid en geblinddoekt; veiligheids(onder)officier regelt afvoer.

Bij het "scheiden" moet worden gedacht aan het scheiden van personeel van materieel, combattanten van non-combattanten, mannen van vrouwen, officieren van onderofficieren en manschappen.

Zie ook krijgsgevangene. De nieuwerwetse variant van O.F.S.S.L.A. is O.F.S.S.S.A.

Terug naar Boven

 

O.F.S.S.S.A.

De nieuwerwetse variant van O.F.S.S.L.A.:

O

Ontwapenen

- krijgsgevangene ontwapenen
- wapen op veilige plaats leggen

F

Fouilleren & Labelen

- fouilleer de krijgsgevangene (in spreidstand tegen boom of op handen en knieën op de grond zitten)
- alle uitrusting doorzoeken op documenten, kaarten, munitie, wapens e.d.
- niet afnemen: beschermende militaire uitrusting (NBC-masker), eetgerei, ID / herkenningsplaatje, kleding, onderscheidingstekens, persoonlijke bezittingen (familiefoto’s e.d.)
- alles labelen (df 73)
- alle documenten in enveloppe (lf 14244)

S

Scheiden

- Scheiden van de krijgsgevangenen in groepen: mannen en vrouwen apart
- Scheiden in subgroepen: officieren, onderofficieren, korporaals, manschappen, politici, burgers

S

Stilte opleggen en handhaven

- niet met elkaar laten praten
- zelf niet met krijgsgevangenen spreken (uitgezonderd het geven van bevelen)
- veters uit schoenen
- geblindeerde bril en oorbescherming plaatsen
- handen met tie-rips voor het lichaam vastbinden

S

Snelheid

- snelheid in het behandelen en afvoeren
- a.s.a.p. overdragen krijgsgevangene aan hogere niveau (CSM)

A

Afvoer

- a.s.a.p. afvoeren
- groepen bij elkaar houden
- houd rekening met afleidingsmanoeuvres en ontsnappingspogingen

Terug naar Boven

 

OLK

Voluit: Opleiding voor Leidinggevende Korporaals.

Opleiding die initieel werd gegeven aan plaatsvervangend en waarnemend groepscommandanten bij de infanterie bij 11 Luchtmobiele Brigade in de rang van korporaal.

De Koninklijke Militaire School (KMS) start vanaf 2007 met een pilot van de algemene Opleiding voor Leidinggevende Korporaals (OLK).

De opleiding is bedoeld voor korporaals die hun functie zullen vervullen als plaatsvervangend groepscommandant. Hoofdonderwerpen van de OLK zijn commandovoering, instructiebekwaamheid en leidinggeven.

De cursist krijgt de basisbeginselen van commandovoering, het waarschuwingsbevel, de analyse van het pelotonsbevel en het maken van een groepsbevel aangeleerd. De opleiding duurt 4 weken.

Korporaals die de OLK succesvol hebben afgerond, mogen voor de duur van hun functie een, ook al nieuw, rangonderscheidingsteken dragen. Het rangonderscheidingsteken is gelijk aan dat van korporaal (der eerste klasse), alleen staan boven de strepen ook twee gekruiste Diemaco's afgebeeld.

Op 30 november 2007 reikten de Commandant Landstrijdkrachten, luitenant-generaal Peter van Uhm, en CLAS-adjudant Theo Witlox de eerste 28 functieonderscheidingstekens uit.

Rangonderscheiding voor de korporaal der 1ste klasse die de OLK succesvol heeft afgerond

Terug naar Boven

 

OLM

Betekenis: Onderwijsleermiddelen. Middelen die, direct of ondersteunend, kunnen worden aangewend voor het geven (door de instructeur) én ontvangen (door de leerling) van activiteiten gericht op het aanleren, bestendigen en/of verbeteren van kennis, skills en drills. Onderwijsleermiddelen zijn algemene goederen die behoren tot de klasse IV. Eindverantwoordelijk voor de aanvraag van onderwijsleermiddelen is de sectie 3.

Onderwijsleermiddel Microsoft PowerPoint, gepresenteerd door Fokke & Sukke in NRC Handelsblad d.d. 7 september 2001

Behalve lesmateriaal - bijvoorbeeld kantoorartikelen, dienstvoorschriften, overige boekwerken, DVD's en videobanden, exercitiemunitie en schietbaanbenodigdheden – al het materiaal dat de instructeur nodig heeft voor het feitelijk geven van instructie, waarbij de nadruk vaak ligt op het praatje/plaatje/daadje-principe. Voorbeelden van OLM ten behoeve van de instructeur zijn audio- en videoapparatuur, computer (Microsoft PowerPoint), beamer en projectiescherm, katheder, overheadprojector, schoolbord en whiteboard. Het juiste gebruik van OLM ten behoeve van de instructeur staat omschreven in kerngedraging 35.

Geavanceerde onderwijsleermiddelen (GOLM) zijn onder andere simulatoren – waarmee de opleidingen doelmatiger verlopen en de milieubelasting wordt beperkt, zoals de SIM-KKW en de Human Patient Simulator – managementspellen en scenarioanalyses.

Ook mensen kunnen fungeren als onderwijsleermiddel, bijvoorbeeld bij het beoefenen van gespreksvormen.

Typisch geneeskundige onderwijsleermiddelen: linksboven een fantoomarm t.b.v. infusie-instructie, linksonder een torso-fantoom t.b.v. intubatie-instructie, rechts een Resusci Anne-pop t.b.v. reanimatie-instructie

Zie ook: kerngedragingen instructeur, klasse en praatje / plaatje / daadje.

Terug naar Boven

 

OMGAAN MET MEDIA

Engels: media awareness. Cursus die onder andere wordt gegeven in het kader van de Missie Gerichte Opleiding.

De cursus leert hoe - desgevraagd - correct, tijdig en in het belang van de Defensieorganisatie de pers kan worden geïnformeerd. Perscontacten, public relations en voorlichting over de Defensieorganisatie zullen in eerste instantie weliswaar lopen via de Sectie Communicatie van de eenheid, voorlichters van het betreffende krijgsmachtdeel en de Directie Voorlichting van het Ministerie van Defensie, of in uitzendgebieden via de Contingentscommandant (Contco) of Senior National Representative (SNR), het kan voorkomen dat de individuele militair wordt geïnterviewd door journalisten.

Daarbij is het zaak dat de individuele militair doet wat hij mag en nalaat wat hij niet mag, waartoe de Instructiekaart (IK) 2-1251 een praktisch format is:

Het format van IK 2-1251 – vastgesteld door de Bevelhebber der Landstrijdkrachten, voor deze Hoofd Legervoorlichting, bij briefnummer COMM/2001/68371 – zorgt ervoor dat de individuele militair vertelt wat hij wil vertellen, zodat achteraf teleurstelling wordt voorkomen als hij het interview terughoort, -leest of –ziet.

Overigens begint een goede benadering van de pers met een correct militair voorkomen wat betreft tenue, taalgebruik en attitude. Omdat de pers graag een primeur (scoop) wil brengen, hanteert zij een format bestaande uit vijf A's:

Actualiteit

Speelt het onderwerp

Aantal

Is het onderwerp interessant voor grote groepen mensen

Afwijking

Wijkt het af van het gangbare dan wel te verwachten ontwikkelingen

Amusementswaarde

Is het leuk, spannend en/of visueel te maken met beeldmateriaal

Afwisseling

Is er een onderlinge samenhang met een ander nieuwswaardig onderwerp

Zie ook: embedded journalism, Every soldier a spokesperson, oorlogscorrespondent, operational security en psychological operations.

Terug naar Boven

 

OMGEKEERDE V

Omgekeerde V op een Mercedes Benz-terreinwagen van de Geneeskundige Dienst

Herkenningsteken voor eigen troepen in de vorm van een omgekeerde letter V (chevron) om eigen troepen vanuit de lucht gemakkelijk te kunnen herkennen.

De omgekeerde V staat ook bekend als één van de binnen de NAVO gevoerde beschermingsmaatregelen tegen friendly fire, vergelijkbaar met een marker panel.

 

Een militair voertuig dat binnen een militaire operatie tot dezelfde bondgenoot- of vriendschappelijke (geallieerde) troepen behoort, wordt rondom – d.w.z. aan de voor-, achter- en zijkanten (portieren) – voorzien van een grote omgekeerde V, die wit is gekleurd.

Zie ook: marker panel.

Terug naar Boven

 

OMLOOPTIJD

Duits: Umlaufzeit. Engels: turnaround (cycle) time. Frans: période de circulation. Tijd- en ruimtefactor die de periode aangeeft die een transportmiddel nodig heeft om een totale afstand heen en terug te verplaatsen. In deze periode wordt uitgegaan van een gemiddelde snelheid, welke wordt berekend aan de hand van het langzaamste verplaatsende transportmiddel. De omlooptijd is een essentiële factor van invloed bij de locatiebepaling van gevechtssteun- en gevechtsverzorgingssteuneenheden. De omloopstand beïnvloedt direct de omlooptijd, maar is evengoed afhankelijk van verschillende externe factoren:

  • calamiteiten/eventualiteiten onderweg
  • lengte van routes in de AOR
  • logistieke zelfvoorzienendheid van overige eenheden in de AOR
  • meest gedisloceerde locatie in de AOR
  • soort operatie/gevecht
  • soort transportmiddel
  • tijd tussen heen- en terugverplaatsen op locatie benodigd (aftanken, gewondenbehandeling, herbevoorraden, herbewapenen, laden, lossen en overige activiteiten)
  • tussentijds wijzigende terrein- en weersomstandigheden
  • vijandelijke activiteiten
  • voorraadniveaus in de AOR
  • voorwaarts ontplooide eigen troepen (FOB’s e.d.), die de footprint vergroten en de omlooptijden verkorten

Voor de geneeskundige ondersteuning is de omlooptijd van levensbelang: het golden hour is hier direct van afhankelijk. Te allen tijde dient rekening te worden gehouden met het ter beschikking houden van capaciteit om het gevecht te kunnen blijven volgen, in het bijzonder bij het hoge tempo en de grote diepte van het aanvallend gevecht.

De omlooptijd – die de wijze van optreden dicteert (bij afwezigheid of kleiner worden van de omlooptijd zijn de patiënten het snelst bij een geneeskundige inrichting) – mag niet te groot worden, waarbij moet worden uitgegaan van het worse case-scenario van de afwezigheid van helikopters ten behoeve van de afvoer van patiënten. Toegang tot het militaire gezondheidszorgsysteem moet planmatig in de nabijheid zijn van de potentiële plaats van gewond raken, anders is de eerste bedreiging die van een snel oplopende omlooptijd tussen de plaats van gewond raken en de geneeskundige inrichting. Het behoud van aansluiting met gevechtseenheden en het naasthogere niveau van zorg heeft prioriteit. Indien zo ver mogelijk voorin kan worden ontplooid (gewondennest, MEDPUP) is – planmatig – de doelmatigheid optimaal en de omlooptijd minimaal.

Terug naar Boven

 

OMTREKKING

Ook: omtrekkende beweging. In het Duits: Umfassung. In het Engels: envelopment. In het Frans: contournement.

Manoeuvrevorm in het kader van het aanvallend gevecht (in de diepte) waarbij op één of beide flanken langs de opstellingen van de vijand wordt getrokken.

Het doel van de omtrekking is het bereiken van de vijandelijke lines of communication, vervolgens de vijand af te snijden van eigen troepen door een aanval op de flank(en) of in de rug en tot slot ontsnapping van de vijand te voorkomen.

Als de vijand in de terugtocht wordt belemmerd, is de weerstand normaliter snel gebroken.

Omtrekkingen kunnen dus zowel langs één flank (enkele omtrekking) als langs beide flanken (dubbele omtrekking) plaatsvinden. Weerstanden die zich blijven verzetten en NBC-besmette gebieden worden in de regel omtrokken.

Het misleidings- en verrassingseffect van de omtrekking is optimaal, zeker in combinatie met abominabele weersomstandigheden (mist, sneeuwval, storm). De vijand wordt met een correct voorbereide en uitgevoerde omtrekking uitgemanoeuvreerd.

Zie ook: achtervolging.

Terug naar Boven

 

OMVATTING

In het Duits: Umfassung. In het Engels: envelopement. In het Frans: encompassement.

De omvatting (omsingeling) is een manoeuvrevorm tijdens het aanvallend gevecht – evenals  doorbreking, frontale aanval en omtrekking – waarbij de hoofdaanval is gericht op één flank, beide flanken, de rug of de flanken in combinatie met de rug in het vijandelijke zwaartepunt.

Onderscheiden worden enkelvoudige, dubbele of verticale omvattingen:

   

Enkelvoudige omvatting

Dubbele omvatting

Verticale omvatting

 

De enkelvoudige omvatting gaat links- of rechtsom in één aanvalsechelon naar één van de vijandelijke flanken of stoot onmiddellijk door naar de vijandelijke rug.
Daarmee vormt zij een bedreiging voor
het van binnenuit oprollen van de vijandelijke fronteenheden.

De dubbele omvatting gaat in twee gescheiden aanvalsechelons links- en rechtsom. Daarmee wordt de vijand volkomen omsloten.
De twee echelons naderen elkaar in de diepte of maken daar contact. De enige vijandelijke ontsnappingsmogelijkheid is achterwaarts, tenzij de terugtocht bij de omvatting al is afgesneden.

De verticale omvatting is een verplaatsing van een aanvalsechelon door de lucht. In de regel zijn het air manoeuvre- of Special Forces-eenheden die deze actie uitvoeren; achter een bosrand of heuveltop verscholen kunnen grondtroepen steun verlenen in verticale hit-and-run acties.

Eisen van een omvatting:

  • Bijzondere beschermingsmaatregelen ten aanzien de eigen flanken.
  • De vijand dient te worden vernietigd in zijn (voorste) opstelling.
  • De vijand heeft flanken waarlangs kan worden verplaatst, zonder dat daar een beslissend gevecht hoeft te worden aangegaan.
  • Eigen troepen groeperen in de diepte.
  • Het grootste deel van de ingezette middelen voert de manoeuvre uit in direct vuurcontact met de vijand na de inbraak of na het passeren van de voorste rand weerstandsgebied.

Zie ook: aanvallend gevecht.

Terug naar Boven

 

ONBESTREKEN RUIMTE

Engels: dead space. Een gebied dat weliswaar binnen het maximale bereik van radar, waarneming of wapen ligt, maar niet kan worden bestreken door effectief vuur en/of waarneming vanuit een bepaalde positie.

De redenen hiervan kunnen divers zijn: tussengelegen obstakels, aard van het terreindeel (geaccidenteerd, bergachtig), kenmerken van krom- of vlakbaanvuur of beperkingen van het wapen.

Het beste om van een onbestreken een bestreken ruimte te maken is het verbeteren van de eigen positie.

Zowel de bestreken als de onbestreken ruimte in beeld gebracht.

Terug naar Boven

 

ONBEWUST BEKWAAM

De kreet "onbewust bekwaam" is de vierde fase uit de theorieën van de Amerikanen Paul Hersey en Kenneth H. Blanchard ('Management of organizational behaviour. Utilizing human resources', 1968). De theorieën zijn onder andere gemakkelijk toepasbaar bij de opleiding en training (O&T) binnen de Koninklijke Landmacht, omdat zij de fases markeren binnen het kennis- en leerproces. Het model van Hersey/Blanchard is dat van het situationeel leidinggeven.

De vierde fase geeft aan dat de leerling/recruut op de automatische piloot, zonder er verder acht op te slaan, zich zaken (bijvoorbeeld skills en drills) volledig heeft eigen gemaakt. De leerling/recruut is nu in staat zaken te delegeren:

fase 1

INSTRUEREN

TELLING

onbewust onbekwaamBetrokkene is zich er niet van bewust dat hij zaken niet beheerst
  • weinig mensgericht
  • sterk taakgericht

fase 2

COACHEN

SELLING

bewust onbekwaamBetrokkene is zich bewust geworden dat hij zaken niet beheerst
  • sterk mensgericht
  • sterk taakgericht

fase 3

ONDERSTEUNEN

PARTICIPATING

bewust bekwaamBetrokkene werkt bewust aan veranderingen door er zorgvuldig acht op te slaan
  • sterk mensgericht
  • weinig taakgericht

fase 4

DELEGEREN

DELEGATING

onbewust bekwaamBetrokkene past het veranderde gedrag toe zonder er acht op te slaan
  • weinig mensgericht
  • weinig taakgericht

De blanco recruut bij het schoolbataljon is zich niet bewust van zijn onbekwaamheden, de onbewust-bekwame soldaat of korporaal bij de parate eenheid handelt daarentegen - althans, als het goed is - instinctief en drillmatig op de juiste wijze.

Terug naar Boven

 

ONDAS

Betekent: Onderdeels Aanvullingssysteem. Personeelsaanvullingssysteem waarbij het pelotons- of compagniesgewijs afzwaaien van de oudste lichting dienstplichtige militairen wordt opgevolgd door het opkomen van de nieuw op te leiden of al opgeleide lichting dienstplichtige militairen.

De oudste lichting wordt achtereenvolgens met klein verlof gestuurd, (twee maanden later) met groot verlof gestuurd en tenslotte ingedeeld bij een mobilisabele eenheid. In het dienstplichttijdperk was het ONDAS in het bijzonder van toepassing op manoeuvre-eenheden, terwijl staf- én gevechtsverzorgings- of logistieke eenheden vooral op individuele basis werden gevuld.

Zie ook: INDAS en rekruut.

Terug naar Boven

 

ONDERDEELKOORD VERENIGDE NATIES

Lichtblauw katoenen koord met een doorsnede van 5 mm en aan elk uiteinde voorzien van een lus zonder fluit of nestelpen. De lengte van het koord, de lussen inbegrepen, is 90 cm. Het koord wordt gedragen op de linkerschouder en eindigt in de linkerborstzak of, bij vrouwelijke militairen, onder de linkerrevers.

Het koord wordt gedragen door personeel van de ter beschikking aan de United Nations (Verenigde Naties) te stellen eenheden, maar niet tijdens de uitzending zelf.

Het onderdeelkoord VN is vastgesteld door de Chef van de Generale Staf op 14 januari 1976. Het is afgeschaft in 1995, omdat het deelnemen aan crisisbeheersingsoperaties (onder ander onder auspiciën van de VN) één van de hoofdtalen van de KL is geworden.

Saillant detail is dat de brief van Directie Personeel Koninklijke Landmacht (DPKL), waarin een en ander is verwoord, is gedateerd op 13 juni 1995. Dit is 27 dagen vóór de val van Srebrenica, de laatste VN-missie voorafgaand waaraan de militairen – in dit geval van UNPROFOR/Dutchbat – nog gerechtigd waren het onderdeelkoord te dragen. Voor latere VN-missies waaraan Nederland deelnam, zoals UNMEE in Ethiopië/Eritrea (2000/’01), was dit niet meer toegestaan.

De grootste missie ten behoeve waarvan militairen het onderdeelkoord VN hebben gedragen was de missie van de United Nations Interim Force In Lebanon (UNIFIL, 1979-1985).

Ook na het afschaffen van het onderdeelkoord Verenigde Naties is 44 Pantserinfanteriebataljon Regiment Johan Willem Friso gerechtigd gebleven het "blauwe koord" te dragen. 44 Painfbat, indertijd troepenleverancier voor de Nederlandse deelname aan UNIFIL, bewaakt de traditie van UNIFIL en heeft een zeer hechte band met de Libanon-veteranen.

Het blauwe koord ("Libanon-koord") mag echter alleen worden gedragen door militairen geplaatst op een functie bij 44 Painfbat die hebben deelgenomen aan de Oefening Blauw Koord. Destijds was ‘Blauw Koord’  een vijfdaagse selectieoefening om mee te mogen naar Libanon; na afloop kregen de deelnemers zowel het blauwe koord als de blauwe baret uitgereikt. Tegenwoordig is ‘Blauw Koord’ juist een oefening voor iedereen die bij 44 Painfbat begint. De oefening wordt ingeleid door UNIFIL-veteranen, die na afloop de koorden uitreiken.

Terug naar Boven

 

ONDERDRUKKINGSVUUR

Engels: suppressive fire. Uitbrengen van vuur op de vijand met als doel die te dwingen dekking te zoeken en aldus zijn mogelijkheid om het vuur te beantwoorden of naar een andere positie te verplaatsen te reduceren. Het eigen vuur, bijvoorbeeld afkomstig uit een ingerichte vuurbasis bij een aanval op een vijandelijke positie, overstemt het vuur van de vijand.

Karakteristieke wapens voor het afgeven van onderdrukkingsvuur zijn artillerie en machinegeweren, die – omdat ze relatief onnauwkeurig zijn – niet in de eerste plaats worden aangewend om de vijand te verslaan maar eerder als psychologisch middel.

Zie ook: spray and pray.

Terug naar Boven

 

ONDERHOUD

Alle handelingen die aan en ten behoeve van goederen moeten worden verricht om deze in bruikbare staat te brengen of te houden.

Omdat het persoonlijk wapen onderhoud nodig heeft om goed te kunnen functioneren, is dit altijd het eerste dat de militair dient te verrichten. De inspectie van het persoonlijk wapen is dan ook het eerste punt van elke functiecontrole (FUCO), zowel vóór als na een actie.

Elk kleinkaliberwapen kan in hoofdgroepen worden uiteengenomen om met wapenonderhoudsmiddelen te worden gereinigd. Onderhoud vindt niet alleen plaats na het vuren tijdens (schiet)oefeningen of louter onder operationele omstandigheden: ook periodiek, incidenteel en bij abnormale omstandigheden.

Er bestaan verschillende soorten onderhoud, correctief, modificatief en preventief onderhoud, die bij de operationele eenheden allen voorkomen. Bij de operationele eenheden moet het onderhoud aan materieel aan de volgende voorwaarden voldoen:

mag geen overmatige belasting vormen voor de hoofdtaak van de eenheid

moet eenvoudig uit te voeren zijn

moet zo kort mogelijk aan het gebruik worden onttrokken

Het 1ste echelons- of gebruikersonderhoud is het onderhoud dat de gebruiker dient uit te voeren. Het omvat zowel correctieve als preventieve onderhoudshandelingen. Het 1ste echelons onderhoud kan worden verdeeld in:

Onderhoud bij gebruik

Vóór het gebruik.

 

Tijdens het gebruik.

 

Na het gebruik.

Periodiek onderhoud

Incidenteel onderhoud

Onderhoud bij abnormale omstandigheden

Bij zeer koud weer

 

Bij zeer warm weer

 

Bij gebruik onder abnormale (terrein)omstandigheden

 

Na het doorwaden

Het 1ste-echelons onderhoud staat omschreven in:

detaillijsten (1DL)

inspectiewerkkaarten (1-IWK)

instructiekaarten (IK)

onderhoudskaarten (OK)

smeerkaarten (SK)

technische handleidingen (1TH)

voorschriften (VS)

De echelonnering van het onderhoud binnen de Koninklijke Landmacht is als volgt:

1e echelons

Gebruikersonderhoud. Onderdeelsonderhoud dat moet worden verricht door de gebruikers van de goederen. Bij voertuigen is dit in de regel de chauffeur.

2e echelons

Onderdeelsonderhoud dat moet worden verricht door het daartoe in de organisatie opgenomen personeel. In de regel wordt dit onderhoud uitgevoerd door de gebruikende eenheid: Sergeant Majoor Onderhoudsdiagnosticus (SMOD) en Sergeant Onderhoudsdiagnosticus (SOD).

3e echelons

Werkplaatsonderhoud. Onderhoud dat onder verantwoordelijkheid van de operationele commandant wordt verricht door een hersteleenheid (Herstelpeloton of –compagnie).

4e echelons

Operationele onderhoud, waarvoor binnen het operationele commando geen capaciteit aanwezig is en/of onderhoud dat vanwege aard, omvang, benodigde gereedschappen en testapparatuur, niet binnen de door het operationele commando gestelde tijd kan worden hersteld. In de regel wordt dit onderhoud uitgevoerd door gespecialiseerde werkplaatsen.

5e echelons

Basisonderhoud. Onderhoud dat een levensduurverlengend karakter heeft, planmatig van opzet is en seriematig wordt uitgevoerd. In de regel wordt dit onderhoud uitgevoerd door gespecialiseerde burgerbedrijven.

 

4e en 5e echelons onderhoud worden ‘hoger onderhoud’ genoemd. De specifieke werkplaatsen hiervoor zijn de Elektronische Centrale Werkplaats (ECW) in Dongen en de Mechanisch Centrale Werkplaats (MCW) in Leusden/Soesterberg.

Bij het correctieve en preventieve onderhoud aan voertuigen en voertuigmaterieel speelt de Sergeant-Majoor Onderhoudsdiagnosticus (SMOD) een belangrijke rol.

Terug naar Boven

 

ONDERLUITENANT

Afgekort: olt. Duits: Leutnant. Frans: sous-lieutenant. Engels: second lieutenant.

Onderluitenant is in de Landcomponent, Luchtcomponent en Medische Component van de Belgische krijgsmacht de laagste graad voor officier. In België ook genaamd luitenant-adjudant.

Tot 1969 was onderluitenant de laagste officiersrang in de Nederlandse krijgsmacht, tegenwoordig overeenkomend met tweede luitenant. In de tijd van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL), d.w.z. tot haar opheffing in 1950, was onderluitenant echter de hoogste onderofficiersrang, tussen adjudant-onderofficier en tweede luitenant in. Het rangonderscheidingsteken bestond uit twee stippen (“adjudant-stippen”). Het is niet vreemd dat de rang van onderluitenant binnen het KNIL, behalve als hoogst bereikbaar niveau, werd gezien als de rang voor een excellent onderofficier.

“Deze onderluitenants waren wandelende encyclopedieën, levende reglementen. Net zo min dat er tegen een reglement of voorschrift te vechten viel, nog minder kans maakte je het ooit van een onderluitenant te kunnen winnen. Het kon ook niet anders. Je werd niet zomaar onderluitenant volgens de rangbeschikking na verloop van jaren. Je werd het pas na een gedegen kennis van voorschriften en reglementen en na een theoretisch en praktisch examen. Het resultaat van een intense eigen studie. Bijzondere baantjes waren voor hen weggelegd. Bij een onderluitenant keek je tegen hem op, het was niet zomaar een militair.”

(Bron: Indisch maandblad Moesson, 15 juni 1985)

Terug naar Boven

 

ONDEROFFICIER

Engels: noncommissioned officer (NCO). Frans: sous-officier. Bij de Koninklijke Landmacht (KL) is een onderofficier een militair die hoger is gegradueerd dan een korporaal der eerste klasse en lager dan een tweede luitenant.

Het domein van de onderofficier.

Onderofficieren zijn het middenkader ('middenmanagement') van de KL.

De onderofficier legt verantwoording af aan de officier en geeft onder alle omstandigheden leiding en instructie aan de manschappen en/of collega-onderofficieren en/of officieren, bijvoorbeeld op de KMA.

Onderofficieren geven initieel leiding op alle niveaus in de Defensieorganisatie en leiden de nieuwe aspirant-onderofficieren op. Onderofficieren leiden onder andere de recruten op de schoolbataljons op of zijn vakman op een deelgebied.

De onderofficiersrangen zijn sergeant, sergeant der eerste klasse, sergeant-majoor en adjudant. Excellerend onderofficieren die in het management development-traject zitten, komen in aanmerking voor de functieonderscheiding van stafadjudant.

Sommige hoogwaardige specialisten in de Koninklijke Landmacht zijn per definitie onderofficier, bijvoorbeeld verpleegkundigen, sportinstructeurs en Technisch Middenkader (TMK).

Onderofficieren worden vaak de “ruggengraat van de landmacht” genoemd of, zoals de Amerikaanse generaal en president Dwight D. Eisenhower het ooit treffend omschreef: "The Sergeant is the Army".

De kracht van de Nederlandse tactiek tijdens de oorlogen in Irak en Afghanistan – de missies aan het begin van de 21ste eeuw – werd niet alleen gevormd door luitenanten (pelotonscommandanten). Hoewel het optreden in die landen al gauw de naam ‘luitenantenoorlog’ kreeg, spelen de missies zich meer nog af op groepsniveau: het niveau van de onderofficier.

Het domein van de onderofficier is niet voor niets leider/leidinggevende, vakman en instructeur.

Hierboven is in beeld gebracht hoe de verschillende onderofficiersrangen zich verhouden tot het toepassen, het begeleiden en het bewaken.

Het laagste niveau, de sergeant (der eerste klasse),  verbetert zich gedurende zijn loopbaan dankzij de Primaire Vorming en Secundaire Vorming; het middenniveau, de sergeant-majoor, bekwaamt zich verder met behulp van bijscholingscursussen; en het hoogste niveau, de (staf)adjudant, volgt de Tertiaire Vorming.

De positie van de onderofficier is tegenwoordig zelfs ingeschaald op het niveau naast dat van de commandant. Was eerst alleen de compagnies sergeant-majoor, als “moeder van de compagnie”, de hoogst aanwezige onderofficier op compagniesniveau, tegenwoordig telt de KL vele stafadjudanten op naasthogere niveaus.

De onderofficiersrangen zijn :

sergeant (*1)

sergeant der eerste klasse (*2)

sergeant-majoor (*3)

adjudant

* 1: bij artillerie en cavalerie: wachtmeester, * 2: bij artillerie en cavalerie: wachtmeester der eerste klasse, * 3: bij artillerie en cavalerie: opperwachtmeester

Van de onderofficier wordt verwacht dat hij actief, creatief, mentaal weerbaar, opofferingsgezind, sportief, verantwoordingsbewust en zelfstandig is. De onderofficier is onder meer verantwoordelijk voor:

►begeleiding: ervaring en kennis overdragen
►bewaking van het domein van de onderofficier: verbeteren van leiderschap, vakmanschap en instructie
►detectie en selectie: wie wordt plaatsvervanger, wie wordt opvolgend pelotonscommandant en waarom?
►opleiding en training, niveau I (individu) en II (groep)

Zie ook: instructiebekwaamheid, officier en vakman / leider / instructeur.

Terug naar Boven

 

ONDEROFFICIER, DE

Tijdschrift dat tienmaal per jaar verschijnt op formaat B5 als vakblad voor alle onderofficieren van alle wapens en dienstvakken, inclusief onderofficieren van de Nationale Reserve en cursisten van de Koninklijke Militaire School, en wordt uitgegeven door het Ministerie van Defensie. De oplage anno 2010 is ± 11.000 exemplaren.

In juni 1959 verscheen 1ste jaargang, nummer 1, van het toen nog driemaandelijkse periodiek onder redactie van reserve-majoor G. Abrahamsen en adjudant A.J.J. de Bruijn en een redactiecommissie onder voorzitterschap van majoor E.P.W. Elstak.

Er bestond weliswaar al een blad voor de onderofficieren van het wapen der infanterie, ‘De Infanterist’ (opgericht in 1950), maar dat was in het bijzonder een vakblad voor de onderofficier van de infanterie en behandelde onderwerpen als instructie, tactiek, verbindingen en wapenleer.

In 1963 fuseerden beide tijdschriften tot ‘De Onderofficier, waarin opgenomen De Infanterist’; in 1970 werd ‘De Infanterist’ opgeheven.

In 1971 werd adjudant M.M. Hoeberigs van de Verbindingsdienst de eerste onderofficiervoorzitter van De Onderofficier; hij nam het stokje over van de laatste officier-voorzitter, luitenant-kolonel W.M.M. Hasenbos.

De opzet van De Onderofficier, zoals in 1959 uitgesproken door de toenmalige Secretaris-generaal van Defensie, Louis C. Rietveld, is “het voorzien in een behoefte naar meer voorlichting, verruiming van vakkennis en vergroting van kennis in algemene zin”. Deze opzet is nog steeds het doel dat de redactiecommissie nastreeft.

‘De Onderofficier’ heeft in de voorbije jaren verschillende lay-outs gekend.

In december 2008 verscheen naar aanleiding van het 50-jarig bestaan een extra dikke jubileumeditie van 116 pagina's. In 2009 werd het 50-jarig bestaan groots gevierd op de KMS in Weert.

◄ Op de valreep van 2010 verscheen ‘De Onderofficier’ voor de eerste maal in de nieuwe huisstijllay-out van de Koninklijke Landmacht. Voor het eerst na de editie van september 2010 verscheen hiermee het dunste nummer uit de geschiedenis van 52 jaargangen: 8 pagina’s.

Dit was het gevolg van inbedding in de nieuwe organisatie Dienstencentrum Defensiemedia (DCDM), die verantwoordelijk is voor de productie van alle personeelsbladen van de krijgsmacht – dus ook ‘De Onderofficier’. Het insluiten binnen DC DM had, door “de bijzondere positie van het blad” […] “meer voeten in de aarde” dan verwacht.

 
  

Het vaandel

Het eerste nummer van de voorloper van De Onderofficier, verscheen in 1851: ‘Het Vaandel. Tijdschrift voor onderofficieren’. Het tijdschrift, “dat onder hooge goedkeuring het licht ziet en strekken moet tot aankweeking van Krijgsmansgeest bij onze Natie”, stond in die beginjaren onder redactie van P.F. Brunings (1820-1889), kapitein der infanterie.

Later, in elk geval in 1866, kreeg het tijdschrift de ondertitel ‘Tijdschrift tot verspreiding van krijgskennis en aankweeking van krijgsmansgeest onder alle standen’.

Het tijdschrift verscheen maandelijks in veertig bladzijden; de prijs per aflevering bedroeg 30 cent. In het tijdschrift schreef bijvoorbeeld ook H.M.F. Landolt (1828-1871), schrijver van een ook vandaag de dag nog veel geraadpleegd ‘Militair woordenboek’ (1861-‘62).

In 1874 verscheen de laatste jaargang.

Animatie van de verschillende lay-outs van De Onderofficieren in ruim vijftig jaargangen. Het eerste nummer verscheen in juni 1959…

Terug naar Boven

 

ONGECONTROLEERD SCHOT

Duits: unbeabsichtigten Schußabgabe. Engels: accidental discharge (AD). Elk schot dat per ongeluk of uit onachtzaamheid wordt afgevuurd en terechtkomt buiten het gebied dat bestemd is voor het opvangen van kogels. Tevens elk schot dat wordt afgevuurd in een onveilige richting.

Een ongecontroleerd schot is levensgevaarlijk en kan leiden tot persoonlijke en/of materiële schade.

De aanname is dat een ongecontroleerd schot niet mogelijk is, omdat een militair altijd zijn wapen (her)controleert. Ter voorkoming van ongecontroleerde schoten moet aan een vuurwapen vóór en na het gebruik altijd de veiligheidsmaatregelen worden uitgevoerd; aan alle veiligheidsvoorschriften met betrekking tot het gebruik van vuurwapens moet zijn voldaan.

Om ongecontroleerde schoten te voorkomen worden wapens tijdens missies net buiten de compound geladen bij vertrek dan wel ontladen bij terugkomst. Dit gebeurt in de regel in een zandbak of pijp.

Ongecontroleerde schoten kunnen bijvoorbeeld afgaan tijdens het (bij- of her-)laden dan wel ontladen van een vuurwapen; het onnodig aanraken van de trekker van het vuurwapen; het verhelpen van storingen (in munitietoevoer, mechanisch defect e.d.); het overbrengen van het vuurwapen van de ene naar de andere hand en het verplaatsen naar een andere schietpositie. Bij onachtzaamheid kan ook het achterblijven van één of meer patronen in de kamer van het vuurwapen, leiden tot een ongecontroleerd schot.

Het afgaan van een ongecontroleerd schot is een schietincident. De TSBM meldt dit aan de KMar, die het incident onderzoekt en het Openbaar Ministerie informeert; het OM bepaalt of sprake is van een strafbaar feit.

Wanneer het ongecontroleerd schot wordt beschouwd als een strafbaar feit, maakt de TSBM een ‘melding bijzondere gebeurtenis’ op. Deze op 7 november 2005 van kracht geworden melding volgens Aanwijzing SG A/906, betreft het rapporteren van bijzondere gebeurtenissen aan de politieke en ambtelijke leiding van het Ministerie van Defensie. Hieronder worden gebeurtenissen verstaan waarvan men weet of vermoedt dat deze publicitair en/of politiek aandacht kunnen trekken, dan wel om concrete maatregelen vragen. In de Aanwijzing SG A/906 staat dat bijzondere gebeurtenissen die een strafbaar feit of het vermoeden van het plegen van een strafbaar feit betreffen per ommegaande aan de MIVD behoren te worden gemeld. De ‘melding bijzondere gebeurtenis’ gaat naar de Sectie 1.

De KMar informeert de TSBM of het ongecontroleerd schot een strafbaar feit betreft. Wanneer bij het afgaan van een ongecontroleerd schot geen strafbaar feit is vastgesteld en geen lichamelijk en/of materiële schade is ontstaan, wordt geen ‘melding bijzondere gebeurtenis’ opgemaakt. Dit geldt ook bij een schot in de pijp, of andere aangewezen locatie voor het (ont)laden, en indien geen lichamelijk letsel is ontstaan. Indien een ongecontroleerd schot niet als een strafbaar feit wordt beschouwd, wordt het incident tuchtrechtelijk afgedaan.

Terug naar Boven

 

ONGEOORLOOFD AFWEZIG

Afgekort: OA. Duits: unerlaubt abwesend von der Truppe. Engels: absent without leave (AWOL). Frans: absent sans permission.

Volgens de Wet Militair Tuchtrecht (WMT, artikel 7) is ongeoorloofde afwezigheid één van de gedragingen waardoor de militair zijn dienstverplichtingen niet nakomt. Wanneer de ongeoorloofde afwezigheid wordt aangemerkt als een strafbaar feit (misdrijf), geldt het Wetboek van Militair Strafrecht (WvMS, artikelen 96, 98 en 114).

Een militair is ongeoorloofd afwezig wanneer hij zonder toestemming niet op het vereiste tijdstip aanwezig is op een militaire plaats waar dienst moet worden gedaan. In ruimere zin geldt dat een afwezigheid ongeoorloofd is wanneer voor de afwezigheid vooraf geen toestemming is verleend en de afwezigheid evenmin achteraf kan worden gerechtvaardigd (rechtvaardigingsgrond). Ook is afwezigheid ongeoorloofd wanneer een militair met toestemming afwezig is, maar het verleende verlof voor een ander doel wordt gebruikt dan waarvoor het is toegekend.

Bij ongeoorloofde afwezigheid is de tijdsduur van belang, omdat na een aantal dagen, onder andere afhankelijk van vredes- of oorlogstijd, de ongeoorloofde afwezigheid kan overgaan van een tuchtvergrijp in een strafbaar feit. De grens tussen tuchtrechtelijke en strafrechtelijke ongeoorloofde afwezigheid is 4 dagen. Ongeoorloofde afwezigheid korter dan 4 dagen levert een tuchtvergrijp op, langer dan 4 dagen een strafbaar feit. OA is eveneens een strafbaar feit:

  • wanneer het criterium van toepassing is: de militair is weliswaar korter dan 4 dagen afwezig maar heeft daardoor directe en onmiddellijke schade toegebracht aan een operatie of oefening
  • wanneer, in geval van opzettelijke ongeoorloofde afwezigheid onder de militair complexe omstandigheden van een gewapend conflict (zoals in tijd van oorlog), de afwezigheid langer duurt dan 2 dagen.

Als de opzettelijke of verwijtbare ongeoorloofde afwezigheid in tijd van vrede langer duurt dan 30 dagen of in tijd van oorlog langer dan 7 dagen, wordt gesproken van desertie.

Nalatigheid in de ziek-thuisprocedure kan evenzeer tot gevolg hebben dat de militair als ongeoorloofd afwezig wordt aangemerkt.

Bij het opleggen van een tuchtrechtelijke straf in het geval van OA heeft de tot straffen bevoegde meerdere (TSBM) de keuze uit een berisping, geldboete, strafdienst of uitgaansverbod. Het uitgaansverbod kan alleen worden opgelegd voor de tuchtvergrijpen OA en ‘niet opvolgen van een dienstbevel’.

Zie ook: desertie en wuppen.

Terug naar Boven

 

ONTPLOOIING

Duits: Dislozierung. Engels: deployment. Frans: mise en place; déploiement des forces. Werkwoord: ontplooien. Ook genaamd: deployeren (oud-Nederlands).

Eenheden, al dan niet in organiek verband of als verbonden wapens, die zich ontvouwen, over een grote uitgestrektheid verdelen, verspreiden. Tegengesteld: redeployment.

Volgens H.M.F. Landolt behoort het ontplooien/de ontplooiing tot de zgn. evolutiën, d.w.z. “alle bewegingen, die gedurende het gevecht kunnen worden uitgevoerd”. De bewegingen hebben betrekking op het innemen dan wel verlaten van (op)stellingen. Landolt verdeelt de evolutiën in plaatsveranderende, frontveranderende en formatieveranderende. Zo beredenerend is de ontplooiing een plaats-, front- én formatievervangende evolutie (beweging).

Terug naar Boven

 

ONTSCHEPINGSVERLOF

Verlofvoorziening voor militairen volgens artikel 84, ‘Aanspraak op ontschepingsverlof’, van het Algemeen Militair Ambtenaren Reglement (AMAR, MP-bundel 31-101 / 1210), die inhoudt dat voor elke maand uitzending zo spoedig mogelijk na terugkeer het recht op één werkdag ontschepingsverlof geldt.

Het maximale aantal verlofdagen dat op deze manier genoten kan worden is 20. Ontschepingsverlof dat niet binnen 12 maanden na terugkeer is genoten, vervalt. Niet opgenomen ontschepingsverlof wordt niet in geld vergoed.

Zie ook: inschepingsverlof, recuperatieverlof en Ter Beek-verlof.

Terug naar Boven

 

O.N.V.E.E.

De principes voor opvang van personeel na een schokkende ervaring zijn al ontwikkeld tijdens de Eerste Wereldoorlog, met de bedoeling militairen die in emotionele shock (shell shock, stress) verkeerden zo snel mogelijk weer operationeel inzetbaar te maken. Deze behandelingsprincipes worden samengevat in het letterwoord O.N.V.E.E., dat staat voor: onmiddellijkheid, nabijheid, verwachting, eenvoud en eenheid:

O

Onmiddelijkheid

Hoe sneller je kunt reageren en hulp kunt bieden, des te beter. Liefst zelfs op de interventieplaats zelf. Liefst ook tussen 4 en 8 uur na de schokkende ervaring. Hoe sneller de interventie, des te groter de kans om een psychisch trauma te voorkomen.

 

N

Nabijheid

Zowel sociale als geografische nabijheid. Zoek het niet te ver weg, maar reageer op de interventieplaats zelf of direct in de kazerne. Ook een debriefing en vervolggesprekken zo dichtbij mogelijk organiseren. Zo vang je een hulpverlener het best op in zijn rol als hulpverlener, in zijn team en op de plaats waar hij/zij als hulpverlener werkt.

 

V

Verwachting 

Probeer te doen wat wordt verwacht. In eerste instantie hulp bieden in puur praktische zaken, zoals antwoord geven op gestelde vragen. Je verwacht niet dat je menselijke integriteit op je werk bedreigd wordt. De reactie die volgt als een en ander toch gebeurt, moet worden erkend als "een normale reactie op een abnormale gebeurtenis".

 

E

Eenvoud

Keep It Stupidly Simple (KISS). Tijdens de eerste acute opvang zijn geen grootse interventies nodig. Je moet wel gewoon de kans krijgen om in een aparte plaats tot rust te komen en je emoties te kunnen uiten. Belangrijk is ook dat hij/zij het gevoel krijgt dat zijn/haar collega's de situatie en de daaropvolgende reactie herkennen en erkennen.

 

E

Eenheid

Zorg dat iedereen van de hulpverleners hetzelfde doet of hetzelfde uitgangspunt heeft. Anders raak je alleen maar meer gedesoriënteerd en/of getraumatiseerd. Standaardisatie in zowel de acute opvang, de opvang in de eerste dagen na de schokkende ervaring als de eventuele therapeutische hulpverlening is belangrijk.

Het behandelingsprincipe O.N.V.E.E. kan posttraumatisch stress-syndroom uitsluiten of verminderen.

Terug naar Boven

 

ONZE KONINKLIJKE LANDMACHT

Legendarische serie boekjes uit de Beeld-Encyclopedie De Alkenreeks van de Alkmaarse uitgeverij De Alk.

In deze serie kwam in de jaren ’60 onder andere de delen 1 tot en met 5 van de reeks ‘Onze Koninklijke Landmacht’ uit, geschreven door J. Albarda - luitenant-kolonel der artillerie en kazernecommandant van de Prinses Julianakazerne in Den Haag.

De gebonden, hardcover boekjes tellen allen 64 pagina’s in het formaat A6 en zijn geïllustreerd met vele zwart/wit-foto’s:

Alkenreeks

Titel

Jaar

169

Onze Koninklijke Landmacht deel 1.

1968

Infanterie

170

Onze Koninklijke Landmacht deel 2.

1968

Koninklijke Marechaussee en Cavalerie

171

Onze Koninklijke Landmacht deel 3.

1969

Genie

172

Onze Koninklijke Landmacht deel 4.

1970

Artillerie

173

Onze Koninklijke Landmacht deel 5.

1970

Overige wapens en dienstvakken

 

Terug naar Boven

 

OOCL

Voluit: Operationeel Ondersteunings Commando Land. Grootste eenheid van de Koninklijke Landmacht, die geldt als het equivalent van een brigade.

Op 1 januari 2009 ontstaan uit een fusie van 1 Logistieke Brigade en 101 Gevechtssteunbrigade, met als doel het verminderen van het aantal staven.

De tot het OOCL behorende eenheden hebben zich gespecialiseerd in het leveren van communicatie en verbindingen, geniesteun, inlichtingen, onderhoud- en herstelcapaciteit, transport en militaire gezondheidszorg.

Op 5 februari 2009 heeft brigadegeneraal Jan Broeks het eerste commando over het OOCL ontvangen van de Commandant Landstrijdkrachten, luitenant-generaal Rob Bertholee. Dat gebeurde tijdens een ceremonie in de Americahal in Apeldoorn. De staf van het OOCL (± 200 personen) is gevestigd op de Frank van Bijnenkazerne in Apeldoorn.

Met 6.500 militairen is het OOCL verantwoordelijk voor alle ondersteuningstaken voor grondgebonden eenheden bij oefeningen en operationele inzet. In het OOCL zijn bijna alle specialistische functionaliteiten en middelen op het gebied van gevechtssteun en gevechtsverzorgingssteun (logistiek) ingedeeld die niet bij de brigades (13 en 43 Gemechaniseerde Brigade en 11 Luchtmobiele Brigade) zijn ondergebracht:

  • Staf- en stafcompagnie
  • 100 Bevoorradings- en Transportbataljon
  • 200 Bevoorradings- en Transportbataljon
  • 310 Herstelcompagnie
  • 320 Herstelcompagnie
  • 330 Herstelcompagnie
  • Commando Luchtdoelartillerie

De staf van het OOCL – aanvankelijk ‘Ondersteuningstaakgroep’ genaamd – is in staat om op te treden als zelfstandig Command & Control-element voor het organiseren van deployments en redeployments; ook is de staf in staat zowel joint als combined op te leiden en te trainen; daarnaast draagt de staf zorg voor dat de tijdige en afdoende gereedstelling van alle eenheden binnen het OOCL.

Het OOCL is geografisch verspreid over 26 locaties in Nederland, maar de belangrijkste militaire complexen zijn te vinden in ’t Harde, De Peel, Ermelo, Garderen en Wezep.

Het OOCL krijgt onmiddellijk haar vuurdoop: de Landmachtdagen 2009 zullen door zorg van het OOCL op 6 en 7 juni 2009 worden georganiseerd op en rond de Bernhardkazerne in Amersfoort. Daarnaast is het OOCL aangewezen voor de redeployment van personeel en materieel uit Uruzgan in 2010.

Symbool van het OOCL is de herrijzende feniks; haar motto is “Kracht door veelzijdigheid”.

Terug naar Boven

 

O.O.D.A.-LOOP

De OODA-loop is het cyclische commando- en bevelvoeringsproces dat in schematische vorm is bedacht door de Amerikaanse U.S. Air Force-kolonel en strateeg John Robert Boyd (1927-1997). Tijdens de Koreaanse oorlog legde hij deze cyclus voor het eerst vast naar aanleiding van eigen waarnemingen in en vanuit zijn gevechtsvliegtuig.

De OODA-loop bestaat uit vier overlappende en interactieve processen:

OObserveObserverenOpbouwen en onderhouden van een actueel beeld van de eenheid én van de omgeving van de eenheid, gericht op het vaststellen van evt. afwijkingen ten opzichte van de te verwachte situatie.
OOrientOriënterenOorzaken van evt. afwijkingen worden bepaald én de invloed van de afwijkingen op de (on)mogelijkheden van de eenheid én op de geldende plannen wordt geanalyseerd.
DDecideBesluitenIndien afwijkingen op het eerdere plan noodzakelijk zijn cq. indien er zich (on)mogelijkheden voordoen die eerder niet waren onderkend, worden nieuwe plannen ontwikkeld of alternatieve plannen bezien op toepasbaarheid; vervolgens wordt een keuze gemaakt.
AActHandelenHet gekozen plan wordt geïnterpreteerd, bekendgesteld aan de eenheid en uitgevoerd.

In 2005 promoveerde kolonel Frans P.B. Osinga van de Koninklijke Luchtmacht aan de Universiteit van Leiden op zijn proefschrift Science, Strategy and War: The Strategic Theory of John Boyd.

Zijn proefschrift is een studie van het militair strategisch gedachtegoed van John Boyd. Hoewel Boyd’s theorie door met name het U.S. Marine Corps is overgenomen, is de invloed van zijn gedachtegoed in bredere kring beperkt gebleven. Kolonel Osinga heeft met zijn dissertatie een analyse gepresenteerd, waarmee hij Boyd's theorie voor een breder publiek bereikbaar heeft gemaakt.

Uit de OODA-loop volgt onder andere dat "Information is the currency of command" . Het beslissingsmomentum valt, gezien de revolutionaire ontwikkelingen in commandovoering, steeds vroeger:
JAAR WIE OBSERVE ORIENT DECIDE ACT

1781
Yorktown

 

George Washington telescoop weken maanden seizoen

1863
Vicksburg

 

Ulysses S.   Grant telegraaf dagen weken maand

1944
Bastogne

 

George S. Patton radio/telefoon uren dagen week

1991
Koeweit & Irak

 

H. Norman Schwarzkopf near-real time minuten uren dag

2010
?

? real time volcontinu onmiddellijk minder dan één uur

Terug naar Boven

 

OORD

Stad, dorp, gehucht, industriegebied en de daarbij behorende infrastructuur. Zodra oorden in elkaar overgaan met de daaraan gerelateerde verkeersinfrastructuur wordt gesproken van een verstedelijkt gebied. Dit is het werkterrein voor het optreden in verstedelijkte gebieden (OVG).

Verstedelijkte gebieden worden naar inwonertal ingedeeld:

CATEGORIE

INWONERAANTAL

Dorp

≤ 3.000

Kleine stad

3.000 – 100.000

Stad

100.000 – 1.000.000

Metropool

1.000.000 – 10.000.000

Megapool

> 10.000.000

Zie ook: hindernis.

Terug naar Boven

 

OORDOPPEN EP100

Voluit: Willson air cushioned sound silencer ear plugs. NSN 6515-17-034-1650.

Flexibele oordoppen, gefabriceerd door Willson, voor passieve geluidsreductie, in tegenstelling tot otoplastieken (persoonlijk aangemeten oordoppen door middel van een afgietsel van gehoorgang en oorschelp).

De oordoppen zijn verpakt in een rood, rond kunststof doosje met een deksel en een metalen kettinkje. Op de verpakking staat de gebruiksaanwijzing. 

Gebruiksaanwijzing:

 

Inzetten oordop:

Bevochtig de oordop, til met één hand – over het hoofd – het oor op en breng met de andere hand – zijdelings bewegend – de oordop in.

Reinigen oordoppen:

Met water en zeep.

Terug naar Boven

 

OORLOG

Strijd tussen twee of meer heersers, organisaties, religieuze gemeenschappen, staten of volkeren. Indien de strijd plaatsvindt binnen dezelfde natie is er sprake van een burgeroorlog. Indien de strijd door meerdere naties over de gehele wereld wordt gevoerd, wordt gesproken van een wereldoorlog.

Oorlog is een toestand die het tegenovergestelde is van vrede, die normaliter wordt omschreven als de afwezigheid van oorlog.

Kenmerkend voor een (burger)oorlog is dat er gebruik wordt gemaakt van hevig fysiek geweld tussen combattanten enerzijds en/of op non-combattanten aan de andere kant.

De onaangename aspecten van oorlog en oorlogvoering worden verhuld in naamgevingen als gewapend conflict, politionele actie of vijandelijkheden.

oorlog

Krieg

war

guerre

campagne

Feldzug

campaign

campagne

operatie

Operation

operation

opération

veldslag

Schlacht

battle

bataille

gevecht

Gefecht

combat

combat

 

'War of Necessity' versus 'War of Choice'

De Amerikaan dr. Richard N. Haass (1951) was van 1989 tot ‘93 special assistant van president George H. W. Bush en senior director van ‘Near East and South Asian affairs’ in de staf van de National Security Council. Van 2001 tot 2003  was hij als de director of policy and planning op het Ministerie van Buitenlandse Zaken de belangrijkste adviseur onder Colin Powell. In deze periode vonden ook de operaties Desert Shield en Desert Storm plaats.

Sinds 2003 is hij president van de Council on Foreign Relations – één van de vele Amerikaanse denktanks.

In 2009 publiceerde hij ‘War of Necessity, War of Choice. A Memoir of Two Iraq Wars’. In dit boek speelt Haass advocaat van de duivel over de beslissingen die de oorlog tussen de VS en Irak, tussen Bush en Saddam Hoessein, bepaalden.

Zijn boek is een persoonlijke verslag van hoe Amerikaans buitenlandbeleid wordt gemaakt, wat het beoogt en hoe het moet worden voortgezet. In zijn boek maakt Haass het onderscheid tussen de ‘war of necessity’ en de ‘war of choice’, noodzaak versus keuze:

  

‘war of necessity’

‘war of choice’

(oorlog uit noodzaak)(oorlog uit keuze)

Vitale belangen voor het eigen land staan op het spel: de territoriale integriteit van het eigen grondgebied en dat van haar bondgenoten wordt bedreigd en het onafhankelijk politiek en maatschappelijk functioneren van het eigen land (grondwet, vrijheden) staat op het spel.

Vitale belangen voor het eigen land staan NIET op het spel: het gaat om operaties in het kader van crisisbeheersing, ter handhaving en/of bevordering van de internationale rechtsorde.

Moreel rechtvaardig.

Morele rechtvaardigheid wordt betwijfeld.

Defensieve oorlogvoering.

Niet-defensieve (offensieve) oorlogvoering.

Bereidheid om veel slachtoffers te aanvaarden is GROOT.

Bereidheid om veel slachtoffers te aanvaarden is KLEIN.

Regeringen staat het NIET vrij om aan deze operaties deel te nemen.

Regeringen staat het vrij om al dan niet aan deze operaties deel te nemen.

De oorlog in Afghanistan na 11 september 2001 vond plaats omdat de veiligheid van de VS direct werd bedreigd door Al Qaida (Osama bin Laden) en de Taliban. Operatie Enduring Freedom (2001)  vond plaats om de terroristen uitvalsbases te ontzeggen en het vaderland te vrijwaren van terrorisme.

De oorlog in Irak was gericht tegen het agressieve, criminele en mensenrechtenschendende bewind van dictator Saddam Hussein. Een ‘coalition of the willing’ nam deel aan de militaire interventies Desert Shield en Desert Storm (2003).

In The New York Times van 8 mei 2009 boog de Amerikaanse journalist William Safire zich over de geschiedenis van 'war of necessity' en 'war of choice'.

De kortste oorlog uit de geschiedenis duurde 38 minuten! De Anglo-Zanzibar War, de Engels-Zanzibarese oorlog, werd op 27 augustus 1896 uitgevochten tussen de Britten en het sultanaat Zanzibar, een eiland voor de kust van Oost-Afrika.

Na het overlijden van de sultan van Zanzibar greep die dag diens neef, Khalid Bin Bargish, de macht zonder toestemming van de Britse consul. Hij wilde breken met de Engelse kolonisator. De Britse marine stelde zich buitengaats op in front van de haven van Zanzibar-Stad en richtte de kanonnen op het paleis van de sultan.

Nadat het ultimatum was verlopen, werd om 09.02 uur in opdracht van opperbevelhebber Lloyd Mathews door admiraal Harry Rawson's flottielje - drie kruisers en twee kanonneerboten - het vuur geopend. Enkele voltreffers raakten het paleis, dat in brand vloog. Om 09.40 uur staakten de Royal Navy het vuur.

Bin Bargish vluchtte naar de Duitse ambassade: de Britten eisten uitlevering, maar de Duitse consul verscheepte de opstandeling naar de Duitse kolonie Tangajika op het vasteland.

Ongeveer vijfhonderd Zanzibari’s verloren tijdens deze oorlog het leven. De Britten hadden slechts één gewonde. Na de Britse overwinning, werd de pro-Britse sultan Hamoud bin Mohammed in het zadel geholpen.

Zie ook: geweld en schemeroorlog.

Terug naar Boven

 

Oorlogscorrespondent

Duits: Kriegsberichter. Engels: war correspondent. Frans: correspondant de guerre. Persoon die tijdens een gewapend conflict beroepsmatig als cameraman, fotograaf, journalist of verslaggever werkzaam is, met als doel informatie te vergaren én te (doen) verspreiden, voor nieuwsuitzendingen op internet, radio of televisie, persbureaus en publicaties.

De ‘war correspondent' volgens de Conventies van Genève:

is verplicht een legeruniform te dragen met een epaulet waarop staat ‘war correspondent'

is voorzien van een identiteitskaart in de vorm van een persaccreditatie

kan aanspraak maken op het recht eenheden te escorteren

maakt deel uit van én is erkend door de krijgsmacht

valt onder het militaire tucht- en strafrecht

wordt in handen van de vijand beschouwd als krijgsgevangene

De commandant van de militaire eenheid waaraan de oorlogscorrespondent is toegevoegd, kan verspreiding van de journalistieke productie verbieden als de veiligheid van de eenheid en/of missie in gevaar komt of dreigt te komen, maar ook om welke propagandistische reden dan ook.

Sinds 1977 regelt Protocol I van de derde Conventie van Genève ook de bescherming van ‘gewone' of freelance journalisten tijdens een gewapend conflict: artikel 79 omschrijft de ‘Measures or protection for journalists'. Zij hebben dezelfde status als burgers, hebben ook een persaccreditatie en vallen in handen van de vijand dus evenzeer onder de Conventies van Genève.

The First Casualty. From the Crimea to Vietnam: The War Correspondent as Hero, Propagandist and Myth Maker is het standaardwerk over de geschiedenis van oorlogsverslaggeving en propaganda. Het is geschreven door de Britse historicus Philip Knightley en voor het eerst gepubliceerd in 1975. Sindsdien is het boek enkele malen gereviseerd met hoofdstukken over de Falklandoorlog, de Golfoorlog en de oorlogen in voormalig Joegoslavië. De titel van het boek is afkomstig uit 1917 in een citaat van de Amerikaanse senator Hiram Johnson (1866-1945): “The first casualty when war comes is truth” (“Het eerste slachtoffer van de oorlog is de waarheid”).

Echte Nederlandse oorlogsverslaggevers waren enkel werkzaam in de Korea-oorlog (1950-'53) en Eerste Golfoorlog (1990-'91). Tijdens de Korea-oorlog trok oorlogscorrespondent en –fotograaf Wim Dussel (1920-2004) in opdracht van de Legervoorlichtingsdienst met de militairen van het Nederlands Detachement Verenigde Naties (NDVN) op tot in de voorste linies. Over deze periode schreef hij Tjot. Nederlanders in Korea (1952). Daarvóór, in Nederlands-Indië, trok hij als Marinierscorrespondent op met de Mariniersbrigade, waarover hij Dat was jij, marinier! De geschiedenis van de Mariniersbrigade (1945-1949) (1950) schreef.

Met name de tv-zender CNN gooide aan het einde van de 20ste eeuw hoge ogen in haar aandeel oorlogscorrespondenten. Peter Arnett werd hét gezicht van de Eerste Golfoorlog, terwijl ook Christiane Amanpour opzien baarde.

Van links naar rechts: Wim Dussel, Christiane Amanpour, Peter Arnett en Arnold Karskens

Vandaag de dag kent Nederland oorlogscorrespondenten als Arnold Karskens – auteur van het standaardwerk Pleisters op de ogen, pleister op de mond. De Nederlandse oorlogsverslaggeving van Heiligerlee tot Kosovo(2001, ISBN 9029069120) – en opkomend talent Martin Roemers (1962), die onder andere fotoboeken vervaardigde over de laatste dienstplichtigen van 101 Tankbataljon in Amersfoort ( De laatste lichting, 1996), Nederlandse militairen op de Balkan (Tussen vijandige buren, 2000) en Nederlandse militairen tijdens de missie ISAF in Afghanistan (Kabul, 2003).

‘Zomaar een mens' van Marco Borsato gaat over het werk van de oorlogsfotograaf annex –correspondent: “De plaatjes, een oorlog van levende beelden, die na een paar jaar weer vergeelden.”

Het nummer ‘Zomaar een mens', van zijn CD ‘Marco' uit 1995, is van origine een Italiaans nummer van het hittrio Scott Cossu, Carlo Marrale en Aldo Stellita.

Download hier 'Zomaar een mens' van Marco Borsato (3,33 MB)

Zie ook: embedded journalism, omgaan met media, operational security en psychological operations.

Terug naar Boven

 

OORLOGSRECHT

Ook genoemd: humanitair oorlogsrecht. Deel van het internationaal recht dat regels stelt met betrekking tot oorlogvoering in ruime zin én bescherming biedt aan mensen en goederen in tijd van oorlog. Alle onderwerpen van het oorlogsrecht strekken er in meer of mindere mate toe de invloed van oorlog(voering) te beperken.

De regels van het oorlogsrecht gebieden rekening te houden met situaties die (kunnen) ontstaan bij handelingen die plaats hebben in een gewapend conflict tussen twee of meer volkeren, in een natie of staat, of tussen twee of meer naties of staten. Het oorlogsrecht staat alleen toe dat militaire doelen worden aangevallen: objecten waarvan het elimineren in de gegeven omstandigheden bijdraagt tot verzwakking van de militaire kracht van de tegenpartij. Géén militair doel zijn onder andere:

culturele goederen onder algemene of bijzondere bescherming

burgerbevolking

gewondentransporten

hospitalen

De onschendbaarheid van culturele goederen onder algemene of bijzondere bescherming kan enkel worden opgeheven in zeer uitzonderlijke gevallen van onvermijdelijke militaire noodzaak, en dan nog alleen door een divisiecommandant of hoger.

Verachtelijke handelwijzen zijn niet toegestaan, krijgslisten wél. Uitzonderingen binnen het oorlogsrecht zijn het recht op zelfverdediging of gewapenderhand optreden in opdracht van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. In dezen zijn de artikelen 51 en 107 van het Verdrag van de Verenigde Naties de ontsnappingsclausules:

Artikel 51

Hoofdstuk 7

Artikel 107

Hoofdstuk 17

Binnen het oorlogsrecht geldt het neutraliteitsrecht. Dit is erop gericht het gebied waarbinnen het gewapend conflict zich afspeelt af te bakenen én de buiten het conflict staande partijen zoveel mogelijk tegen de gevolgen ervan proberen te beschermen.

Het is dus niet zo dat in de krijg het recht zwijgt, zoals de Romein Cicero stelde (“Silent leges inter arma”). Volgens de Pruisische generaal en strateeg Carl von Clausewitz is oorlogsrecht een contradictio in terminis: “Oorlog is zo'n gevaarlijke zaak dat fouten die voortkomen uit humaniteit de ergste zijn”. De klassieke, romeinsrechtelijke terminologie maakt onderscheid tussen het jus ad bellum, jus bellandi en jus in bello:

Jus ad bellum

Het aangaan van gewapende conflicten

Jus bellandi

Het recht om oorlog te voeren

Jus in bello

De regels die de gewapende conflicten beheersen

JUS AD BELLUM

Dit is de eerste, principiële vraag: wat is de – al dan niet toelaatbare - reden om ten strijde te trekken?

JUS IN BELLO

De tweede vraag, in de realiteit van het oorlogvoeren, is: wat zijn tijdens de strijd de juridische en morele normen en waarden? Deze beperken - of maken in elk geval minder gemakkelijk mogelijk – dat bepaalde wapens (CBRN-wapens, landmijnen) worden gebruikt en de oorlog op een bepaalde manier (aanvallen op burgers en non-combattanten) wordt gevoerd. Het ius in bello benadrukt bijvoorbeeld het onderscheid tussen combattanten en non-combattanten, en geeft aan dat alle militairen - in plaats van alleen de commandanten (command responsibility) - verantwoordelijkheid dragen. Deze verantwoordelijkheid betreft dus ook het begaan van oorlogsmisdrijven en misdaden tegen de menselijkheid.

Tot vóór de Kosovo-oorlog (1999) én de Amerikaans-Britse interventies in Irak tijdens de Eerste en Tweede Golfoorlog (1991 en 2003), was gebruik van oorlogsgeweld uitsluitend gewettigd binnen de kaders van het Handvest van de Verenigde Naties. Sindsdien heeft het internationaal recht zich gestort op de vraag of het toelaatbaar gesteld kan worden dat één of meerdere landen ten strijde trekken buiten de context van het VN-Handvest. Met andere woorden: of het jus ad bellum van toepassing is.

Tot het einde van de 20ste eeuw golden oorlogen veelal als een instrument van nationale politiek. Oorlogen eindigden traditioneel met een vredesverdrag, al dan niet voorafgegaan door een wapenstilstand of capitulatie (overeenkomst tot overgave). Gevolgen van schendingen van het oorlogsrecht kunnen zijn:

De tegenpartij zal zich mogelijk niet meer aan de regels van het oorlogsrecht houden.

De tegenpartij zal vergeldings- of represaillemaatregelen nemen.

De tegenpartij zal herstelbetalingen of anderszins schadevergoeding eisen.

De meest bekende geschreven regels zijn die van de Conventies van Genève en de twee Additionele protocollen: I over internationale gewapende conflicten, II over niet-internationale gewapende conflicten. Onder I valt ook de bevrijdingsoorlog: een volk dat zijn zelfbeschikkingsrecht uitoefent tegen koloniale overheersing, racistisch regime of vreemde bezetting.

CHRONOLOGIE VAN HET OORLOGSRECHT

354 - 430

De leer van de gerechtvaardigde oorlog (jus ad bellum) van de theoloog Augustinus. Zijn leer wordt vooral verklaard uit de kerstening van het Romeinse keizerrijk. Hierdoor verloor het christendom zijn oorspronkelijke pacifisme: geweld werd weer goedgekeurd als middel om een doel te bereiken.

 

1160

Vanuit Bologna wijdt de Italiaanse monnik Gratianus in zijn ‘Concordia discordantium canonum’ (‘Verzoening van de tegenstrijdige rechtsregels’) ± 100 bladzijden aan het probleem van de oorlogvoering.

 

1625

In zijn boek ‘De iure belli ac pacis’ (‘Over het recht van oorlog en vrede’) zet de Nederlandse rechtsgeleerde Hugo de Groot (1583-1645) zijn versie van de leer van de gerechtvaardigde oorlog uiteen. Het boek is eeuwenlang als voorschrift aangehouden voor het oorlogsrecht. De leer van de gerechtvaardigde oorlog houdt in dat oorlog alleen is geoorloofd als laatste redmiddel om een conflict op te lossen.

 

Tot 19de eeuw

De geïnstitutionaliseerde religie (kerk) én het moralisme zijn de enigen die raadgevingen voorschrijven in verband met de oorlogvoering. Hieruit komt het volkenrecht voort. In de ‘vaart der volkeren’ is oorlogvoering steeds moorddadiger geworden, waardoor uiteindelijk de van oorsprong religieuze en moralistische principes in internationale verdragen zijn vastgelegd.

 

Vanaf 2de helft 19de eeuw

Streven naar humanisering van oorlogvoering. Deze richt zich op twee peilers: het lot van mensen die als gevolg van het voeren van oorlog in handen van de tegenpartij zijn gevallen (burgers, gewonden, krijgsgevangenen) én de eigenlijke oorlogvoering. Het besef is doorgedrongen dat er iets moet worden gedaan aan de mensonterende toestanden op het slagveld.

 

1853 - 1856

Tijdens de Krimoorlog verricht de Engelse verpleegster Florence Nightingale (1820-1910) pionierswerk op het gebied van de verpleging van oorlogsslachtoffers in het hospitaal Selimiye Barracks te Skutari.

 

1859

De Zwitserse bankier Henry Dunant (1828-1910) is toevallig getuige van de Slag om Solferino, gevoerd tussen Oostenrijkers en Fransen in het gelijknamige Italiaanse plaatsje. Geschokt door het menselijk leed mobiliseert hij de lokale bevolking om hulp te verlenen aan vriend en vijand: 40.000 slachtoffers blijven achter op het slagveld in de buurt van Castiglione. De gewonden worden verzorgd, het lot van de stervenden verlicht. Hierover schrijft hij ‘Un souvenir de Solferino’ (1862).

 

23 oktober 1863

Afspraken met vertegenwoordigers van 16 regeringen leiden tot de eerste Verdrag van Genève. Hierin zijn overeenkomsten gesloten over de behandeling van oorlogsslachtoffers én de bescherming van gewonde militairen en medische ploegen.

 

1863

De Amerikaanse volkenrechtsgeleerde Francis Lieber (1798-1872) stelt in opdracht van president Abraham Lincoln tijdens de Civil War een instructie voor de Amerikaanse krijgsmacht op. De ‘Lieber-instructie’ – officieel ‘Instructions for the Government of Armies of the United States in the Field’ of ‘General Order No. 100’ geheten – bestrijkt het gehele terrein van de landoorlog en is van grote invloed geweest op de codificatie van het oorlogsrecht.

 

24 augustus 1864

Oprichting van het International Committee of the Red Cross (ICRC).

 

11 december 1868

Door een internationale militaire commissie wordt de Verklaring van Sint-Petersburg opgesteld. Het communiqué verbiedt het gebruik van bepaalde moorddadige projectielen (i.c. ontploffende munitie). Daarnaast wordt gesteld dat het enige gerechtvaardigde doel van oorlogvoering het verzwakken van de militaire kracht van de tegenpartij is.

 

1874

In Brussel wordt op initiatief van de Russische tsaar Aleksander II (1818-1881) een ontwerpverklaring opgesteld over de oorlogsgebruiken en –wetten.

 

29 juli 1899

Opnieuw op uitnodiging van de Russische tsaar Aleksander II nemen 26 landen nemen deel aan de Eerste Haagse Vredesconferentie. In de slotakte wordt onder andere het Landoorlogreglement (LOR) gepresenteerd, dat sterk is beïnvloed door zowel de Lieber-instructie als de Verklaring van Sint-Petersburg. In het LOR zijn onder andere combattanten én de regels betreffende vijandelijkheden zijn gedefinieerd.

 

18 oktober 1907

Hoewel de Tweede Haagse Vredesconferentie is voorgesteld door de Amerikaanse president Theodore Roosevelt, ligt het initiatief bij de Russische tsaar Nicolaas II. De 44 landen die eraan deelnemen bepalen dat een oorlog moet beginnen met een oorlogsverklaring óf een ultimatum met een tijdslimiet.

 

1920

In het Handvest van de Volkenbond wordt onder andere bepaald dat elke lidstaat zowel de territo riale integriteit als de politieke onafhankelijkheid van andere lidstaten moet eerbiedigen.

 

27 augustus 1928

In Parijs wordt door 63 staten het Kellogg-Briand Pact getekend als een verdrag dat afstand doet van oorlog als instrument van de nationale politiek. Hiermee breekt het verdrag impliciet met het gedachtegoed van de Pruisische generaal Carl von Clausewitz (1780-1831) én wordt oorlog binnen het internationaal recht als ongeoorloofd verklaard. Het pact is het geesteskind van de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken Frank B. Kellogg (1856-1937) en de Franse Minister van Buitenlandse Zaken Aristide Briand (1862-1932).

 

Na de Tweede Wereldoorlog

Het voeren van een agressie-oorlog wordt gezien als een misdrijf tegen de vrede én een oorlogsmisdaad. Hierop berust de berechting van oorlogsmisdadigers tijdens de tribunalen van Neurenberg (1945-1946) en Tokio (1946-1948). Alleen de artikelen 42 en 51 van het Handvest van de Verenigde Naties zijn dé uitzonderingen op het agressieverbod:

Artikel 42

Gewapend optreden van de lidstaten op last dan wel in het kader van de VN-Veiligheidsraad

Artikel 51

Individuele of collectieve zelfverdediging ná een gewapende aanval (verdedigingsoorlog)

 

 

12 augustus 1949

Het eerste Verdrag van Genève uit 1863 wordt vervangen door de vier Conventies van Genève.

 

12 december 1977

De twee Additionele Protocollen (I en II) worden toegevoegd aan de Conventies van Genève.

 

1994

De VN-Veiligheidsraad stelt speciale ad hoc-tribunalen in voor voormalig Joegoslavië en Rwanda (Arusha).

 

8 december 2005

Het derde Additionele Protocol (III) wordt toegevoegd aan de Conventies van Genève. Dit is de aanvaarding van een aanvullend onderscheidend embleem, t.w. Red Crystal (Rode Ruit).

De grondslag van het moderne oorlogsrecht (Laws of Armed Conflict, LOAC) zijn nog altijd de Eerste en Tweede Haagse Vredesconferentie én de Conventies van Genève, maar feitelijk bestaat er niet zoiets als een allesomvattend oorlogsrecht. Invulling en naleving van het oorlogsrecht hebben, behalve met de internationale wet- en regelgeving, onder andere ook te maken met:

Conventies van Genève

Gedragscodes

Internationale verdragen en verklaringen

Jurisprudentie (rechtsrecht)

Mandaat, Rules of Engagement (ROE) en geweldsinstructie

Militair recht

Tuchtrecht

Voorschriften en handboeken

Na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) heeft de leer van de gerechtvaardigde oorlog snel terrein verloren. Hiervoor was het zelfs mogelijk om een aanvalsoorlog te rechtvaardigen, bijvoorbeeld als die diende om eigendommen, levens of rechten te verdedigen.Arbitrage in het oorlogsrecht wordt toevertrouwd aan het International Court of Justice (Internationaal Gerechtshof), het belangrijkste gerechtelijke orgaan binnen de Verenigde Naties. Dit is gevestigd in het Vredespaleis in Den Haag. Hierbij gaat het vaak om (grove) schendingen van het oorlogsrecht, in hoeverre zaken in strijd zijn met het oorlogsrechts en – in extreme situaties – zelfs of het oorlogsrecht al dan niet van toepassing is.

Sinds 2002 is in Den Haag ook het International Criminal Court (Internationaal Strafhof) gevestigd, ter berechting van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide. Oorlogsmisdrijven worden onderscheiden van misdaden tegen de menselijkheid, welke laatste ook buiten oorlogsgebied kunnen worden begaan. Beiden vallen onder de rechtspraak van het Internationaal Strafhof.

Zie ook: combattant, Conventies van Genève, humanitair oorlogsrecht, huurling, krijgsgevangene en non-combattant.

Terug naar Boven

 

OORLOGVOERING, PRINCIPES VAN MODERNE

De formule van beknopte principes van oorlog als een basis voor het gedrag van strategie en tactiek is een 20 ste-eeuws fenomeen. Vóór 1921 – toen de principes voor het eerst werden gepresenteerd in het Britse trainingshandboek ‘Field Service Regulations’ van kolonel John Frederick Charles Fuller (1876-1966) – werd militaire wijsheid vaak vervat in vaak volumineuze, wijdlopige boekwerken van filosofen en de stelregels van grote commandanten.

Na oorlogservaring te hebben opgedaan in de Tweede Boerenoorlog en geplaatst te zijn geweest in Brits-Indië, bleef J.F.C. Fuller tijdens en na de Eerste Wereldoorlog – waarin hij onder andere bij het Tank Corps diende – publiceren over de gevolgen van technologische ontwikkelingen en dan met name de motorisering en mechanisering van legers, voor de aard van de moderne oorlogvoering. In zijn publicaties verwierp hij de massale dienstplichtlegers die in starre fronten vergeefs op elkaar beukten, zoals in de jaren 1914-1918 was gebeurd, en pleitte hij voor kleinere, gemotoriseerde en gemechaniseerde beroepslegers.

Deze legers zouden, dankzij de moderne techniek en wetenschap in staat zijn tot manoeuvre-oorlogvoering en zouden oorlogen in kortere tijd tot een beslissend einde kunnen brengen. Fuller, één van de toonaangevende militaire denkers van zijn tijd, stond in de jaren ’20 niet alleen in zijn ideeën. Geestverwanten vond hij in de Brit Basil Henry Liddell Hart, de Fransman Charles de Gaulle en de Duitser Hans von Seeckt. Fuller had al in 1918 een soort Blitzkrieg voorgesteld om Duitsland in één klap te verslaan. Omdat de Duitsers nauwelijks tankeenheden bezaten voor een tegenaanval, had een dergelijk plan kans van slagen. Na de oorlog werd Fuller bekend door het propageren van mechanisering in het algemeen.

Zijn principes van moderne oorlogvoering zijn:

behoud van moraal

bundeling van kracht

flexibiliteit

offensieve actie

regering

samenwerking

selectie en behoud van het objectief

spaarzaam in inspanning

veiligheid

verrassing

Bron: VS 2-1386 (Gevechtshandleiding).

Terug naar Boven

 

OOSTDORP

Oefendorp op het Infanterie Schiet Kamp (ISK) van de Legerplaats Harskamp/Generaal Winkelmankazerne in Harskamp, gemeente Ede.

Oostdorp werd in 1956 in gebruik genomen. In het toen nog relatief kale oefendorp kon de aanval op en verdediging van een oord worden getraind. Dit resulteerde dan in gevechten op straat en huis-aan-huis. Om beter vertrouwd te kunnen raken met gevechtssituaties in dorpen en steden, is Oostdorp in 2002 aangepast en uitgebreid tot een modern Urban Training Centre. Sindsdien bestaat het uit 34 huizen van verschillende afmetingen. Rondom de huizen liggen tuinen die grenzen aan straten.

Het oefendorp wordt gebruikt voor het trainen van eenheden pantser- en luchtmobiele infanterie te voet in de skills en drills van het optreden in verstedelijkte gebieden (OVG) op niveau II (groep) en III (peloton), al dan niet in circuitvorm. Hierbij kan geen gebruik worden gemaakt van neveneenheden als cavalerie, genie e.a.  De nadruk ligt op de integratie van individuele vaardigheden in het groeps- en pelotonsoptreden.

Ook kent het oefendorp een riolering- en loopgravenstelsel. In het oefendorp mag nadrukkelijk, zowel binnen als buiten, met oefenmunitie worden geschoten. Ook kunnen boobytraps worden geplaatst, kan het effect van munitiesoorten op verschillende soorten bebouwing (gewapend beton, leem) worden getoond en kan bij het trainen gemakkelijk worden gewisseld tussen verschillende geweldsniveaus.

Zaken die in Oostdorp prima kunnen worden beoefend zijn het bezetten en zuiveren van huizen, omgaan met hindernissen, inbraak, instap, optreden tegen een binnengedrongen vijand en het verplaatsen door verstedelijkt gebied.

Pas na het afronden van de training in Oostdorp, mag van het oefendorp in Marnehuizen worden gebruikgemaakt.

Jaarlijks komen 6.000 à 8.000 militairen naar Oostdorp om te trainen in OVG.

Terug naar Boven

 

OPDRACHTGERICHTE COMMANDOVOERING

Afgekort: OGC. Duits: Auftragstaktik; Führen in Auftrag. Engels: mission (oriented) command. De gewenste commandovoeringstijl en leiderschapsvorm die bij het operationeel besluitvormingsproces (OBP) wordt gehanteerd is de opdrachtgerichte commandovoering (OGC).

Karakteristiek voor de OGC is het denken in doelstellingen, waarbij het sturen op het gewenste resultaat centraal staat. De manier van werken hierbij is om met behoud van eenheid van inspanning een zo groot mogelijke vrijheid van handelen te geven aan ondercommandanten (lijnfunctionarissen). Commandanten geven doelen aan en stellen randvoorwaarden.

doelstelling is helder; randvoorwaarden zijn duidelijk; ondercommandant begrijpt de commander's intent; ondercommandant kan handelen "in de lijn van de commandant"

zoveel mogelijk garanderen dat de opdracht door ondercommandanten wordt geaccepteerd door:

goede (achtergrond)informatievoorziening

ondercommandanten beschikken over de juiste en voldoende middelen (materieel) en vaardigheden (opleiding & training)

respect tussen commandant en ondercommandanten

wederzijds vertrouwen tussen commandant en ondercommandanten

Voorwaarde bij de OGC is:

Een fundamenteel begrip bij de ondercommandanten (lijnfunctionarissen) betreffende de te bereiken doelstelling en de visie van de commandant daarop. Met behulp van de richtinggevende commander's intent (oogmerk van de commandant) kan op lager niveau zelfstandig worden opgetreden

Zelfstandigheid op het laagste niveau binnen de organisatie

Vertrouwensbasis tussen commandant en ondercommandanten

Teamwork; reden waarom vredesbedrijfsvoering en operationele inzet op elkaar moeten worden afgestemd middels de adagia 'train as you fight' en 'work as you fight'; Opleiding & Training (O&T), dat plaatsheeft binnen de vredesbedrijfsvoering, is gebaseerd op de doctrine van de OGC

De voordelen van de OGC zijn:

Verschaft ondercommandanten (lijnfunctionarissen) een gevoel van betrokkenheid

Slechts een beperkte hoeveelheid essentiële informatie passeert de bevelslijn (lijn waarin door de lijnfunctionarissen wordt gewerkt) bottom-up zowel als top-down

Garandeert dat regionale/plaatselijke ondercommandanten beslissingen nemen op basis van de meest recente en actuele inlichtingen

Garandeert snelheid van handelen in het eigen optreden, waarmee initiatief kan worden verkregen/behouden

Biedt flexibiliteit in het optreden van én volgen door gevechts(verzorgings)steuneenheden van de manoeuvre

Terug naar Boven

 

OPEN SOURCE INTELLIGENCE

Afgekort: OSINT. Inlichtingen die worden verkregen uit open bronnen en worden aangeboden aan analisten. Voorbeelden van OSINT zijn de informatie die kan worden verkregen uit (inter)nationale vaktijdschriften, dag- en weekbladen, bibliotheken, conferenties en symposia, databanken, internet (bijvoorbeeld profielsites), persagentschappen, politieke manifesten, radio e.v.a.

Terug naar Boven

 

OPERATIEGEBIED

Zie verder: Area of Operations (AO). Zie ook: 1 Legerkorps (1 LK).

Terug naar Boven

 

OPERATIEROOS

De afgebeelde operatieroos (van de manoeuvre) brengt in kwadranten alle relevante actoren in de operatieomgeving van de commandant in kaart. Voor de manoeuvrecommandant gaat het om zijn naasthogere commandanten (higher commands, 1UP en 2UP), zijn eigen eenheden (own forces), bevriende eenheden (friendly forces) en de tegenstanders (opponents).

Tot zijn eigen eenheden behoren ook de gevechtssteun- en gevechtsverzorgingssteuneenheden (bevo, gnk, hrst).

Vanuit het perspectief van een logistieke commandant krijgen de kwadranten een andere benaming. Dan gaat het om opdrachtgevers (clients), eigen capaciteiten (own abilities), leveranciers (suppliers) en klanten (customers).

De operatieroos is een zeer bruikbaar en onmisbaar hulpmiddel dat is ontwikkeld om de commandant en zijn staf te ondersteunen. De commandant kan de operatieroos, waar mogelijk of nodig, gebruiken tijdens zijn briefings en gesprekken met sleutelfunctionarissen. Immers, de commandant kan op alle actoren invloed uitoefenen of wordt beïnvloed door het optreden van anderen.

Terug naar Boven

 

OPERATIONAL READINESS TEST

Afgekort: ORT. Soort van alarmoefening (ORT-alarm), waarbij deelmaatregelen van een algeheel alarm moesten worden uitgevoerd.

Werd in de dienstplichttijd, tot 1996, met name beoefend bij manoeuvre-eenheden van bataljonsgrootte, die volledig beladen, met alle voertuigen en alle personeel in colonneverband naar een verzamelgebied in de omgeving van de kazerne moesten verplaatsen.

In het verzamelgebied – een oefenuitwijkgebied, omdat het daadwerkelijke uitwijkgebied geheim was – werd de eenheid vervolgens getest op het verblijven in een verzamelgebied.

Terug naar Boven

 

OPERATIONEEL BESLUITVORMINGSPROCES

Afgekort: OBP. Het besluitvormingsproces binnen staven (secties) draait om drie zaken:

►verzamelen van gegevens

►verwerken tot informatie op basis waarvan besluiten kunnen worden genomen

►uitgeven van besluiten in de vorm van een bevel

Voor het OBP geldt hetzelfde als voor alle andere oefening: de snelheid en de kwaliteit van de besluitvorming nemen toe met het beoefenen ervan.

Het OBP kent vier fasen:

NEDERLANDS

ENGELS

analyse van de opdracht

mission analysis

evaluatie van de factoren van invloed

evaluation of factors

beschouwing van de eigen mogelijkheden

consideration of courses of action

nemen van het besluit

commander’s decision

ANALYSE VAN DE OPDRACHT

Hierbij worden de volgende zaken onder de loep genomen:

Wat zijn de opgedragen en afgeleide deeltaken?

Is de opdracht te verdelen in meerdere fasen?

Wat is de rol van de eenheid?

Wat zijn de beperkingen (SWOT-analyse)?

Daaruit volgen de feiten en veronderstellingen (aannames) die moeten worden geverifieerd met de brigadecommandant in de zgn. richtinggevende stafbespreking (RSB).

In deze RSB spreekt de brigadecommandant zijn persoonlijke ideeën uit over het uit te voeren besluitvormingsproces, zowel inhoudelijk (over het resultaat van de analyse van de opdracht) als procedureel (over het verdere verloop én de diepgang van het besluitvormingsproces).

Tot slot geeft de brigade een initieel waarschuwingsbevel uit.

EVALUATIE VAN DE FACTOREN VAN INVLOED

Met name de Sectie 2/3 (terrein, weer en vijand) van de brigade houdt zich hierin bezig met de Inlichtingen Voorbereiding van de Operatie (IVO). Maar ook de overige secties en specialistische stafofficieren, bijvoorbeeld de brigadearts, inventariseren alle factoren die van invloed kunnen zijn op:

voortzetting van het HUIDIGE optreden

IST

uitvoeren van de NIEUWE opdracht

SOLL

Tot slot moet een goed beeld van de eigen middelen ontstaan: een complete, zo actueel mogelijke situatieschets van de eenheid, inclusief inzet(on)mogelijkheden en aan- cq. afwezigheid van materieellogistieke middelen.

BESCHOUWING VAN DE EIGEN MOGELIJKHEDEN

In deze fase worden de eigen mogelijkheden (EM) ontwikkeld. Hierin wordt bezien op welke verschillende manieren een opdracht kan worden uitgevoerd als in elk geval met elkaar worden vergeleken:

►uit te voeren opdracht

►belangrijkste factoren van invloed

►eigen middelen

Daarna volgt de operatie-analyse. In een zo breed mogelijke deelname van de secties volgt de zgn. besluitvormende stafbespreking (BSB) over:

►Waar (plaats) en wanneer (tijd) moeten in de uitvoering cruciale besluiten worden genomen?

►Op welke manier kunnen de noodzakelijke effecten worden bereikt?

NEMEN VAN HET BESLUIT

Ten slotte volgt het besluit van de brigadecommandant: wat gaat de brigade, of eenheden van de brigade, doen? Zijn staf legt het genomen besluit vast in een bevel.

Elementen van het besluit zijn:

Oogmerk

hoe wil de brigadecommandant de eindsituatie bereiken?

Operatieconcept (ConOps)

wat zijn het doel en de context van de operatie?

Veronderstellingen die leiden tot een kritieke informatiebehoefte

Beperkingen voor de ondercommandanten

Opmerkingen in het algemeen over het OBP:

De brigade is binnen de Koninklijke Landmacht het laagste niveau waar sprake is van alle overige functies van militair optreden:

manoeuvre

vuurkracht

inlichtingen

bescherming

logistiek

De brigade is dan ook het eerste echelon dat optreedt volgens het concept van de verbonden wapens. OBP vindt dus alleen plaats op niveaus van de geïntegreerde inzet van gevechts-, gevechtssteun-, gevechtslogistieke en commandovoeringsondersteuningseenheden wordt gepland en aangestuurd. OBP vindt dus niet plaats op bataljons- en compagniesniveau.

Het OBP is sterk afhankelijk van de beschikbare tijd: hoe meer tijd, des te groter de rol van de secties.

Zie ook: beoordeling van toestand (BVT), chef-staf, eigen mogelijkheid (EM), NAVO-5-paragrafenbevel en O.T.V.O.E.M.

Terug naar Boven

 

OPERATIONELE GEREEDHEID

De operationele gereedheid (OG) geeft uitdrukking aan het vermogen van een eenheid om de toegewezen taken uit te voeren. OG is gebaseerd op de personele en materiële gereedheid (PG en MG) alsmede de mate van geoefendheid (GO) van een eenheid:

personele gereedheid (PG)
+
materiële gereedheid (MG)
+
mate van geoefendheid (GO) 
=
operationele gereedheid

De personele en materiële gereedheid alsmede de mate van geoefendheid van een eenheid, hangen nauw samen met het voortzettingsvermogen. De hamvraag is of een eenheid in staat is een bepaalde missie voor langere tijd (bijvoorbeeld 4 of 6 maanden) voort te zetten. Extreme hitte, stof én inspanningen hebben bijvoorbeeld invloed op het voortzettingsvermogen van een missie als SFIR in Irak.

Elke vier maanden rapporteren de bevelhebbers van de krijgsmachtdelen over de operationele gereedheid; de operationele gereedheid van een eenheid wordt in (inzetbaarheids)rapportages uitgedrukt in de kleuren groen, geel, rood en blauw:

GROEN
beschikbaar (voor alle hoofdtaken)
GEEL
beschikbaar met beperkingen (niet voor alle hoofdtaken)
ROOD
niet beschikbaar (voor geen enkele van de hoofdtaken)
BLAUW
daadwerkelijk ingezette eenheid

In plaats van en naast ´operationele gereedheid´ is ook het begrip ´operationele inzetbaarheid´ gebruikt. Daarbij werd ´operationele inzetbaarheid´ niet alleen gerelateerd aan een eenheid, formatie of schip, maar ook aan een wapensysteem of uitrustingstuk. Deze begripsbepaling sluit aan bij de NAVO-definitie van 'operational readiness', waarvan de NAVO-definitie luidt: "The capability of a unit/formation, ship, weapon system or equipment to perform the missions or functions for which it is organised or designed. May be used in a general sense or to express a level or degree of readiness".

De mate van operationele gereedheid van een eenheid wordt – naast de personele en materiële gereedheid en de mate van geoefendheid – ook beïnvloed door:
moreel van het personeel
motivatie van het personeel

Terug naar Boven

 

OPERATIONELE NIVEAUS

Niveaus waarop binnen de (inter)nationale politiek, het Ministerie van Defensie en de krijgsmacht(delen) hiërarchisch te werk wordt gegaan.

De niveaus vertalen zich in publicaties, zoals doctrines en beleidsdocumenten, binnen de verschillende de operationele niveaus, gerangschikt van hoog naar laag.

NIVEAUS VAN OPTREDEN

PUBLICATIES

VOORBEELD

 

Politiek-strategisch (grand strategy)

 

Beleidsdocumenten

Ministerie van Defensie

 

Toetsingskader

Militair-strategisch

Beleidsdocumenten Commandant der Strijdkrachten (CDS)

 

Nederlandse Defensie Doctrine (NDD)

Operationeel

Landmacht Doctrine Publicaties (LDP’s)

LDP I (Militaire doctrine, 1996)

LDP II A, B en C (Gevechtsoperaties, A en B 1998, C 2003)

LDP III (Vredesoperaties,1999)

LDP IV (Nationale operaties, 2001)

 

Tactisch

Handboeken

Leidraden

Handboek Leidinggeven in de KL

Leidraad Commandovoering

 

Technisch

Voorschriften ten behoeve van groepen militairen en/of (wapen)systemen

Handboek KL-militair

Voorschrift NBC-masker

Voorschrift Pistool Glock

Zie ook: instrumenten van macht.

Terug naar Boven

 

OPERATIONELE OMGEVING

Engels: operational environment. Structuur van de voorwaarden, omstandigheden en invloeden die de ontplooiingsmogelijkheden van een strijdmacht tijdelijk of blijvend beïnvloeden. De onderverdeling van de operationele omgevingen is:

Permissive

Tolerant

  • Omgeving waarin de ‘host nation’ zijn eigen strijdkrachten controleert en meehelpt aan operaties van een vreemde strijdmacht op haar grondgebied.
  • Weinig of géén oppositie van de lokale bevolking wordt verwacht, maar er kan bijvoorbeeld worden gedemonstreerd om de geloofwaardigheid cq. doeltreffendheid van de vreemde strijdmacht aan te tasten.
  • Vaak na natuurrampen en in post-conflict-situaties.

Semi-permissive

(Uncertain)

Onzeker

  • Omgeving waarin de regeringsstrijdkrachten van de ‘host nation’ niet langer de controle hebben over eigen grondgebied noch eigen bevolking.
  • Eigen strijdkrachten van de ‘host nation’ zijn mordicus tegen cq. geheel ontvankelijk voor het optreden van een vreemde strijdmacht zijn.

Non-permissive

(Hostile)

Vijandig

  • Omgeving waarin een vreemd strijdmacht in plaats van de strijdkrachten van de ‘host nation’, al dan niet noodgedwongen, grondgebied en bevolking probeert te controleren.
  • Oppositie van de lokale bevolking wordt verwacht, van criminelee en burgerlijke wanorde (insurgency) tot terroristische acties en asymmetrische dreiging.
  • De operationele omgeving is per definitie zodanig vijandig dat het (dreigen met het) gebruik van geweld in situaties en scenario’s noodzakelijk is.

Het gevaarlijke aan de operationele, (geo)strategische omgeving waarin een militaire operatie wordt uitgevoerd, is dat zij zeer dynamisch is en altijd in meer of mindere mate bestaat uit rationeel en emotioneel reagerende mede- en tegenstanders. Daardoor kan de operationele omgeving variëren van meewerkend tot vijandig, waardoor orde en gezag gedeeltelijk of zelfs geheel kunnen ontbreken. Gevaarlijke problemen kunnen ontstaan door een deels of totaal afwezig dan wel goed functionerend justitieel, politieel en/of (para)militair stelsel.

Uitgaande van het militaire adagium “De enige zekerheid is onzekerheid” zal elke vreemde strijdmacht, in welke operationele omgeving dan ook, te allen tijde – bij escalatie (van stap tot stap ernstiger worden van een conflictsituatie) - voorbereid moeten zijn op een mogelijke aanpassing van taakstelling, uitrusting en opleiding en training ten behoeve van het tegenovergestelde: deëscalatie (verminderen van de ernst van een conflictsituatie door, met name bij controverses, de betrokkenheid, grootte, intensiteit of spanning te verminderen). Uiteraard geldt het bovenstaande ook vice versa.

Terug naar Boven

 

OPFOR

Voluit: Opposing Forces. Nederlands: oefenvijand. Militaire eenheid die voor trainingsdoeleinden zo realistisch mogelijk een (oefen)vijand uitbeeldt. Meestal is dit gerelateerd aan het opwerkingstraject van een andere eenheid die zal worden uitgezonden. Sommige landen gebruiken gespecialiseerde OPFOR-eenheden om zo weinig weinig mogelijk potentiële scenario’s aan het toeval over te laten.

Een tot op zekere hoogte realistische oefenmethode hiertoe is het gebruik maken van MILES: Multiple Integrated Laser Engagement System. MILES wordt bevestigd aan de echte bewapening (geweren, mitrailleurs, voertuigen) ter simulatie van een reële missieomgeving.

In Nederland vervullen eenheden van de Nationale Reserve regelmatig de rol van OPFOR, voor zowel opleidingscentra als parate eenheden. Maar ook andere eenheden spelen voor de gelegenheid OPFOR.

Het begrip ‘OPFOR’ speelt s inds militaire heugenis – aanvankelijk als “oefenvijand” – een niet mis te verstane rol in het bij militaire oefeningen onvermijdelijke conflict tussen de gefingeerde landen Blauwland en Groenland. Het scenario van zulke oefenoefeningen lijkt eeuwigdurend. Elke zichzelf respecterende eenheid vanaf compagniesniveau heeft ‘Blauw- en Groenland’ wel eens van de O&T-plank gehaald.

Terug naar Boven

 

OPLEIDING & TRAINING

Afgekort: O&T. De scheidslijn tussen opleiden en trainen is dun. Opleiden is het onderwijsleerproces dat de vereiste bekwaamheid en geschiktheid verschaft voor personeel om zich te bekwamen in een of meer niveaus en/of voor een bepaalde functie(groep) in de Defensieorganisatie. Trainen borduurt hier op voort: het regelmatig beoefenen van eerder aangeleerde vaardigheden, soms in combinatie met aangeleerde theoretische kennis, soms ook in combinatie met bepaalde gewenste persoonseigenschappen.

Opleiden en trainen zijn nauw met elkaar verbonden: opleiden zonder daarna een en ander verder te trainen leidt niet tot het gewenste resultaat, trainen zonder dat daaraan een opleiding is voorafgegaan is eveneens minder efficiënt. Idealiter zijn opleiden en trainen een cyclisch proces.

Belangrijke documentatie in het kader van O&T zijn het AAOT (Algemene Adviezen Opleiden en Trainen), ABOT (Algemeen Beleid Opleiding en Training) en SBOT (Specifiek Beleid Opleiding en Training).

De nieuwe term is OTK: Opleiden, Trainen en Kennisproductie.

Terug naar Boven

 

OPLEIDINGS- & TRAININGSCOMMANDO

Afgekort: OTCO. Het toenmalige Commando Opleidingen Koninklijke Landmacht, sinds 1 juni 2003 Opleidings- & Trainingscommando (OTCO) geheten.

Het logo van het Opleidings- & Trainingscommando (OTCO).

Het embleem van het OTCO stelt een boom voor die groeit naast de stomp van een omgehakte boom. Uit de omgehakte boom, symbool voor Willem de Zwijger, is een jonge loot gegroeid, gesymboliseerd door Prins Maurits, zoon van Willem de Zwijger. Willem de Zwijger, alias Willem van Oranje, is vermoord door Baltazar Gerards.

Prins Maurits (1567-1625) geldt voor zijn tijd als een modern militair. In het jonge Staatse leger heeft hij als eerste systematisch het onderwijs vernieuwd en daarmee de militaire opleidingen in Nederland op de kaart gezet.

Behalve dat Prins Maurits veel belang hechtte aan goede opleidingen, stonden ook discipline en een geordend optreden hoog in het vaandel: dit in tegenstelling tot de ongeregelde troepen waar zijn vader gebruik van maakte, t.w. huurlingen, opportunisten en watergeuzen.

De bijbehorende spreuk van het OTCO-embleem luidt: "Tandem fit surculus arbor" ( "Eens wordt de stek een boom" ).

Richtte het COKL zich op het individueel opleiden van het personeel, het OTCO richt zich meer en meer op trainingsondersteuning aan de parate eenheden in de ruimste zin van het woord. Vanwege de veranderde taakstelling werd gekozen voor een nieuwe naam.

Het onderscheid tussen opleiden en trainen was toch al steeds meer vervaagd, onder andere veroorzaakt door een versnippering van expertise en een afname van de doelmatigheid. Uiteindelijk is de schaarste aan personele en materiële middelen de druppel geweest tot efficiënter en effectiever opleiden en trainen.

De kerntaak van het OTCO bestaat uit het ondersteunen van commandanten bij opleiding en training met als doel kwaliteitsverbetering om zo de juiste operationele gereedheid te bereiken. De operationele gereedheid kan worden gesplitst in:

  • individuele gereedheid (opleiding en training van individuele militairen)
  • geoefendheid (opleiding en training van eenheden)
  • discipline (vorming)

Het OTCO verzorgt de meeste opleidingen binnen de Koninklijke Landmacht en is het grootste opleidingsinstituut van de Nederlandse krijgsmacht. Naast opleidingen levert het OTCO een groot aantal kennisproducten, zoals de documenten en studies die nodig zijn voor doctrinevorming. Een andere belangrijke taak is certificering van het militair onderwijs en het bieden van civiele scholing aan uitstromend KL-personeel. Tot slot vindt er Research & Development plaats voor opleidingen, specifieke militaire vakgebieden en nieuw te verwerven wapen- en commandosystemen.

Het OTCO beschikt over Opleidings- en Trainingscentra in:

't Harde  Opleidings- en Trainingscentrum Vuursteun
Amersfoort Lichamelijke Oefening en Sportorganisatie
Amersfoort  Opleidings- en Trainingscentrum Manoeuvre
Bussum  Opleidings- en Trainingscentrum Logistiek
Ermelo Opleidingscentrum Initiële Opleidingen
initiële militaire opleiding bij schoolbataljons
Oirschot  Opleidings- en Trainingscentrum Rijden
Vught Opleidings- en Trainingscentrum Genie
Weert Koninklijke Militaire School
onderofficiersopleiding

De staf van het OTCO is gevestigd in Utrecht. Zowel de officiersopleiding op de Koninklijke  Militaire Academie (KMA) in Breda als het Opleidingscentrum Militair Geneeskundige Diensten in Hilversum vallen niet onder het OTCO. Alle militairen die werkzaam zijn bij het OTCO dragen het OTCO-embleem van Prins Maurits op de mouw.

Terug naar Boven

 

OPPLAN

Afkorting voor: operatieplan. Plan van de commandant voor de voorbereiding, uitvoering en/of beëindiging van een operatie. In Nederland wordt onder andere onderscheid gemaakt met de operatieplannen 1, 10 en 15. Bekende operatieplannen in de hedendaagse (inter)nationale geschiedenis zijn:

Opplan 10601

(Operation Allied Force, 1998-1999).

Voorzag in het uitschakelen van de Joegoslavische luchtafweer in Kosovo, door de NAVO isoleren van de vijandelijke strijdkrachten in Kosovo en aanvallen op commandocentra in Belgrado, zware industrie en stroomvoorziening in Servië.

 

Opplan 2000

Voorzag in directe militaire bijstand bij de eeuwwisseling van het jaar 1999 op het jaar 2000. Opplan 2000 was een aangepaste versie van Opplan 10.

 

Opplan 40104

(Operation Determined Effort, 1994-1995)

Voorzag in 1.500 pagina’s in het evacueren van alle UNPROFOR-militairen uit Bosnië-Hercegovina onder bescherming van tenminste 20.000 Amerikaanse militairen. Ook de evacuatie van Dutchbat uit de enclave Srebrenica in het geval van een onverhoopte terugtrekking maakte hiervan deel uit. Gepland was om via de noordelijke rand van de enclave over de weg terug te trekken, met medeneming van alle voertuigen. Alle overige personeel zou geëvacueerd worden met helikopters.

Terug naar Boven

OPPLAN 1

Operatieplan 1 is de militaire basis voor het aanwijzen van de troepen voor de collectieve verdediging in het kader van de NAVO. De collectieve verdediging wordt ook Algemene Verdedigingstaak (AVT) genoemd. Dit is het oorlogsplan dat in het geval van een gewapend conflict door de Koninklijke Landmacht moest worden uitgevoerd.

De vaststelling van het Opplan 1 vindt plaats in lijn met de aanwijzingen en richtlijnen van de politieke leiding van de NAVO. Het Militaire Comité van de NAVO wijst een strategische commandant aan, die op zijn beurt een operationele commandant aanwijst. Op grond van een activeringsorder van de Noord-Atlantische Raad van de NAVO wordt ook reservepersoneel, bestaande uit oud-dienstplichtigen en voormalig beroepspersoneel, onder de wapenen geroepen, waarna de troepen worden ontplooid en de operatie wordt uitgevoerd.

Het optreden van de NAVO-troepen is onderverdeeld in Main Defence, Reaction en Augmentation Forces.

De AVT dient de gevechtskracht te leveren voor de nationale en bondgenootschappelijke verdediging (Collective Defense) volgens artikel 5 van het Handvest van de NAVO. Dit is het artikel dat bepaalt dat een gewapende aanval tegen één of meer NAVO-lidstaten zal worden beschouwd als een aanval tegen alle lidstaten, zoals dat is vastgelegd in artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties.

Meer informatie over Oplan 1 kan worden gevonden in het boek 'Einde oefening. Infanterist tijdens de Koude Oorlog' van kolonel b.d. Gerard J. Felius (Uitgeverij Quintijn, 2002, ISBN 9080740012).

Terug naar Boven

 

OPPLAN 10

Operatieplan 10 beschrijft in Nederland de hulpverlening door Defensie bij de ondersteuning en hulpverlening bij de uitvoering van civiele overheid, d.w.z. bij militaire bijstand in het geval van een ramp of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan én bij militaire steunverlening in het openbaar belang.

Omdat het leveren van cruciale maatschappelijke diensten één van de belangrijkste taken van de krijgsmacht is, moet indien nodig direct bijstand worden verleend, bijvoorbeeld bij wateroverlast.

Voorbeelden van Opplan 10 in het recente verleden, laten zien dat het Ministerie van Defensie met name met de inzet van menskracht bijstand levert:

1995 bwatersnood

1997    bestrijding van de varkenspest

1998    dijkverzwaring na wateroverlast in Drenthe, Groningen en Overijssel

2001    bestrijding van de mond- en klauwzeer (MKZ)

2002    dijkverzwaring na wateroverlast in Limburg

2003    bestrijding van de vogelpest

Steunverlening na wateroverlast.

Zie ook: consigne en luisterplicht.

Terug naar Boven

 

OPPLAN 13

Opplan 13 beschrijft de inzet van (delen van de) krijgsmacht nadat zich een grootschalige calamiteiten (mass casualty) tijdens vredesoperaties of oefeningen buiten Nederland heeft voorgedaan waarbij Nederlands Defensiepersoneel is betrokken. Alle activiteiten met betrekking tot (na)zorg van het personeel en hun thuisfront worden in Opplan 13 geregeld.

Hiertoe behoort in de eerste plaats het ontvangen, opvangen en informeren van het thuisfront van de betrokken militairen, door zorg van personeel van het ad hoc in Ede te formeren Hulpverleningscentrum Koninklijke Landmacht (HVCKL).

Terug naar Boven

 

OPPLAN 15

Operatieplan 15 beschrijft in het buitenland de inzet van Nederlandse troepen voor acute hulpverlening bij humanitaire noodsituaties, zoasl rampenbestrijding en vluchtelingenhulp. De Nederlandse regering kan besluiten om humanitaire noodhulp te bieden.

Inzet in het kader van Opplan 15 valt in beginsel binnen het framework van het Noodhulpverkenningsteam (Disaster Assistance Response Team, DART) en de Militaire Humanitaire Noodhulp Eenheid (MHNE).

Voorbeelden van Opplan 15 in het recente verleden, laten zien dat het Ministerie van Defensie met name bijstand levert bij rampenbestrijding en vluchtelingenhulp:

Sint Maarten

orkaan

1995

Honduras

overstroming

1998

Mozambique

overstroming

2000

Terug naar Boven

 

OPPLAN 17

Operatieplan 17 beschrijft de inzet van Nederlandse troepen voor een Peace Enforcement Brigade (PEB).

Een PEB zal bestaan uit één gemechaniseerde brigade dan wel 11 Air Manoeuvre Brigade op oorlogssterkte, aangevuld met onderbevelstellingen uit 1 Logistieke Brigade (voorheen: Divisie Logistiek Commando, DLC) en 101 Gevechtssteun Brigade, voorheen Divisie Gevechtssteun Commando (DGC) en Combat Support Command (CSC).

De aangewezen eenheid voert in elk geval binnen 20 dagen een strategische verplaatsing naar het inzetgebied uit. Binnen 7 dagen zal een verkenningsparty (advance party) moeten kunnen vertrekken.

Heeft een brigade normaal gesproken een sterkte van ± 3.000 militairen, de maximale personele sterkte van de PEB met onderbevelgestelde eenheden kan oplopen tot ruim 8.000 militairen.

Zie ook: Peace Support Operation (PSO).

Terug naar Boven

OPSEC

Voluit: Operational Security. In het Nederlands: Operationele veiligheid.

Verschillende posters die het belang van Operational Security (OpSec) aangeven

Het door een lid van de krijgsmacht beschermen van de informatie waarvan kennisneming door derden de belangen van de krijgsmacht of de staat, zichzelf of collega's, familie, vrienden en kennissen in gevaar zou kunnen brengen of compromitteren. Het betreft alle informatie die leden van de krijgsmacht hebben met betrekking tot operationele inzet (bewegingen, locaties), en bij sommige eenheden (zoals Special Forces en C.I.S.-eenheden), meer specifieke zaken met betrekking tot opleiding & training, tactiek en uitrusting.

OpSec is een verantwoordelijkheid van iedereen en vergt feitelijk alleen een andere manier van kijken naar ogenschijnlijk normale zaken.

Goede OpSec belemmert het werk van personen die de krijgsmacht niet goed gezind zijn. Het is met name belangrijk niet in woord en geschrift gevoelige, vertrouwelijke en/of (on)gerubriceerde informatie naar buiten te brengen. Gerubriceerde informatie is herkenbaar aan de rubriceringen zijn ‘zeer geheim' (top secret), ‘geheim' (secret) en ‘confidential' (confidentieel).

OpSec is een heikel punt met betrekking tot het omgaan met media (media awareness).

Zie ook: Emission Control (EMCON) en radiostilte.

Terug naar Boven

OPS-ROOM

Voluit: Operations Room. De Ops-room is als centraal punt op een compound de ‘oren en ogen’ van de commandant van een Area of Responsibility (gebied van verantwoordelijkheid). De Ops-room is 24/7 operationeel: 24 uur per dag, 7 dagen per week.

In de Ops-room vindt al het interne en externe radioverkeer en verkeer van alle mogelijke andere telecommunicatiemiddelen plaats, zowel in klare taal als versleuteld (crypto). Alle meldingen en rapportages, zoals Firing-Close Reports, Incident Reports, Overflight Reports, Shooting Reports en Sitreps, komen hier binnen, worden geanalyseerd en gerapporteerd aan het (naast)hogere echelon. Idealiter bevindt het Comcen (Communications Center) zich dan ook in dezelfde ruimte.

Ook wordt nauwgezet bijgehouden waar iedereen zich bevindt in de Area of Responsibility (AOR), zowel personeel als materieel; voertuigbewegingen worden intensief gevolgd. Indien nodig wordt hier het gevecht geleid en vindt (combined en/of joint) coördinatie plaats met neveneenheden en/of het (naast)hogere echelon.

In geval van calamiteiten, ongevallen, rampen en overige crisissituaties fungeert de Ops-room als zenuwcentrum, waar alle (onder)commandanten zich a.s.a.p. verzamelen om zich van de jongste ontwikkelingen op de hoogte te stellen en te houden; zo vinden bijvoorbeeld de aansturing van de eerstehulpverlening en het uitrukken van de Quick Reaction Force hier plaats.

Verantwoordelijk voor de gang van zaken op de Ops-room is de duty-officer, meestal een officier of een ervaringsdeskundige onderofficier.

Idealiter is de Ops-room gevestigd in een gecontaineriseerde ruimte die met een verdedigingswal is beschermd.

Zie ook: Comcen.

Terug naar Boven

 

OPS-VEST, MODULAIR

Voluit: operations vest. Engelse term voor de opvolger van het draagharnas. In het Nederlands: gevechtsvest.Binnen de KL in modulaire vorm ingevoerd ten tijde van de NRF-4 (2005).

Het ops-vest, uitgevoerd in DPM-camouflage, heeft 2 grote binnenzakken die via een rits te openen zijn. Het modulair ops-vest kent losse opbouwtassen. Afhankelijk van de taakstelling van de gebruiker kunnen meer of minder opbouwtassen worden geplaatst. Het ops-vest is met name een aanwinst voor pantser- en luchtmobiele infanterie, verkenners (BVE en GGVE), Special Forces en geneeskundig personeel.

Naast mok, veldfles en pioschop, biedt het ops-vest opbergruimte voor bijvoorbeeld:

  • breaklights
  • Combat Application Tourniquet (CAT)
  • eten en drinken (klasse I)
  • flares
  • geneeskundige artikelen (klasse VII)
  • magazijnen met munitie (klasse V)
  • reddingsdeken
  • smockjas

Het modulair ops-vest kent de volgende opbouwtassen:

Tas algemeen opbouw groot

2 x

Tas algemeen opbouw klein

2 x

Tas algemeen opbouw met rits

2 x

Tas mok + veldfles

1 x

Tas opbouw algemeen middel

1 x

Tas opbouw handgranaat

3 x

Tas opbouw mes (been) M9

1 x

Tas opbouw patroonhouder Diemaco C7

3 x

Tas pioniersschop

1 x

Hoewel het modulair ops-vest een verbetering is in het functionele draagcomfort, gebruikt menig infanterist een chestrig of ander chestwebbing.

Zie ook: blancoën.

Terug naar Boven

 

OPTREDEN IN VERSTEDELIJKTE GEBIEDEN

Afgekort: OVG. Andere benamingen: Fighting in Built-up Areas (FIBUA) bij de Britten, Military Operations in Urban Terrain (MOUT) bij de Amerikanen en Urban Operations binnen het Korps Mariniers.

Het uitgangspunt bij militaire operaties oude stijl was dat verstedelijkt gebied moest worden vermeden. Het zo snel mogelijk doorstoten in de diepte werd van groter belang geacht dan het innemen van steden. Een poging daartoe betekent immers tijdverlies. Bovendien speelt de vrees voor veel burgerslachtoffers en grootschalige verwoestingen een belangrijke rol in deze overwegingen. Toch dient in heden en toekomst rekening te worden gehouden met een toename van het optreden in verstedelijkte gebieden: de Verenigde Naties verwachten dat in het jaar 2020 ± 60 tot 70% van de wereldbevolking in verstedelijkte gebieden zal wonen.

Voorbeeld van Optreden in Verstedelijkte Gebieden.

De Laws of Armed Conflict inclusief de Conventies van Genève zijn van toepassing.

Binnen de Koninklijke Landmacht zijn de volgende oefenmogelijkheden voor OVG:

BASISHUIZEN

In deze huizen kunnen de eenheden het eigen personeel opleiden en trainen in de individuele skills en drills met betrekking tot OVG.

Zes kazernes

Niveau I

OOSTDORP

Zie verder: Oostdorp

 

Niveau II en III

MARNEHUIZEN

Biedt pantserinfanterie- en luchtmobiele infanteriepelotons en compagnieën de mogelijkheid om groepsvaardigheden te integreren in pelotonsoptreden en pelotonsoptreden te integreren in compagnies- of teamoptreden.

Oefendorp van het Oefen- en Schietkamp Lauwersmeer bij de Willem Lodewijk van Nassaukazerne in Zoutkamp

Niveau III en IV

De basishuizen bevinden zich in:

Assen

Johan Willem Frisokazerne

Schoolbataljon Noord

Ermelo

Generaal Spoorkazerne

 

Havelte

Johannes Postkazerne

43 Gemechaniseerde Brigade

Oirschot

Generaal-majoor De Ruyter van Steveninckkazerne

Schoolbataljon Zuid

13 Gemechaniseerde Brigade

Schaarsbergen

Oranjekazerne

Schoolbataljon Luchtmobiel

Seedorf

Legerplaats Seedorf

41 Gemechaniseerde Brigade

Een aparte plaats in het kader van opleiding en training OVG neemt het Oefenrampenterrein in Crailo in.

De meeste oorden ter wereld hebben westerse karakteristieken: een volgebouwd centrum met hoog- en laagbouw, en in de periferie achterstands- of buitenwijken met appartementen en winkelcentra. Rondom centrum en periferie liggen industrie- en recreatiegebieden. Verstedelijkte gebieden kennen naar inwonertal dorpen, steden, metropolen en megalopolen.

OVG is een schoolvoorbeeld van asymmetrische en verticale oorlogvoering. Deze vorm van oorlogvoering vereist – behalve de sociale vaardigheden van de militair die in de gaten heeft dat zich in oorden ook burgers en media herbergen – een nieuwbakken type militair; deze is in staat tot straatgevechten, desnoods man-tot-man, maar ook tot het zuiveren van gebouwen. In zo'n gebouw moet elke ruimte op elke verdieping én elk trappenhuis na de zuivering worden verdedigd, en vergt zo veel personeel.

In verticale zin moet bij OVG, naast de zuivering van etages, ook worden afgedaald naar afwateringsbuizen, ondergrondse parkeergarages, openbaar vervoer-stelsels, riolen en (schuil)kelders.

Kenmerken van OVG zijn:

beperkt schoots- en waarnemingsveld (nabijgevecht, man-tot-mangevecht)

burgers en media op het gevechtsveld in de frontlinie

collateral damage onvermijdelijk

fysiek en psychisch belastend

gebrekkige situational awareness (moeizame communicatie, navigatie en oriëntatie)

geïsoleerd en zeer intens

gevechtsondersteuning moeilijk (artillerie, mortieren)

hoog verbruik klasse I, V en VIII (“men and stocks consuming”)

logistieke ondersteuning moeilijk (afstanden en omlooptijden veranderen)

op laagste echelon (groep, peloton, compagnie)

teamvorming met genie- en geneeskundige eenheden noodzakelijk

veel slachtoffers (“men and stocks consuming”)

vijandelijk optreden onberekenbaar (burgers, guerrilla, sluipschutters)

Ook in het buitenland bevinden zich tal van trainingslocaties voor OVG, zoals in Aspurlange (België), Hofenfels (Duitsland) en Salisbury (Groot-Brittannië).

GROZNY, 1994/’95

De geschiedenis wijst uit dat optreden in verstedelijkt gebied hoog in het geweldsspectrum bijna altijd noodlottig afloopt, tenzij geïntegreerd wordt opgetreden door (uitgestegen) infanterie, tanks en genie.

1994/’95: Grozny, de hoofdstad van de republiek Tsjetsjenië, telt een half miljoen inwoners. Tsjetsjenië wil zich afscheiden van Rusland en roept de onafhankelijkheid uit. Moederland Rusland is het hier hartgrondig mee oneens en stuurt op 11 december ’94 een strijdmacht naar de stad. De opstandelingen maken zich klaar voor een Russische bestorming, welke de geschiedenis zal ingaan als de ‘First Battle of Grozny’.

De almachtig lijkende Russen rijden met vele tanks Grozny binnen: de Tsjetsjeense opstandelingen nemen de tanks onder vuur, onder andere met RPG’s. Één van de brigades die Grozny binnentrekt, is de 131ste Independent Motorised Infantry Brigade van het 67ste Legerkorps, bijgenaamd ‘Maikov’ en geleid door kolonel Ivan Savin.

De brigade telt samen 26 tanks (T-72 en T-80), 60 infanteriegevechtsvoertuigen BMP-2, vier verkenningsvoertuigen BDRM-2  en 1.200 man, georganiseerd in twee infanteriebataljons en een tankbataljon.

Op 31 december 1994 komt de Maikov-brigade vanuit het noorden de stad binnen, passeert rond 06.00 uur de rivier Sunzha en rijdt direct door naar het station in het centrum, gelegen tegenover het presidentiële paleis. Op Oudejaarsdag rond 15.00 uur bezet het eerste bataljon het treinstation; op andere plaatsen in de stad worden verschillende pantsercolonnes door de Tsjetsjenen vernietigd.

Op 1 januari wordt commandant Savin door de Tsjetsjenen gedood; elementen van twee parachutistendivisies doen nog een vergeefse poging om de brigade in het stadscentrum te ontzetten. Luitenant-kolonel Yuri Kleptsov neemt het commando over.

De omsingelde brigade vecht voor haar leven tegen een onzichtbare vijand die haar onder vuur neemt vanuit de tot puin geschoten gebouwen rondom het station.

Volgens de krant Izvestia worden van de Maikov-brigade binnen een etmaal 20 van de 26 tanks en 102 van de 120 pantservoertuigen vernietigd. 800 van de 1.000 militairen sneuvelen, raken gewond of worden later als vermist opgegeven, 74 worden krijgsgevangen gemaakt.

Slechts door het toebrengen van enorme schade aan de stad en haar inwoners (door een numeriek voordeel in slagkracht), slagen de Russen erin de stad op 26 februari 1995 te vermeesteren. In de urbane slag die ± 60 uur heeft geduurd, worden volgens de Tsjetsjeense opstandelingenleider Aslan Maskhadov zo’n 400 Russische tanks en pantservoertuigen uitgeschakeld.

De rampzalige ervaringen die de Russen opdeden in Grozny heeft het beeld versterkt dat het onnadenkend is om enkel met kwetsbare tanks en pantservoertuigen op te treden in verstedelijkt gebied, zeker tegen een irreguliere tegenstander.

 

(Bronnen: o.a. ‘Landmacht’, december 2005)

Zie ook: instap en oord.

Terug naar Boven

 

ORAL REHYDRATION SALTS

Afgekort: ORS. Het orale rehydratiemiddel is een perfect poeder dat bijvoorbeeld glucose, kaliumchloride, natriumchloride en tri-natriumcitraat bevat. Deze mineralen, zouten (± ¼) en glucose (± ¾), voorkomen uitdroging na overmatig vochtverlies (dehydratie) of zorgen ervoor dat na overmatig vochtverlies het lichaam meer water vasthoudt (rehydratie).

ORS kan dan ook evengoed toegepast worden bij aanhoudend braken, brandwonden, shock, hevige inspanning of bij een kater. Een sachet kant-en-klare ORS (bijvoorbeeld van het merk Dioralyte, Nutricia of Orisel) moet worden opgelost in 200 tot 300 ml water (blikje frisdrank of drinkbeker); daarna de hoeveelheid water in kleine slokjes opdrinken.

Wat ook prima werkt als ORS (een tip van de commando's uit Roosendaal) is het drinken van lauwe cola zonder koolzuur. Cola doodt ziektekiemen en is een ideaal mengsel van suikers en zouten. Soms kan de aanwezigheid van caffeïne in de cola echter juist de diarree verergeren.

ORS kan ook zelf worden gemaakt:

  • 1 liter gefilterd of gekookt water of water uit een fles (zeker als het water van slechte kwaliteit cq. onbetrouwbaar is)
  • 8 theelepels suiker (theelepel = 5 ml)
  • ½ theelepel zout
  • 100 ml fruitsap, kokosnootwater of rijstwater (voor smaak)

Bij aanhoudend braken of diarree heeft een volwassen persoon drie of meer liters ORS per dag nodig. Richtinggevend in deze is het boek 'Where There Is No Doctor. A Village Health Care Handbook' van David Werner, Carol Thuman en Jane Maxwell.

Zie ook: dehydratie.

Terug naar Boven

 

ORANJEKAZERNE

Deze kazerne, gelegen aan de Clement van Maasdijklaan in Schaarsbergen (gemeente Arnhem) , is de thuisbasis van het Schoolbataljon Luchtmobiel, 11 Infanteriebataljon Luchtmobiel Air Assault Garderegiment Grenadiers & Jagers en 12 Infanteriebataljon Luchtmobiel Air Assault Regiment Van Heutsz. De kazerne is vernoemd naar de Oranjekazerne in Den Haag, en de naamgeving ‘Oranje' is direct gerelateerd van de band van de krijgsmacht met het Koningshuis.

De oorspronkelijke Oranjekazerne, gelegen aan de Mauritskade in Den Haag, werd gebouwd in 1822 en ging op 6 maart 1919 in vlammen op. De naam ‘Oranjekazerne' keerde terug aan de zuidrand van het nationale park De Hoge Veluwe, waar medio 1954-'55 een nieuwe kazerne verrees.

Aan de Koningsweg, even ten noordoosten van de Oranjekazerne, bevindt zich het stafgebouw van 11 Air Manoeuvrebrigade Air Assault. Ten noorden van de Oranjekazerne, aan de overzijde van de Koningsweg, ligt de Vliegbasis Deelen, welke in 1995 is verlaten door de laatste operationele eenheid van de voormalige Groep Lichte Vliegtuigen: 300 Squadron.

Ten westen van de Oranjekazerne, aan de Deelenseweg - waar voorheen de hoofdingang van de kazerne was gesitueerd – is een Protestants Militair Tehuis (PMT) gevestigd.

De militairen die op de Oranjekazerne zijn gelegerd oefenen met name op de Eder- en Ginkelse Heide.

Locatie van de Oranjekazerne in Schaarsbergen zoals die is aangegeven op de stafkaart 40 (West Arnhem).

Huidige ingang van de Oranjekazerne aan de Clement van Maasdijklaan.

Oude situatie op de Oranjekazerne. In het midden bovenaan de toenmalige ingang van de kazerne aan de Deelenseweg.

Terug naar Boven

 

O.R.D.

Voluit: Orde, Rust en Discipline.

Het op 1 juli 2004 ingevoerde Reglement ORD bepaalt dat militairen buiten de diensturen dienst kunnen verrichten ten behoeve van het controleren en, zo nodig, handhaven van de orde en rust op de kazerne.

De ORD-dienst dient in geval van een verstoring de orde en rust te herstellen. Ongepaste gedragingen/attitudes mogen nooit genegeerd of gedoogd worden.

Hierbij weegt de orde op de kazerne of een vermoeden van strafbare feiten zwaarder dan de persoonlijke levenssfeer van militairen, aldus Bevelhebber der Landstrijdkrachten, luitenant-generaal Maarten Schouten bij de herintroductie van de officier van kazernepiket (OKP) in 1997.

Steekproefsgewijze controle op orde en rust geldt in de breedste zin, voor zover de wet- en regelgeving op de kazerne buiten de diensturen dit toelaat. Voorbeelden hiervan zijn:

► aanwezigheid van brandveiligheid en hygiëne op de legeringskamers
► afwezigheid van alcoholmisbruik, drugsgebruik, geluids- en/of lichtoverlast en ongewenst gedrag op de legeringskamers
► behoorlijk/fatsoenlijk/gewenst gedrag en de acceptatie van militaire normen, waarden en tradities in het algemeen
► sluitingstijd van onderdeelbars

Wanneer, ter correctie, een militair die hierop wordt aangesproken de orde en rust niet wenst te herstellen, wordt in het uiterste geval de krijgstucht toegepast.

Het Reglement ORD kan worden uitgevoerd binnen een opgedragen kazerne- of onderdeelsdienst. Voor beide diensten geldt een vergoeding, zoals vastgesteld in de Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid (VROB).

In het kader van een kazernedienst worden door of namens de commandant van de Lokale Facilitaire Dienst (LFD) instructies, richtlijnen en aanwijzingen uitgevaardigd waarin de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het personeel dat deze kazernediensten verricht, worden beschreven.

Zo kan de kazernedienst van de OKP voor zijn taakstelling de beschikking krijgen over militairen die een aanwezigheidsdienst (maximaal 24 uur, alleen op afroep) of piket (voltijds ter beschikking en mogelijk langer dan 24 uur) op de kazerne draaien. Hierbij is de OKP verantwoording verschuldigd aan de commandant LFD.

In het kader van een onderdeelsdienst worden door of namens de onderdeelscommandant instructies, richtlijnen en aanwijzingen uitgevaardigd waarin de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het personeel, dat deze onderdeelsdiensten verricht, worden beschreven. 

Zie ook: Gedragscode Defensie en Gedragscode KL.

Terug naar Boven

 

ORDONNANS

Duits: Ordonnanz. Engels: courier. Frans: courrier. Militaire koerier, meestal één van de manschappen, die belast is met het overbrengen van mondelinge en/of geschreven berichten, zoals bevelen, documenten, rapportages, sitreps en stafkaarten – of eenvoudige, vaak eenmalige opdrachten - van en naar zijn superieuren op de commandopost (CP) of het hoofdkwartier (HQ).

Moto Guzzi V50, zoals die jarenlang bij de landmacht in gebruik was ten behoeve van de ordonnans

Tegenwoordig voert de ordonnans zijn taak vooral gemotoriseerd uit, binnen de Koninklijke Landmacht tot voor kort met de Moto Guzzi V50. Daarvóór werden ordonnanstaken ook te voet, te paard en per fiets uitgevoerd, of zelfs per postduif, zoals tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Juist vóór de Tweede Wereldoorlog telde de Nederlandse krijgsmacht nota bene twee regimenten wielrijders die behalve beveiligings-, koeriers- en verkenningsdiensten ook ordonnanstaken verrichtten.

De meest bekende en sportieve ordonnans was Pheidippides van Marathon; deze Griekse militair rende in 490 vóór Christus van Marathon naar Athene om te waarschuwen dat de Perzen waren binnengevallen. Naar zijn langeafstandsloop is later de marathon (42.195 meter) genoemd.

Zie ook: runner.

Terug naar Boven

 

ORGANIEK

Veel binnen Defensie gebruikt bijvoeglijke naamwoord. Van het Latijn ‘organum’ (werktuig). Frans: organique.

Voorbeeldzinnen waarin ‘organiek’ wordt gebruikt:

“Het specifiek en organiek gereedstellen van eenheden.”

“Het Eerste Legerkorps was organiek een onderdeel van het Veldleger.”

“Een organiek bepakte rugzak.”

"Een eskadron te paard bestond organiek uit 160 man te paard met acht lichte mitrailleurs."

“De pantserinfanterie beschikt organiek over voertuigen.”

“De aanvullende  transportmiddelen zijn niet organiek bij de eenheid ingedeeld.”

Binnen Defensie heeft ‘organiek’, ook in de officiële documentatie, in de regel de betekenis: standaard; volgens de organisatie van de troepen;  volgens de OTAS (Organisatie Tabel en Autorisatie Staat); volgens de TOMA (Tijdelijke Oplossing Materieel Administratie). In ruimere zin: wat niet los kan worden gezien van de structuur van; wat onlosmakelijk verbonden is met.

Buiten deze context wordt ‘organiek’ frequent en clichématig gebezigd, vaak in de betekenis van: automatisch, mechanisch, werktuiglijk.

Terug naar Boven

 

OSCAR MIKE

Samentrekking van de fonetische letters O (Oscar) en M (Mike) uit het NATO-spelalfabet.

De betekenis van de samentrekking ‘Oscar Mike’ is “on the move”: en route; onderweg; vertrokken.

Voorbeeld: “Over vijf minuten zijn wij Oscar Mike”.

De kreet is onder meer veelgehoord in ‘Generation Kill’ (2008, HBO), een 7-delige miniserie, waarin de Rolling Stone-verslaggever Evan Wright embedded is met het 1st Recon Marines tijdens de Amerikaanse opmars naar Bagdad in 2003.

Terug naar Boven

 

O.S.M.E.A.L.Q.

De Belgische variant van het NAVO-5-paragrafenbevel is het ezelsbruggetje – of zoals de Belgen noemen: memotechnisch woord – OSMEALQ:

ENGELS

NEDERLANDS

O

orientation

oriëntatie

S

situation

situatie

M

mission

opdracht

E

execution

uitvoering

A

administration

leiding

L

liaisons

liaisons

Q

questions

vragen

Zie ook: NAVO-5-paragrafenbevel.

Terug naar Boven

 

O.T.V.O.E.M.

Ezelsbruggetje dat wordt gebruikt voor een verkorte analyse van de essentiële aspecten in het operationele besluitvormingsproces van de commandovoering:

O

Opdracht

Is de opdracht, zoals die is ontvangen, begrepen

T

Terrein & Weer

H.N.B.W.V.

V

Vijand & Partijen

Wie, wat, waar, wanneer, hoe, met welke middelen

O

Overige groeperingen en aspecten

Tijd & Ruimte

E

Eigen middelen

Organieke middelen

Onderbevelstellingen

Steunende eenheden

Toegewezen extra materieel

M

Ontwikkelen van de eigen mogelijkheden

Mogelijke wijzen van optreden vaststellen en daaruit, op grond van de feiten, de beste kiezen

Zie ook: beoordeling van toestand (BVT), chef-staf, H.N.B.W.V., NAVO-5-paragrafenbevel, O.A.T.D.O.E.M. en operationeel besluitvormingsproces (OBP).

Terug naar Boven

 

OUT-OF-AREA

Out of area kent een aantal betekenissen:

  1. m.b.t. het optreden van de NAVO
  2. m.b.t. de persoonsgebonden uitrusting (PGU)
  3. m.b.t. de geneeskundige en hygiënische aspecten van een missie

1

Duits: out of area-Einsätze. Frans: opération extérieure; opération hors zone.

Out of area-inzet vindt buiten het geografische verdragsgebied van de NAVO-lidstaten plaats, waar ook ter wereld en al dan niet gemandateerd door de Verenigde Naties.

Out of area is niet nieuw. Sinds het einde van de Koude Oorlog (1989) is er regelmatig over gedebatteerd: het grootschalige Koude Oorlog-optreden (algemene verdedigingstaak) verschoof naar kleinschaliger out of area-inzet. In 1991 gebruikte de Amerikaanse senator Richard Lugar voor het eerst de slagzin "NATO: Out of Area or Out of Business", die werd overgenomen door de NAVO: een nieuwe taak buiten het oorspronkelijke verdragsgebied op zich nemen of haar bestaansrecht verliezen. De aankomende, globaliserende taak werd het bevorderen van de stabiliteit en democratie buiten het grondgebied van de lidstaten.

De eerste out of area-inzet leek de Eerste Golfoorlog (1991), maar de Verenigde Staten eisten de hoofdrol voor zichzelf op. Omdat er geen operationele rol voor de NAVO was weggelegd, verloor de NAVO de eerste echte testcase. Vervolgens betrof de out of area-inzet de Balkan: de NAVO-interventie in Bosnië-Hercegovina (vanaf 1994), de 78 dagen durende operatie Allied Force in Kosovo (1999), operatie Allied Harbour (Albanië, 1999) en de Task Forces Harvest en Fox in Macedonië, respectievelijk in 2001 en 2002. Allemaal operaties op de flanken van het NAVO-verdragsgebied. De vraag of de Balkan-operaties binnen het werkingsgebied van de NAVO vielen, stond niet ter discussie (vanwege de aanwezigheid op het Europese continent), wel of een uitdrukkelijk mandaat van de VN-Veiligheidsraad nodig was.

Tijdens de NAVO-topconferentie in Praag (2002) heeft de NAVO het principebesluit over out of area genomen. De NAVO stemde in met een verzoek van Duitsland en Nederland om het commando van de International Security Assistance Force (ISAF) in Afghanistan over te nemen. Daarmee werd ISAF, dat haar gezag ontleende aan een mandaat van de Verenigde Naties, de eerste échte out of area-inzet voor de NAVO. ISAF was echter een vervolg op dan wel nevenoperatie van Operation Enduring Freedom (OEF), het Amerikaanse initiatief na ‘9/11’ om met prioriteit het terrorisme te bestrijden. Het karakter van ISAF verschoof mede daardoor van traditioneel vredeshandhavend naar vredesafdwingend; ISAF werd een three block war, die ook het voeren van het gevecht als reële optie had.

Na Afghanistan kwam de NAVO in 2005 voor het eerst in haar bestaan in actie in Afrika, in Darfur (Sudan), en in Pakistan na een zware aanbeving die tienduizenden levens kostte.

De NAVO noemt out of area-inzet Non-Article 5: operaties die niets te maken hebben met de kernopdracht van het bondgenootschap: collectieve zelfverdediging (“Een aanval op één is een aanval op allen”).

Non-Article 5 is echter geen verdragswijziging maar voortgevloeid uit de mogelijkheden voor humanitaire inmenging en bescherming van (economische) belangen.

Omdat out of area-operaties buiten het NAVO-verdragsgebied en vaak zelfs op een ander continent plaatsvinden (in het Duits: Machtentfaltung; in het Engels: power projection; in het Frans: déploiement de puissance), kunnen afwijkende eisen ontstaan ten aanzien van de samenstelling van de eenheid (operationele functionaliteiten en componenten). Maar ookmet betrekking tot de strategische verplaatsing en de logistiek. Door de expeditionaire aard van deze ontplooiingen heeft de logistiek onder meer te maken met langere lines of communication, dus een hogere beschermingsgraad voor de gevechtsverzorgingssteuneenheden.

 

2

In het kader van de PGU – de verzameling van militaire kleding en uitrustingsstukken waarover een militair persoonlijk dient te beschikken – kan deze worden uitgebreid met een out of area-pakket. Dit is een kledingpakket ten behoeve van missies dat uitsluitend mag worden gedragen tijdens de uitzendperiode en na terugkeer moet worden ingeleverd.

Er wordt onderscheid gemaakt in jungle-, (koudweer- of) pool- en woestijnpakketten. De verschillen tussen een out of area-pakket en een standaard (DPM)pakket betreffen onder andere de samenstelling van de pakketten, de stof van de kleding, de toegepaste kleur en de camouflage. Aan ieder out of area-pakket zijn speciale uitrustingstukken toegevoegd, zoals snowboots voor het poolpakket en een kapmes voor het junglepakket.

 

3

Pilot tijdens de (militaire) Algemene Deelkwalificaties (ADK’s) ter opleiding tot Algemeen Militair Verpleegkundige (AMV’er). De module is gebaseerd op de volgende cursusmodules voor Algemeen Militair Arts (AMA):

BIUPAMA

Basiscursus Infectieziekten en Uitheemse Pathologie voor AMA

Kennis en inzicht bijbrengen op het gebied van preventie, herkenning en behandeling van infectieziekten en parasitaire aandoeningen bij individuen en groepen (militairen) in gematigde klimaten en tropische gebieden.

 

GOLAMA

Gezondheidszorg in OntwikkelingsLanden voor AMA

Bijbrengen van kennis en inzicht in de diverse facetten van gezondheidszorgsystemen, noodhulp, structuur van en samenwerking met intergouvernementele organisaties (IGO’s) en non-gouvernementele organisaties (NGO's), en aanpak van specifieke lokale gezondheidsproblemen in het kader van crisisbeheersingsoperaties of humanitaire hulp in
tweede en derde wereldlanden.

 

HPGAMA

Hygiëne en Preventieve Gezondheidszorg voor AMA

Kennis en inzicht bijbrengen op het gebied van hygiëne en preventieve gezondheidszorg voor militair personeel onder operationele omstandigheden.

Out of area is gericht op het actief deelnemen van artsen en verpleegkundigen aan de voorbereiding en uitvoering van out of area-operaties in relatie tot alle mogelijke aspecten van gezondheidszorg en HPG. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan prioriteitenmodellen die bijvoorbeeld een Quick & Dirty-triage bij humanitaire hulpverlening en natuurrampen mogelijk maken: snelle, beperkte consultvoering bij patiënten aan de hand van spoed- en alarmsignalen bij een tijdelijk en plaatselijk hogere vraag naar dan aanbod van gezondheidszorg.

Humanitaire hulpverlening leert dat de aanwezigheid van koorts en koortsende ziekten (dengue, leishmaniasis, leptospirose, Lyme, malaria e.d.), dehydratie (uitdroging), diarree, huid- en infectieziekten, malnutritie (ondervoeding), prostratie (hoge graad van uitputting), Systemic Inflammatory Response Syndrome (SIRS; algemene ontstekingsreactie) en/of sepsis (SIRS met infectie) in ontwikkelingslanden veel voorkomen.

Een voorbeeld van actieve deelname van militair-geneeskundig personeel aan een humanitaire actie, is operatie Provide Care in 1994.

Terug naar Boven

 

OUTBREAK RESPONSE TEAM

Afgekort: ORT. Team dat snel kan en moet inspringen bij de uitbraak van een gevaarlijke (infectie)ziekte tijdens een buitenlandse missie waarbij Defensiepersoneel wordt bedreigd.

Het ORT is verantwoordelijk voor de geneeskundige aspecten van de beheersing en bestrijding hiervan – inclusief de infectiebron of –haard.

De ORT-capaciteit wordt vanuit Nederland ingevlogen naar het missiegebied en werkt ter plekke samen met de civiele autoriteiten, World Health Organization (WHO) en de lokale gezondheidszorg.

Wanneer de lokale militaire gezondheidszorgcapaciteit in het uitzendgebied de infectieziekte niet kan bestrijden, kan het ORT in actie komen. Ook kan het zijn dat het geneeskundig personeel in het uitzendgebied kwalitatief en/of kwantitatief niet toereikend is voor het bestrijden van infectieziekten:

    • Er is geen kennis en kunde op het gebied van infectieziekten aanwezig.
    • Geneeskundig personeel ter plekke is besmet.
    • De hoeveelheid patiënten overstijgt de beschikbaarheid van geneeskundig personeel.

Het besluit tot inzet van het ORT ligt bij de Commandant der Strijdkrachten (CDS), die hierover medisch inhoudelijk wordt geadviseerd door het Infectieziekten Bestrijdings- en Coördinatie Team (IBCT). Het IBCT bestaat uit medische en public health deskundigen van Defensie, aangevuld met externe deskundigen op het gebied van infectieziekten. Het CLAS draagt zorg voor het inzetgereed maken en houden van de zes ORT’s: 4 x CLAS (KL), 1 x CZSK (KM) en 1 x CLSK (KLU).

Een ORT bestaat uit een arts (tevens commandant ORT), Algemeen Militair Verrpleegkundige (AMV’er), HPG'er en een (materieel)logistiek deskundige. De arts is het aanspreekpunt voor Nederland (CDS, DOC, IBCT e.d.). De verpleegkundige assisteert de arts, verpleegt de patiënten, doet medisch onderzoek en zorgt ervoor dat de ziekte zich niet verder verspreid. De HPG’er doet lokaal onderzoek, o.a. naar dierplagen, maakt monsters van bijvoorbeeld drinkwater en levensmiddelen, identificeert chemische en radiologische stoffen en voert preventieve maatregelen uit op niet-geneeskundig gebied. De logisticus zorgt er o.a. voor dat de monsters op de juiste manier verpakt worden en naar het laboratorium in Nederland worden gestuurd.

Gezamenlijk draagt het team zorg voor bron– en contactopsporing, epidemiologisch onderzoek, alle medische aspecten van de beheersing van de infectieziekte, verslaglegging en geeft aanvullende informatie om onnodige uitbreiding van de infectie te voorkomen.

Het team heeft daarnaast eigen uitrusting en verbindingsmiddelen.

Terug naar Boven

 

OVERFLIGHT REPORT

Rapport dat vanaf een positie dient te worden opgemaakt bij overvliegende vijandelijke vliegtuigen en helikopters.

Een overflight report wordt doorgegeven via de radio aan de OPS-Room op een compound. Op de OPS-ROOM komen alle rapporten met meldingen vanuit verschillende posities binnen, meest bij Peace Support Operations.

A

Tijd eerste waarneming

 

B

Tijd eerste waarneming

 

G

Aantal + Soort + Land van herkomst

 

J

Vliegrichting ten opzichte van eigen locatie (van… naar… )

 

K

Geschatte vlieghoogte (sluipvliegend; contourvliegend; low level)

 

M

Bijzonderheden; genomen maatregelen

Terug naar Boven

 

OVErige operationele taken

Afgekort: OOT. Eenheden kunnen zgn. Overige Operationele Taken hebben. In dit geval kunnen zij, indien nodig, daarin of daarvoor worden ingezet in een operatiegebied in andere dan een organieke taakstelling. OOT geldt met voor artillerie-, tank- en luchtdoelartillerie-eenheden.

OOT komt erop neer dat het beheersen van het optreden te voet en het optreden in verstedelijkte gebieden essentieel zijn voor deze eenheden.

Zie ook: Air Manoeuvre Brigade, Als de poep de ventilator raakt, Every soldier a rifleman, lichte infanterie, Overige Operationele Taken (OOT), pantserinfanterie en rode baret.

Terug naar Boven

 

OVERLEVEN

Duits: Überleben. Engels: survival. Frans: survie.

Overleven… op het gevechtsveld. Dit is de militaire variant van overleven.

Het laagste niveau van vorming is de individuele militair (niveau I). Vorming – door de dagelijkse omgang met collega’s en het behalen van leer- en vormingsdoelen – is onmisbaar om te kunnen overleven op het gevechtsveld en uiteindelijk militair succes mogelijk te maken. Tijdens overleven op het gevechtsveld worden de militaire basisvaardigheden (gestandaardiseerde skills en drills) aangeleerd. Zodat de opgeleide en getrainde militair kan overleven op het onoverzichtelijke en gevaarlijke gevechtsveld: onder de meest primitieve omstandigheden en in alle typen terrein.

De Britse oud-SAS'er Bear 'Ultimate Survival' Grylls, de Canadees Les 'Survivorman' Stroud, de stichter van de School of Wilderness Bushcraft (Woodlore), de Brit Ray 'Bushcraft' Mears, de Australiër Rob 'Barefoot Bushman' Bredl en de schrijver van 'The SAS Survival Handbook', John “Lofty” Wiseman, zijn allen vertegenwoordigers van de survival-hype die de wereld overspoelt.

Wanneer iemand werkelijk een calamiteit, oorlogsomstandigheden, natuurrampen of andere eventualiteiten dient te overleven, is de enige vraag die ertoe doet – “Hoe blijf ik in leven?” - moeilijker uit te voeren dan in boeken of op televisie wordt gesuggereerd. Bij de populaire survival-televisieprogramma’s worden de presentator en de crew bij de opnamen om veiligheidsreden direct ondersteund. Het is dan ook uiterst onverstandig om zonder voldoende eigen training en zonder professionele begeleiding zelf gevaarlijke gebieden te betreden. Hier luidt maar één devies: “Don’t try this at home”.

In beginsel is overleven op het gevechtsveld (in het Duits: Überleben im Gefecht; in het Engels: combat survival; in het Frans: mesures de survie en zone de combat) bedoeld om krijgsgevangenschap te ontlopen wanneer iemand is afgesneden van eigen troepen en wil terugkeren naar de eigen opstellingen.

Het Field Manual 21-76 (U.S. Army Survival Manual) hanteert het volgende ezelsbruggetje voor "survival" :

S

Size up the situation (surroundings, physical condition, equipment)

U

Use all your senses (“Undue haste, makes waste”)

R

Remember where you are

V

Vanquish fear and panic

I

Improvise

V

Value living

A

Act like the natives

L

Live by your wits (but for now: learn basic skills)

De overlevende ontwikkelt onder moeilijke (en in de regel steeds moeilijker wordende) omstandigheden, in een als onveilig ervaren omgeving, zeer snel een menselijke drang tot overleven. Daarvoor heeft hij, zeker wanneer hij diep in vijandelijk gebied verkeert, enkele basale overlevingsvaardigheden (survival skills) nodig: beschutting, drinkwater en vuur. Camouflage en munitie zijn de specifiek militaire vereisten.

Overleven vraagt om hoge fysieke en mentale eisen. Overlevenden, die om zich heen gewonde en dode collega’s zien, kunnen eveneens door de vijand worden gevangengenomen of doodgeschoten. Alleen indien noodzakelijk zal de overlevende risico’s nemen en bijvoorbeeld terugvechten (doden voordat hijzelf gedood wordt). Daarom moet hij zich van tactieken bedienen om in leven te blijven. Deze tactieken zijn samengevat in het ezelsbruggetje “kauwgrind” (kiezelsteentjes om op te sabbelen zodat er, ook onder de droogste omstandigheden, speeksel wordt aangemaakt):

K

Kennis geeft zelfvertrouwen

A

Angst de baas blijven

U

Uit handen van de vijand blijven

W

Wil om te overleven

G

Gezond verstand gebruiken

R

Rugzak tactisch bepakt

I

Improvisatievermogen

N

Nooit opgeven

D

Discipline strikt handhaven

De tactisch bepakte rugzak bevat tenminste een betrouwbaar overlevingspakket (in het Duits: Überlebensausrüstung; in het Engels: survival kit; in het Frans: kit de survie).

Zie ook: grabbag en parakoord.

Terug naar Boven

 

OVERNAMELIJN

Een in het terrein herkenbare (coördinatie)lijn waar de commandant het gevechtscontact laat overnemen. Vanaf de overnamelijn wordt het gevechtscontact:

overgenomen door de voorwaarts doorschrijdende eenheid

overgedragen door de achterwaarts doorschrijdende eenheid

Zie ook: doorschrijding.

Terug naar Boven

 

OVERWATCH

In het Nederlands: uitkijk. Van oorsprong de rol waarin troepen of tanks waarnemen en indien nodig dekkingsvuur geven.

Een geografisch hoger dan de omgeving gelegen beheersend terreindeel, bijvoorbeeld aan de rand van een berg- of heuveltop, van waaruit de omgeving kan worden overzien (“overwatched”) en beveiligd. Het inrichten van een overwatch maakt in de regel deel uit van een verplaatsingstechniek voor eenheden van maximaal compagniesgrootte.

Daarbij:

  • verplaatsen de elementen in het voorste deel van de gevechtszone met overlappende sprongen

traveling overwatch

  • verplaatsen de elementen in het voorste deel van de gevechtszone met aansluitende sprongen

bounding overwatch

Bij het waarnemen hebben vijandelijke bewegingen en/of posities hebben eerste prioriteit. Op de positie staan de eenheden in een rondombeveiliging.

Vanaf de overwatch gaan tactische eenheden, bijvoorbeeld een patrouille te voet, erop uit. Zij worden waargenomen en (middels boord- en overige wapens) beveiligd door de eenheid op de hoger gelegen positie. Genoemde eenheden wordt met een bepaalde reactietijd opgedragen de aandacht 24/7 op het voorste deel van de gevechtszone te richten waar de patrouille te voet zich bevindt.

Ideale situatie van een overwatch:

  • Eigen troepen in het voorterrein moeten zich bevinden binnen ‘tracer burnout’ (tot waar de tracers van het wapen met het grootste bereik zichtbaar zijn), d.i. bij kleinkaliberwapens maximaal 1½ km
  • Er bevinden zich gevechts(verzorgings)steuneenheden, zoals geneeskundig, genie en vuursteun
  • Uitgevoerd door een peloton bij een compagniesactie; uitgevoerd door pantservoertuigen bij een pelotonsactie

De overwatch wordt tevens gecreëerd om overzicht te houden over het geheel tijdens het oponthoud van een konvooi én als rendez-vous in geval van een noodsituatie voor alle eenheden die zich in het voorterrein bevinden.

Terug naar Boven

 

Laatste update:03.04.2013